Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2006
  • Download PDF

4.1 Stabilisatie EMU-tekort en ondersteuning koop- en concurrentiekracht

Voor 2006 wordt een EMU-tekort verwacht van 1,8 procent BBP. Dat is een stabilisatie ten opzichte van het verwachte tekort voor 2005, maar een verbetering ten opzichte van het tekort van 2,1 procent dat in de Miljoenennota van vorig jaar nog werd verwacht. Hierbij is rekening gehouden met de uitgavenintensiveringen en koopkrachtondersteunende maatregelen die het kabinet noodzakelijk acht. De uitgaven blijven binnen de gestelde kaders en de lasten verminderen met ruim 2 miljard euro. Het kabinet houdt hiermee een balans tussen intensiveringen, het conjuncturele herstel van de economie en de benodigde budgettaire discipline.


Het tekort bevindt zich duidelijk beneden de signaalwaarde van 2½ procent BBP. Mede op basis hiervan is de Europese procedure die tegen Nederland liep, vanwege een tekort boven de 3 procent BBP in 2003, op 7 juni jongstleden officieel beëindigd. Hierdoor kan naar het trendmatige begrotingsbeleid worden teruggekeerd, zoals in de Miljoenennota 2004 vastgelegd.


In 2005 en 2006 is er ruimte voor uitgavenintensiveringen binnen het afgesproken uitgavenkader. Extra middelen worden uitgetrokken voor het afschaffen van de lesgelden voor leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen van 16- en 17 jaar in het MBO met ingang van het schooljaar 2005/2006 (160 miljoen euro), voor het oplossen van knelpunten in de kinderopvang (200 miljoen euro), jeugdzorg (60 miljoen euro), verpleeghuizen (40 miljoen euro) en de extra compensatie van gemeenten voor het afschaffen van de onroerendezaakbelasting (OZB) voor gebruikers per 1 januari 2006 (85 miljoen euro). Met de extra vergoeding aan gemeenten moet worden voorkomen dat andere lokale lasten stijgen. Daarnaast vindt een structuurversterkende impuls plaats van ruim 2,3 miljard euro voor kennis, onderwijs en innovatie, milieu en duurzaamheid, mobiliteit, ruimte en monumenten via het Fonds Economische Structuurversterking (FES). Dit bedrag wordt over een reeks van jaren gespreid en de bestemmingen moeten eindig zijn in de tijd. Om eventuele tegenvallers op te vangen is er een uitgavenreserve (200 miljoen euro). Het uitgavenniveau inclusief de uitgavenreserve komt overeen met het kader voor de totale uitgaven zoals afgesproken in het Hoofdlijnenakkoord.


In 2006 komt er een pakket van 2½ miljard euro aan koopkrachtondersteunende maatregelen (waarvan ½ miljard euro via de uitgaven en ruim 2 miljard euro via lastenverlichting). Reeds eerder was besloten tot een breed compensatiepakket van 1 miljard euro in samenhang met de invoering van het nieuwe zorgstelsel (waaronder het afschaffen van het gebruikersdeel van de OZB en de invoering van de zorgtoeslag). In het voorjaar is besloten om met ingang van het schooljaar 2005/2006 het lesgeld voor leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen van 16- en 17 jaar in het MBO af te schaffen. Daarenboven komt nu een extra pakket aan maatregelen van ruim 1½ miljard euro. Dit is om te beginnen nodig om compensatie te bieden voor de gestegen energieprijzen waar de burger mee wordt geconfronteerd. Zo bevriest het kabinet de autobrandstofaccijnzen door ze niet – zoals gebruikelijk – te verhogen met de inflatie, wat een stabiliserend effect heeft op de autobrandstofprijzen. Tevens is besloten om de hogere kosten als gevolg van het succes van de bevordering van de productie van duurzame energie – regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) – niet door te laten werken in hogere afnemerstarieven voor elektriciteit per aansluiting voor de burger, maar deze op termijn deels te financieren uit het FES en vooralsnog vrijwel volledig uit een rijksbijdrage. Projecten die in principe FES-waardig zijn, maar nu buiten het FES om worden gefinancierd (bijvoorbeeld windmolens op zee), zullen ten laste van het FES worden gebracht. Het gaat om een bedrag van in totaal 1 miljard euro dat gespreid over de komende jaren uit het FES wordt betaald.


Het belasting- en premiebeleid dragen bij aan de koopkrachtondersteuning en concurrentiekracht. De WW-premie wordt verlaagd, wat ook bijdraagt aan de afbouw van vermogensoverschotten in de sociale fondsen. Daarnaast zijn voor enkele specifieke groepen, zoals zelfstandigen en ouderen, maatregelen genomen om tot betere inkomensgevolgen te komen bij de invoering van het nieuwe zorgstelsel. Tot slot wordt de algemene heffingskorting verhoogd, het bedrag dat iedere burger van de belasting kan aftrekken. Vorig jaar is dekking gerealiseerd om de Vennootschapsbelasting in 2006 met 1 procentpunt te verlagen tot 30,5 procent. Het kabinet stelt voor het vennootschapsbelastingtarief (Vpb-tarief) extra te verlagen tot 29,6 procent, als onderdeel van het pakket dat de lastendruk voor ondernemingen per saldo stabiel houdt. Volgend jaar ligt het Vpb-tarief bijna 5 procentpunten lager dan aan het begin van de kabinetsperiode. Dat stimuleert de concurrentiekracht en het innovatievermogen van de Nederlandse economie en is goed voor de werkgelegenheid.


Het EMU-tekort in 2006 is ten opzichte van de verwachting in de Miljoenennota van vorig jaar verbeterd met 0,3 procent BBP tot 1,8 procent. Ten opzichte van 2005 is hiermee sprake van een stabilisatie. Ook het structurele tekort verbetert in vergelijking met de Miljoenennota van vorig jaar. Volgens de thans door de Europese Commissie gehanteerde methode loopt het structurele tekort terug van 2,4 procent in 2003 tot 0,9 procent in 2006. Als rekening wordt gehouden met de vertraagde doorwerking van de economie op de begroting, een aanpassing die de Europese Commissie overweegt, dan is de daling van het structurele tekort geprononceerder (van 3,1 procent in 2003 tot 0,6 procent in 2006). De schuldquote loopt in 2006 nog licht op tot ruim 55 procent BBP, maar blijft ruim beneden de 60-procentgrens van Maastricht.


In paragraaf 4.2 wordt het uitgavenbeeld voor de Rijksbegroting in enge zin, Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt en Zorg geschetst. Paragraaf 4.3 gaat in op de inkomstenontwikkeling. Tekort- en schuld komen aan bod in paragraaf 4.4. Hoofdstuk 4 sluit af met het begrotingsbeleid.