Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2006
  • Download PDF

4.4 EMU-tekort en schuld

In de periode 2005–2007 stabiliseert het EMU-tekort op 1,8 procent BBP. Het EMU-tekort 2004 is uitgekomen op 2,1 procent BBP, ruim onder de 3-procentgrens uit het Europese Verdrag (tabel 4.4.1). In alle jaren – sinds 2004 – verbetert het tekort ten opzichte van de vorige Miljoenennota. De raming voor 2007 is gebaseerd op technische veronderstellingen en een economische groei van gemiddeld 2½ procent. Een eerste echte raming voor 2007 die aansluit op de feitelijke ontwikkelingen in voorafgaande jaren, komt beschikbaar in het voorjaar van 2006 bij de publicatie van het CEP 2006 door het CPB.

Tabel 4.4.1 Ontwikkeling van het EMU-saldo Miljoenennota 2006 en 2005 (in % BBP)
 20032004200520062007
Stand Miljoenennota 2005– 3,2– 3,0– 2,6– 2,1– 1,9
Stand Miljoenennota 2006– 3,2– 2,1– 1,8– 1,8– 1,8

Na de overschrijding van de 3 procentgrens in 2003 hebben de Europese ministers van Financiën op 2 juni 2004 vastgesteld dat in Nederland een zogenoemd buitensporig tekort bestond. Conform de daaraan gekoppelde buitensporigtekortprocedure uit het Europese verdrag kreeg Nederland een aanbeveling om binnen vier maanden maatregelen te presenteren. De maatregelen moesten een omvang hebben van ten minste 0,5 procent BBP en hoofdzakelijk structureel zijn. Volgens de tijdslimieten uit het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) zou het tekort dan uiterlijk in 2005 onder de 3-procentgrens worden gebracht. In oktober 2004 hebben de Europese ministers van Financiën geoordeeld dat Nederland op basis van de inspanningen uit de Miljoenennota 2005 voldoende maatregelen had genomen. In maart 2005 heeft Nederland aan de Europese Commissie gemeld dat het tekort reeds in 2004 beneden 3 procent BBP is gebracht. De Commissie heeft hierop voorgesteld om de buitensporigtekortprocedure tegen Nederland te beëindigen. De ministers van Financiën hebben de procedure op 7 juni 2005 officieel beëindigd.

Het EMU-saldo van de lokale overheid

Het EMU-tekort is het tekort van de centrale overheid en de lokale overheden (onder andere gemeenten, provincies en waterschappen). Het tekort van de centrale overheid draagt het meest bij aan het EMU-tekort.

Tabel 4.4.2 Ontwikkeling EMU-saldo lokale overheden (in % BBP)
 20032004200520062007
EMU-saldo– 3,2– 2,1– 1,8– 1,8– 1,8
Centrale overheid– 2,6– 1,7– 1,4– 1,5– 1,6
Lokale overheid– 0,6– 0,4– 0,4– 0,3– 0,2

Het geraamde tekort van de lokale overheid zal naar verwachting in 2006 uitkomen op 0,3 procent BBP. Dit is een halvering van het tekort van de lokale overheden vergeleken met 2003. Het tekort in 2003 kwam onverwacht, omdat de lokale overheden jarenlang kleine overschotten hadden. Als reactie op het onverwachte tekort is in september 2004 een bestuurlijk akkoord afgesloten tussen kabinet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Interprovinciaal Overleg (IPO) en Unie van Waterschappen (UvW). Doel is om tot een betere beheersing van het EMU-tekort van lokale overheden te komen. De bij het bestuurlijk akkoord betrokken partijen zullen gezamenlijk monitoren of het tekort van de lokale overheid in 2006 binnen de 0,5 procent BBP blijft. Het CBS monitort daartoe het beloop van de investeringen, het grondbedrijf en de reserves van een aantal lokale overheden. Tevens zal een gezamenlijke werkgroep een structurele normeringssystematiek uitwerken voor de beheersing van het EMU-saldo van de lokale overheden. De normeringssystematiek kan dan vanaf een nieuwe kabinetsperiode worden toegepast. Tot slot gaan de lokale overheden het EMU-saldo opnemen in hun begroting. Dit zal als eerste gebeuren in de begroting 2006. Bij een dreigende overschrijding van de EMU-grenzen (dat wil zeggen wanneer het EMU-tekort van de gehele overheid boven de 2½ procent BBP ligt) kunnen dan tijdig maatregelen worden getroffen. Ook kan deze informatie nut hebben voor de besluitvorming over de begroting van de centrale overheid. In april 2005 is vastgesteld dat dit jaar géén extra maatregelen meer noodzakelijk zijn om het tekort terug te dringen. Het EMU-tekort van de gehele overheid is thans uit de gevarenzone.

