Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2006
  • Download PDF

2.3 Structurele veranderingen en uitdagingen

Nederland kende de afgelopen jaren een uitzonderlijke conjunctuurcyclus, met hoge pieken en diepe dalen. Op korte termijn hebben deze schommelingen een grote – maar tijdelijke – invloed op het economische klimaat. Tegelijkertijd vindt onderliggend een groot aantal belangrijke structurele ontwikkelingen plaats met een blijvend effect op de economie en samenleving. In deze paragraaf wordt een aantal van deze structurele veranderingen behandeld: vergrijzing, globalisering en de veranderende Nederlandse maatschappij.

Vergrijzing

Over de uitdagingen die het gevolg zijn van de vergrijzende Nederlandse samenleving is al veel geschreven, onder andere in de vorige Miljoenennota. Het is dan ook niet de bedoeling het onderwerp op deze plek uitputtend te behandelen. In plaats daarvan worden enkele belangrijke aspecten aangestipt.


Eerst de belangrijkste cijfers. Op dit moment zijn er ongeveer 2,3 miljoen 65-plussers; volgens de bevolkingsprognose van het CBS zijn dat er in 2040 meer dan 4 miljoen. In dezelfde periode daalt het aantal mensen van 20 tot en met 64 licht (van 10 miljoen naar 9,2 miljoen), zodat het aantal 65-plussers ten opzichte van de werkzame beroepsbevolking sterk stijgt. Figuur 2.3.1 geeft de verhouding 65-plussers ten opzichte van het aantal mensen tussen 15–65 («grijze druk»). Hier is duidelijk te zien hoe de samenstelling van de Nederlandse bevolking de komende tijd zal veranderen. Hiervoor zijn twee belangrijke redenen: een gestegen levensverwachting en een duidelijk lager geboortecijfer10.

Figuur 2.3.1 Grijze druk: verhouding 65-plussers en 20–65-jarigen



kst88447_04.gif

Bron: CBS

Wat betekent het voor het beleid?

De vergrijzing is een gegeven. Dat Nederlanders ouder worden en bovendien langer gezond blijven is natuurlijk goed nieuws. Dat mensen langer van hun pensioen kunnen genieten, is voor de betrokkenen ook zonder meer positief. Dat kan bovendien in betrekkelijke welvaart. De ouderen van straks zijn gemiddeld genomen relatief welvarend, zowel in vergelijking met de ouderen van vroeger en nu als in vergelijking met de werkenden van straks (zie verderop). Ook heeft Nederland in vergelijking met andere landen relatief veel gespaard voor de oude dag (dankzij het unieke, kapitaalgedekte pensioenstelsel).


De vergrijzing is op zichzelf dus geen reden voor paniek, maar vraagt wel om beleidsaanpassingen. Zoals beschreven in de Miljoenennota 2005, werkte een standaardwerknemer in 1960 nog gemiddeld 50 jaar van zijn leven, terwijl hij 13 jaar van zijn pensioen genoot. In 2002 werkt dezelfde werknemer nog maar 40 jaar (met een kortere werkweek), terwijl hij 21 jaar lang van zijn oude dag kan genieten11. De gemiddelde lengte van het pensioen is dus bijna verdubbeld, terwijl het aantal gewerkte uren en jaren (waarin kan worden gespaard voor de oude dag en waarin onder meer via sociale premies kan worden bijgedragen aan de collectieve voorzieningen) juist sterk is gedaald. Het zal duidelijk zijn dat deze situatie op de lange termijn niet houdbaar is: gemiddeld genomen kunnen mensen in het beperkte aantal jaren dat ze werken, onvoldoende sparen om voor het resterende deel van hun leven in hun levensonderhoud te voorzien.


Heel kort door de bocht zijn er twee oplossingsrichtingen: als mensen hetzelfde voorzieningenniveau willen handhaven, kan dat alleen door meer te werken (meer mensen aan het werk, meer uren per week of langer doorwerken). Zoals verderop beschreven wordt, is inderdaad sprake van een stijgende participatie, ook van ouderen. Een tweede mogelijkheid is dat wordt geaccepteerd dat de pensioenvoorzieningen worden versoberd. Het kabinet wil mensen niet verplichten om langer door te werken. Natuurlijk kan men er nog steeds voor kiezen om eerder te stoppen met werken. Maar in dat geval moet wel worden geaccepteerd dat de (financiële) gevolgen van die keuze ook volledig voor eigen rekening zijn – daar kan de maatschappij dan niet meer deels voor opdraaien. Vandaar ook dat het kabinet de fiscale faciliëring van eerder stoppen met werken heeft beperkt en dat de pensioenregelingen zo zijn aangepast dat men niet langer een dief van de eigen portemonnee is als langer wordt doorgewerkt (actuarieel neutrale regelingen).

