Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2006
  • Download PDF

2.2 De Nederlandse economie in vogelvlucht

Economie wacht op herstel

Het geduld wordt nog even op de proef gesteld. De groeiramingen voor 2005 zijn neerwaarts bijgesteld ten opzichte van de Miljoenennota 2005 en het CPB raamt nu een groei van het bruto binnenlands product (BBP) van slechts een ½ procent. Deze nieuwe tegenvaller is voor een groot deel het gevolg van externe ontwikkelingen zoals de fors hogere olieprijs en een tegenvallende wereldhandel. Werd eerder nog gesproken van een overgangsjaar, met de huidige inzichten lijkt 2005 economisch toch vooral als slecht te kwalificeren. De tegenvallende conjunctuur is voor iedereen duidelijk merkbaar: de koopkracht daalt in 2005 naar verwachting gemiddeld met 1½ procent en de werkloosheid loopt voor het vierde achtereenvolgende jaar op.

Voorspellingen (en voorlopige realisaties!) geen garanties

De oorzaak van de neerwaartse bijstelling van de groei lijkt voor het grootste deel achter ons te liggen. Met name in het eerste kwartaal 2005 viel de groei flink tegen (een krimp van 0,5 procent op jaarbasis). De vooruitzichten voor de komende periode zijn aanmerkelijk beter (voor het tweede kwartaal meldde het CBS al een positieve groei van 1,3 procent). Alle ramers/instituten verwachten voor volgend jaar herstel van de economie en het CPB raamt nu een groei van 2½ procent. Dit is een gezonde opleving: geen hausse zoals in 1999–2000, maar het ergste lijkt achter de rug. Natuurlijk is het herstel van de economie al eerder – ten onrechte – aangekondigd. Ramingen zitten er vaak naast en juist de omslagpunten in de conjunctuur blijken moeilijk te voorspellen1. Ook de realisatiecijfers van het CBS moeten met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd – zoals duidelijk wordt uit de recente zeer aanzienlijke bijstellingen van eerdere ramingen. Dit pleit voor een langetermijnvisie bij het sociaal-economisch beleid, in plaats van te reageren op (vermeende) kortetermijn conjuncturele schommelingen.


Box 2.2.1 Scherpe conjunctuuromslag: soms zit het mee, soms zit het tegen

Volgens de meest recente ramingen van het CPB bedraagt de BBP-groei in de periode 2001–2005 gemiddeld 0,7 procent per jaar. Dat is de laagste gemiddelde vijfjaarsgroei sinds de jaren dertig (ex aequo begin jaren tachtig). Bovendien was sprake van een uitzonderlijke omslag: in de vijf jaar daarvoor (1996–2000) groeide de Nederlandse economie juist buitengewoon snel: met 3,7 procent per jaar ver boven het gemiddelde van de EMU-landen. Het dal was weliswaar niet uitermate diep, maar duurde wel uitzonderlijk lang: gerekend vanaf de top in het derde kwartaal van 2000 duurde de periode van laagconjunctuur veertien kwartalen (en dan wordt 2004 niet meegeteld). Daarmee was het zelfs de langste na-oorlogse periode van laagconjunctuur.


Wat veroorzaakte de grote omslag (en de langdurige dip)? In tabel 2.1.1 is te zien dat de meeste factoren die in de periode 1996–2000 de groei tot grote hoogte opjaagden, in de periode daarna wegvielen, of zelfs als rem op de groei werkten. Achter deze cijfers gaat een aantal extreme, exogene schokken schuil zoals eerst de ICT-hausse en vervolgens de aanslagen van 11 september, boekhoudschandalen in de VS én Europa, SARS, de Irak-oorlog en – dichter bij huis – de problemen bij de pensioenfondsen en de vogelpest.

