Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Behandeling EZ-begroting 2007 (30800 XIII)

30800 XIII 18-10-2006

Economische Zaken
Aan de orde is de behandeling van:
  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2007 (30800 XIII).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Ik mis hem al een beetje. Natuurlijk, wij waren het wel eens oneens. Natuurlijk, wij hadden wel eens stevige aanvaringen. En natuurlijk, over en weer vielen soms, zeker voor de buitenwereld, onvriendelijke termen, maar toch: Laurens Jan Brinkhorst was een gepassioneerde minister. Hij had passie voor innovatie en voor het milieu, passie voor en – helaas soms wat ouderwetse – ideeën over harder, langer en meer werken, en hij had passie voor eerlijke marktwerking en een sterke rol van de overheid.

Wat wij vandaag bespreken, is hoe hij het ministerie en het beleid heeft achtergelaten. Dat is een beetje lastig te bespreken met zijn vervanger. Ik moet u eerlijk zeggen dat het mij sowieso heeft verbaasd dat Brinkhorst een vervanger kreeg. Eerder hebben wij in deze Kamer van gedachten gewisseld over het belang van het ministerie van Economische Zaken, want, laten wij wel wezen, de rol die dat speelt, is nu eenmaal niet zo groot. Toch kreeg Economische Zaken een tweede bewindspersoon, terwijl het zeer invloedrijke ministerie van Financiën in de handen van één, vrij machtige man achterbleef. Dit heeft mij verbaasd, maar er zal ongetwijfeld een goede reden voor zijn geweest.

De heer Vendrik (GroenLinks): In debatten in het verleden is inderdaad wel eens stilgestaan bij de rol van het ministerie van Economische Zaken, zij het wat filosoferend. Ik heb begrepen dat de Partij van de Arbeid vrij fors de klem op de rijksoverheid zet, budgettair gesproken dan. Bestaat het ministerie van Economische Zaken na 22 november aanstaande nog als het aan de Partij van de Arbeid ligt?

De heer Van Dam (PvdA): Misschien zeg ik daar aan het eind van mijn betoog wat over. Alle gekheid op een stokje, dat de bezem door de rijksoverheid moet en in plaats van op het maken van beleid de nadruk best wat meer mag komen te liggen op uitvoering, is volgens mij een helder programmapunt van de PvdA. Volgens mij ligt het voor de hand dat de taken van ministeries, zeker de ministeries waarvan je je toch al kunt afvragen hoeveel invloed zij hebben, kritisch worden bestudeerd. Ik kan niet zeggen wat er precies uit de formatie komt. Wist ik maar wie er aan tafel gaat zitten!

Dit is een goed moment om terug te blikken op het beleid van minister Brinkhorst, maar ook om na te gaan hoe minister Wijn diens erfenis overneemt. Het beleid van Economische Zaken is gericht op de versterking van de economische structuur. Niet de cijfers over de groei op de korte termijn, maar over de lange termijn tellen. Wij mogen bij deze begroting dus verder kijken dan vandaag, verder dan het hier en nu. Gelukkig is het kabinet de laatste tijd heel bescheiden over de structuur van onze economie geweest. Het kabinet heeft ook veel om bescheiden over te zijn. Het structurele groeipotentieel van de Nederlandse economie is de afgelopen jaren met een 0,5% afgenomen. Nederland stond qua structurele groei in 2005 op de tiende plaats in Europa. In 2006 is dat weer zo. Nederland is tijdens deze kabinetsperiode slechts een plaatsje opgeschoven op het European Innovation Scoreboard. Nederland stond in 2000 nog in de top 5 van de Growth Competitiveness Index van het World Economic Forum; vorig jaar stond Nederland op de elfde plaats. In de Business Competitiveness Index van hetzelfde World Economic Forum stond Nederland in 2000 ook nog in de top 5, maar het afgelopen jaar op de negende plaats. Natuurlijk, de economie draait gelukkig weer volop. Er is alleen geen reden tot zelfgenoegzaamheid, tot borstklopperij of tot achteroverleunen. De structuur van de Nederlandse economie is nog niet voldoende versterkt. Daar moet een nieuw kabinet nog heel wat voor doen. Met minister Brinkhorst hebben wij het herhaaldelijk gehad over de manier waarop. De discussies gingen over de vier bekende groeimotoren van de economie: arbeidsparticipatie, arbeidsproductiviteit, -kosten en marktwerking. Ik begin met de arbeidsparticipatie. De laatste aanvaring die ik met minister Brinkhorst had ging over de herinvoering van de 40-urige werkweek. Hierdoor wordt het een vader of moeder dus onmogelijk gemaakt om vier dagen van negen uur te maken en een dag per week voor de kinderen thuis te zijn, terwijl dat toch het ideaalbeeld van de staatssecretaris was. Die vader of moeder zal de vijfde dag moeten gaan werken. Heel veel Nederlanders moeten hierdoor zo'n vijftien vrije dagen per jaar inleveren. Dit was niet alleen de opvatting van minister Brinkhorst. Desgevraagd, bevestigde ook minister De Geus dat dit gewoon een kabinetsplan was. Ook het CDA presenteerde dit als een belangrijk recept om de kosten van de vergrijzing op te vangen. Ik vraag mij af hoe deze nieuwe minister dit onderwerp zal benaderen. Hoe gaat hij mensen overhalen om vijftien vrije dagen in te leveren voor de economie? Hoe gaat hij jonge vaders en moeders overhalen om voortaan niet op vrijdag bij de kinderen te zijn, maar op het werk? Wanneer dringt het eigenlijk tot het kabinet door dat mensen gewoon proberen om hun gezinsleven met een drukke baan te combineren en zij daarvoor geen overheid nodig hebben die hen alsmaar op de vingers tikt omdat zij niet hard genoeg werken? Ouders hebben geen CDA nodig dat hun komt vertellen dat zij € 2000 belastingvoordeel moeten inleveren als zij om wat voor een reden dan ook besluiten om niet allebei te werken. Mensen willen kunnen kiezen. Zij hebben een overheid nodig die hen daarbij ondersteunt met goede kinderopvang. Op plannen voor betere kinderopvang hoor je van deze minister van Economische Zaken alleen maar kritiek. Op plannen voor gratis kinderopvang, zoals de VVD en de PvdA hebben gemaakt, hoor je van deze minister van Economische Zaken alleen maar kritiek. Ik ben nu dus heel benieuwd. Wat hebben jonge ouders eigenlijk aan deze minister van Economische Zaken?

De heer Aptroot (VVD): Wil de heer Van Dam onderscheid maken tussen de plannen van zijn fractie, die van de PvdA, en mijn fractie, die van de VVD? Ik wil niet graag dat wij op één hoop worden gegooid. Wij zijn voorstander van gratis kinderopvang voor eenouder- of tweeoudergezinnen waarvan de ouders daadwerkelijk werken. Wat ons betreft kan dat voor vijf dagen per week, wanneer de ouders vijf dagen per week werken, terwijl de PvdA iedereen drie dagen per week gratis kinderopvang biedt, ook wanneer ouders op die dagen alleen boodschappen doen of tennissen. Bij ons is het echt gericht op meedoen en werken, terwijl het bij de PvdA gaat om een aardig cadeautje voor iedereen, ongeacht of men wel of niet meedoet. Dat onderscheid moeten wij wel maken.

De heer Van Dam (PvdA): Ik word ook niet graag op één hoop gegooid met de VVD. Wat wij met elkaar delen, is dat wij ervan overtuigd zijn dat kinderopvang ongelofelijk belangrijk is voor ouders die allebei willen werken en die proberen dat te combineren met een druk gezinsleven. Wij weten zo onderhand wel dat onze plannen op details van elkaar verschillen. Het gaat er echter om dat wij deze ambitie delen. Laten wij ons daar ook eens op richten.

Om de tweede groeimotor, de arbeidsproductiviteit, te verhogen hebben wij vooral het innovatiebeleid. Laten wij daar eerlijk over zijn. Ik begrijp dat het in deze tijd, zo vlak voor de verkiezingen, reuze moeilijk is om te erkennen dat iets niet goed is gelopen, maar over het innovatiebeleid verschillen de meningen. Dat is geen succes geweest. De VVD wil zelfs het Innovatieplatform afschaffen. Ik begrijp dat heel goed. Het Innovatieplatform is met goede adviezen gekomen, maar die verdwenen te vaak in de la. Nog steeds staan er hoge schotten tussen de ministeries van EZ en van OCW. De veel bepleite focus in het onderzoeks- en innovatiebeleid is verzand in sleutelgebieden, waaronder inmiddels ongeveer 70% van de Nederlandse bedrijven schijnt te vallen. Het vervangen van allerlei subsidieregelingen door fiscale maatregelen die generieke innovatie ondersteunen en van garanties en kredieten om specifieke ontwikkelingen te kunnen ondersteunen, is nauwelijks doorgezet. Als ik het mij goed herinner, was de heer Wijn als staatssecretaris van Financiën daarvan nog een groot voorstander, maar hoe ziet hij dit als minister van Economische Zaken?

Natuurlijk zijn er ook ontwikkelingen in gang gezet in de goede richting, zoals subsidies voor het Holst Centre, voor het Center for Molecular Medicine en voor het WCFS. Dat zijn voorbeelden hoe kansrijke ontwikkelingen worden ondersteund, mede op aandringen van de Kamer. Maar wie de begroting leest, schrikt zich een ongeluk. Het zijn allemaal eenmalige subsidies en het innovatiebeleid lijkt na dit jaar op te houden. De budgetten voor innovatie gaan na die jaar in noodtempo omlaag met zeker 40%.

Is innovatiebeleid de komende jaren niet meer belangrijk? Is het toekomstbestendig maken van onze economie geen prioriteit voor minister Wijn? Ik hoor daarop graag zijn reactie.

De innovatieagenda van het nieuwe kabinet moet stevig worden aangepakt. Ik zei het al: wij zijn echt nog lang niet klaar. Wij hanteren daarvoor, om het gemakkelijk te kunnen onthouden, de vijf O's: fors investeren in onderwijs; meer geld – maar ook een slimmere verdeling – voor wetenschappelijk onderzoek; stimuleren van ondernemerschap; een open blik naar het buitenland – en dus geen bangmakerij voor China en India, maar een slimmer immigratiebeleid waarmee talenten naar Nederland worden gehaald – en een stimulerende en vooral betrouwbare overheid.

Een betrouwbare overheid is niet een overheid die in korte tijd achter elkaar de MEP, de milieu-investerings­aftrek en de energie-investeringsaftrek stopzet. Dat heeft er blijkbaar meer mee te maken hoe belangrijk deze nieuwe minister het vindt dat Nederland blijft investeren in schone energie; niet dus. Wat dat betreft, mis ik minister Brinkhorst dan ook inhoudelijk.

De heer Ten Hoopen (CDA): Waarop baseert de heer Van Dam het dat het Innovatieplatform niet zo succesvol is geweest? De houding ten opzichte van innovatie is in Nederland fors verbeterd. Sterker nog, met 70% staat Nederland bovenaan. Hoezo niet succesvol? Kan de heer Van Dam zich bij de feiten houden?

De heer Van Dam (PvdA): Wanneer wij in Nederland blij zijn dat mensen hun houding veranderen, gaan wij allemaal als gelukkige mensen door het leven. Het gaat erom dat er resultaat wordt geboekt. Leest u de Kenniseconomiemonitor erop na, net als de laatste OESO-rapportage en de kritiek die daarin wordt geleverd. Luistert u naar ondernemers die bezig zijn met innovatie en hoort zij hoe enthousiast zij zijn over het Innovatieplatform. De VVD laat zich er niet voor niets altijd op voorstaan veel contact te hebben met ondernemers en die partij stelt niet voor niets voor om het Innovatieplatform op te heffen.

De heer Ten Hoopen (CDA): Met andere woorden, hierin staat wat er is veranderd in Nederland. Het Innovatieplatform is daarin een doorbraak geweest. In de cijfers van OESO ziet u dat Nederland de goede kant op gaat en dat de groei mede door technologie is bereikt. De feiten wijzen dus iets anders uit dan wat u hier zegt.

De heer Van Dam (PvdA): Dit is echt flauwekul, het spijt mij dat ik deze terminologie moet gebruiken. Het totaal van de investeringen in het onderwijs is bijvoorbeeld de laatste jaren in absolute waarde wel gestegen, maar het reële bedrag is gedaald. Dit zijn niet alleen mijn woorden, maar ik sluit mij aan bij de boodschap van het NWO, van de VSNU; dus van de partijen die er verstand van hebben. Laten wij ons op die cijfers baseren.

Na lang aandringen ligt er nu een plan om de rol van de overheid als inkopende partij meer te gebruiken om innovatie te stimuleren, maar dit plan geeft mij nog niet genoeg vertrouwen. Ik wil ook niet wachten tot 2008 om resultaten te zien. Kan de Kamer vóór de begroting van volgend jaar een concrete uitwerking krijgen van het Actieplan Overheid als Launching Customer? Kan het kabinet daarin, of al eerder, aangeven hoe het kleinere bedrijven meer kans gaat geven om in aanmerking te komen voor overheidsopdrachten?

De derde economische motor is het beperken van kosten. Dat hebben wij de afgelopen jaren gedaan: de Nederlanders hebben fors ingeleverd, namelijk zo'n 4%. Verder is de armoede fors toegenomen. Niet iedereen ging er echter op achteruit; de top ging er 10% op vooruit. De overheid zou op dit punt het goede voorbeeld kunnen geven, bijvoorbeeld bij de topsalarissen bij energiebedrijven. Premier Balkenende zei toen wij hem daarop aanspraken, dat hij niet kon ingrijpen in lopende contracten, maar dat er aan deze topsalarissen wat gedaan zou kunnen worden op het moment dat de verschillende contracten van de directeuren van de energiebedrijven vernieuwd zouden worden. Vorige week liep er zo'n contract af, namelijk het contract van de heer Van Halderen met Nuon. Deze mijnheer kreeg een nieuw contract en verdient nog steeds dik zeven ton per jaar; dat is een keer of vier tot vijf zo hoog als het salaris van premier Balkenende. Heeft het kabinet contact gehad met Nuon over dit nieuwe contract en, zo ja, wanneer en door wie is dit contact opgenomen? Waarom is het niet gelukt om dit absurd hoge salaris te verlagen, zoals wij met elkaar hadden afgesproken?