Globalisering gevolg van technologische vooruitgang

De laatste tijd wordt veel geschreven over de uitdagingen van globalisering of mondialisering12. Daarmee lijkt het soms een nieuw fenomeen. Ten onrechte. Ook de Nederlandse Gouden Eeuw was bijvoorbeeld het gevolg van globalisering. Dankzij succesvolle innovaties op het gebied van handel, logistiek en financiën werd een explosieve groei van de internationale handel bereikt13. In dezelfde periode werd met de Vereenigde Oost-Indische Compagnie de eerste multinational een feit. De periode 1950–1973 wordt vaak gekarakteriseerd als een tweede gouden eeuw. Dankzij relatieve wisselkoersstabiliteit onder het Bretton-Woodsstelsel en mede door de opkomst van containervervoer beleefde de wereldhandel – en daarmee de wereldeconomie – een sterke groei14.


Sinds 1980 groeide de wereldeconomie met een indrukwekkende 130 procent. In dezelfde periode vertoonde de wereldhandel een explosieve groei van 300 procent. Dit maakt duidelijk dat het belang van handel de afgelopen decennia weer snel is gestegen – net als in de periode 1950–1973. Deze hernieuwde handelsexplosie wordt toegeschreven aan snel dalende transportkosten en aan de opkomst van ICT. Dankzij deze technologische ontwikkelingen wordt de wereld steeds kleiner.


De Nederlandse economie is sterk afhankelijk van handel. De waarde van de export is ongeveer 65 procent van het BBP. Ongeveer de helft van die export bestaat weliswaar uit wederuitvoer (bijvoorbeeld goederen die in Rotterdam worden ingeklaard en dan meteen op de trein naar Duitsland gaan), maar ook deze export komt de Nederlandse economie ten gunste. De afgelopen tien jaar was de export verantwoordelijk voor bijna de helft van de totale economische groei. De baten van import zijn lastig te kwantificeren, maar de welvaartswinst van het kunnen kopen van in Frankrijk gerijpte kazen, in Japan geproduceerde auto's, in China gemonteerde dvd-spelers, in Turkije genaaide jurkjes en in Polen beschilderde tuinkabouters, is enorm. Het is ondenkbaar dat al dit soort producten tegen dezelfde lage kosten in Nederland zouden kunnen worden geproduceerd. Dankzij internationale handel, kortom, krijgen we letterlijk meer waar voor ons geld. Om deze reden is het kabinet voorstander van vrije wereldhandel en daarom van verdere handelsliberalisatie, inclusief het wegnemen van belemmeringen binnen de EU.

Opkomst «Aziatische tijgers» (en «Oost-Europese beren») is goed nieuws

In recente beschouwingen over globalisering gaat het meestal niet over de explosief gestegen wereldhandel, maar veel vaker over de economische opkomst van China, India en andere «Aziatische tijgers» (waarbij de eveneens sterk groeiende nieuwe EU-lidstaten overigens vaak ten onrechte worden vergeten). De groeiprestaties van deze landen zijn inderdaad indrukwekkend. De afgelopen tien jaar groeide China met gemiddeld 8,6 procent en India met 6,2 procent per jaar. Volgens sommige analyses zal China rond 2040 de grootste economie ter wereld zijn (gemeten in dollars)15.


