Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2006
  • Download PDF

3.3 Onderwijs, kennis en innovatie

Globalisering en technologische vooruitgang vragen om een slimme, vaardige en creatieve samenleving. Het kabinet zet daarop in. Goed en doelgericht onderwijs en onderzoek zijn daarvoor voorwaarden.

Onderwijs

Doelstellingen op het terrein van onderwijs

• Meer mensen die meedoen: terugdringen voortijdig schoolverlaten met 30 procent in 2006 en in totaal met 50 procent in 2010 (basiswaarde: 70 500 in 2002);

• Meer mensen werkzaam in het onderwijs: terugbrengen van het verwachte tekort in 2007 van 10 400 volledige banen in het primaire en voortgezette onderwijs naar circa 2 200;

• Minder regels, meer ruimte, heldere verantwoording.

Meer mensen die meedoen

Om mee te doen aan de samenleving is een basisniveau van scholing essentieel. Het voortijdig schoolverlaten is dan ook een blijvende zorg van dit kabinet. In het verleden is het aantal voortijdig schoolverlaters jaren achter elkaar gestegen. Voor het schooljaar 2002–2003 kon voor het eerst weer een daling worden gemeld. De definitieve cijfers van het schooljaar 2003–2004 zijn naar verwachting eind september bekend. De eerste signalen duiden op eenzelfde aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters als in 2002–2003. Het totale aantal stijgt nog wel, maar dit komt vooral door verbeteringen in de registratie van oude schoolverlaters. Dat neemt niet weg dat de doelstelling van een daling met 50 procent in 2010 nog lang niet bereikt is.

Het kabinet zet in 2006 in op twee acties. Ten eerste wordt extra ingezet op het doorstromen van het voorbereidend naar het middelbare beroepsonderwijs (VMBO naar MBO). Het is wenselijk dat meer leerlingen in de vertrouwde VMBO omgeving ook een MBO-1 of MBO-2 diploma kunnen halen. Daarvoor worden tien samenwerkingsprojecten tussen VMBO en MBO ondersteund.

Ten tweede krijgen VMBO-scholen vanaf het schooljaar 2005–2006 meer mogelijkheden om praktijkgericht onderwijs te verzorgen via investeringen in het verbeteren van de praktijklokalen. Ook de ontwikkeling van brede scholen wordt gestimuleerd. Voor praktijklokalen werd in het Paasakkoord 100 miljoen euro uitgetrokken. Daarbovenop stelt het kabinet nog eens 200 miljoen beschikbaar voor praktijklokalen, voortgezet speciaal onderwijs en brede scholen. Ter indicatie: elke 100 miljoen komt neer op ruim 350 praktijklokalen. Het kabinet stelt ook extra middelen beschikbaar voor lesmateriaal van docenten in bedrijf en voor leertrajecten in bedrijven. Leerlingen worden meer gemotiveerd als dit onderwijs dichter bij de praktijk van het bedrijfsleven komt te staan.


Samenwerking met het bedrijfsleven strekt zich uit over álle sectoren en «relevante ervaring» gaat verder dan een reguliere baan. Zo worden talentvolle kunstenaars met het programma «Van talent naar beroep» via maatwerktrajecten op weg geholpen naar een beroep in de cultuursector. Het kabinet financiert voor de helft van de scholen in 2006 de maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs. In deze stages kunnen middelbare scholieren wat langer dan gebruikelijk een kijkje nemen in de keuken van bijvoorbeeld zorginstellingen of sportclubs. Dit helpt jongeren hun weg te vinden in het alledaagse, complexe, maatschappelijke verkeer.

Meer mensen werkzaam in het onderwijs

Het lerarentekort is in de afgelopen jaren volledig verdwenen. Dat is goed nieuws. Het kabinet let scherp op het eventueel opnieuw ontstaan van tekorten en richt het beleid voornamelijk op de relatief omvangrijke uitstroom de komende jaren als gevolg van het vergrijsde lerarenbestand. Het kabinet legt in 2006 accent op verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleidingen. Zo zullen de pedagogische academies voor het basisonderwijs (pabo's) onder meer gebruikmaken van het bindende studieadvies aan het eind van het eerste studiejaar. Het taal- en rekenniveau van de student zal daarbij doorslaggevend zijn. Hierover is de Tweede Kamer op 1 juli 2005 geïnformeerd (Kamerstuk 2004–2005, 27 923, nr. 19).

Minder regels, meer ruimte, heldere verantwoording

De ruimte om te ondernemen is niet alleen van belang voor commerciële bedrijven (zie paragraaf 3.2). Instellingen voor onderwijs, cultuur en wetenschap hebben te maken met 250 miljoen euro aan administratieve lasten die door OCW worden vooroorzaakt. Het kabinet streeft naar een afname van deze lasten met bijna 30 procent in 2007 en 40 procent in 2010. Scholen kunnen deze lastenverlichting benutten om meer mensen direct in te zetten in de klas. Deze ruimte staat gelijk aan 1 850 banen in 2010. De afname van administratieve lasten voor scholen realiseert het kabinet bijvoorbeeld door meerdere vormen van toezicht te integreren: het kwaliteitstoezicht en het financiële toezicht. Ook het op «belastingdienstachtige» wijze toekennen van subsidies door het kabinet leidt tot een vermindering van administratieve lasten voor onderwijsinstellingen.