De heer Ten Hoopen (CDA): Wat hebben PvdA-bestuur­ders gedaan om dit soort zaken aan de kaak te stellen bij de energiebedrijven? De mensen van GroenLinks, met name uw collega de heer Vendrik, en de mensen van het CDA hebben dit wél gedaan. Wat doet de fractie van de PvdA nu eigenlijk?

De heer Van Dam (PvdA): Zoals u weet roepen wij onze bestuurders steeds op om in de contractonderhande­lingen de topsalarissen naar een normaal niveau te brengen.

De heer Ten Hoopen (CDA): Wat hebben PvdA-bestuur­ders concreet gedaan? Geeft u eens een concreet voorbeeld? Uw retoriek is prachtig, maar wat heeft de fractie van de PvdA gedaan? Helemaal niets.

De heer Van Dam (PvdA): Wat wij hebben gedaan? Wij hebben een afspraak liggen met de minister-president. Hij zou dit aan de orde stellen.

De heer Ten Hoopen (CDA): Die gaat daarover niet.

De heer Van Dam (PvdA): Als hij daarover niet gaat, moet hij niet beloven dat hij ervoor gaat zorgen dat deze topsalarissen naar beneden gaan.

De heer Aptroot (VVD): Ik begrijp de ergernis over dit soort idiote salarissen heel goed, zeker als deze voorkomen bij bedrijven die eigenlijk nog monopolist zijn ook en bij bedrijven waarbij de consument vaak geen keuze heeft. Het kabinet heeft echter maatregelen genomen voor organisaties waarop het kabinet rechtstreeks invloed heeft, maar het heeft geen invloed op het salaris van de leden van de directie van Nuon. De PvdA heeft tijdens de gemeenteraadsverkiezingen heel goede resultaten geboekt en heeft daardoor helaas veel meer wethouders en raadsleden dan bijvoorbeeld de VVD. Die wethouders en raadsleden kunnen invloed uitoefenen; dát zijn degenen die de salarissen kunnen aanpakken van de topmannen van de energiebedrijven. Noemt u eens een paar van uw wethouders en gedeputeerden die hebben ingegrepen. Volgens mij hebben de PvdA'ers helemaal niets gedaan.

De heer Van Dam (PvdA): U kunt ervan op aan dat wij hierop ook onze eigen bestuurders aanspreken. Dat zullen wij ook blijven doen als deze zaken zich blijven voordoen. Wij doen dat ook waar onze bestuurders erbij betrokken zijn. Gelukkig voor u regeren wij dit land niet alleen, maar doen wij dit samen met andere partijen. Wij spreken onze bestuurders er op aan, maar wij maken ook afspraken met de minister-president. Als een afspraak met hem over dit thema al niets meer waard is, waar blijven wij dan? Wij zien dat de armoede in dit land al jaren achtereen toeneemt en dat gewone mensen er fors op achteruit gaan, terwijl dit soort figuren zichzelf maar blijven verrijken. Daarom spreken wij daar ook de minister-president op aan. Het gaat hierbij immers ook over normen en waarden, hoewel wij het daarover in dit verband niet mogen hebben.

De heer Aptroot (VVD): De minister-president en het kabinet gaan niet over de topsalarissen in de energiebedrijven. Helaas, want als zij daarover wel zouden gaan, was er waarschijnlijk wel iets aan gedaan. De bestuurders van met name de PvdA gaan er echter wél over. Ik vroeg u wat zij eraan gedaan hebben. U antwoordt dat u hen erop aanspreekt. Wat hebben uw bestuurders gedaan nadat u hen daarop hebt aangesproken? Zij hebben niets aan de salarissen gedaan.

De heer Van Dam (PvdA): Ik ga ervan uit dat zij in onderhandeling zijn gegaan en dat zij hun positie hebben gebruikt om wat aan deze topsalarissen te doen; ik weet dat zelfs wel zeker. De vraag is echter, waarom de uitkomsten van die onderhandelingen zijn zoals zij zijn. Die vraag heb ik ook bij het kabinet neergelegd. Wanneer heeft het kabinet contact gehad met Nuon en hoe is dat gelopen, gelet op datgene was is beloofd?

De heer Aptroot (VVD): Als uw bestuurders hebben onderhandeld, hebben zij dat verdraaid slecht gedaan. Het resultaat van wat de PvdA-bestuurders hebben gedaan, is kennelijk nul.

De heer Van Dam (PvdA): Wij zijn het erover eens dat de uitkomst van dit proces niet goed is en dat dit niet het salaris had mogen zijn.

De heer Irrgang (SP): De Kamer heeft dit jaar de motie-Irrgang aangenomen, waarin wordt gesteld dat het kabinet hier iets aan moet doen. CDA en VVD huilen nu krokodillentranen over de hoogte van de salarissen, maar die partijen hebben de motie niet gesteund.

De heer Van Dam (PvdA): Need I say more?

De heer Aptroot zegt steeds dat dit geen bevoegdheid van het kabinet is. De minister-president heeft in een brief aan zijn collega's geschreven dat hij het vervelend vindt dat er in de Kamer in het kader van normen en waarden wordt gesproken over die topsalarissen. Waar hebben wij het dan nog over? Als de verschillen tussen arm en rijk ineens geen onderwerp van gesprek meer mogen zijn in de Kamer, weet ik het niet meer. Daar gaat het mij om.

Kosten hebben ook te maken met regels. Deze week bleek uit onderzoek dat 80% van de ondernemers meent niets te hebben gemerkt van het afschaffen van regels. Daar zal het kabinet ook niet tevreden over zijn, maar dat krijg je als je jezelf verkeerde doelen stelt. Het gaat niet om het aantal regels dat je schrapt. Het gaat erom welke regels je schrapt. Ondernemers lopen bij de start van hun nieuw bedrijfje het meest tegen de regels aan en daarna als zij personeel aannemen. Laten wij daar gericht iets aan doen. Ik geef een voorbeeld, de eerstedagmelding. Dat is een goede regeling die de bestrijding van zwart werk gemakkelijker maakt. Als je echter op vrijdagmiddag iemand wilt aannemen voor achter de bar kom je bedrogen uit, want dan zijn de ambtenaren al naar huis. Waarom kan dat in Nederland niet net zo eenvoudig worden geregeld als in België waar je dat 24 uur per dag op Internet kunt regelen?

Veel ondernemers maken zich ook zorgen over de regeling voor de doorbetaling bij ziekte. Die zorgt voor een sterk preventieve werking op de WAO-instroom. Dat is goed, maar het maakt ondernemers ook angstig. Als je zeven man personeel hebt, maar eentje wordt langdurig ziek, terwijl de ander een ongeluk bij het skiën krijgt, ga je over de kop. Dat is niet de bedoeling. Verzekeren is onbetaalbaar. Ik heb ook geen pasklare oplossing, maar ik vraag het kabinet wel om hiernaar te kijken. Is er een collectief vangnet te organiseren? Kan de overheid zo'n vangnet opzetten voor kleine ondernemers? Philips redt het wel, maar de bakker om de hoek heeft het een stuk moeilijker.

De heer Aptroot (VVD): Het is leuk als je een collega kunt bijvallen. Dit is een probleem waar vooral het mkb last van heeft. Dit risico ligt heel eenzijdig, voor 100%, op de schouders van de ondernemer, vooral als gevolg van cao-afspraken. Voelt de heer Van Dam ervoor dat risico te spreiden? Misschien moeten wij een stukje van het risico bij de overheid leggen. Dan kan ook een stukje bij de werknemer worden gelegd, zodat een reëler deel overblijft voor de ondernemer. Is dat bespreekbaar voor de heer Van Dam? Dan kunnen wij wellicht samen aan een oplossing werken.

De heer Van Dam (PvdA): Ik vind het bespreekbaar om het risico voor de ondernemer te beperken. De prikkel die van deze maatregel uitgaat, moet wel overeind blijven, want de maatregel werkt op zichzelf goed. Met behulp daarvan wordt de WAO-instroom beperkt. Voor een bepaalde categorie ondernemers, vooral kleine ondernemers, levert het reële problemen op. Het is wel een vrij ingewikkelde materie. Ik vraag het kabinet die kwestie te bestuderen en de diverse mogelijkheden te onderzoeken.

Ik herhaal ons eerder gedane voorstel om ondernemen gemakkelijker en minder eng te maken. Geef startende ondernemers langer de tijd om zich te verzekeren bij het UWV tegen arbeidsongeschiktheid. Zorg dat zwangerschapsverlof voor vrouwelijke ondernemers daarin wordt meegenomen. Zorg dat ondernemers langer bij het pensioenfonds kunnen blijven waar zij zaten toen ze nog werknemer waren. Dat neemt een aantal risico's weg en het verlaagt de drempel om te ondernemen. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het BBMKB, de kredietregeling voor startende ondernemers. Het is nog altijd ontzettend moeilijk om geld voor een nieuw bedrijf te krijgen. Voor dit jaar heeft de regering op wens van de Kamer geregeld dat het BBMKB wordt uitgebreid, maar voor volgende jaren niet. Waarom voert zij deze wens van de Kamer niet volledig uit?

Tot slot de marktwerking, de vierde motor van de economische groei. Hierbij speelt EZ een belangrijke rol, maar vult het ministerie deze ook goed in? Op pag. 29 van de begroting staat dat er in 2007 bijzondere aandacht uitgaat naar een aantal activiteiten, waaronder:
  • - bevorderen van meer concurrentie en betere dienstverlening in (semi-)publieke en hybride sectoren zoals zorg, hoger onderwijs, wonen en infrastructuur;
  • - specifiek in de zorgsector is het doel van EZ dat zorginstellingen kunnen functioneren als een "gewone" onderneming die concurreert om de gunst van de consument en verantwoordelijkheid draagt voor de consequenties.

Dat de VVD-(oud-)bewindslieden Hoogervorst, Rutte, Bruins en Dekker dit soort ideeën hebben, wisten wij al, maar dat ook minister Wijn hier zo over denkt, is nieuw voor mij. Hij bepleit blinde marktwerking in publieke sectoren, ziekenhuizen die geld steken in advertenties en televisiereclames en niet in het wegwerken van wachtlijsten, ziekenhuizen die maar gewoon failliet gaan als ze te weinig patiënten hebben, en ziekenhuizen die niet langer samenwerken, maar elkaar fel beconcurreren. De heer Wijn is nu minister van EZ, maar in een volgend kabinet zou het zo maar een andere post kunnen zijn; hij is niet voor niets de nummer zes van het CDA. Ik schrik ervan dat minister Wijn zich hiermee wil bezighouden, dat EZ dit wil doen. Ik hoop dat de minister deze passage uit zijn begroting wil schrappen, want zo gaat EZ volstrekt de verkeerde kant op.

De minister kan zich beter bezighouden met marktwerking voor consumenten. Werkt de markt? Worden consumenten voldoende beschermd? Staatssecretaris Van Gennip is op de goede weg met de instelling van een Consumentenautoriteit en een wet op oneerlijke handelspraktijken, maar dit is niet voldoende. In de afgelopen jaren is het steeds moeilijker geworden om consumenten te bereiken, zodat marketeers steeds agressiever optreden. UPC bezorgt gewoon een apparaat en als je het aanneemt, ben je ervoor verantwoordelijk; gooi je het weg, dan krijg je een rekening. Telemarketeers bellen avond aan avond tijdens het eten, abonnementen en lidmaatschappen worden verlengd zonder dat je het merkt. Telecombedrijven proberen inhoud en diensten aan het netwerk te koppelen, zodat je haast gedwongen wordt om klant bij hen te worden.

Consumenten hebben de overheid soms nodig om hen te beschermen en de spelregels aan te scherpen. Vandaar dat ik nu een wetsvoorstel indien om een nationaal bel-me-nietregister in te stellen. Daarin kun je laten opnemen dat je niet door marketeers gebeld wilt worden. Ik bied het u hierbij aan, voorzitter, ingepakt in een strak rood papiertje...

De heer Bakker (D66): Het lijkt volgens mij meer op roze en oranje.

De heer Van Dam (PvdA): Dat komt vast door de afstand. Het was in ieder geval het roodste wat wij konden krijgen...

De heer Bakker (D66): Ja, "Vandaag is rood" mag uw partij niet meer gebruiken, dus ik begrijp dat u naar andere kleurtjes op zoek moet...

Gebeld worden als je dat niet wilt, is buitengewoon ergerlijk; daar ergeren velen zich aan. Maar ik heb u een paar minuten geleden een pleidooi voor een betrouwbare overheid horen houden. Is de overheid verleden jaar niet met de sector overeengekomen dat men dit zelf zou regelen en heeft de sector dit inmiddels niet al voor 95% voor elkaar, terwijl er nog aan de laatste paar procent gewerkt wordt? Hoe betrouwbaar is een overheid die met de sector afspreekt dat die het zelf gaat regelen en die het een jaar later in een wet vastlegt? Even los van ons oordeel over zo'n wet, dit is toch wel een aspect dat u in het licht van uw woorden van daarstraks moet meewegen.

De heer Van Dam (PvdA): Dit vind ik fascinerend, want toen de Consumentenbond een jaar geleden een grote actie had gehouden waarbij zeer veel klachten aan het licht kwamen, zei de fractie van D66 dat de regering deze kwestie binnen een jaar moest regelen en dat er anders wetgeving zou volgen. Wel, er is een jaar voorbij en het percentage van de bedrijven die zich bij de regeling hebben aangesloten, is niet hoger geworden. Ik dien dus een wetsvoorstel in en dat is dan toch precies wat u de mensen destijds beloofd hebt?