De explosieve groei in China, India en andere «tijgers» en «beren» betekent dat de totale welvaart stijgt: de totale «taart» is groter, zodat meer mensen een groter stuk kunnen krijgen. Gevolg is dat de absolute armoede in landen als China en India in rap tempo afneemt. Volgens een schatting van de Wereldbank is het aantal mensen dat in China moet rondkomen van minder dan 1 dollar per dag in de periode 1981–2002 met ongeveer 400 miljoen afgenomen. Ook Nederland kan profiteren van de toegenomen productie en welvaart. De haven van Rotterdam bijvoorbeeld, draait op volle toeren op de in China geproduceerde goederen, bestemd voor de Europese markt. Op deze manier zorgt de Chinese groei ook voor werkgelegenheid en economische groei in Nederland. De uitbundige Chinese groei wordt voor een belangrijk deel besteed aan het kopen van westerse – en dus ook Nederlandse – diensten en goederen. De uitvoer naar Azië steeg in 2004 met 20 procent tot ruim 18 miljard euro (deze stijging zet in 2005 door) en Chinese toeristen kiezen steeds vaker voor Nederland als vakantiebestemming. Nederlandse exporteurs profiteren ook al duidelijk van de EU-uitbreiding: de export naar de tien nieuwe lidstaten groeide explosief met 30 procent in de eerste acht maanden na toetreding. De consument, ten slotte, profiteert eveneens van de snel groeiende Chinese productie, doordat de daar geproduceerde videorecorders en dvd-spelers steeds goedkoper worden.

«Verplaatsing» van banen uitdaging voor Nederlandse economie

Eén van de aspecten van globalisering die veel aandacht trekt is de verplaatsing («outsourcing») van bedrijfsactiviteiten naar het buitenland. Dat is begrijpelijk, want met de bedrijfsactiviteiten verdwijnen banen naar het buitenland. Ook bij Nederlandse bedrijven is de afgelopen periode werkgelegenheid verloren gegaan door verplaatsing van de productie naar bijvoorbeeld de nieuwe EU-lidstaten of Azië. Toch hoeft verplaatsing per saldo niet negatief te zijn voor de Nederlandse werkgelegenheid en groei16. Verplaatsen van arbeid kan worden gezien als een vorm van internationale handel, waardoor alle landen optimaal kunnen profiteren van technologische vooruitgang, zodat werknemers wereldwijd hun productiviteit optimaal kunnen inzetten. Over de langere termijn bezien komen voor de naar het buitenland verdwenen banen in Nederland betere banen terug (bijvoorbeeld meer kennisintensieve banen in de plaats van productiewerk17) – en door de toegenomen vraag uit onder andere China zullen deze activiteiten verder kunnen groeien. Deze betere banen komen echter niet vanzelf: het kan geruime tijd duren totdat de ondernemers in staat zijn in te springen op de nieuwe situatie. Zeker als tegelijkertijd de concurrentiepositie is verslechterd, kan het moeilijk zijn werkgelegenheid te handhaven. Verplaatsing van banen kan in sommige gevallen een teken zijn dat de loonkosten te hard zijn gestegen ten opzichte van de productiviteit. Voor individuele werknemers kan verplaatsing daarom wel negatieve gevolgen hebben. Sommige bedrijven zullen hun productie verplaatsen, andere bedrijven zullen failliet gaan, omdat ze de concurrentie met lagelonenlanden niet meer aankunnen. Verplaatsing leidt in elk geval op korte termijn tot transitiewerkloosheid: mensen verliezen hun baan en het duurt even voor ze een nieuwe vinden. Voor de betrokkenen is dat heel vervelend. Maar het aantal banen dat verdwijnt door «verplaatsing» valt in het niet bij de jaarlijkse dynamiek op de arbeidsmarkt (jaarlijks worden in Nederland gemiddeld bijna een miljoen nieuwe banen gecreëerd, terwijl er volgens hypothetische berekeningen van het CPB in potentie ongeveer 21 duizend naar het buitenland verdwijnen). Verplaatsing is een onlosmakelijk onderdeel van het economische verkeer tussen landen en is onderdeel van de constante verandering en vernieuwing die leiden tot economische groei.

Beleid gericht op het tegenhouden van verplaatsing van banen kent geen steekhoudende economische onderbouwing. Wat het beleid wel kan – en moet – doen, is bevorderen dat mensen die hun baan verliezen, snel een nieuwe – en betere – baan vinden. Hiervoor is een flexibele werking van de arbeidsmarkt van belang, evenals een activerende sociale zekerheid. Dankzij loonmatiging kan Nederland zijn concurrentiepositie verbeteren en kan worden voorkomen dat banen permanent naar het buitenland verdwijnen als gevolg van tijdelijke (conjuncturele) schommelingen. Werknemers kunnen profiteren van de technologische vooruitgang en een nieuwe en betere baan vinden, als zij over voldoende vaardigheden beschikken («slimmer werken»). Vandaar het belang van goed onderwijs en van een leven lang leren. Ten slotte blijft er behoefte aan een sociaal vangnet voor mensen die toch buiten de boot vallen.