Tabel 2.2.1. Grote verschillen tussen opgaande en neergaande fase conjunctuurGemiddelde mutaties per jaar (tenzij anders vermeld)
 1996–20002001–2005
BBP (volume)3,70,7
Beursindex (AEX, jaargemiddelde)26,7– 15,3 (tot 2004)
Huizenprijs12,95,6 (tot 2004)
Pensioenpremie (in procentpunt brutoloon bedrijven)0,11,7
Arbeidsaanbod (personen volume)1,90,6
Relevante wereldhandel(volume)7,54,0
Arbeidskosten per eenheid product0,81,6
 
Olie (Brent in dollars, jaargemiddelde)1113
Eurokoers (dollar per euro)– 7,76,2
Prijsconcurrentiepositie1,6– 2,3

Bron: CPB – Voor 2005 zijn de meest recente ramingen gebruikt. Voor de AEX en huizenprijzen is het niet gepast voorspellingen voor het verloop in 2005 te doen – de ontwikkelingen in de eerste helft van 2005 suggereren een positiever verloop.


Hoe erg zijn scherpe conjuncturele schokken voor Nederland? Over de gehele periode 1996–2005 heeft de Nederlandse economie relatief goed gedraaid, per saldo ongeveer 5 procent beter (meer BBP-groei) dan het eurogebiedgemiddelde. De werkloosheid is sinds 2001 bijna verdubbeld, maar ligt nog duidelijk lager dan begin jaren negentig – en is bovendien nog steeds nauwelijks de helft van het EU-gemiddelde. Relatief grote schokken zijn ook niet onlogisch voor een kleine open economie als de Nederlandse. Zo beschouwd lijkt er geen reden voor bezorgdheid, maar het is te gemakkelijk om alleen naar de gecumuleerde groeicijfers te kijken. Bij grote en langdurige conjuncturele uitslagen is sprake van economische onevenwichtigheden. Dit gaat onder andere samen met grote schommelingen in inkomen en de sociale positie van individuele burgers. Conjuncturele schommelingen veroorzaken bovendien onzekerheid – en via risicopremies kan dit leiden tot lagere bestedingen (zoals lagere investeringen). Ten slotte kunnen langdurige conjuncturele uitslagen negatieve structurele gevolgen hebben, bijvoorbeeld doordat werknemers als gevolg van langdurige werkloosheid vaardigheden verliezen.


De sterke groeiomslag valt grotendeels toe te schrijven aan exogene schokken. Daaraan is natuurlijk weinig te doen. De vraag is echter of specifieke kenmerken van de Nederlandse economie de schokken hebben versterkt. De groeiomslag is grosso modo voor de helft toe te schrijven aan de export – en daarbij speelden de hierboven genoemde exogene schokken een grote rol. De meeste van deze schokken golden echter ook voor andere eurolanden en kunnen het grote groeiverschil met het eurogebied niet goed verklaren. Doordat de arbeidskosten in Nederland vanaf 1998 min of meer continu harder zijn gestegen dan in de concurrerende landen, is de Nederlandse concurrentiepositie gaandeweg echter sterk verslechterd. Dit kan wel verklaren waarom Nederlandse bedrijven relatief hard werden getroffen door het inzakken van de wereldhandelsgroei in 2001 en 2002. Voor de rest van de verklaring moet worden gekeken naar de particuliere consumptie, verantwoordelijk voor grofweg de andere helft van de groeiomslag. De omslag in de consumptie hangt in sterke mate samen met een in Nederland relatief sterke doorwerking van vermogenseffecten: eind jaren negentig werden vermogenswinsten uit aandelen en huizen verzilverd en geconsumeerd. Zowel de aandelenmarkt als de huizenmarkt vertoonde in de periode 1995–2000 sterkere prijsstijgingen in Nederland dan in het eurogebied. Bovendien blijkt uit onderzoek van DNB dat het effect op de particuliere consumptie (via bijvoorbeeld verzilvering van overwaarde) in Nederland relatief sterk is (eerst positief, vanaf 2001 negatief). De ontwikkeling van de vermogens bij pensioenfondsen in combinatie met het premiebeleid droeg ook bij aan de omslag in de particuliere consumptie (en door het unieke kapitaalgedekte pensioenstelsel was het effect van de conjunctuuromslag op de pensioenpremies in Nederland ook groter dan in andere landen). Op de invloed en timing van het begrotingsbeleid wordt in box 4.3 in hoofdstuk 4 nader ingegaan.