De heer Bakker (D66): Dat moet nog blijken, want naar mijn gevoelen is dat percentage wel gestegen. Ik geef nu geen oordeel over uw wetsvoorstel, het is best mogelijk dat wij er uiteindelijk mee instemmen. Maar ik vind wel dat u zich er ten minste voor moet verantwoorden dat de overheid met de sector heeft afgesproken dat die het zelf zou regelen. Dan moet je toch in ieder geval kunnen beoordelen of men dat op een deugdelijke manier heeft gedaan. Naar mijn beste weten is men er nu op een deugdelijke manier mee bezig en boekt men nog steeds heel veel voortgang. Maar kennelijk verschillen onze percepties hiervan.

De heer Van Dam (PvdA): Met mijn wetsvoorstel ondersteun ik de huidige zelfregulering, waarbij 90% van de bedrijven zich heeft aangesloten, want ik bied gewoon een wettelijk kader voor een nationaal bel-me-nietregister van de sector zelf. Alleen 10% van de bedrijven doet er niet aan mee. Het gaat natuurlijk om die 10%. Dat zijn de meest agressieve verkopers, de partijen die zich niets gelegen laten liggen aan afspraken binnen de sector. Die worden hiermee aangepakt. Dat is precies de bedoeling van het wetsvoorstel. Ik ben het met u eens dat wij moeten oppassen dat wij niet te veel regelen. Volgens mij regelt het wetsvoorstel niet te veel. Waarvan ik schrik, is een pleidooi voor een verbod. Ik geloof dat de heer Ten Hoopen dat straks zal houden.

De heer Bakker (D66): Wij zijn het erover eens dat er niet hinderlijk gebeld moet worden. Mijn vraag is of overheidsregulering hier geboden is. Mijn perceptie is dat het hier overbodig is, zoals ik eigenlijk elke dag hier voorstellen hoor om de overheid problemen te laten oplossen die eigenlijk opgelost zijn dan wel bijna opgelost zijn. Ik ben het helemaal met u eens dat wij er een beetje druk op moeten zetten. Mijn vraag is alleen of wij het hier moeten regelen en daarmee dus ook weer het land met nieuwe geboden en verboden moeten opzadelen.

De heer Van Dam (PvdA): Ik weet niet wat er in het afgelopen jaar met u is gebeurd, want een jaar geleden vond u het nog wel goed als er niets zou veranderen.

Volgens mij is er wel een reden om het te regelen. Zelfregulering werkt vaak, maar op het moment dat een paar bedrijven zich eraan onttrekken en misbruik van de situatie maken, werkt het niet. Dan is het juist de overheid die de zelfregulering kan ondersteunen. Maar nogmaals, u zult zien dat mijn wetsvoorstel volledig ruimte biedt aan zaken die de sector zelf heeft georganiseerd voor zelfregulering. Het register dat de sector zelf heeft opgezet, krijgt een plek in het wetsvoorstel. In het wetsvoorstel worden bedrijven wel verplicht om gebruik te maken van het register. Dus de bedrijven die nu niet meedoen, zeg maar de boeven uit de sector en de meest agressieve telefonische verkopers, worden hiermee aangepakt en dat is volgens mij ook hard nodig.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dat punt is terecht. Ik word zelfs gebeld als ik sta waar u nu staat en mijn telefoon niet heb uitgezet. Dus tot achter het katheder van de Tweede Kamer word je achtervolgd voor alle mogelijke troep die je moet kopen.

De voorzitter: Vorige week zei u dat het uw fans waren!

De heer Vendrik (GroenLinks): Dat dacht ik, voorzitter. Ik heb later teruggebeld en toen werd mij een verzekering aangesmeerd. Zo ziet u hoe ik mij ook kan vergissen.

Wat houdt het wetsvoorstel van de heer Van Dam in? Het lijkt in elk geval sympathie te krijgen van de minister, want die zei gisterenavond op de radio dat het nu echt de spuigaten uitloopt met de telefoongekte. Een paar jaar geleden hebben wij het debat over opt-in of opt-out gevoerd. Wij hebben toen vanuit de linkerflank gepassioneerd de heer Brinkhorst een opt-informule proberen aan te smeren. Is dat nu ook de inhoud van het wetsvoorstel: je mag pas gebeld worden als je het actief hebt aangegeven?

De heer Van Dam (PvdA): De heer Vendrik heeft zijn zaken meestal goed op orde, maar in dit geval niet. Wij hebben toen de heer Brinkhorst om een opt-in voor e-mail gevraagd. Dat is ook zo geregeld. Voor telemarketing hebben wij indertijd een andere formule afgesproken. Het is ook Europees zo afgesproken. Daarvoor is een opt-out gekozen. Men kan zeggen dat men niet gebeld wil worden en dan moet dat ook gerespecteerd worden. Alleen is het toen zo in de wet geregeld – en daarover hebben wij met de heer Brinkhorst een discussie gevoerd – dat je elk bedrijf dat belt, moet laten weten dat je niet gebeld wilt worden. Dus als vandaag ABN Amro belt, moet je vandaag tegen ABN Amro zeggen dat je niet gebeld wilt worden. En als morgen de Rabobank belt, moet je morgen tegen de Rabobank zeggen dat je niet gebeld wilt worden. Dat werkt dus niet. Dat hebben wij toen ook al voorspeld. Gelukkig functioneert de zelfregulering redelijk, maar je zult het ook moeten regelen. Ik vind dat je hierbij niet moet kiezen voor opt-in. Ik zei al dat je voorzichtig moet zijn met overheidsregulering. Daarover ben ik het met de heer Bakker eens. Het gaat mij te ver om te zeggen dat in het algemeen niet meer mag worden gebeld naar mensen die daar niet om gevraagd hebben. Mensen kunnen zich met dit wetsvoorstel prima daartegen wapenen. Als zij niet gebeld willen worden en dit laten opnemen in een register, moet dit ook gerespecteerd worden. Doet een bedrijf dat niet, dan krijgt het een boete die kan oplopen tot 10% van de omzet. En dat is vrij fors.

De heer Vendrik (GroenLinks): Wat betreft het laatste debat over de Telecomwet waarin de Europese richtlijn hier werd vertaald, heeft de heer Van Dam gelijk. Daaraan vooraf ging een debat over de vraag welke inzet Nederland moest kiezen in dat Europese debat. Wij hebben toen allemaal bij de minister van Economische Zaken gepleit, in elk geval vanuit de linkerflank, voor een opt-informule. Verlaat u die nu of zegt u dat het beter is dan niets? Wat is nu de positie van de PvdA?

De heer Van Dam (PvdA): Mijn handicap is dat dat een debat was waar ik nog niet bij was, omdat ik toen niet in de Kamer zat, maar ik vind dat niet verstandig. Je moet als overheid regelen wat je moet regelen om consumenten te beschermen, maar je moet wel oppassen dat je niet over de schreef gaat.

De heer Ten Hoopen (CDA): Vindt u dat het wetsvoorstel voldoende waarborgen biedt? Is de agressiviteit die vaak achter de verkoopmethoden zit opgelost met ondersteuning van zo'n infofilter?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij wel. Als je niet gebeld wilt worden, kun je dat meteen aan de telefoon zeggen. Dan moet dat worden opgenomen in een register, dat iedereen hoort te respecteren. Uw voorstel om in de wet te regelen dat je niet tijdens het eten, of op zondagen mag worden gebeld, gaat te ver. Ik heb gezocht naar een balans tussen genoeg regelen als overheid om mensen die beschermd willen worden ook te beschermen, en het belemmeren van het bedrijfsleven om zijn werk te doen. Ik denk die balans gevonden te hebben, terwijl u naar mijn mening wat doorschiet.

Overijssel zou compensatie krijgen voor het vliegveld dat daar is verdwenen. Hoe staat het daarmee? Verder is bekend dat ik niet gecharmeerd ben van het subsidiëren van bedrijven. Maar in de grensregio wordt heftig geconcurreerd tussen landen. Dat zou moeten ophouden, dat zou in Europees verband moeten worden aangekaart, maar zolang het gebeurt kunnen wij helaas niet afzijdig blijven, zeker niet in het geval dat Limburg bezighoudt, namelijk een zonnecelfabriek. Is de staatssecretaris bereid de IPR te gebruiken voor een subsidie, waardoor deze fabriek in Nederland komt, en niet in Duitsland? Daar probeert men die fabriek met miljoenensubsidies over de grens te trekken. Maar daarmee zijn wij er overigens niet. De markt voor zonne-energie komt in Nederland niet vanzelf van de grond, maar voor stimulering van schone energie moet je helaas niet bij deze coalitie zijn.

Ik weet dat de taken van EZ met het grootste gemak bij andere ministeries zouden kunnen worden ondergebracht. Ik hecht niet aan een ministerie dat zich bezighoudt met vrij weinig. Het economisch beleid hoort geïntegreerd te zijn in het beleid van andere ministeries. Het grootste probleem van de Nederlandse overheid is nu juist dat tussen al die ministeries schotten staan, en dat het integrale denken ontbreekt. Misschien kan Joop Wijn op 23 november of vlak na de formatie beter het licht uitdoen, dan doet hij nog iets aan energiebesparing.

De heer Vendrik (GroenLinks): U suggereert dat het van anderen afhangt wat er in die formatie gaat gebeuren. Iets meer zelfbewustzijn wens ik u toe. Wat wilt u dat er gebeurt?

De heer Van Dam (PvdA): Ik hecht niet zozeer aan een apart ministerie van Economische Zaken dat vrij weinig invloed heeft, zeker op de terreinen waar het echt over gaat. Uiteindelijk is de invloed van Onderwijs op de Nederlandse economie vele malen groter dan die van EZ. Ik vind dat economisch beleid een integraal onderdeel hoort te zijn van het beleid van alle ministeries, maar daar ontbreekt het nu juist aan. Daar moet dus het een en ander aan verbeteren. Dat is niet nieuw: voor ons is de positie van EZ altijd bespreekbaar.

De heer Vendrik (GroenLinks): Interessant is dat er altijd iemand is die het gewoon op de agenda moet zetten. Een van de onderdelen in de formatie is dus opheffing van het departement, en het onderbrengen van de taken van EZ bij andere departementen. Klopt dat?

De heer Van Dam (PvdA): Als de heer Vendrik ons programma goed heeft gelezen – ik vermoed dat hij dat heeft gedaan – heeft hij gezien dat de hele structuur van de rijksoverheid voor ons een belangrijk onderdeel wordt in de formatiebesprekingen. Wij willen toe naar een betere structuur en een andere aansturing. Daarnaast willen wij een reorganisatie van het aantal beleidsambtenaren versus het aantal mensen dat in de uitvoering werkt. Dat zijn veel grotere thema's dan de vraag of het ministerie van Economische Zaken wel of niet blijft bestaan. Eigenlijk zou ik het liever over de gehele rijksoverheid willen hebben en niet alleen over dat ene specifieke ministerie, maar daar gaat het vandaag niet over.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik ben het met u eens dat alles met alles samenhangt en dat je er nooit één dingetje uit moet pikken. Dit soort zaken wordt echter pas concreet tijdens een debat als dit. Daarom vraag ik erop door. Het gaat wel ergens over! Ik meen uit uw woorden te proeven dat het de positie van de PvdA is dat een departementale herindeling, bovendien een afslanking van de departementen, ertoe gaat leiden dat het ministerie van Economische Zaken wordt opgeheven. Wij hebben straks, als het aan de PvdA ligt, geen minister van Economische Zaken meer zoals wij die vandaag de dag wel kennen. Zo heb ik het toch goed begrepen?

De heer Van Dam (PvdA): U weet ook dat wij dit punt al jarenlang ter discussie stellen. Of een ministerie wordt opgeheven, wordt samengevoegd of dat er iets anders uitrolt, is een kwestie voor de formatie. Ik vind het niet zinvol om daarop vooruit te lopen. Daar gaat het niet over. Het gaat over de vraag hoe wij de rijksoverheid willen organiseren, zodanig dat er minder papier wordt geproduceerd en meer werk wordt gedaan. Hoe gaan wij er bijvoorbeeld voor zorgen dat de rijksoverheid beter gaat functioneren, dat de schotten verdwijnen tussen de ministeries? Ik noem de enorme schutting tussen EZ en OCW waardoor het beleid op het gebied van kennis en innovatie in de afgelopen jaren enorm is belemmerd. Hoe lossen wij die problemen op? Dat zijn de vragen waar het over moet gaan.

De heer Ten Hoopen (CDA): Voorzitter. In tegenstelling tot de beleving van de heer Van Dam vind ik dat het weer goed gaat met Nederland. Ik zou zijn benadering zuur willen noemen en dat terwijl er zo'n prachtig perspectief is. Mede door het kabinet-Balkenende is Nederland uit de economische recessie naar de top van Europa gebracht. Een succes van het kabinet is ook de verlaging van de administratieve lasten met 25%. Het CDA wil ondernemers natuurlijk de ruimte geven, maar dat mag niet betekenen dat er misstanden ontstaan of eventueel blijven bestaan. Daarom is gepleit voor zwaardere sancties in de Mededingingswet. Met dat pleidooi is de discussie over de administratieve lasten van een nieuwe dimensie voorzien. Het CDA geeft de samenleving en ondernemers ruimte en vertrouwen, maar degenen die dat vertrouwen beschamen, moeten hard worden aangepakt. Vertrouwen en pittige sancties zijn de keerzijde van dezelfde medaille. De minister heeft toegezegd om de sancties in de Mededingingswet te verzwaren. Vindt de minister ook dat verzwaring van sancties van andere toezichthouders, zoals de Opta, DTe of de AFM, ook verzwaard zouden moeten worden?