Het structurele EMU-saldo

Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de overheidsfinanciën is naast de ontwikkeling van het feitelijk EMU-saldo de ontwikkeling van het zogenoemde structurele EMU-saldo een belangrijke factor. Door het feitelijke tekort te corrigeren voor de invloed van de conjunctuur ontstaat inzicht in de onderliggende structurele ontwikkeling van de overheidsfinanciën. Overigens is het verstandig om enige voorzichtigheid te betrachten bij het als leidraad hanteren van het structurele saldo. Het recente verleden heeft laten zien dat het structurele saldo behoorlijk volatiel kan zijn, onder meer door herberekeningen aan de hand van realisatiecijfers. In het vernieuwde Stabiliteits- en groeipact (SGP) zijn eisen opgenomen over de ontwikkeling van het structurele saldo. Volgens het nieuwe SGP moet het structurele tekort in de regel jaarlijks met 0,5 procent BBP verbeteren, totdat het land zijn zogenoemde middellangetermijndoelstelling heeft bereikt. Overigens moet de verbetering van de structurele begrotingspositie in economisch goede tijden groter zijn dan 0,5 procent BBP. In economisch slechte tijden mag de inspanning beperkter zijn. De streefwaarde voor de middellange-termijn-doelstelling is afhankelijk van de schuldquote en de potentiële groei (de groei bij een volledige bezetting van de economie) van een land en zal dit najaar worden vastgesteld in de raad van de ministers van Financiën. Naar verwachting beloopt de middellange-termijn-doelstelling voor Nederland ½ à 1 procent BBP.

Tabel 4.4.3 Ontwikkeling van het structurele EMU-saldo (in % BBP)*
 2003200420052006
Feitelijk EMU-saldo– 3,2– 2,1– 1,8– 1,8
Conjuncturele component EMU-saldo+ 0,7+ 0,7+ 1,2+ 0,9
Structureel EMU-saldo– 2,4– 1,4–0,6– 0,9
Structureel EMU-saldo inclusief vertraging–3,1– 1,4– 1,0– 0,6

* Door afrondingsverschillen kan de som van de delen afwijken van het totaal.


Tussen 2003 en 2006 verbetert, volgens de huidige berekeningsmethodiek van de Europese Commissie, het structurele saldo met gemiddeld ruim 0,5 procentpunt BBP per jaar (tabel 4.4.3). Dit is vooral het gevolg van een naar huidige inzichten sterke daling van het feitelijk tekort in 2004 en 2005. Doordat het verschil tussen het feitelijke BBP en het potentiële BBP in 2006 kleiner is dan in 2005 resulteert in deze ramingen bij een gelijkblijvend feitelijk tekort in 2005 en 2006 een kleine verslechtering in het structurele saldo. De methode van de EU gaat echter nog uit van een onvertraagd verband tussen de output gap en de conjuncturele component van het EMU-saldo. Dit onvertraagde verband wordt nu internationaal ter discussie gesteld. Zo stelt de OESO in een studie van deze zomer34 dat er rekening gehouden moet worden met een vertraging voor Nederland ten aanzien van winstbelasting en inkomstenbelasting van één jaar. Ook het CPB heeft in de MEV een variant met vertraging doorgerekend35. Uitgaande van deze variant verbetert het saldo verder in 2006 (onderste regel tabel 4.4.3) en het niveau is lager. De Europese Commissie beziet thans op welke manier de vertraging meegenomen kan worden in de Europese methodiek. Bij beide methoden geldt dat de doelstelling voor het structurele tekort voor het einde van de kabinetsperiode (0,5 procent BBP) binnen bereik is.

De EMU-schuld

De EMU-schuldquote neemt dit jaar nog toe. In 2006 stabiliseert de schuldquote op ruim 55 procent BBP. Daarmee blijft de schuldquote duidelijk onder de Europese referentiewaarde van 60 procent gedurende de kabinetsperiode. In euro's gemeten laten de ramingen wel een jaarlijkse toename van de schuld zien. Van een aflossing van de schuld – om de rentelasten te verminderen en zo ruimte te creëren op de begroting om de kosten van vergrijzing op te vangen – is nog geen sprake. Verkoopopbrengsten van staatsdeelnemingen worden aangewend voor de aflossing van de staatsschuld. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanstaande verkoop van een minderheidsaandeel Schiphol.