Mediabestel

De publieke omroep zal een duidelijke eigen taak en eigen «gezicht» moeten krijgen en zal mee moeten kunnen veranderen met maatschappelijke en technologische veranderingen. Daarom verandert het kabinet vanaf 2008 de organisatie van het omroepbestel. Ten eerste zal de publieke omroep dan werken op basis van een heldere omschrijving van zijn publieke functies. Ten tweede is de publieke omroep breder actief: op tv, radio en internet. Ten derde wordt het gemakkelijker om tot het omroepbestel toe te treden. Ook in 2006 vinden er veranderingen plaats. De regie op de programmering wordt de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur: bestuur en uitvoering zullen scherp van elkaar gescheiden worden. In het prestatiecontract met de publieke omroep worden voor de periode 2006–2008 afspraken gemaakt over het bereik, de pluriformiteit en de kwaliteit van het programma-aanbod enerzijds en over de integriteit en transparantie van de publieke omroep anderzijds.

Kennis en innovatie

In Lissabon hebben de Europese regeringsleiders de ambitie neergelegd om van Europa de meest vooruitstrevende kenniseconomie in de wereld te maken. Nederland maakt, net als alle Europese lidstaten, dit najaar een nationaal hervormingsplan om deze zogenoemde «Lissabon-agenda» een nieuwe stimulans te geven.

Doelstellingen op het terrein van kennis en innovatie

• Nederland wil behoren tot de Europese voorhoede op het gebied van innovatie;

• Betere samenwerking tussen onderwijs, wetenschap en bedrijfsleven;

• Versterking kwaliteit van het toponderzoek;

• Verhoging van de instroom van kenniswerkers.

Nederland in de Europese voorhoede en betere samenwerking wetenschap en bedrijfsleven

Het kabinet zet extra in op de toepassing van onderzoek. Uit een onlangs door het kabinet gepubliceerde studie blijkt dat het Nederlandse kennisstelsel behoorlijk presteert (Kamerstuk 2004–2005, 27 406, nr. 52). Nederlandse bedrijven hebben veel octrooien en Nederlandse wetenschappers publiceren op hoog niveau. In het licht van de Nederlandse Lissabon-agenda is er echter wel een aantal zorgpunten, zoals de relatief lage private investeringen in speur- en ontwikkelingswerk bij bedrijven en de gebrekkige vertaling van kennis in nieuwe producten. We hebben relatief veel (publieke) kennis, maar zetten die slecht om in verkoopsucces. Om deze «kennisparadox» aan te pakken investeert het kabinet al in 2006 in de zogenoemde Smart Mix. Hiermee wordt extra geld geïnvesteerd (in 2006 55 miljoen euro en vanaf 2007 jaarlijks 100 miljoen euro) in samenwerkingsverbanden tussen bedrijven en kennisinstellingen die duidelijke economische en maatschappelijke toepassingen hebben. Concrete voorbeelden zijn een technologisch topinstituut op het gebied van voeding en een instituut voor onderzoek naar pensioenen, NetSpar, waarin universiteiten, banken en verzekeraars samenwerken, en Pharma, een topinstituut voor fundamenteel onderzoek naar medicijnen. Het kabinet stelt daarnaast 500 miljoen euro extra beschikbaar voor innovatieprogramma's en toponderzoek. De middelen worden ingezet voor diverse programma's en onderzoeksgroepen van topkwaliteit en internationale allure.

Versterking toponderzoek

Toponderzoek is een zaak van onderzoekers. Het kabinet kan er een bijdrage aan leveren door het scheppen van de noodzakelijke voorwaarden. Om het toponderzoek te stimuleren is daarom besloten extra te investeren in de infrastructuur. Een voorbeeld daarvan is de subsidie van 17 miljoen euro voor een steriele ruimte voor nanotechnologisch onderzoek (een «cleanroom») en de ondersteuning met 40 miljoen euro van de oprichting van een centrum voor onderzoek naar intelligente draadloze microsystemen. Dit betreft een medische technologie die het mogelijk maakt om met miniatuurrobots in het menselijke lichaam een medische operatie uit te voeren. Het kabinet stelt daarbovenop 100 miljoen euro beschikbaar voor de versterking van de relatief kostbare, grootschalige onderzoeksinfrastructuur bij universiteiten en kennisinstellingen.

Verhoging instroom kenniswerkers

Naast kennis en samenwerking is er behoefte aan voldoende goede onderzoekers en technisch geschoolden. Op dit moment komt er in Nederland weinig jong wetenschappelijk talent bij. Ook hier laat de vergrijzing zich gelden. Het kabinet wil dan ook meer veelbelovende onderzoekers aantrekken én vasthouden. Daarom stelt het kabinet in 2006 17 miljoen euro beschikbaar voor persoonsgebonden subsidies aan onderzoekstalenten. Het aantal afgestudeerden in beta- en technische vakken zal moeten toenemen. Daarom wordt 25 miljoen euro gestoken in experimenten zoals een speciaal «beta-profiel» voor scholen in het Voortgezet Onderwijs (VO). Ook immigratie kan bijdragen aan een gezond kennisklimaat (zie paragraaf 2.3). In 2005 zijn al succesvol ervaringen opgedaan met één loket voor kenniswerkers.