Het CDA hecht veel waarde aan het midden- en kleinbedrijf. Dat is de drager van de economie in onze samenleving. Dat blijkt ook uit het rapport dat afgelopen maandag aan premier Balkenende is aangeboden van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. Belangrijk is dat het midden- en kleinbedrijf ook goed kan functioneren. De staatssecretaris heeft het budget van de BBMKB-regeling goed verhoogd, maar wij zien ook dat het in 2007 weer daalt onder het niveau van 2005. Wij nodigen de staatssecretaris uit om dat budget voor 2006 te handhaven.

Nederland is een innovatief land met veel kennis en creativiteit. Wij beschikken van oudsher over een handelsgeest en commercieel talent. Het CDA ziet de toekomst dan ook met vertrouwen tegemoet. Globalisering is op zichzelf geen bedreiging, maar biedt vooral nieuwe kansen en mogelijkheden. Hogere export, meer investeringen in Nederland, een toename van de koopkracht en minder armoede in landen als China en India.

Een gevoelig onderwerp dat de minister al eens adresseerde is dat de import uit China veel groter is dan de export naar China. Wat ondernemen de bewindslieden om die im- en export beter in balans te brengen? Daar ligt natuurlijk een geweldig potentieel. Wat is de visie van de minister van Economische Zaken op de economische kansen van Nederland in diezelfde globaliserende markteconomie.

Voorzitter. Innovatie is voor het CDA een belangrijk thema. Kennis en innovatie stellen Nederlandse bedrijven in staat om harde concurrentie in een globaliserende economie te verslaan. Het Innovatieplatform van de premier heeft een grote bijdrage geleverd aan het besef dat een klein, maar ontwikkeld land als Nederland, behalve sterk ook heel slim kan zijn. Er heeft een attitudeverandering plaatsgevonden en die heeft tastbare resultaten, zoals de innovatievouchers en de kenniswerkers, opgeleverd. Het verhaal van de heer Van Dam heeft mij verbaasd. Hij bekritiseert eerst het platform, maar vervolgens neemt hij de innovatievouchers weer op in zijn verkiezingsprogramma. Dat omarmt hij dan ineens. Tegen de heer Van Dam zeg ik dus: wees meer consistent en houd u aan de feiten.

De heer Van Dam (PvdA): Ik gun iedereen zijn enthousiasme, maar laten wij wel wezen. Als u werkelijk van mening bent dat het Innovatieplatform succesvol is geweest en dat het innovatiebeleid geslaagd is, omdat er de goede regeling voor innovatiefoutjes uitgerold is, dan maak ik mij ernstig zorgen over de manier waarop u naar de komende jaren kijkt.

De heer Ten Hoopen (CDA): Dat is natuurlijk het hele probleem: u maakt u over alles zorgen en u houdt u niet aan de feiten. Er is een prachtig perspectief: economische groei, werkgelegenheid, enorm veel nieuwe vacatures, nieuwe concurrentiële verhoudingen in Nederland en een stijgende koopkracht. U maakt u alleen maar zorgen, terwijl wij juist kijken naar de mogelijkheden en kansen.

De heer Van Dam (PvdA): Ik begin te begrijpen wat de heer Rutte bedoelde toen hij het had over het CDA als partij zonder ambitie. Wij kunnen in dit debat vervallen in verkiezingsretoriek, maar het debat moet natuurlijk gaan over de vraag of de structuur van de Nederlandse economie sterker is geworden. Vier jaar geleden zei iedereen dat er een focus moest komen in het kennis- en innovatiebeleid. Die focus is vertaald in sleutelgebieden. Vindt u het nog steeds een focus als blijkt dat 70% van de Nederlandse bedrijven eronder valt?

De heer Ten Hoopen (CDA): Er is een bedrag van 1,9 mld. beschikbaar gekomen voor investeringen in kennis en onderwijs. Die focus is er dus gekomen. Ik kijk naar de nieuwe topinstituten, zoals Food Valley. De nieuwe, innovatieve bedrijven kunnen de concurrentie aan met India en China, waardoor de werkgelegenheid in Nederland blijft. Met andere woorden, er is een omslag in Nederland gekomen. Kennis en kunde zijn daarvan een wezenlijk onderdeel, waardoor onze concurrentiepositie is versterkt.

De heer Van Dam (PvdA): Wij waren het er allemaal over eens dat er meer geïnvesteerd moest worden in kennis en innovatie. Het gericht versterken van een aantal krachten van de Nederlandse economie leidt er echter toe dat 70% van de Nederlandse bedrijven daaronder valt. Als u dat een focus vindt, dan heeft een debat niet meer zo heel veel zin. De discussie ging juist over de vraag hoe wij de steven van de Nederlandse economie kunnen verleggen en hoe wij voor een koerswending kunnen zorgen. Het is niet alleen mijn verhaal, het is het verhaal van alle deskundigen die op dit gebied actief zijn. Het is gewoon niet gebeurd.

De heer Ten Hoopen (CDA): Er is een focus gekomen door een aantal regelingen erop toe te snijden. Er komen nieuwe startersregelingen. Ik heb net ook andere voorbeelden genoemd van universiteiten en samenwerking met bedrijven. Met andere woorden, die focus is er gekomen. Wij verschillen alleen van mening over de breedte van die focus.

Voorzitter. Innovatie is een voorwaarde om internationaal te overleven. Het is belangrijk dat innovatie en duurzame bedrijven voor ons land behouden worden. Het is goed voor de economie als nieuwe fabrieken ook daadwerkelijk in Nederland gevestigd worden. Dat is van belang vanwege de nieuwe werkgelegenheid die daar het gevolg van kan zijn: in het noorden, het oosten en vooral ook het zuiden van het land. De BSRI-regeling is ervoor geknipt om dergelijke projecten voor ons land te winnen. Het BSRI is bedoeld om subsidie te geven aan bedrijven die zich in Nederland willen vestigen. Is de minister bereid die regeling ook daadwerkelijk van de benodigde middelen te voorzien? Komt er een echt budget? Dat budget kan ervoor zorgen dat deze bedrijven in Nederland blijven. Als de minister dat niet kan, dan behoud ik mij het recht voor om met een amendement te komen om deze regeling van een budget te voorzien.

Dit brengt mij bij de rol van SenterNovem en Syntens. Zijn deze organisaties die de kennistransfer naar het midden- en kleinbedrijf moeten realiseren, voldoende in staat om in de huid van de ondernemer te kruipen? Kunnen ze die de kennistransfer realiseren? Ik zie dat de personeelskosten van SenterNovem tussen 2006 en 2011 fors stijgen. Ik verzoek de staatssecretaris helder te maken welke resultaten zijn bereikt en welke resultaten moeten worden bereikt in relatie tot de personele kosten. Wij kunnen dan zien of het voldoende focus heeft.

De heer Aptroot (VVD): Als je dit soort vragen stelt, ben je heel kritisch. Ik heb er ook vragen over gesteld. Ik krijg bij werkbezoeken en gesprekken met ondernemers zelden een positief bericht over SenterNovem. Eigenlijk krijg ik alleen negatieve berichten. Over Syntens hoor ik vaak goede dingen en over het ministerie regelmatig ook, maar over SenterNovem dus niet. Zou u niet wat verder willen gaan? Wilt u het niet uitzoeken en bekijken of wij dat geld op een betere manier kunnen inzetten? Zo ja, dan kunnen wij samen optrekken.

De heer Ten Hoopen (CDA): Ik denk dat wij wel samen kunnen optrekken. Daarom vraag ik ook naar de resultaten. Daar gaat het mij om. Als je wilt dat het midden- en kleinbedrijf die concurrentiële positie versterkt door de kennistransfer, waarbij het vaak gaat over toepassing, dan moet je in de huid van die ondernemer kruipen en niet als een soort ambtenaar komen vragen of hij geld nodig heeft. Het gaat een stuk verder. Wat mij betreft, kunnen wij samen optrekken als het gaat om het onderzoek naar de resultaten.

Dit brengt mij bij het consumentenbeleid. Een grote ergernis voor mensen is over het algemeen de agressieve telemarketing. Ik durf het aan om in sommige gevallen zelfs te spreken van telefoonterreur. Deze telefonische verkoop kan er niet alleen toe leiden dat mensen zich in de schulden steken, maar wekt ook vaak veel irritaties op en leidt tot oneigenlijke verkoop. De database, die infofilter waarover wij het net hebben gehad, lost de problemen helaas onvoldoende op. Consumenten die aan Infofilter of het betreffende bedrijf hebben doorgegeven dat zij niet willen worden gebeld, worden toch benaderd. Van de bedrijven is 10 tot 15% niet bij de stichting Infofilter aangesloten. Voor de CDA-fractie is langzamerhand de maat vol. Ik zeg richting de heer Bakker dat wij het van harte eens zijn met de zelfregulering, maar concluderen dat deze onvoldoende heeft gewerkt. De free riders en degenen die de wens van de consument negeren, moeten fors worden aangepakt. Vandaar dat de CDA-fractie een pakket van maatregelen aan uw Kamer wil voorstellen.

De heer Bakker (D66): Aangezien de heer Ten Hoopen mij rechtstreeks aansprak, wil ik hierop reageren, voorzitter. Wij zijn het met elkaar eens dat het 100% zeker moet zijn dat je niet wordt gebeld als je dat niet wilt. Nog los van de vraag of het percentage dat hij noemde precies klopt, moet ik zeggen dat mij is verteld dat dit veelal uitgerekend de goededoelenorganisaties zijn, zoals Amnesty, Natuurmonumenten en het Wereld Natuur Fonds. Ik zou zeggen dat die ook onder de regeling moeten vallen. Maar ze horen niet thuis in de categorie boeven waarover de heer Van Dam het had.

De heer Ten Hoopen (CDA): Nee, maar u zult het met mij eens zijn, dat de opbrengst voor een goed doel ook veel lager is als het alleen maar ergernis wekt bij degenen die daarvoor worden gebeld.

De heer Bakker (D66): Natuurlijk. Dat is precies de reden waarom het voor die organisaties van belang is om dat niet te willen doen. Wij doen net alsof wij hier iets moeten afdwingen waarbij het belang van bedrijven en goededoelenorganisaties aan de ene kant en het belang van consumenten aan de andere kant volstrekt parallel lopen. Toch gaat u er met overheidsregels overheen. Wij zitten nu bij de behandeling van de EZ-begroting. Morgen zitten wij weer bij het onderwerp administratieve lasten en proberen wij juist een aantal regels te schrappen, maar elke dag voegen wij nieuwe regels toe.

De heer Ten Hoopen (CDA): Dat is op zichzelf waar, maar hier gaat het over de wijze waarop de consument wordt benaderd. Er is geen markt volkomen, of er hoort ordening bij. Dat zult u toch met mij eens zijn, mijnheer Bakker. Ik heb het over die ordening. Ik wil de ruimte voor de onderneming niet beperken, maar wel de ordening die daarmee samenhangt.

Mevrouw Van Oudenallen (Groep Van Oudenallen): Mag ik uit deze woorden afleiden dat de heer Ten Hoopen ook UPC aanspreekt en indirect de staatssecretaris opdat zij zo spoedig mogelijk in antwoord op onze vragen laat weten wat zij met UPC zal doen?

De heer Ten Hoopen (CDA): Het CDA wil dat een ondernemer die integraal onderdeel uitmaakt van de samenleving waarin hij actief is, ook zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt. Die maatschappelijke verantwoordelijkheid komt niet tot uitdrukking in een rapportage, maar in gedrag. Dit wil ik aan de kaak stellen.

Mevrouw Van Oudenallen (Groep Van Oudenallen): Ik ben het eens met de opmerking over het gedrag, maar ik noemde een van de grootste veroorzakers van overlast op dit moment en dat is UPC met zijn digitale recording.

De heer Ten Hoopen (CDA): De grootste ergernis is het tijdstip waarop bedrijven bellen. Werkende mensen en gezinnen willen in ieder geval niet tijdens het eten worden gestoord. De CDA-fractie wil daarom dat bellen tussen 17.30 en 19.30 uur wordt verboden. Is de minister bereid de Telecomwet in die zin te wijzigen en dit verbod op te nemen?

Daarnaast vraagt het CDA om de volgende maatregelen. Een verbod op het inspreken van voicemails, de telemarketier moet vragen of het gesprek gelegen komt en moet aangeven hoe lang het maximaal duurt, een onbehoorlijke of misleidende benadering is niet toegestaan, bellen op zon- en feestdagen is niet toegestaan en er mogen geen aanbiedingen aan minderjarigen worden gedaan. Is de minister het eens met deze voorstellen? Wil hij deze bepalingen invoeren?

Ik hoop met mijn voorstellen de ergernis over telemarketing weg te nemen. Dit betekent niet dat ik de bedrijven wil beknotten. Mijn fractie dringt er daarom op aan dat de gang van zaken na een jaar wordt geëvalueerd. Dan kan worden vastgesteld of deze maatregelen werkelijk een oplossing bieden. Zo niet, dan kom ik weer terug op de vraag of wij telemarketing gelijk moeten stellen aan spam.

De heer Aptroot (VVD): Voorzitter. Ik probeer serieus te blijven. Dit lukte mij al niet toen het CDA over Lingo begon en ik heb nu weer problemen. Ik begrijp dat wij nu wettelijk gaan vastleggen dat iemand mij niet tijdens de maaltijd mag bellen. Moet ik ook een verplicht maaltijdmoment nemen of mag ik zelf nog bepalen of ik vroeg, gemiddeld, of 's avonds wat later eet? Waar bent u mee bezig? Het CDA heeft toch een visie op minder regels en minder betutteling. De heer Ten Hoopen maakt een karikatuur van zichzelf. Laten wij – als het moet – een paar simpele dingen regelen. Ik wil serieus kijken naar het voorstel van de heer Van Dam, maar ik ben huiverig voor meer wetgeving en zeker om het zo in detail te regelen. Trouwens wat voor de een de zondag is, is voor de ander de zaterdag. Ik vind bovendien de lunch een belangrijker maaltijd dan de avondmaaltijd en daarvan varieert de tijd ook nog al eens. Laten wij een beetje nuchter blijven.