Immigratie en economie

Na verplaatsing van banen is de verplaatsing van mensen (migratie) het laatste aspect van globalisering dat hier aan de orde komt. Ook immigratie is van alle tijden. Nederland dankte zijn snelle technologische vooruitgang in de Gouden Eeuw voor een groot deel aan de bijdrage van de naar het noorden uitgeweken Vlamingen. Bovendien immigreerden ook veel ondernemers: bij de oprichting van de VOC in 1602 is meer dan eenderde van het ingelegde kapitaal afkomstig van immigranten uit Zuid-Nederland18. Een eeuw later vormde de komst van de vele hugenoten opnieuw een impuls voor de Nederlandse economie (en cultuur!). Alhoewel de totale migratiestromen naar Nederland in de negentiende eeuw relatief beperkt waren, was toen wel sprake van een sterke intra-Europese arbeidsmarktmobiliteit. Jaarlijks trokken tienduizenden Duitse en Belgische seizoensarbeiders naar Nederland om te helpen met de oogst of met grote infrastructurele projecten. In de twintigste eeuw, ten slotte, waren er twee grote golven van arbeidsmigratie: de Duitse dienstmeisjes vlak na de Eerste Wereldoorlog en de Turkse en Marokkaanse gastarbeiders in de jaren zeventig. Ook de opname van grote aantallen Indonesiërs (1945–1975) en Surinamers (1973–1990) had een belangrijke invloed op de Nederlandse economie en maatschappij.


Immigranten zijn belangrijk voor een economie. Migranten die in de periode 1850–1913 naar Noord-Amerika vertrokken, zijn bepalend geweest voor de opkomst van de Nieuwe Wereld. In de VS bestaat bijna 20 procent van de werknemers in de ICT uit (eerstegeneratie)immigranten. Buitenlandse werknemers met een hoge toegevoegde waarde kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de innovatiekracht van een economie en dragen zo bij aan technologische vooruitgang en het creëren van werkgelegenheid. Hierbinnen passen de maatregelen van het kabinet ter verruiming van de toelating van kennismigranten (totstandgekomen naar aanleiding van een aanbeveling van het Innovatieplatform).


Alhoewel migratie door de eeuwen heen veel heeft bijgedragen aan de Nederlandse economie en maatschappij, is dit geen vanzelfsprekendheid.19 Een blik op de data leert dat bepaalde groepen migranten in Nederland op meerdere terreinen achterblijven, mede doordat de integratie onvoldoende soepel verloopt. In de volgende paragraaf wordt in detail ingegaan op onder andere de arbeidsparticipatie en de uitkeringsafhankelijkheid. Zie hoofdstuk 3 voor een uitgebreide beschrijving van het nieuwe inburgeringstelsel en andere maatregelen op het immigratiebeleid, zoals de aanscherping van de regels voor gezinshereniging.

Veranderende maatschappij

De wereld verandert – en dat geldt ook voor de Nederlandse maatschappij. Recentelijk is een aantal beschouwingen verschenen waarin wordt ingegaan op de maatschappelijke gevolgen van de ontzuiling, van de vergroting van de culturele diversiteit, van de versterking van de maatschappelijke én geografische mobiliteit, en op de maatschappelijke gevolgen van de opkomst van nieuwe media.20Alhoewel de verschillende analyses verschillende soorten conclusies trekken, lijkt het gevoel dat de Nederlandse maatschappij blijvend is veranderd, breed gedragen. Deze veranderingen vragen om een andere rol van de overheid, met bijvoorbeeld meer maatwerk in de sociale zekerheid en publieke voorzieningen. Het is niet de bedoeling op deze plek een uitgebreide maatschappelijke verhandeling te houden. Vier ontwikkelingen met een bijzonder belang voor het te voeren economisch beleid worden hier wel uitgelicht: de gestegen welvaart, het stijgende opleidingsniveau, veranderingen in arbeidsparticipatie en de hoge uitkeringsafhankelijkheid. Op verschillende deelaspecten wijst de bijzondere positie van niet-westerse allochtonen bovendien op nog steeds grote uitdagingen21.