De huidige lange conjuncturele neergang heeft bovendien de aandacht gevestigd op enkele meer structurele problemen. De snelle verslechtering van de concurrentiepositie aan het begin van dit decennium was zorgwekkend en was ook het gevolg van nog onvoldoende flexibiliteit op de arbeidsmarkt. Zo valt op dat op de top van de conjunctuur, toen loonstijgingen een grote vlucht namen en de concurrentiepositie snel verslechterde, toch nog ruim twee miljoen mensen thuiszaten met een collectief gefinancierde uitkering. Deze observatie was voor het kabinet reden de werking van de arbeidsmarkt en de relatie met de sociale zekerheid kritisch te bezien. Zie paragraaf 2.3 voor een uitgebreidere bespreking van de collectief gefinancierde inactiviteit.

Onderliggende ontwikkelingen geven blijk van kracht

Omdat het voorspellen van de exacte omslagpunten zo lastig is, is het belangrijk om niet alleen te kijken naar conjuncturele data, maar ook naar de onderliggende, meer structurele ontwikkelingen. Iedere periode van laagconjunctuur draagt de kiem in zich voor het daaropvolgende herstel. Dat dit ook nu het geval is, wordt duidelijk wanneer wordt gekeken naar zowel de meest recente (conjuncturele) cijfers als de onderliggende (deels structurele) ontwikkelingen op verschillende deelterreinen. Positief conjunctureel nieuws is bijvoorbeeld dat de stijging van de werkloosheid in de loop van 2005 ten einde lijkt te zijn gekomen. Onderliggend is de afgelopen jaren veel goeds gebeurd. Alhoewel nog steeds sprake is van een (te) groot reservoir van onbenutte arbeid (zie paragraaf 2.3), kende de arbeidsmarkt de afgelopen periode wel degelijk een sterke onderliggende dynamiek. De ingezette loonmatiging heeft al bijgedragen aan het niet verder verslechteren van de concurrentiepositie, bedrijven hebben de afgelopen periode aangepakt om orde op zaken te stellen en huishoudens hebben hun financiële vermogenspositie geleidelijk zien verbeteren. De door het kabinet ingezette hervormingsagenda draagt bij aan verdere structurele versterking van het Nederlandse groeivermogen. In het onderstaande wordt dieper ingegaan op deze ontwikkelingen.

Dynamiek op de arbeidsmarkt

In 2005 komt de stijging van de werkloosheid ten einde – naar verwachting loopt deze nog op tot 505 duizend. Dat is minder dan vorig jaar werd voorzien: in de vorige Miljoenennota werd nog uitgegaan van een werkloosheid van 550 duizend. Deze «meevaller» is niet alleen maar goed nieuws, want voor een deel het gevolg van een kleiner dan verwacht arbeidsaanbod (het zogeheten «discouraged-worker effect»: mensen denken dat het geen zin heeft de stap naar de arbeidsmarkt te wagen in de tegenvallende conjunctuur2).Toch zijn er wel degelijk signalen dat de arbeidsmarkt de ergste conjuncturele dip te boven is: de werkloosheid loopt de laatste maanden al iets terug, er gaan minder banen verloren, het aantal openstaande vacatures is al zes kwartalen op rij gestegen en ook het aantal uitzenduren neemt al langere tijd toe. Voor 2006 wordt voor het eerst in vijf jaar een daling van de werkloosheid voorzien (naar 475 duizend).