De heer Ten Hoopen (CDA): Het staat de heer Aptroot vrij om te zeggen dat mijn voorstellen hem niet zo aanspreken, maar ik denk dat hiermee het verschil duidelijk wordt tussen het CDA en de VVD. Dit heeft vooral betrekking op de wijze waarop het CDA naar de samenleving kijkt en het gezin daarin zijn plaats geeft. De heer Bakker protesteert nu. Hij hoeft het hier niet mee eens te zijn, maar dit is wel de visie van het CDA op de inrichting van de samenleving.

De heer Bakker (D66): Ik vroeg om een teiltje. Dit betekent dat het CDA ons gaat voorschrijven hoe wij moeten leven: in een gezin, eten tussen zes en zeven en dan liefst nog spruitjes met aardappelen en jus. Zo presenteert het CDA zich hier, vijf weken voor de verkiezingen. Teiltje, graag!

De heer Ten Hoopen (CDA): Wij spreken nu over telemarketing en niet over de vraag wat en wanneer u moet eten. Ik heb de visie van het CDA op de inrichting van de samenleving gegeven. In die samenleving heeft de ondernemer alle ruimte en alle mogelijkheden, maar daar hoort wel een aantal voorwaarden bij gelet op de positie van de gezinnen en de inrichting van de samenleving. Het is niet onze bedoeling om u te vertellen hoe u moet leven; daar bent u in Nederland helemaal vrij in.

De heer Van Dam (PvdA): Nu er toch een ideologisch debat ontstaat naar aanleiding van de vraag of je mag worden opgebeld tijdens het eten, heb ik er ook nog wel een. Ik heb altijd begrepen dat het CDA niet alles van bovenaf wil regelen en mensen zelf in staat wil stellen om een aantal dingen te regelen. Dit is nu precies de kern van mijn wetsvoorstel. Geef mensen het instrument in handen om zelf te regelen of zij al of niet gebeld worden. Waarom is de heer Ten Hoopen het daar niet mee eens en grijpt hij naar dit soort gedetailleerde regelzucht van bovenaf?

De heer Ten Hoopen (CDA): Ik ken uw voorstel nog niet, maar inmiddels is wel gebleken dat de zelfregulering niet goed werkt. De ergernis in de samenleving hierover is heel groot en daarom heb ik dit voorstel gedaan. De vorige keer leek u veel verder te willen gaan dan dit voorstel voor een infofilter.

De heer Van Dam (PvdA): U omzeilt mijn vraag of het vanuit uw ideologie niet beter is om mensen een instrument in handen te geven om zich te wapenen tegen zaken waarvan ze niet gediend zijn. Ik kies daarvoor, maar u stelt voor om in de wet vast te leggen dat mensen niet tijdens het eten of op zondag mogen worden gebeld. Dat gaat mij veel te ver. Hoe kijkt u nu precies tegen de samenleving aan? Wilt u werkelijk dat de overheid dit soort zaken tot in detail regelt?

De heer Ten Hoopen (CDA): Het is niet het een of het ander. Je moet een balans vinden. In de visie van het CDA staan mensen en gezinnen centraal. Zij moeten dan ook zoveel mogelijk zelf kunnen doen, maar als hun instrumenten tekortschieten, is de overheid aan zet. De overheid zal dan met wetgeving moeten komen. Dat is geen betutteling of een blauwdruk voor de samenleving, maar een poging om elementaire waarden te borgen.

De heer Van Dam (PvdA): Maar het probleem is niet dat het register niet functioneert, maar dat ruim 10% van de bedrijven zich er niet aan houdt. Daar moeten wij wat aan doen. Dat is dan ook de kern van mijn voorstel. U moet dit succesvolle instrument vanwege die 10% zeker niet overboord gooien.

De heer Ten Hoopen (CDA): Daarover verschillen wij dan van mening.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik zat nog na te denken over wat dit voor mijn eetgewoonten zou moeten betekenen. Misschien kan de heer Ten Hoopen mij bellen... Excuus: helpen.

De gemiddelde burger wil niet gebeld worden. Misschien zijn er ook mensen die juist wel voor aanbiedingen gebeld willen worden. Waarom regelen wij het dan niet zo dat die mensen zich moeten melden? Met andere woorden: in principe niet bellen, tenzij burgers zelf aangeven dat ze gebeld willen worden.

De heer Ten Hoopen (CDA): Ik zei al tegen de heer Bakker dat iedereen zo mag slapen, eten en leven als hij zelf wil. Ik zie dat u een zucht van verlichting slaakt nu blijkt dat wij helemaal niet aan uw vrijheid willen komen. Ik heb voorgesteld om na een jaar te evalueren. Afhankelijk van de resultaten van die evaluatie kunnen wij eventueel gaan spreken over uw voorstel.

Voorzitter. Goed werkend betalingsverkeer is in het belang van de consument. In Nederland zijn wij terecht trots op het betalingsverkeer dat wij met elkaar hebben opgebouwd. Het is efficiënt en goedkoop. Mijn fractie is daarom bezorgd over de nieuwe Europese richtlijn voor het betalingsverkeer om de nationale betalingssystemen te stroomlijnen. Dat kan namelijk ten koste gaan van de consument en leiden tot een forse toename van de kosten voor het midden- en kleinbedrijf. Op welke wijze wil de minister dit voorkomen? Waarom kan het Nederlandse systeem niet als voorbeeld worden genomen?

Ik heb het geluid gehoord dat de banken het Nederlandse pinbetalingssysteem willen vervangen door duurdere internationale systemen, zoals MasterCard en Visa. Wat doet de minister om het efficiënte Nederlandse betalingssysteem te behouden?

Uit de evaluatie van de Winkeltijdenwet blijkt dat het zogenaamde toeristische regime een maas in de wet is. Gemeenten en politie blijken de wet namelijk nauwelijks te kunnen handhaven. Bovendien verstoort het de concurrentieverhoudingen en dat gaat weer vooral ten koste van het midden- en kleinbedrijf en werknemers die het moeilijk vinden om op zondag werk en privéleven te combineren. In Utrecht kwam bovendien uit het referendum naar voren dat de meerderheid van de bevolking het eigenlijk welletjes vindt. Voor het CDA staat voorop dat burgers, werknemers en ondernemers in staat gesteld moeten worden om een gezonde balans te vinden tussen werk, gezin en vrije tijd, zo zeg ik tegen de heer Bakker en tegen de heer Vendrik. Dat blijkt ook uit het standpunt dat de CDA-fractie inneemt in het debat over de Arbeidstijdenwet. De zondag is een rustpunt in de week, in een dynamische tijd. Nederland is wat ons betreft geen woonboulevard.

De heer Bakker (D66): Ik ben het helemaal met u eens op het punt van de gezonde balans. De vraag is alleen, wie voorschrijft hoe en wanneer je die gezonde balans zoekt: op zondag, zaterdag, woensdag of maandag. Wie beslist daarover en waar liggen op dit punt de keuzes? Wilt u dat weer allemaal voor ons beslissen, of laat u dat aan anderen over? U zegt dat het toerisme een maas in de wet is en dat er daarom overal wordt gewinkeld op zondag, maar het feit dat al die mensen daar op zondag winkelen zegt wel iets, namelijk dat ondernemers en klanten elkaar kennelijk op zondag willen vinden. Wie bent u dan om te zeggen dat het allemaal niet meer mag? Waarom wilt u terug naar de regeling van alles in één model? Laat ondernemers toch de vrijheid om hun klanten op te zoeken op momenten dat zij dat willen, niet per telefoon, maar gewoon in de winkel.

De heer Ten Hoopen (CDA): Waarop baseert u uw opmerking? Ik heb nog helemaal geen voorstel gedaan.

De heer Bakker (D66): Misschien moeten wij dat ook maar zo houden. Hoe dan ook, u zei dat toerisme een maas in de wet vormt en dat er niet wordt gehandhaafd. Vervolgens kwam u met een hele aanloop naar voorstellen over de gezonde balans en de zondag. Wij willen allemaal een gezonde balans in het leven, maar de vraag is wie daaraan vorm geeft. Doen wij dat zelf, of doet de overheid dat, of het CDA?

De voorzitter: Ik heb de heer Bakker zijn interruptie toegestaan omdat de heer Ten Hoopen hem en de heer Vendrik rechtstreeks aansprak. Het lijkt mij voor de discussie echter beter dat u het onderwerp afrondt in uw termijn en dat wij dan bezien of er nog vragen zijn.

De heer Ten Hoopen (CDA): Het CDA heeft in het kader van de winkelopeningstijden drie uitgangspunten gekozen. Ten eerste moet de Winkeltijdenwet handhaafbaar zijn. Ten tweede dient concurrentievervalsing niet ten koste te gaan van kleine ondernemers. Ten derde is, wat de CDA-fractie betreft, een verdere verruiming van de winkeltijden geen begaanbare weg. Om recht te doen aan deze uitgangspunten wil het CDA het toeristisch regime aanscherpen door handhaafbare criteria te stellen. Alleen steden die daadwerkelijk een toeristische attractie zijn, kunnen van dit regime gebruikmaken. Als aanscherping juridisch niet mogelijk is, dan zou wat betreft de CDA-fractie, de staatssecretaris op zoek moeten gaan naar andere vormen van oplossingen, die recht doen aan de drie uitgangspunten van de CDA-fractie. Ik nodig de staatssecretaris hiertoe uit, anders overweeg ik hierover in tweede termijn een motie in te dienen.

De heer Aptroot (VVD): CDA en VVD kijken volstrekt verschillend tegen de Winkeltijdenwet aan. Wij willen die kwestie helemaal vrij laten, indachtig het door het wetenschappelijke bureau van het CDA uitgebrachte rapport: meer ruimte voor ondernemers en minder regels. U zegt het met woorden, maar wij doen het ook met daden. Wij willen van die hele Winkeltijdenwet af! U wilt het toeristisch regime aanscherpen. Betekent dit dat de winkels in het centrum van Rotterdam, met de Koopgoot en dergelijke, niet meer open mogen? Betekent dit dat de winkels in de stad Delft op zondag niet meer open mogen? Als dat zo is, moet u snel met een concreet voorstel komen, want dan weten die ondernemers dat zij tientallen procenten omzet kwijt raken en dat tienduizenden mensen hun baan kwijtraken.

De heer Ten Hoopen (CDA): Ik heb een voorstel gedaan met drie uitgangspunten. Dit voorstel heb ik echter nog niet concreet ingevuld. Ik heb aan de staatssecretaris gevraagd om dit, in het kader van de wetgeving, concreet te maken. Ik heb namelijk begrepen dat met name het toeristisch regime, zoals dat nu in de wet is ingevuld, wordt uitgehold op de wijze waarop Almere dat doet. Almere is geen toeristische attractie, maar wil dat wel worden, en gaat vervolgens de winkels openen. Wij willen dat dit goed en ook handhaafbaar wordt ingevuld. Ik heb begrepen dat de wijze waarop Almere dat doet, het toeristische regime uitholt dat nu is opgenomen in de wet. Almere is nog geen toeristische attractie, maar wil dat wel worden en opent vervolgens de winkels. Wij willen graag dat dit goed en handhaafbaar wordt ingevuld. Als dat niet kan, moeten wij zoeken naar een andere oplossing, maar dat hoor ik dan graag van de staatssecretaris.

De heer Aptroot (VVD): Als u zegt aanscherpen, dan vindt u het nu dus te ruim. Ik wil voorbeelden van u horen. Moet dan nu de binnenstad dicht van Rotterdam, Den Haag en Delft? In de tweede plaats wil ik van u weten waarom het regime her en der verruimd is. Is dat niet omdat de ondernemers in Almere en Delft die omzetkansen niet willen missen?

De heer Ten Hoopen (CDA): Het gaat mij er niet om of het verruimd is of te smal. Waar het mij om gaat, is dat de wet helder is en gehandhaafd wordt. Dat is het uitgangspunt.

De heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter. Ik zou de heer Ten Hoopen willen vragen om een nadere duiding van de achtergrond van zijn concrete voorstel. Het CDA pleit voor een ontspannen, relaxte samenleving, maar dit voorstel komt erop neer dat wij vooral relaxt gaan doen op zondag. Hoe zit het dan de rest van de week? Wij moeten van Maxime Verhagen de rest van de week met zijn allen veertig uur gaan werken, en dan mogen wij op zondag niet gaan winkelen? Ik vind dat allemaal niet zo relaxt.

De heer Ten Hoopen (CDA): Dat is een kwestie van persoonlijke beleving, mijnheer Vendrik. De achtergrond van mijn voorstel is dat de staatssecretaris de evaluatie naar de Kamer heeft gestuurd en daar heb ik een aantal criteria aan verbonden hoe wij met die evaluatie zouden kunnen omgaan. Natuurlijk moet het een relaxte samenleving zijn. Dat spreekt voor zichzelf.

De heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter.

De voorzitter: Nee, mijnheer Vendrik, relax. Ik ga nu wat meer vaart maken. De heer Slob.

De heer Slob (ChristenUnie): De heer Ten Hoopen vraagt terecht aandacht voor de uitvoering van een wet die wij met elkaar hebben afgesproken en waar nu mazen in blijken te zitten. Het kabinet wordt daar terecht op aangesproken. Het betreft met name het toeristische regime of de toeristische zones. Uit de evaluatie blijkt echter dat de handhaafbaarheid in de breedte onvoldoende is en dat veel gemeenten daar nauwelijks werk van maken. Dat is voor een deel omdat het niet nodig is, maar voor een deel ook omdat zij daar geen capaciteit voor hebben of omdat hun mogelijkheden beperkt zijn. Wat vindt de heer Ten Hoopen daarvan? Waarom heeft hij dat niet meegenomen in zijn oproepen aan het kabinet?