Steeds rijker

Op een moment dat het economisch even wat slechter gaat, is het goed kort stil te staan bij de inkomensontwikkeling over de langere termijn. Dan wordt duidelijk dat de gemiddelde Nederlander steeds welvarender is geworden. Zoals te zien in figuur 2.3.2, is het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking (gecorrigeerd voor de inflatie) de afgelopen decennia sterk gestegen. Vroeger leefden veel ouderen in betrekkelijke armoede. Dat was de voornaamste reden voor de instelling van de AOW in 1957. Het percentage ouderen dat zegt gemakkelijk te kunnen rondkomen, is in de afgelopen jaren echter duidelijk gestegen22. In 1992 zei ongeveer 41 procent gemakkelijk te kunnen rondkomen; in 2003 is dat percentage gestegen naar 55, waarmee de ouderen de achterstand op de rest van de bevolking hebben ingelopen.

Figuur 2.3.2 BBP per capita (in euro's van nu)

Figuur 2.3.3 Gemiddeld besteedbaar inkomen 65+ t.o.v 65- (in %)



kst88447_05.gif

Bron: CBSBron: Thio, V, (2002) De inkomenspositie van ouderen, SZW werkdocument, Den Haag.


Zoals te zien in figuur 2.3.3, is het verschil in inkomen tussen 65-plussers en 65-minners al geslonken en zal dit verschil de komende jaren (naar verwachting) nog kleiner worden. Op dit moment heeft al 85 procent van de 65-plussers een aanvullend pensioen en in de komende decennia zal dit percentage alleen maar stijgen (onder andere doordat steeds meer vrouwen een arbeidsverleden hebben en daarmee een aanvullend pensioen). Nog altijd zullen er ouderen zijn die moeten rondkomen van slechts een AOW-uitkering, maar dit zal een steeds kleinere minderheid zijn. Voor steeds meer mensen is de AOW niet langer een exclusieve borg tegen armoede, maar eerder een onderdeel van een grotendeels zelf gespaarde oudedagsvoorziening. De niet-westerse allochtone 65-plussers vormen een belangrijke uitzonderingscategorie. De helft van deze groep heeft geen volledige AOW-uitkering op kunnen bouwen23 en ook geen aanvullend pensioen. De helft van de niet-westerse allochtone 65-plussers krijgt daarom een (aanvullende) bijstandsuitkering. Meer in het algemeen is het besteedbaar inkomen van niet-westerse allochtone huishoudens gemiddeld ruim 20 procent lager dan dat van autochtone huishoudens. Dat geldt ook voor de meeste jongere generaties niet-westerse allochtonen, wat de integratieproblematiek illustreert.

Steeds hoger opgeleid

In de periode 1996–2003 is het gemiddelde opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking duidelijk gestegen: in 2003 had een kwart van de Nederlandse bevolking tussen de 25–64 jaar een opleiding voltooid op minimaal HBO-niveau – in 1996 was dat nog net iets boven de 20 procent. Ook het gemiddelde opleidingsniveau van oudere werknemers is geleidelijk aan het stijgen. Dat komt vooral door een cohort-effect: elke nieuwe generatie is beter opgeleid. Het gemiddelde opleidingsniveau van allochtonen ligt nog duidelijk onder dat van autochtonen en met name allochtonen van Turkse of Marokkaanse achtergrond blijven ver achter (minder dan 10 procent heeft een hbo-diploma of hoger). Ook bij deze groepen is echter wel duidelijk sprake van een cohorteffect en sinds 1996 is juist bij Turken en Marokkanen het opleidingsniveau het sterkst gestegen. Het gemiddeld lagere opleidingsniveau van (niet-westerse) allochtonen blijft evenwel een aandachtspunt. Als gevolg van de hierboven beschreven effecten van globalisering zal de arbeidsmarktpositie van lager opgeleiden naar verwachting verder onder druk komen (ten gunste van die van hoger opgeleiden). Als de opgelopen achterstand niet verder wordt ingehaald, zou dat betekenen dat allochtonen in de toekomst aan de zijlijn van de arbeidsmarkt blijven staan. Een ontwikkeling die een succesvolle integratie in de weg staat. Dat is niet acceptabel – vandaar dat «meedoen» vooropstaat bij de inzet van het kabinet.

Figuur 2.3.4 Opleidingsniveau van de bevolking 15–64 jaar naar herkomstgroepering



kst88447_06.gif

Bron: CBS

Meer vrouwen..

