Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2006
  • Download PDF

3.2 Economie en arbeidsmarkt

Het kabinet zet in op een sterkere economie. Daarom wordt beleid gevoerd dat gericht is op een hogere arbeidsparticipatie en een hogere arbeidsproductiviteit.

Economisch beleid

Het kabinet stimuleert het herstel van de economische groei door het verbeteren van de concurrentiekracht, het bieden van meer ruimte voor ondernemerschap en het versterken van het ondernemingsbestuur.

Doelstellingen op het terrein van het economisch beleid

• Herstel van concurrentiekracht;

• Verlaging van de administratieve lastendruk met een kwart om de ruimte voor ondernemerschap te vergroten;

• Versterken van de kwaliteit van het ondernemingsbestuur, zodat Nederland zich in 2007 bij internationale vergelijkingen in de kopgroep bevindt op de gebieden «rechten en plichten van aandeelhouders», «transparantie» en «board structuur en kwaliteit».

Herstel van concurrentiekracht

Het kabinet heeft sinds zijn aantreden de basis gelegd voor het herstel van de concurrentiekracht door in te zetten op loonmatiging. Mede dankzij afspraken met de sociale partners is dit gelukt (zie hoofdstuk 2). Matiging van de arbeidskosten verbetert de ontwikkeling van de kosten per eenheid product in vergelijking met concurrenten in het buitenland en biedt ruimte voor bedrijven om te investeren. In het verlengde daarvan wordt de vennootschapsbelasting verder verlaagd (na de verlaging die het kabinet vorig jaar al doorvoerde), zodat het vestigingsklimaat en de concurrentiepositie van de ondernemers van Nederland verbetert.

In 2006 zal het tarief van de vennootschapsbelasting daarmee bijna 5 procentpunten lager uitkomen dan aan het begin van deze kabinetsperiode. (zie hoofdstuk 4). Volgens het World Economic Forum behoorde Nederland wat betreft de concurrentiepositie en het vestigingsklimaat tot voor enkele jaren tot de topvijf. Dat is in 2003 een positie rond de tiende plaats geworden32. Het kabinet wil aan het einde van deze kabinetsperiode weer in de top vijf staan. Dit najaar zal de nota«Werken aan winst» met de Kamer worden besproken. Deze bevat een pakket aan verdere fiscale maatregelen om bedrijven naar Nederland te halen en hier te houden. De voorgestelde verdere tariefsverlaging en grondslagverbreding bevorderen de concurrentiekracht. Het kabinet wil het pakket in deze kabinetsperiode invoeren.


Voor concurrerende producten is innovatie nodig, waarvoor het kabinet met het Paasakkoord en het Hoofdlijnenakkoord investeringen heeft gedaan. Fiscale regelingen voor risicovolle innovatieve projecten zullen worden voortgezet en uitgebreid (zoals de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk – WBSO). Na succesvolle invoering in 2004 en 2005 zal in 2006 opnieuw een aantal tegoedbonnen (innovatievouchers) worden uitgedeeld. Daarmee kunnen bedrijven kennis inkopen en onderzoeksvragen uitzetten bij universiteiten en onderzoeksinstituten. Het kabinet zet zich bovendien in voor een aantal, door het innovatieplatform aangewezen, veelbelovende gebieden (sleutelgebieden), zoals hightech systemen en materialen, creatieve industrie, water, voeding en bloemen. Tot slot worden kleine innovatieve ondernemingen in 2006 geholpen door de toegang tot de kapitaalmarkt voor hen te vergemakkelijken. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld jonge ondernemers gemakkelijker investeren in verbeteringen op hun bedrijf.


Meer concurrentie biedt de consument nieuwe producten en diensten en meer keuzemogelijkheden ten aanzien van tarieven en kwaliteiten. In de netwerksectoren, zoals telecommunicatie en energie, worden hiervoor belangrijke stappen gezet, bijvoorbeeld met de splitsing van energiebedrijven. Het kabinet wil daarnaast de Postwet aanpassen, zodat naast TNT NV, ook andere bedrijven vanaf 2007 op de gehele nationale postmarkt kunnen opereren. Naast de bestaande toezichthouders zal de in 2006 op te richten Consumentenautoriteit toezicht gaan houden op de regels voor consumentenbescherming en waar nodig bescherming bieden tegen inbreuk op het consumentenrecht, ook bij inbreuken met een collectief karakter.