De heer Ten Hoopen (CDA): Wij hebben de winkelopeningstijden zo dicht mogelijk bij de samenleving gebracht, nu de gemeenten daarover kunnen beslissen. Dat uitgangspunt moeten wij mijns inziens handhaven. Ik wil dus niet, zoals mij net door de heer Bakker in de mond is gelegd, een blauwdruk voor de samenleving. Ik zeg: breng het zo dicht mogelijk bij de samenleving. Daar hoort de handhaafbaarheid bij, evenals het niet willen of het niet kunnen handhaven. Daarom vraag ik aan de staatssecretaris of wij het toeristische regime kunnen aanscherpen, zodat het helder is, maar ook gehandhaafd wordt.

De heer Slob (ChristenUnie): Wat u zegt over het toeristische regime ben ik met u eens. Dat is een punt waarnaar gekeken moet worden. In de breedte is de handhaafbaarheid van de winkeltijdenwet een probleem, dat blijkt uit de evaluatie. Er wordt eigenlijk niet gehandhaafd. Er wordt heel veel gedoogd, want er gebeuren dingen die in strijd zijn met de wet, ook los van de toeristenregimes en op andere punten. Dat lijkt mij ook een punt dat wij bij het kabinet moeten neerleggen en waarop wij een reactie moeten vragen.

De heer Ten Hoopen (CDA): Dat vind ik prima, maar die handhaafbaarheid speelt op het gemeentelijke niveau. Wij hebben er bij de verruiming van de openingstijden, met name die op zondag, steeds bij gezegd dat die afweging nu juist in de samenleving, lees de gemeenten, gemaakt zou kunnen worden. En daar ligt dus ook de handhaving.

De heer Bakker (D66): Ik sluit aan op dit punt. De heer Ten Hoopen wil het toeristische regime aanscherpen en zei net dat Almere geen toeristische attractie is. Nou, mijnheer Ten Hoopen, dan bent u nog nooit op zondag in Almere geweest.

De heer Ten Hoopen (CDA): Dat zou nog wel eens kunnen, ja.

De heer Bakker (D66): Nou, ik ga geregeld winkelen in Almere op zondag. Dat is een hartstikke leuke attractie. De burgemeester is een topattractie, die kom je zomaar tegen in de straat. De vraag is wie er beslist of Almere een toeristische attractie is. Bent u dat? Is dat de gemeenteraad van Almere? Of zijn dat de klanten die het leuk vinden om te gaan winkelen in Almere?

De heer Ten Hoopen (CDA): De huidige Winkelsluitingswet indachtig, hebben wij het toeristisch regime opgenomen. Aan de hand van de criteria daarvan zou de gemeenteraad besluiten. Het antwoord op uw vraag is dus dat de gemeenteraad in principe besluit. Nu wordt het toeristisch regime uitgehold. Hierover heb ik een vraag aan de staatssecretaris gesteld.

De Nederlandse detailhandel kent 97.000 bedrijven en 710.000 werknemers. Het is dus een belangrijke sector voor de Nederlandse economie. De detailhandel heeft een snel veranderingsproces doorgemaakt. Dat maakt zij eigenlijk nog steeds door. Het is goed om te evalueren of het beleid daar voldoende op inspeelt. Daarom nodig ik de staatssecretaris uit om zijn visie te geven op de Nederlandse detailhandel en daarin uiteen te zetten hoe de samenhang in de steden in het kader van de integratie en de leefbaarheid kan worden versterkt. Laat hij daarbij ingaan op de kansen en bedreigingen, de schaalvergroting, de sociale functie en vooral de rol van de detailhandel in de binnensteden en de leegstand boven winkels. Dit brengt mij op het allerlaatste voorstel over de administratieve lasten voor het midden- en kleinbedrijf. Dat ergert zich daar behoorlijk aan. Een belangrijke hindernis kan in onze ogen worden genomen als de Buma/Stemra's, Stena's en Videma's van deze wereld één factuur naar de ondernemingen sturen en hun inspecties bundelen, zodat de onderneming niet meer wordt belast met meerdere inspecties en facturen. Dan kunnen zij aan ondernemen toekomen. Het wordt er bovendien transparanter en goedkoper op.

De heer Irrgang (SP): Voorzitter. Na de telefoonterreur van de heer Ten Hoopen en de toch wel zeer brede coalition of the willing die in de Kamer lijkt te ontstaan om daar iets aan te doen, vraag ik aandacht voor een ander belangrijk maatschappelijk probleem. Vorige week was door de aanwezigheid van de private equityfondsen Centaurus en Paulson, de as van het kwaad, een meerderheid van de aandeelhouders van Stork voor het voorstel tot opsplitsing van dat bedrijf. Deze gebeurtenis staat symbool voor de opkomst van het aandeelhouderskapitalisme in Nederland. Het gaat deze sprinkhanen om kortetermijnaandeelhouderswinsten. Mijn fractie is er stellig van overtuigd dat deze vorm van kapitalisme, dit Angelsaksische kapitalisme in tegenstelling tot het Rijnlandse kapitalisme dat wij na de Tweede Wereldoorlog in Europa hebben ontwikkeld, ten koste gaat van de langetermijnbelangen van onze ondernemingen en hun personeel. Deze vorm is volgens mijn fractie zeker niet economisch superieur. Het lijkt mij niet toevallig dat personeel en directie vorige week gezamenlijk optrokken – overigens met een aantal aandeelhouders – op de aandeelhoudersvergadering van Stork. De SP vindt dat ondernemingen meer zijn dan alleen winstmachines. Bedrijven dienen meer doelen dan alleen aandeel­houderswinst. De fixatie van de private equity funds en hedge funds op winst is schadelijk voor de Nederlandse economie. De politiek moet volgens de SP dan ook maatregelen nemen om deze sprinkhanen te bestrijden.

De SP stelt het volgende vijfpuntenplan voor. Allereerst moet de positie van de factor arbeid in het bedrijf sterker worden, zodat tegengas kan worden geboden aan de doorgeschoten aandeelhoudersmacht van het flitskapitaal. Dit kan door de ondernemingsraad direct de helft van de raad van commissarissen te laten benoemen. Ten tweede ontstaat er meer transparantie door de meldingsplicht van een belang te verlagen van 5% naar 3% en eventueel later naar 1%, zoals in Engeland gebruikelijk is. Deze suggestie heeft de minister volgens mij ook al gedaan. Bovendien moeten beleggers worden verplicht om hun bedoelingen en plannen openbaar en kenbaar te maken. Dat geldt in onze ogen ook voor beleggers die gezamenlijk optreden en daardoor effectief een partij vormen. Deze kwestie heeft bij Stork een rol gespeeld. Ten derde moeten overnames omwille van snelle winst worden ontmoedigd door de renteaftrek voor overnameschulden te beperken. Ten vierde moeten bedrijven zelf ook naar de rechter kunnen stappen, zodat die misdragingen van aandeelhouders onderzoekt. Nu kan een bedrijf dat niet zelf, maar aandeelhouders wel. Dat is vreemd.

Het vijfde punt is een verbod op stemmen met geleende aandelen. Hedgefunds lenen vaak aandelen om zo aan stemrecht te komen. Door dit te verbieden, wordt deze beleggingsclubjes een belangrijk wapen uit handen genomen.

Ik vraag de minister of hij op deze voorstellen kan reageren en of hij bereid is om ten behoeve van de formatie onderzoek te doen en een pakket maatregelen te ontwikkelen ten behoeve van de kabinetsformateur, omdat het er toch op lijkt dat met uitzondering van de VVD hier een brede "coalition of the willing" is om iets te gaan doen aan het bestrijden van deze sprinkhanen.

Het lijkt alsof in de afgelopen jaren de enige constante factor in het duurzame energiebeleid van dit kabinet de onbetrouwbaarheid van de overheid is geweest. In Limburg kan op dit moment een innovatieve zonnecellenfabriek uitbreiden. Die uitbreiding dreigt echter in Duitsland plaats te vinden in plaats van in Limburg, vanwege het gebrek van steun voor zonne-energie in Nederland. Ik vraag de minister daarom dringend om met een kleine Wiedergutmachung te komen voor de duurzame energiesector in Nederland, na alles wat er de afgelopen jaren in Nederland is gebeurd. Deze kans mislopen is gezien het langetermijnpotentieel van de zonne-energiesector slecht voor Limburg maar ook slecht voor deze nieuwe, innovatieve industrie.

De heer Aptroot (VVD): Voorzitter. Het gaat weer goed met onze economie, die in 2006 en 2007 met ongeveer 3% groeit. Dat is beter dan onze buren Duitsland en België, waar de economie met respectievelijk 1,5% en 2% groeit. De werkloosheid daalt van 6,5% in 2004 en 2005 naar 4,5% in 2007. Nooit eerder werkten in Nederland zo veel mensen, namelijk 250.000 meer dan in 2003, toen dit kabinet begon.

Bij het aantreden van dit kabinet was er een begrotingstekort van 16 mld. per jaar, terwijl er het komend jaar een overschot zal zijn van 1 mld.

De heer Van Dam (PvdA): Kan de heer Aptroot mij één kabinet noemen aan het einde waarvan minder mensen werkten dan een het begin ervan?

De heer Aptroot (VVD): Zo goed is mijn kennis van de getallen uit de geschiedenis niet. Ik weet wel dat de heer Bos bij de algemene beschouwingen heeft gezegd dat die cijfers helemaal niet gunstig zijn. Toen het kabinet begon, hadden wij 6,5% werkloosheid, terwijl die nu 4,5% bedraagt. Toen het kabinet begon, hadden wij verder een begrotingstekort van 16 mld. tegenover het huidige overschot van 1 mld. Toen dit kabinet begon, na het einde van Paars II, was de economische groei heel laag, veel lager dan het EU-gemiddelde, terwijl het groeicijfer nu uitkomt op ruim 3%, waarmee wij weer vooroplopen. Het gaat dus gewoon goed.

De heer Van Dam (PvdA): Als de heer Aptroot erover wil klagen hoe minister Zalm destijds de schatkist heeft achtergelaten, moet hij dat vooral doen. Wij proberen aldoor te vechten met cijfers. Ik kan ook cijfers noemen waaruit blijkt hoe sterk de armoede is toegenomen onder dit kabinet, maar daarover moeten wij nu niet spreken. Natuurlijk zijn er ieder jaar meer mensen aan het werk dan in het jaar ervoor. Zo werkt de economische groei. Elk jaar is de economie groter dan in het voorafgaande jaar. Alleen in die jaren waarin de economie krimpt – wat wij gelukkig zelden of nooit meemaken – is dat niet zo. Wij hebben wel een economische recessie meegemaakt, waarin de economie minder hard groeit dan in het jaar ervoor. Wanneer de heer Aptroot het een goede prestatie van dit kabinet noemt dat er meer mensen werken dan vier jaar geleden en wanneer hij daarmee het kabinet verdedigt, kan hij mij dan één kabinet noemen dat dat niet heeft gerealiseerd?

De heer Aptroot (VVD): Onder dit kabinet hebben wij krimp gezien van de economie en daling van de werkgelegenheid, overigens met een dubbel effect. De werkgelegenheid in de collectieve sector steeg, terwijl zij heel sterk daalde in het bedrijfsleven. Nu is de situatie omgekeerd. In het bedrijfsleven groeit de werkgelegenheid weer. Daar komen weer echte banen. Daar verdienen wij het geld, waardoor wij de collectieve uitgaven beter kunnen betalen. Dat is heel positief. De heer Van Dam kan zeggen wat hij wil, maar ook in Nederland beseft iedereen dat het weer goed gaat. Het gaat weer goed dankzij het herstel van de wereldeconomie, maar ook dankzij de hervormingen van het kabinet Balkenende/Zalm. Nederland is daarmee grotendeels klaar voor de toekomst. Dat is niet het geval bij onze buurlanden, waar men doet aan pappen en nathouden. Dat is precies wat de linkse oppositie – GroenLinks, SP en PvdA – hier steeds heeft bepleit. Deze partijen wilden geen hervormingen en vonden dat het vanzelf wel weer zou goed komen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Het laatste is grote onzin, maar mijn vraag gaat over een andere kwestie. Ik heb begrepen dat het kabinet-Balkenende in 2002 is aangetreden, waarna het drie etappes heeft meegemaakt. Kan de heer Aptroot mij zeggen hoeveel werkgelegenheid deze drie kabinetten, waarin de VVD steeds heeft geparticipeerd, per jaar hebben gecreëerd? Hoeveel was dat?

De heer Aptroot (VVD): De gemiddelde werkgelegen­heidsgroei bedroeg over de afgelopen jaren 60.000 banen per jaar.

De heer Vendrik (GroenLinks): Zullen wij gaan rekenen vanaf het moment dat het eerste kabinet-Balkenende aantrad? Wij komen dan uit op 4500 arbeidsplaatsen per jaar; dat is wat er de afgelopen vijf jaar onder de kabinetten-Balkenende I, II en III is gecreëerd.

De heer Aptroot (VVD): U bent in de war.

De heer Vendrik (GroenLinks): Kan de heer Aptroot mij één kabinet noemen uit de afgelopen 50 jaar dat slechter heeft gepresteerd, dus dat minder dan 4500 arbeidsplaatsen per jaar heeft gecreëerd? Is er één kabinet dat het slechter gedaan heeft?

De heer Aptroot (VVD): Dit kabinet regeert sinds 2003, drie en een half jaar en geen vijf jaar. Daarvoor was er nog zes maanden een eerste kabinetje-Balkenende.

De heer Vendrik (GroenLinks): Het huidige kabinet zit pas vier maanden.