Op korte termijn lijkt de dynamiek op de arbeidsmarkt dus te verbeteren. Een blik op de verdeling van de werkgelegenheid naar bedrijfstak laat bovendien zien dat een flinke, onderliggende, structurele verschuiving van arbeid heeft plaatsgevonden. Uiteraard is de werkgelegenheid in de verschillende bedrijfstakken gevoelig voor de conjunctuur. Wanneer verder wordt gekeken, wordt het echter duidelijk dat bijvoorbeeld de industrie tegelijkertijd een structurele krimp doormaakt, terwijl de werkgelegenheid in de dienstensector juist sterk is gegroeid3. De onderliggende dynamiek blijkt ook uit data over de bruto stromen op de arbeidsmarkt. Kock4 vindt dat in de periode 1991–1997 gemiddeld 939 duizend nieuwe banen per jaar werden gecreëerd (en 856 duizend werden vernietigd). Bovendien is deze dynamiek sinds het midden van de jaren tachtig toegenomen. Internationaal goed vergelijkbare gegevens over bruto-stromen zijn schaars, maar Gomez-Salvador, Messina en Vallanti (2004)5hebben voor de EU-15 banenstromen in en uit bedrijven geconstrueerd op basis van individuele bedrijfsgegevens. Hun data suggereren dat de Nederlandse arbeidsmarktdynamiek relatief hoog is.


Zoals elders beschreven (in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 3), heeft het kabinet een aantal maatregelen genomen die het arbeidsaanbod en de flexibiliteit op de arbeidsmarkt verder ten goede komen. Denk aan de omvorming van de «oude» bijstand in de meer activerende Wet werk en bijstand, de aanpassingen in de arbeidsongeschiktheidsregelingen die de instroom al hebben teruggebracht, de extra prikkels (voor werkgevers en werknemers) in de nieuwe Ziektewet, het niet langer stimuleren van eerder stoppen met werken, de meer activerende vormgeving van de WW, de nieuwe Wet kinderopvang, en beleid gericht op het terugdringen van de armoedeval (zoals de verdere verhoging van de arbeidskorting in 2006). Al deze maatregelen dragen ertoe bij dat de dynamiek op de arbeidsmarkt verder verbetert, zodat deze goed kan reageren op een conjuncturele opleving.

Verbetering concurrentiepositie en investeringsklimaat

De concurrentiepositie van het bedrijfsleven stond de afgelopen jaren onder druk. In 2001–2003 verslechterde de positie voornamelijk als gevolg van relatief (te) hoge stijgingen van de loonkosten in Nederland. De daaropvolgende loonmatiging, die dankzij het Sociaal Akkoord werd gerealiseerd, zorgde ervoor dat de concurrentiepositie ten opzichte van de concurrenten uit het eurogebied in 2004 alweer kon verbeteren. Ten opzichte van álle concurrenten verbeterde de concurrentiepositie echter nog niet; dit was het gevolg van de appreciatie van de euro waardoor Nederlandse producten in bijvoorbeeld Amerikaanse dollars duurder werden. Doordat de arbeidskosten in de periode 2004–2006 minder stijgen dan bij onze concurrenten, is wel de basis gelegd voor een verbetering van de algehele Nederlandse concurrentiepositie in 2005 en 2006. Dan kunnen de Nederlandse exporteurs ook weer profiteren van de verwachte aantrekkende wereldhandel. Voortdurende loonmatiging is daartoe echter wel van groot belang.


De ondernemers in de industrie verwachten dit jaar 20 procent meer te investeren dan in 2004 (volgens een enquête van het CBS). Het CPB raamt voor 2005 weliswaar slechts een lichte stijging van de investeringen, maar verwacht dat de bedrijfsinvesteringen volgend jaar weer flink aantrekken.

Ook verwacht het CPB dat de bedrijfswinsten zich volgend jaar verder zullen herstellen. Dit wordt al zichtbaar in de meest recente cijfers van het CBS: de winst na belastingen van de niet-financiële bedrijven steeg in 2004 met 7,0 miljard tot 60,8 miljard euro. De toegevoegde waarde van niet-financiële bedrijven steeg in 2004 met 2,7 procent. Deze stijging is het dubbele van die in 2003.