Verlichting van administratieve lasten voor bedrijven

Het kabinet zet in op ruimte voor ondernemerschap door een grote verlichting van de administratieve lasten voor bedrijven. Deze administratieve lasten bedroegen in 2002 nog circa 16 miljard euro. De doelstelling van het kabinet is om deze lasten in de jaren tot en met 2007 met ruim 4 miljard euro te verminderen (een kwart van het niveau in 2002). Dit doel wordt in stappen gerealiseerd. Eind 2006 zal in totaal al 3 miljard euro gerealiseerd moeten zijn. Op het terrein van sociale zekerheid zijn belangrijke maatregelen genomen. In 2006 vervalt de noodzaak van gegevensaanlevering over loonbegrippen aan het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen en wordt de polisadministratie ingevoerd (de zogenoemde «Walvis/SUB operatie»). Samen met de in 2005 gerealiseerde uniformering van de loonbegrippen bedraagt de structurele lastenvermindering 295 miljoen euro. Er wordt gewerkt aan verdere vereenvoudiging van het loonbegrip en de loonadministratie. Maar ook de wetgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden (Arbo-wet en Arbo-besluit) wordt sterk vereenvoudigd, zodat de administratieve lasten zullen afnemen met 93 miljoen euro.


Ook pakt het kabinet in 2006 de vergunningenprocedures aan. Het kabinet richt een tijdelijke projectorganisatie in om de lange doorlooptijden en hoge kosten aan te pakken en de service van de overheid en de samenwerking binnen de overheid te verbeteren. Overigens zorgt niet alleen de omvang van administratieve lasten voor irritatie bij ondernemers. Daarom pakt het kabinet ook administratieve lasten aan, waarvan de omvang niet groot of zelfs onbekend is, maar die veel bedrijven als zeer irritant ervaren.

Kwaliteit van ondernemingsbestuur

Goed ondernemingsbestuur (corporate governance) komt het vertrouwen van de consument en de economische groei ten goede. Het toezicht op het ondernemingsbestuur is een blijvend punt van aandacht voor het kabinet. Via zelfregulering heeft de Commissie-Tabaksblat in 2003 de Nederlandse Corporate Governance Code gepresenteerd. Vanwege het grote belang van goede corporate governance heeft het kabinet deze Code ook wettelijk verankerd. Tevens zal de door het kabinet ingestelde Commissie-Frijns jaarlijks over de naleving van de Code rapporteren. Het Rijk zal ook de eigen deelnemingen kritisch blijven volgen. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) zal onafhankelijk toezicht op financiële verslaggeving van beursgenoteerde vennootschappen uitvoeren.

Sociale zekerheid en arbeidsmarkt

Alle doelstellingen op het terrein van sociale zekerheid en arbeidsmarkt zijn gericht op het verhogen van het arbeidsaanbod: minder arbeidsongeschiktheid, snellere begeleiding terug naar werk, hogere arbeidsparticipatie van ouderen en betere combinatie van arbeid en zorg. Een hoger arbeidsaanbod is nodig in verband met de vergrijzing. Het economische draagvlak van collectieve voorzieningen neemt op deze manier toe. Dit vereist een herziening van het begrip«solidariteit». Het kabinet kiest ervoor om scherper onderscheid te maken tussen mensen die écht ondersteuning nodig hebben en mensen die hun eigen verantwoordelijkheid goed kunnen nemen. Daarom worden bestaande regelingen aangepast, zodat een nieuwe balans van rechten en plichten ontstaat. Ook het opsporen van misbruik van regelingen wordt belangrijker. Met deze hervormingen wordt het accent verlegd van ondersteuning naar gelijke kansen (zie ook paragraaf 2.3).


In 2006 legt het kabinet de nadruk op een zorgvuldige uitvoering van het ingezette beleid. Eerder werden de Wet werk en bijstand (in 2004) en de Wet kinderopvang (in 2005) ingevoerd. In 2006 gaan diverse regelingen in uitvoering, zoals de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de levensloopregeling en het beleid ten aanzien van vervroegd uittreden (VUT) en prepensioen. De voorgenomen aanpassing van de WW en het ontslagrecht zullen worden uitgewerkt.

Doelstellingen op het terrein van sociale zekerheid en arbeidsmarkt

Meer mensen aan het werk door:

• vermindering van de jaarlijkse instroom in de WAO tot maximaal 25 duizend duurzaam volledig arbeidsongeschikten in 2007;

• toename van de uitstroom door reïntegratie. Het percentage uitkeringsgerechtigden dat na een reïntegratietraject naar werk uitstroomt, moet met een kwart toenemen in de periode 2004–2007 ten opzichte van 2004;

• verhogen van de arbeidsparticipatie van ouderen. Toename van de netto arbeidsparticipatie van ouderen (55–64 jaar) tot meer dan 40 procent in 2006 en naar 45 procent in 2010;

• bevorderen met 25 procent dat werknemers arbeid en zorg beter kunnen combineren. Verkleinen van de groep werknemers die arbeid en zorg wel wil combineren, maar dat feitelijk (nog) niet doet.