De heer Aptroot (VVD): Ik beschouw de kabinetten-Balkenende II en III als één kabinet, want er zijn geen verkiezingen tussen geweest; ik reken dus vanaf de laatste verkiezingen. Vanaf toen is de werkgelegenheid in Nederland in vier jaar met 250.000 banen toegenomen. Ik rond daarbij het aantal jaren naar boven af, wat voor het gemiddelde slecht is. Per jaar zijn er dus ruim 60.000 banen gecreëerd. Daarbij komt de bijzondere prestatie dat nu de banen in het bedrijfsleven toenemen, terwijl eerder kabinetten alleen werkgelegenheid wisten te scheppen door overheidsbanen te creëren en bij de overheid de kraan open te zetten.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ook het laatste kopt niet en overigens participeerde de VVD toen ook in de paarse kabinetten. De conclusie van dit debat lijkt mij echter vrij helder: de kabinetten-Balkenende I, II en III hebben een zeldzaam slechte prestatie geleverd op het gebied van de werkgelegenheid. Er zijn 4500 arbeidsplaatsen per jaar gecreëerd. In de economische geschiedenis van Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog is er geen kabinet te vinden dat deze prestatie heeft geëvenaard. Alle kabinetten hebben het sinds de Tweede Wereldoorlog op het gebied van de werkgelegenheid beter gedaan. In alle kabinetten-Balkenende heeft bovendien de VVD geparticipeerd. Nu u, mijnheer Aptroot.

De heer Aptroot (VVD): De heer Vendrik brengt flauwekul naar voren en dat weet hij. Ik haal gewoon uit de cijfers van het Centraal Planbureau dat in de vier jaar sinds de laatste verkiezingen tot aan volgend jaar, de werkgelegenheid in Nederland met 250.000 banen is gestegen. Het IMF vindt dat Nederland een voorbeeld is voor andere landen, omdat in ons land hervormingen zijn doorgevoerd. De OESO vindt Nederland eveneens een land waaraan landen als België, Duitsland en Frankrijk een voorbeeld kunnen nemen. Nederland doet het goed en wij zien en merken dat allemaal. Links kan daarom brullen wat ze wil, maar zij heeft er de afgelopen vier jaar alleen maar voor gepleit niets te doen. Zij wilde niet proberen de overheidsuitgaven in de hand te krijgen, wilde geen hervormingen en wilde eigenlijk alleen maar op haar handen blijven zitten en afwachten tot het vanzelf wel goed zou komen. Als wij dat hadden gedaan, hadden wij nu in dezelfde ellende gezeten waarin nu onze buurlanden zitten.

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter...

De voorzitter: Nee, u bent begonnen met vragen stellen en ook de heer Vendrik heeft zijn vragen kunnen stellen...

De heer Van Dam (PvdA): Ik dacht dat wij feitelijke onjuistheden altijd konden corrigeren?

De voorzitter: Ik dacht dat ik aan het woord was. U moet eerlijk bekennen dat deze discussie al ruimschoots gevoerd is, zowel bij de algemene financiële beschouwingen als bij de algemene politieke beschouwingen. De heer Aptroot gaat nu door met zijn betoog.

De heer Aptroot (VVD): Is de VVD-fractie dan tevreden? Nee. Wij hadden wel verder willen gaan, want wij vinden dat het kabinet tekortgeschoten is op het punt van het ontslagrecht. Er wordt gewacht op een SER-advies. Dat lijkt politiek handig, maar het knellende punt voor ondernemers en werkzoekenden is niet opgelost. Ondernemers verwachten van ons dat wij flexibiliteit en betaalbaarheid in het ontslagstelsel brengen. Daarmee komen er namelijk 50.000 tot 100.000 banen bij in het mkb. Ondernemers durven op dit moment door het starre ontslagstelsel geen mensen aan te nemen. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft dit punt voor zich uit geschoven en de minister van Economische Zaken had dit wat mij betreft niet mogen accepteren. Ik kijk daarbij uiteraard de voorganger van minister Wijn aan, maar de laatste heeft alle lusten én lasten van zijn voorganger overgenomen.

De administratieve lasten dalen. Het kabinet haalt de 25% vermindering, maar ondernemers merken daarvan nog te weinig. De statistische terreur in de richting van het mkb gaat door, maar de VVD wil dat ondernemers blijvend van deze overlast en ergernis worden verlost. De motie-Van Aartsen gaf de regering de opdracht het aantal vergunningen met ten minste 50% te verminderen. Het gaat nu kennelijk 42% minder worden, maar lukt dat echt? De 800 strijdige regels, vaak genoemd door staatssecretaris Van Gennip, zijn niet verdwenen, zoals ik eerder las in rapportages, aan een oplossing ervan wordt nog gewerkt. Het kabinet en de bewindslieden van EZ gaan absoluut de goede richting op, maar het had steviger gekund en gemoeten.

In 2004 heb ik bij de begrotingsbehandeling EZ gezegd dat ik zou willen dat EZ echt het ministerie van ondernemend Nederland wordt, dat de ondernemers zich daarin herkennen en weten dat EZ voor ze knokt, Dat wil zeggen dat EZ niet moet worden afgeschaft, zoals de heer Van Dam wil, maar dat de positie van EZ moet worden versterkt. Helaas is dat nog niet het geval.

Ondanks toezeggingen is de Wet markt en overheid niet tot stand gekomen. Deze wet is nodig om oneerlijke concurrentie van overheden te voorkomen. Het gaat dan bijvoorbeeld om gevangenissen die een wasserij exploiteren, gemeenten die tennisparken verpachten en buurthuizen waar bruiloften en partijen worden gehouden. Op die manier worden ondernemers met belastinggeld beconcurreerd, de markt uitgedrukt. Wij willen zeker weten dat er in 2007 een wet komt die oneerlijke concurrentie stopt. Wij willen daarin drie zaken regelen, ten eerste dat de overheid zich beperkt tot haar kerntaken en zich niet op terreinen begeeft waar marktpartijen actief zijn, ten tweede dat dit geldt voor alle overheden en publiekgefinancierde organisaties en ten derde dat, als een overheid onvermijdelijk toch op een terrein komt waar marktpartijen actief zijn, die onvermijdelijkheid wordt aangetoond en dat de tarieven marktconform worden berekend, alsof het een bedrijf is.

In november 2005 is een motie-Aptroot aangenomen, waarin de regering wordt gevraagd vóór 1 mei 2006 voorstellen te doen waardoor het mkb, jonge ondernemingen, snelle groeiers en innovatieve bedrijven mee kunnen doen bij overheidsaanbestedingen. De regering heeft daar, voor zo ver wij kunnen zien, niets mee gedaan. Dat is schadelijk voor het mkb en voor de overheid. Vaak wordt zo aanbesteed dat alleen een paar grote bedrijven kunnen meedoen, waardoor de kans op een gunstige prijs klein is. Die grote bedrijven nemen het mkb vervolgens als onderaannemer voor lage prijzen erbij en steken het voordeel in hun eigen zak, in plaats van dat door te geven aan de overheid als opdrachtgever. In veel landen, onder andere in de VS, is de overheid verplicht een bepaald percentage aan het mkb aan te besteden. Willen wij meer en nieuwe ondernemers, innovatie, concurrentie en een goede besteding van overheidsgeld een kans bieden, dan moeten wij het mkb kansen bieden. Wij willen ook dat overheidsaanbeste­dingen in kleine porties worden verdeeld. Zes recreatiegebieden moeten qua groenonderhoud dus niet in één keer worden aanbesteed. Dat moet in zes aparte aanbestedingen gebeuren. Wij zijn ook voor het schrappen van drempels, zoals de eis dat een bedrijf minstens vijf jaar moet bestaan en minstens vijf jaar winstgevend moet zijn, of de eis dat een bedrijf voor de bouw van een brug alleen mee mag doen in de aanbesteding als dat bedrijf op zijn minst vijf keer zo'n brug heeft gebouwd. Daardoor komen nieuwe kleine bedrijven nooit aan de bak.

Daarnaast vinden wij dat subsidieregelingen toegankelijk moeten zijn voor het mkb. Nu wordt ruim 90% van de bedrijven, meer dan de helft van de werkgelegenheid biedend, regelmatig uitgesloten. Zouden wij, net als bij aanbesteding, niet in een heel klein wetje kunnen regelen dat ondernemingen in het mkb, inclusief starters, ten minste een derde van de overheidsopdrachten en ten minste eenderde van de subsidies krijgen?

De heer Ten Hoopen (CDA): Bij de vorige begrotingsbehandeling hebben wij een voorstel over 23% gedaan, kijkend naar de overheidsopdrachten. Die motie is toen aangenomen. Wij moeten dus samen optrekken om die motie uitgevoerd te krijgen.

De heer Aptroot (VVD): Ja, dat van die 23% klopt. Wij zijn ook samen opgetrokken, maar ik heb nu iets verder gekeken, want met die 23% zitten wij nog aan de lage kant. Ruim 90% van de bedrijven biedt meer dan 50% van de werkgelegenheid. Ik vind dus dat de ambitie omhoog mag. Ik wil graag weten of de regering daartoe bereid is.

Ondernemers, auteurs en artiesten, organisatoren van festivals, kleine uitgevers en zangkoren klagen allemaal over de auteursrechtenorganisaties. Er is geen transparantie. De jaarverslagen voldoen niet aan minimale eisen. De salarissen van bestuurders worden geheim gehouden. Bij Nuon kunnen wij nog over een topsalaris praten, maar Buma/Stemra en andere auteursrechtorganisaties maken de salarissen niet bekend. Ik heb het ze allemaal gevraagd, maar ze weigeren gewoon. De tarieven worden niet onderbouwd. Er is ook discriminatie in tarieven en voorwaarden, want met sommige groepen ondernemers worden afspraken gemaakt, die niet worden gepubliceerd, terwijl anderen voor hetzelfde recht veel meer moeten betalen. Er zijn stuwmeren van honderden miljoenen die riskant belegd worden. En sommige auteurs en artiesten wachten al zes, zeven of acht jaar op hun geld. Er is geen sprake van een sobere uitvoering van taken. De toezichthouder is zoekende, maar hij handelt niet. Het kabinet doet tot nu toe niets. Ik heb tweemaal schriftelijke vragen gesteld, die door de ministers van Justitie en van Economische Zaken niet adequaat zijn beantwoord, terwijl de auteursrechtenorganisaties deels bestaan op basis van een monopolie, verleend door de minister van Justitie. Dit betekent dat wij medeverantwoordelijk zijn voor de werkwijze van deze organisaties; de overheid heeft sowieso een taak als het gaat om monopolistische organisaties. Is de regering bereid, de auteursrechtenorganisaties tot openheid te dwingen en het toezicht beter te regelen? Ik denk dat ik morgen hierover een motie zal indienen.

Onze fractie is ook teleurgesteld over de prestaties van EZ op het punt van vermindering van de administratieve lasten, want het ministerie vermindert de lasten die het ondernemers zelf oplegt, met slechts 8,8%. Maar ten minste even erg vinden wij het dat het CBS ondernemers met statistieken blijft terroriseren. Er komt wellicht een "statistiekvakantie", maar wij willen de statistische verplichtingen definitief met pensioen sturen. Iets slimmer omgaan met al bekende gegevens en uitvraag, zoals de btw-aangifte, en zo nodig aanvullen met vrijwillig bijgehouden statistieken, eventueel tegen vergoeding, is de oplossing. Waarom doen wij dit nu niet? Wie ligt er dwars? Waarom het bestaande aangifteformulier voor de Belastingdienst niet een klein beetje aanpassen, waardoor al die extra formulieren definitief kunnen vervallen? Er is, zo heb ik gemerkt, zelfs een uitbreiding van het aantal medewerkers van het CBS en 10 mln. per jaar extra voor het CBS voorzien. Dit is toch een teken aan de wand. Wij willen de keiharde toezegging dat de statistiekterreur nú stopt; anders blijft er voor ons geen andere mogelijkheid over dan het indienen van een motie of het verminderen van de begrotingspost voor het CBS via een amendement. Een lid van de CDA-fractie heeft al eens gezegd dat hij daar ook wel iets voor zou voelen.

De laatste stap naar liberalisering van de postmarkt is uitgesteld tot 1 januari 2008. Wij willen absoluut geen verder uitstel, wij willen de harde toezegging dat deze datum het ook echt wordt, dat er dan voor alle post concurrentie ontstaat. Wij zijn wel bezorgd over de universele dienstverlening. Veel post wordt niet binnen 24 uur bezorgd en de tarieven worden met meer dan 12% verhoogd. Het tarief voor een gewone brief wordt verhoogd van 39 tot 44 cent. Is dit nodig? Nee, want de winst op deze monopoliedienst is meer dan 20%. Wij vragen ons dan ook af of de OPTA op basis van de concessie effectief toezicht op de postmarkt kan houden. Uit de antwoorden op vragen die ik hierover heb gesteld, krijg ik de indruk dat de OPTA hiervoor eigenlijk geen instrumenten heeft. Is de minister bereid, in te grijpen bij deze verhoging van de tarieven voor deze monopoliediensten? En als hij dit niet kan, is hij dan bereid om te regelen dat hij dit voortaan wél zal kunnen doen?

De belangstelling van jongeren voor opleidingen en werken in de industrie is gering, dit is een bedreiging voor onze industrie. Het tekort aan medewerkers wordt in deze sector steeds knellender. Het gaat naar mijn mening vooral om een imagoprobleem: dat onze industrie een goede toekomst heeft, hoe interessant en hoe gevarieerd het werk is en hoe goed het betaald wordt, is allemaal niet bekend bij de Nederlandse bevolking, en zeker niet bij de jeugd. De brancheorgani­saties, de organisaties van werkgevers en werknemers in de industrie en het Platform Bèta Techniek slaan nu de handen ineen. Ze hebben al 1 mln. bijeengebracht om van 2007 het jaar van de techniek te kunnen maken, met een campagne om jongeren enthousiast te maken voor de techniek en de industrie. Dit is een mooi bedrag, maar het is nog onvoldoende om de techniek en de industrie echt goed in de massamedia naar voren te brengen. Wij zouden graag zien dat het ministerie dit initiatief eenmalig steunt door de bijdrage van het platform van enige tonnen te verdubbelen. Ik heb mij voorgenomen om hierover morgen een motie in te dienen, waarbij ik ook de begrotingspost zal aangeven die hiervoor ruimte biedt. Maar het belangrijkste vind ik om te weten hoe de minister en de staatssecretaris hiertegenover staan.