Steeds meer mensen dóen gelukkig ook mee. Vijfentwintig jaar geleden werkte maar ongeveer 30 procent van de vrouwen in de leeftijd van 15–64, in 2004 was dat percentage al bijna verdubbeld tot 55 procent. Deze trend zet naar verwachting de komende jaren door. Het CPB verwacht dat in 2010 tussen de 60 en 63 procent van de vrouwen tot de werkzame beroepsbevolking behoort.


De toegenomen participatie van vrouwen betekent ook dat het aantal huishoudens met één kostwinner in rap tempo is afgenomen. Voor ruim tweederde van de 3,5 miljoen paren geldt nu dat beide partners een betaalde baan hebben. De stijging is het grootst bij ouders met minderjarige kinderen. De toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen betekent ook dat de economische zelfstandigheid van vrouwen sterk is toegenomen.

Figuur 2.3.5 Arbeidsparticipatie vrouwen en oudere werknemers (in %)



kst88447_07.gif

Bron: CBS

...meer ouderen,

De participatie van ouderen (55–64) is sinds 1995 gestaag gestegen (na een aanvankelijke daling begin jaren negentig). Eén van de redenen van de stijging is dat de arbeidsomstandigheden steeds beter zijn geworden, bovendien zijn oudere werknemers ook steeds gezonder geworden. Recente aanpassingen van (uittredings- en) uitkeringsregelingen spelen ook een rol. Hoewel de participatie van zowel oudere mannen als oudere vrouwen de afgelopen tien jaar is gestegen, blijft de participatie van oudere vrouwen nog ver achter24.

...en meer allochtonen aan het werk.

De arbeidsparticipatie van niet-westerse allochtonen is tussen 1995 en 2001 sterk verbeterd. In deze periode werd de achterstand ten opzichte van autochtonen bijna gehalveerd. Sinds 2001 lijkt weer sprake van een lichte (conjuncturele) daling, wat suggereert dat de arbeidsmarktpositie van allochtonen veel gevoeliger voor de conjunctuur is dan die van autochtonen. Een verklaring vormt het lagere gemiddelde opleidingsniveau van allochtonen. Door zogenoemde «verdringing» op de arbeidsmarkt is het waarschijnlijk dat bij economische tegenspoed de laagst opgeleiden het eerst hun baan verliezen. Zoals hierboven beschreven, zijn dat relatief vaak allochtonen (ook omdat relatief vaak sprake is van flexibele contracten). Discriminatie vormt een andere mogelijke verklaring voor de slechtere arbeidsmarktpositie van niet-westerse allochtonen25.

Maar Nederland blijft kampioen vrije tijd

De gestegen participatie van vrouwen, ouderen én allochtonen heeft ervoor gezorgd dat de benutting van het totale arbeidspotentieel sinds het dieptepunt in 1984 weer is gestegen. Toch blijft de totale participatie (gemeten in arbeidsjaren) achter bij het Europees gemiddelde (en is gemeten in uren bovendien niet hoger dan 50 jaar geleden). Hiervoor zijn twee redenen. Ten eerste is het werken in deeltijd steeds populairder geworden. Dit heeft als belangrijk voordeel dat het voor veel mensen mogelijk is geworden om arbeid en zorgtaken te combineren. Het nadeel is echter dat het arbeidsaanbod minder is gestegen dan met het oog op de toekomst wenselijk is. Nederland is kampioen vrije tijd. Het is bovendien de vraag of het werken in deeltijd voor iedereen een keuze is, of in sommige gevallen het gevolg van het niet kunnen vinden van een voltijdbaan of het moeilijk kunnen combineren van werken en kinderen. Vanaf 2006 stelt het kabinet daarom 200 miljoen euro extra ter beschikking voor kinderopvang. De hogere tegemoetkoming maakt (meer) werken eerder lonend en stelt beide ouders zo in staat zorg en werk op een evenwichtige manier te combineren.