Tabel 4.4.4 Ontwikkeling van de EMU-schuldquote (in % BBP)*
 2003200420052006
1. EMU-schuldquote52,653,155,055,4
2. Effect EMU-saldo op de schuldquote+ 3,2+ 2,1+ 1,8+ 1,8
3. Noemereffect (BBP)– 1,3– 1,4– 0,4– 1,8
4. EMU-saldoen BBP-effect (4=2+3)+ 1,8+ 0,7+ 1,4+ 0,0
5. Financiële transacties en overig– 0,6– 0,1+ 0,6+ 0,4
6. Totale mutatie schuldquote+ 1,3+ 0,6+ 1,9+ 0,4

* Door afrondingsverschillen kan de som van de delen afwijken van het totaal.


Eind 2004 heeft de Europese Commissie vastgesteld dat Griekenland jarenlang te gunstige EMU-tekortcijfers heeft gerapporteerd aan Brussel. Onderzoek van Eurostat (Europese Statistische Bureau) heeft geleid tot een opwaartse bijstelling van de Griekse tekortcijfers over de periode 1997–2003 met gemiddeld meer dan 2 procent BBP. Dit Griekse drama was de aanleiding om maatregelen te treffen in Europa. Zo heeft de Europese Commissie extra bevoegdheden gekregen om de kwaliteit van de statistieken van de overheidsfinanciën te controleren via een soort inspectiebezoeken («methodologische bezoeken»). Ook zijn de regels voor de onafhankelijkheid van de statistische bureaus aangescherpt (zowel nationale bureaus als Eurostat). Onafhankelijkheid van de nationale statistische bureaus, inbegrepen Eurostat, is immers een belangrijke voorwaarde om kwalitatief hoogstaande en betrouwbare statistieken van de overheidsfinanciën te genereren. Tot slot is afgesproken om de operationele slagvaardigheid van Eurostat te vergroten door het toevoegen van specialisten op het gebied van Europese boekhoudmethoden.

Nederlandse overheidsfinanciën in vergelijking met andere Europese landen

Nederland behoort samen met Luxemburg, Spanje, Ierland, Zweden, Finland en Denemarken tot de groep van zeven EU-15-landen met een tekort onder de 3 procent en een schuldquote van onder de 60 procent BBP (tweede kwadrant figuur 4.4.1). In 2005 is in vier landen, te weten Duitsland, Italië, Portugal en Griekenland, sprake van een EMU-tekort van boven de 3 procent BBP (derde en vierde kwadrant figuur 4.4.1). Frankrijk en Groot-Brittannië balanceren op het 3 procent koord. België en Oostenrijk hebben een tekort kleiner dan 3 procent, terwijl hun schuld groter is dan 60 procent (eerste kwadrant figuur 4.4.1). Duitsland en Frankrijk moeten volgens aanbevelingen van de ministers van Financiën het tekort in 2005 beneden 3 procent brengen. Griekenland (tekort 4,5 procent in 2005) dient uiterlijk in 2006 het buitensporige tekort gecorrigeerd te hebben. In juni 2005 is de Commissie eveneens een buitensporig tekortprocedure gestart tegen Italië en Portugal. Italië en Portugal (tekort 4,9 procent in 2005) wordt aanbevolen om hun tekort in 2007 respectievelijk 2008 onder 3 procent BBP te brengen.

Figuur 4.4.1 EMU-schuld en EMU-saldo in de EU-15 (Stand 2005; % BBP)36



kst88447_09.gif

Van de nieuwe lidstaten zitten Cyprus, Malta, Slowakije, Polen, Tsjechië en Hongarije in een buitensporigtekortprocedure. Deze nieuwe lidstaten zitten in een overgangsregime. Hierdoor bepalen de nationale plannen uit de convergentieprogramma's de termijn van correctie van het buitensporige tekort. Het wegwerken van het buitensporige tekort is voor deze landen een noodzakelijke voorwaarde voor het invoeren van de euro.

34  OECD, Economic Department Working Papers, no. 434, Measuring cyclically-adjusted budget balances for OECD countries (July 2005).

35  Centraal Planbureau, Macro Economische Verkenning 2006.

36  European Commission. Public Finances in EMU 2005.