Figuur 2.2.1 Vermogenspositie bedrijven (indexcijfers – 1995=100)



kst88447_01.gif

Bron: http://reach.bvdep.com


Net als op de arbeidsmarkt, is ook in het bedrijfsleven sprake van sterke onderliggende (structurele) activiteit. Cijfers over de toe- en uittreding van bedrijven over de periode 1995–2003 laten zien dat het aantal starters en beëindigingen in Nederland vergelijkbaar is met dat in andere landen in Europa (maar iets lager dan in de VS). In 2004 was er echter een recordaantal faillissementen én nieuwe bedrijven, wat wijst op nieuwe dynamiek. Cijfers van DNB laten bovendien zien dat veel bedrijven de afgelopen periode hebben gebruikt om hun financiële situatie weer op orde te brengen6 (zie figuur 2.2.1).


Belangrijk speerpunt van het kabinet is de verbetering van het ondernemingsklimaat. Vorig jaar werd bijvoorbeeld al de voorbereiding van een grondige modernisering van de vennootschapsbelasting aangekondigd. Dit voorjaar heeft het kabinet de nota «Werken aan winst» aan de Tweede Kamer gestuurd. De nota bevat een pakket aan fiscale maatregelen om bedrijven naar Nederland te halen en in Nederland te houden. De voorgestelde verdere tariefsverlaging en grondslagverbreding zullen leiden tot een meer concurrerende belasting van ondernemingen. Een van de maatregelen uit het pakket is de afschaffing van de kapitaalsbelasting per 1 januari 2006. Dit maakt het voor bedrijven gemakkelijker en goedkoper om kapitaal bijeen te brengen en daarmee te ondernemen. Ook stelt het kabinet voor om met ingang van komend jaar het tarief van de vennootschapsbelasting nog eens extra te verlagen, naar een niveau van 29,6 procent (bijna 5 procentpunten lager dan aan het begin van de kabinetsperiode). Andere maatregelen die bijdragen aan het ondernemingsklimaat, zijn bijvoorbeeld steun voor startende bedrijven, subsidie voor speur- en ontwikkelwerk en natuurlijk de verlaging van administratieve lasten (zie bijlage 7).

Herstel financiële positie huishoudens

Volgend jaar zal de particuliere consumptie naar schatting licht toenemen, met 1 procent7. De koopkracht stijgt in 2006 ook licht (gemiddeld – er zijn wel relatief grote individuele verschillen). De inkomens van huishoudens ontwikkelen zich in 2006 gunstiger door de groei van het aantal banen en de maatregelen van het kabinet ter ondersteuning van de koopkracht (zoals de verlaging van de WW-premie en de verhoging van de algemene heffingskorting (zie box 1.3.1 in hoofdstuk 1). Prijsstijgingen zijn volgend jaar – gemiddeld genomen – beperkt (zie box 2.2.2).

Figuur 2.2.2 Vermogenspositie huishoudens (x € miljard)



kst88447_02.gif

Bron: DNB


Net als op de arbeidsmarkt en in het bedrijfsleven, is ook bij de huishoudens sprake van positieve onderliggende ontwikkelingen. Na grote klappen in 2000 hebben de vermogensposities van de huishoudens zich de afgelopen periode weten te herstellen (zie figuur 2.2.2). De huizenmarkt kwam in rustiger vaarwater (maar de gematigde prijsstijging droeg wel bij aan een versterking van de vermogenspositie – ook te zien in figuur 2.2.2 bij «overwaarde»). De AEX-index krabbelde op en ook de pensioenfondsen zagen hun financiële positie verbeteren. De overheid, ten slotte, heeft eveneens haar financiën verbeterd (zie hoofdstuk 4 voor details), waardoor er ruimte is voor gerichte uitgavenintensiveringen en een lastenverlichting.


Box 2.2.2 Inflatie


De inflatie in Nederland is momenteel uitzonderlijk laag. De verandering in de consumentenprijsindex (CPI) bedroeg in 2004 1,2 procent, en dit jaar zal de inflatie naar verwachting op een vergelijkbaar cijfer uitkomen. Hiermee bevindt de inflatie zich op het laagste niveau sinds 1989. In de jaren daarna – tot 2004 was de gemiddelde inflatie steeds 2 procent of hoger. De inflatie is niet alleen in historisch perspectief laag, ook in vergelijking met andere Europese landen is de prijsstijging in Nederland klein. In 2004 lag de Nederlandse inflatie ruim onder de gemiddelde inflatie in Europa. Ook in 2005 behoort de Nederlandse inflatie tot de laagste in Europa.