Figuur 2.3.6 Inactiviteit (in % van de potentiële beroepsbevolking)



kst88447_08.gif

Bron: CBS, eigen berekening


De tweede reden voor de relatief lage benutting van het totale arbeidspotentieel is dat het aantal mensen dat op kosten van de maatschappij thuiszit, nog steeds te hoog is. Het aantal inactieven is dankzij de hierboven genoemde ontwikkelingen sinds 1984 gedaald van 35 procent naar 25 procent van de potentiële beroepsbevolking. Het aantal mensen dat thuiszit met een uitkering is in deze periode echter grosso modo constant gebleven (zie figuur 2.3.6). Ook hier valt bovendien op dat niet-westerse allochtonen vaker dan gemiddeld aan de zijlijn staan. Van de eerste generatie niet-westerse allochtonen van 15–64 jaar ontvangt bijna 27 procent een uitkering: ruim twee keer zo veel als onder autochtonen. Wanneer wordt gecorrigeerd voor het verschil in leeftijd, is ook bij de groep tweede generatie niet-westerse allochtonen de uitkeringsafhankelijkheid duidelijk groter dan bij autochtonen.


Ondanks de gestegen participatie en gedaalde werkloosheid en ondanks een meer activerend stelsel van sociale zekerheid blijft de collectief gefinancierde inactiviteit hoog. Te hoog. Steeds meer mensen dragen wél hun steentje bij aan het economische draagvlak van onze maatschappij (via toegenomen participatie en langer doorwerken). Het is nu zaak ook de collectief gefinancierde inactiviteit terug te dringen. Dat is niet gemakkelijk, wel noodzakelijk. Meedoen is het devies!

10  Zie voor details bijvoorbeeld CPB (2000) «Ageing in the Netherlands»

11  Winden, P. van, 2004, Levensloop in historisch perspectief, ESB 2 september 2004

12  Zie bijvoorbeeld: Wolf, M, (2004) Why Globalization Works, Yale University Press; Bhagwati, J. (2004), In defense of globalization, Oxford University Press; of Stiglitz, J. E. (2003) Globalization and its discontents, W.W. Norton and Co.

13  Maddison, A. (2001) The World Economy: A Millennial Perspective, Paris: OECD

14  Van Zanden en Griffiths, Economische geschiedenis van Nederland, p. 15. B. van Ark en H. de Jong, «Accounting for economic growth in the Netherlands since 1913»,Economic and Social History in the Netherlands 7 (1996) 199–242

15  Goldman Sachs, 2003, Dreaming with BRICs: The Path to 2050, Global Economics Paper no. 99

16  Bron: Gorter, J. P. Tang en M. Toet (2005) Verplaatsing vanuit Nederland, CPB document 76

17  De werkgelegenheid in onder andere de zorg en de commerciële dienstverlening zal naar verwachting stijgen (met name de transport- en communicatiesectoren groeien hard en de uitvoer van diensten is het snelst groeiende deel van de export), terwijl die in de landbouw en de industrie juist daalt. Dit proces is al veel langer gaande. Zie bijvoorbeeld Huizinga, F. en B. Smid, Vier vergezichten op Nederland: Productie Arbeid en sectorstructuur in vier scenario's tot 2040, CPB Bijzondere publicatie no. 55

18  Zie: Bosman, R (2003) «Immigratie vanuit historisch en economisch perspectief», Meb-serie 2003–02, De Nederlandsche Bank

19  Zie Roodenburg, H, R. Euwals en H. ter Rele (2003), Immigration and the Dutch Economy, Den Haag, CPB

20  Zie bijvoorbeeld Verbruggen, A. (2004) Tijd van onbehagen, Amsterdam: SUN, of Schnabel, P (red.), 2005, Hier en daar opklaringen, Den Haag: SCP.

21  De in deze paragraaf genoemde cijfers en trends komen uit de CBS-publicatie «Allochtonen in Nederland» (2004). Dat geldt ook voor de gebruikte terminologie.

22  Zie de in voetnoot 20 genoemde publicatie van P. Schnabel.

23  Iemand die pas op latere leeftijd in Nederland komt, bouwt minder AOW en ook minder pensioenjaren op dan iemand die zijn hele werkzame leven in Nederland gewoond en gewerkt heeft.

24  Maar dat is vooral een «cohorteffect» – Nederlandse vrouwen zijn door de tijd steeds meer gaan werken en als de groep (cohort) van werkende jonge vrouwen oud wordt, zal ook het percentage werkende oudere vrouwen stijgen.

25  Zorlu toont bijvoorbeeld aan dat met name eerste generatie Marokkaanse immigranten worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt (Zorlu, A. (2002), Ethnic and gender wage differentials; an exploration of loonwijzers 2001/2002. AIAS Research Report 13, Amsterdam: AIAS