Vermindering jaarlijkse instroom in de WAO

De totale instroom in de WAO daalde in 2004 al met ruim 7 duizend tot 59 duizend personen. Daarmee is de instroom van volledig arbeidsongeschikten met 2 500 gedaald tot 35 duizend. Voor 2006 is een instroom naar volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in het nieuwe stelsel geraamd van 15 duizend personen. Het kabinet ligt dus op koers. Met de nieuwe Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) zet het kabinet een volgende stap naar een Sociale Zekerheidsstelsel dat meer mensen stimuleert om te gaan werken. In de WIA wordt onderscheid gemaakt tussen volledig en gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Aan diegenen die volledige ondersteuning nodig hebben, wordt inkomenszekerheid verschaft. Mensen die nog wel gedeeltelijk in staat zijn om te werken, worden met de WIA aangesproken op hun mogelijkheden, in plaats van op hun beperkingen. Bij behandeling in de Tweede Kamer van de WIA is besloten de uitvoering van de regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten in 2006 volledig door de publieke uitvoerder van werknemersverzekeringen (UWV) te laten doen. Vanaf 2007 zullen private verzekeraars voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikten gaan concurreren met het UWV.

Reïntegratie

Het begeleiden van werklozen en arbeidsongeschikten naar werk is een belangrijk middel om het arbeidsaanbod te stimuleren. Reïntegratie wordt in opdracht van het UWV en gemeenten door veelal private reïntegratiebedrijven uitgevoerd. In september 2005 zijn gegevens beschikbaar over het aantal mensen dat aan werk is geholpen naar aanleiding van de in 2002 gestarte reïntegratietrajecten (de nulmeting). In 2008 komen de cijfers voor de eindmeting beschikbaar. Hiermee kan beoordeeld worden in hoeverre de eerder gestelde doelstelling is gehaald (25 procent meer uitstroom naar werk in 2004–2007).

Arbeidsparticipatie van ouderen

De netto arbeidsparticipatie van 55–64 jarigen lag in 2004 al op 40 procent. Daarmee is het eerder gestelde doel bereikt. Nu wordt gestreefd naar een verdere verhoging tot 45 procent in 2010. Het beleid op het terrein van VUT, prepensioen en levensloop beoogt langer doorwerken voor ouderen aantrekkelijk te maken. VUT en prepensioenregelingen zijn niet langer fiscaal aantrekkelijk. Meer mensen moeten zelf sparen voor hun eigen prepensioen (nu wordt prepensioen vaak nog via een omslagstelsel gefinancierd). Langer doorwerken levert een hogere uitkering op. Dit geeft mensen een financiële prikkel om op een later moment te stoppen met werken. De sociale partners spelen een sleutelrol bij het vergroten van de arbeidsparticipatie. Zij maken aan de onderhandelingstafel immers de afspraken over de arbeidsvoorwaarden, inclusief de afspraken over prepensioen. De overheid heeft zelf in haar rol als werkgever de regelingen voor vervroegd uittreden van ambtenaren al aangepast.

Arbeid en zorg

Het kabinet wil het combineren van arbeid en zorg vergemakkelijken om zo meer mensen aan het werk te houden. De kosten van kinderopvang spelen daarin een sleutelrol. De Wet kinderopvang is in 2005 gestart om de combinatie van arbeid en zorg te vergemakkelijken. De regeling is meer toegespitst op hen die de ondersteuning echt nodig hebben. Voor 2006 worden aanpassingen voorgesteld ter beperking van de eigen bijdrage van mensen met een middeninkomen. Vanaf 1 januari 2006 zal ook de levensloopregeling het licht zien. De levensloopregeling maakt het mogelijk om met belastingvoordeel te sparen voor verlof. Bij de opname van het verlof wordt een heffingskorting toegekend, waarvan de hoogte afhankelijk is van het aantal jaren dat binnen de levensloopregeling is gespaard. Ouders kunnen bovendien gebruikmaken van een extra belastingvoordeel, als zij de levensloopregeling combineren met ouderschapsverlof.

32  Het betreft de zogenoemde «Growth Competitiveness Index» en de Business Competitiveness Index«. Nederland bezette in 2003 respectievelijk de twaalfde plaats en de negende plaats.