De lage inflatie wordt onder andere veroorzaakt door de prijzenoorlog tussen de supermarkten. Voedingsmiddelen werden hierdoor in 2004 3,5 procent goedkoper dan het jaar daarvoor – en deze daling zet in 2005 door. Een andere oorzaak voor de lage inflatie is de gematigde ontwikkeling van de lonen. Samen met de sterke stijging van de arbeidsproductiviteit in 2004, zorgde die voor een daling van de arbeidskosten per eenheid product. Overigens is ook de euro een belangrijke oorzaak van de lage inflatie. Doordat de euro de afgelopen jaren duurder is geworden ten opzichte van de Amerikaanse dollar, zijn producten van buiten de eurozone (die vaak in dollars worden verhandeld) relatief goedkoop. Recordprijzen op de wereldmarkten voor olie, koffie, en cacao hebben hierdoor slechts een beperkt opwaarts effect gehad op de inflatie in Nederland. Voor volgend jaar raamt het CPB een inflatie van slechts 1 procent (dit cijfer is wel neerwaarts vertekend door de afschaffing van het OZB-gebruikersdeel).

Figuur 2.2.3 Inflatie en gevoelsinflatie (in procenten)



kst88447_03.gif

Hoewel de inflatiecijfers van het CBS duidelijk laten zien dat de inflatie historisch laag is, ervaren mensen dat niet zo. Vanaf 2002 zijn er veel meer mensen die menen dat de prijzen sterker zijn gestegen dan mag worden verwacht op basis van de werkelijke inflatie. De «gevoelsinflatie» is dus hoger dan de echte prijsstijging. Het CBS meet de gemiddelde inflatie, waardoor er op individueel niveau verschillen kunnen zijn. Dit kan de grote discrepantie tussen gemeten en ervaren inflatie echter niet verklaren. De klacht dat alles veel duurder is geworden wordt immers in alle lagen van de bevolking gehoord. Het CBS meet maandelijks ongeveer 80 duizend prijzen en houdt rekening met het gewicht van de verschillende goederen en diensten in het bestedingspatroon. Een mogelijke verklaring voor de hoge gevoelsinflatie vormen de sterke prijsstijgingen in de afgelopen jaren van producten die vaak worden aangeschaft (bijvoorbeeld voorafgaand aan de prijzenoorlog in de supermarkt en vlak na de omwisseling in de horeca). Zo bedroeg de prijsstijging van voedingsmiddelen in 2002 gemiddeld 3,3 procent. Inmiddels is deze prijsstijging echter ongedaan gemaakt (en dat geldt ook grotendeels voor de prijsstijgingen in de horeca). Ter illustratie vergelijkt tabel 2.2.2 voor een aantal dagelijkse boodschappen de huidige prijs in euro's met die op 1 januari 2001.8 Hieruit blijkt dat veel van dit soort artikelen op dit moment zelfs minder kosten dan voor de introductie van de chartale euro. Dit geldt natuurlijk niet voor alle producten (alhoewel de gepresenteerde producten lukraak zijn gekozen, is het natuurlijk ook mogelijk andere mandjes met grotere prijsstijgingen te tonen). Al met al is volgens het CBS de prijs van voedingsmiddelen als gevolg van de prijzenoorlog in de supermarkten op dit moment weer terug op het niveau van eind 2001.

Tabel 2.2.2 Prijzen supermarktartikelen
Product Prijs 
 1 januari 200115 juli 2005
 in guldensin euro'sin euro's
Chips naturel2,381,080,86
Koffie3,791,721,74
Sinaasappelsap2,090,950,81
Toiletpapier6,993,172,56
Bier (krat)19,488,848,55
Cola2,491,130,92
Wit brood2,691,221,19

Ook voor huishoudelijke apparaten, (mobiele) telefoons en audio- en videoapparatuur geldt dat ze in de afgelopen drie jaar sterk in prijs zijn gedaald. Deze prijsdalingen hebben er echter nog niet voor gezorgd dat de gevoelsinflatie weer in de pas loopt met de werkelijke inflatie. Kennelijk hebben prijsstijgingen meer invloed op de inflatiebeleving van consumenten dan prijsdalingen. Een andere verklaring voor het gevoel dat de kosten van het levensonderhoud sterk zijn gestegen, is dat mensen meer zijn gaan uitgeven nadat bij de introductie van de euro alle prijzen door 2,2 werden gedeeld. Hierdoor leken veel producten en diensten juist goedkoper te zijn geworden, waardoor mensen hun geld gemakkelijker uitgaven («geldillusie»). Uit recent onderzoek blijkt dat mensen bereid zijn tot meer dan 60 procent meer te betalen voor bepaalde diensten als de prijs in euro's wordt uitgedrukt in plaats van in guldens.9 De Nederlandse consument rekent zich in feite rijk, maar houdt aan het eind van de maand minder over dan verwacht, zodat snel wordt geconcludeerd dat alles duurder is geworden.


Onderliggende ontwikkelingen wijzen erop dat de Nederlandse economie er op dit moment (ook structureel) beter voor staat dan aan het begin van de kabinetsperiode – dit beeld wordt bevestigd door de meest recente economische data. De afgelopen langdurige periode van laagconjunctuur heeft evenwel veel onrust en onvrede veroorzaakt. Mag worden verwacht dat ook in de komende jaren de Nederlandse economie relatief grote schokken zal vertonen? Dit is niet noodzakelijkerwijs het geval. In de eerste plaats zijn in zowel 2001 als 2004 fiscale maatregelen ingevoerd die consumptieve besteding van overwaarde op woningen ontmoedigen. Ten tweede zijn nieuwe regels opgesteld om de dekkingsgraad van de pensioenfondsen te bewaken en zo de risico's van aandelenbeleggingen beter te beheersen. Ten slotte moet worden opgemerkt dat de omvang van de prijsstijgingen op de huizenmarkt en de beurs in de hausse uitzonderlijk groot was (evenals de daaropvolgende koersval in de neergaande fase van de conjunctuur).

1  Dit concludeert het CPB zelf in de studie «Trefzekerheid van CPB prognoses voor de jaren 1971–2003», CPB-document 2005–77. In de periode 1971–2003 was de gemiddelde absolute voorspelfout voor de BBP-raming voor het volgend jaar 1,3 procentpunt. Tijdens de huidige cyclus was de gemiddelde absolute voorspelfout zelfs nog iets groter: 1,5 procentpunt voor de periode 1998–2003. Merk op dat alle andere ramingsinstituten vergelijkbare voorspelfouten hebben gemaakt (maar daar in tegenstelling tot het CPB over het algemeen niet over publiceren).

2  Een mogelijk positief gevolg van dit «discouraged-worker effect» kan zijn dat schoolverlaters ervoor kiezen langer door te studeren, alvorens de stap naar de arbeidsmarkt te wagen.

3  Nederland in het eurogebied, Amsterdam: De Nederlandsche Bank, Kwartaalbericht juni 2004, pp. 23–26

4  Kock, U. (2003), Sociale uitkeringen en de stromen benadering van de arbeidsmarkt, Tijdschrift voor Politieke Economie, 24 (4), 29–52.

5  Gómez-Salvador,R., J. Messina en Gi Vallanti Gross, Job flows and institutions in Europe, Labour Economics, August 2004, 11(4): 469–485.

6  Dit blijkt onder meer uit de verlenging van de looptijd van kredieten, zie DNB Kwartaalbericht juni 2005.

7  Gecorrigeerd voor de statistische effecten als gevolg van de invoering van het nieuwe zorgstelsel.

8  Het betreft de prijzen van A-merken bij een landelijke supermarkt.

9  Beretty et al., ESB 17 juni 2005, jaargang 90, nr. 4463, p. 277.