De heer Ten Hoopen (CDA): Mag ik hieruit afleiden dat ik op uw steun kan rekenen bij het initiatief om het budget voor de vroegere IPR te verhogen? Daarvoor komt nu een bedrag van 23 mln. beschikbaar, met name voor de werkgelegenheid in Limburg, voor het behoud van solarbedrijven in Nederland.

De heer Aptroot (VVD): Ik begrijp dat u mij nu in ieder geval steunt. Ik ben blij dat u net als anderen hebt gesproken over overheidsbijdragen voor goede investeringen in ons land. Wij hebben een concurrerend investeringsklimaat nodig. Daar hoort natuurlijk de belastingverlaging voor ondernemingen per 1 januari 2007 bij, waar de Partij van de Arbeid overigens tegen stemde. Dit was een belangrijk punt om bedrijven mee naar Nederland te halen of in Nederland te houden. Maar wij hebben ook te maken met een ander soort concurrentie als het gaat om het investeringsklimaat, waarvan wij een voorbeeld in de scheepsbouw hebben gezien. De heer Slob nam ooit het initiatief om voor de scheepsbouw een regeling in stand te houden, omdat andere EU-landen dat nu eenmaal ook doen. Hetzelfde geldt voor regionaal beleid: ik noem Scheuten glastechniek – ik heb het ze gevraagd, de naam mag genoemd worden – met een schitterende fabriek in Venlo. Het bedrijf gaat een nieuwe fabriek bouwen, wat een investering van 150 mln. betekent, en aanvankelijk 500 en later 1100 arbeidsplaatsen oplevert. Zij willen zich in Limburg vestigen, waartoe twee geschikte vestigingsplaatsen zijn gevonden, maar er is ook een vestigingsplaats net over de grens in Duitsland. De deelstaat biedt ruim 20 mln. aan overheidsbijdrage. De VVD is niet de partij die graag subsidies geeft, maar wij moeten ons niet de kaas van het brood laten eten. Wij vragen de bewindslieden of zij niet vinden dat er een level playing field moet zijn, dat wij ons niet in de concurrentie onderuit mogen laten halen, en dat wij deze nieuwe vestiging voor Limburg binnen moeten halen. Wij hadden de IPR, maar die staat niet meer op de begroting. Welke posten en bedragen zijn hiervoor beschikbaar? Is de regering bereid, ervoor te zorgen dat wij die vestiging van Scheuten glastechniek en vergelijkbare bedrijven in Nederland houden en binnen halen? Het gaat namelijk om heel veel werk, dat niet alleen nodig is in Limburg, maar in alle grensstreken.

De heer Van Dam (PvdA): Dat dat bedrijf zich daar vestigt, vinden wij allebei heel belangrijk. Maar wat ook belangrijk is, is dat een bedrijf dat zonnecellen maakt daarvoor ook een afzetmarkt heeft, wat niet vanzelf gaat. De afgelopen jaren hebben wij steevast bij u en bij het kabinet aangeklopt om ervoor te zorgen dat de markt voor zonne-energie van de grond kan komen. Het is geen markt die zichzelf runt, het vraagt om een bijdrage van de overheid. Mogen wij voortaan daarvoor bij u aankloppen, gelet op uw betoog, om ervoor te zorgen dat dat bedrijf zich niet alleen in Nederland vestigt, maar dat het ook nog wat kan verkopen? Nu gaan die zonnepanelen immers allemaal de grens over.

De heer Aptroot (VVD): Ik vind het schitterend als Nederlandse producten de grens overgaan. Binnenlandse consumptie is mooi, maar export is nog mooier, het versterkt de positie van ons land. Ik ben een paar maanden geleden bij Scheuten geweest, en heb nog afgelopen week met de directie gebeld, omdat een Kamerlid zich moet inzetten voor de vestiging van zo'n bedrijf. Scheuten vraagt twee dingen. Het wil zich eigenlijk in Nederland vestigen, zeker toen ik uitlegde wat dit kabinet voor elkaar heeft gekregen, waaronder de enorme verlaging van de Vpb per 1 januari, waar uw fractie tegen was. Dat is een heel belangrijke vestigingsfactor, en daarnaast zou Scheuten het erg fijn vinden als de overheid zonne-energie stimuleert. Maar dat staat los van de investeringsbeslissing. Ik ben er niet voor dat wij voor allerlei branches met subsidieregelingen omzet binnenhalen, maar ik ben er wel voor om te zorgen dat wij binnen die wereldmarkt het maximale aan productie en handel naar Nederland halen. Wij zijn nu in concurrentie met Duitsland over vestigingen, en dat moeten wij willen.

De heer Irrgang (SP): Hoe hard is uw verzoek aan de minister? Moet er echt iets gebeuren, of laat u zich afschepen met de uitspraak dat er geen ruimte is in de begroting?

De heer Aptroot (VVD): Ik laat mij nooit afschepen, een antwoord moet altijd steekhoudend zijn. Waarom breng ik hier één individueel geval naar voren? Omdat ik dit op zichzelf al een vestiging vind die wij voor Nederland binnen moeten halen. Deze bewindslieden moeten alles op alles zetten. In het verleden heb ik over een bedrijf dat zich in Nederland wilde vestigen de staatssecretaris al eens gebeld, die naar het hoofdkantoor aan de andere kant van de wereld is gegaan om dat bedrijf binnen te halen. Dat blijft vaak buiten de publiciteit omdat het bedrijf dat wil, maar complimenten voor de inzet van de staatssecretaris! In dit geval vind ik dat wij het moeten regelen. Ik vind echter ook dat wij structureel moeten regelen dat wij over de instrumenten beschikken in de grensstreken om ervoor te zorgen dat ons bedrijfsleven groeit en bloeit. Het is dus niet vrijblijvend. Ik vind dat het kabinet met oplossingen moet komen. Mocht dat de consequentie hebben dat er op de begroting moet worden geschoven, dan zijn de voorstellen van het kabinet welkom. Dan gaan wij het met elkaar regelen.

De heer Ten Hoopen (CDA): Ik heb u net gevraagd of u bereid bent de SBR van budget te voorzien. Ik zal een amendement indienen om dat te regelen. Dat onderstreept namelijk uw betoog.

De heer Aptroot (VVD): Ik bedoelde dat wij er met elkaar voor moeten zorgen dat het kabinet bereid is het te doen. Wij kunnen zelf geen subsidies verstrekken. Daarnaast moeten de middelen er zijn. Zo nodig wordt er in de budgetten geschoven, maar wij moeten dit soort bedrijven voor Nederland binnenhalen.

De heer Ten Hoopen (CDA): Dan zijn wij het daarover eens. Dus ik krijg uw steun?

De heer Aptroot (VVD): Ik ben bereid uw amendement zo mede te ondertekenen, tenzij het ertoe leidt dat de rest van het bedrijfsleven instort. Wij moeten prioriteiten stellen.

Voorzitter. Ik kan concluderen dat het weer goed gaat met onze economie. Het beleid van het CDA/VVD-kabinet is een succes, maar dat is geen reden om achterover te leunen. De VVD wil vooruit. Tot voor kort was het een kabinet met D66. Zeker als het om de economische en sociale maatregelen en hervormingen gaat, heeft D66 heel goed meegedaan. Ik vind het jammer dat D66 geen deel meer uitmaakt van dit kabinet, maar het is niet anders. De VVD wil dat alle bedrijven, in het bijzonder de mkb-bedrijven, mee kunnen doen. Dan kunnen ook steeds meer Nederlanders meedoen. De koers is goed, maar er moeten toch nog een paar tandjes worden bijgezet.

De heer Vendrik (GroenLinks): Mijnheer de voorzitter. Helaas heb ik maar drie minuten spreektijd. Dat is veel te kort om die paar miljard EZ-geld eens even flink doortimmerd te bespreken. Ik laat ook het herhaaldelijk witwassen van de slechte prestaties van drie kabinetten-Balkenende maar achterwege. Dat is eerder bij interruptie goed gebeurd, dacht ik.

Hoe vaak heb ik hier niet gestaan tegenover de minister van Economische Zaken om een pleidooi te voeren voor werkelijk duurzame economische ontwikkeling? Als je echt nadenkt over het land dat je wilt nalaten aan kinderen en kleinkinderen ontkom je niet aan die vraag. De keuze is vrij simpel: maak van Nederland een green valley. Knoop al die inspanningen op het gebied van innovatie, klimaatbeleid en duurzame energie aan elkaar en maak daar één groot nieuw project van: Nederland als green valley. Heel de wereld zal daaraan moeten geloven. Dat gebeurt ook voor een deel. Wij moeten ons niet laten misleiden door de verhalen dat bijvoorbeeld China alleen maar bezig is om een vervuilende oude economie op te zetten. In China wordt op dit moment een complete stad ontworpen die energiezuinig en klimaatneutraal is. Overal ter wereld is duurzame energie en duurzame technologie de tophit aan het worden. Nederland blijft achter. Ik geef het voorbeeld van de schandalige situatie rondom de MEP-regeling. Het is één voorbeeld uit velen. Daarom herhaal ik met alles wat ik in mij heb aan het adres van deze tijdelijke minister van Economische Zaken: maak van Nederland een green valley. Om dat te onderlijnen heb ik een cadeautje. Ik zal de bewindslieden straks een boek overhandigen van mijn collega's Halsema en Duyvendak over Nederland als green valley. Daarin wordt beschreven wat het betekent, wat er al kan en hoeveel mogelijkheden en potenties er zijn om die inspirerende groene economie te worden waar wij als GroenLinks voor staan. In die economie voert maatschappelijk verantwoord ondernemerschap de boventoon, gaat duurzame technologie hand in hand met bestrijding van het klimaat. Moeten wij daar na het zien van de documentaire van Al Gore nog over discussiëren? Wat mijn fractie betreft niet. Het is een kwestie van doen. Na de dreiging van de heer Van Dam dat het hele departement van Economische Zaken wordt opgeheven, wil ik de minister meegeven dat er één manier is om daar onderuit te komen: word minister van duurzame ontwikkeling en maak green valley tot uw project.

Ik dank de minister van Economische Zaken voor zijn brief over de uitvoering van de motie van mijn hand vier jaar geleden over open source en open standaarden. Dat was een interessant debat. Het gaat in essentie eigenlijk om een simpel maar heel belangrijk gegeven. De Nederlandse overheid maar ook de samenleving raken steeds meer afhankelijk van software. Software is geen dingetje dat je even gebruikt. Software is een instrument geworden dat de grondtoon van deze samenleving bepaalt. Beheer van software is democratisch en ook economisch van groot belang. Dat hebben wij vier jaar geleden vastgesteld. De Nederlandse overheid heeft er belang bij om een grote stap vooruit te zetten om ervoor te zorgen dat wij niet langer afhankelijk zijn van één of enkele leveranciers, omdat zij toevallig ooit programmatuur hebben geleverd die gebaseerd was op gesloten standaarden. De overheid moet niet afhankelijk zijn van een leverancier die niet communiceert met anderen, waardoor burgers ook gedwongen worden dezelfde programmatuur aan te schaffen omdat zij vervolgens niet zouden kunnen communiceren met delen van de overheid. Daarom staat er in de motie dat publieke software in 2006 aan open standaarden moet voldoen. Daarom is het beter om bij aanbesteding zoveel mogelijk voor vrije software te kiezen. Ik denk aan het gedoe over de stemmachines van de laatste tijd. Duitsland heeft dat al gedaan. De Duitse minister van Binnenlandse Zaken weet precies hoe de software in de stemcomputers werkt, want zijn technologen mogen in die software kijken. Dan is er dus zekerheid dat een stem uitgebracht op het CDA niet twee keer telt. Ik noem maar een zijstraat, mijnheer Ten Hoopen.

Uit de brief van de minister van gisterenavond, waarvoor dank, concludeer ik dat er zeer weinig is gebeurd. Wat baal ik hiervan! Ik wil hierover graag een nader debat, maar de tijd is te kort. Ik kijk naar de ons omringende landen. Waarom doen wij niet net als de Belgen, die voor de publieke instellingen open standaarden voor documenten, open document file (ODF), verplicht stellen? Waarom doen wij niet net als de Fransen? De Franse regering heeft dwingende migratiepaden afgesproken, zodat wij afkomen van de software van die ene interessante fabriek uit de Verenigde Staten waarvan de eigenaar zo rijk is. Ik zal zijn naam niet noemen. Waarom doen wij niet net als de Duitsers? De Duitse minister van Binnenlandse Zaken heeft met alle gemeenten afgesproken om over te stappen op open source software. Daar had hij geld, budget en kunde voor over. Ik zie het allemaal niet. Ondertussen hangt dit land nog aan elkaar van peperdure licenties. De bedragen die wij voor gesloten standaarden betalen, zijn bij elkaar anderhalf keer de gehele begroting voor het hoger onderwijs. Dat is de consequentie van niet ingrijpen. Ik ben diep teleurgesteld en ik vraag de staatssecretaris om een reactie.

Ik sluit mij aan bij het betoog van de heer Irrgang over de sprinkhanen. Ik geloof dat wij ze niet meer zo mogen noemen, maar de minister heeft het zelf ooit ook een keer zo gezegd en dat heb ik onthouden. Ik doe nog één extra voorstel. Wij hebben een code-Tabaksblat voor bestuurders die zich netjes gedragen. Waarom komt er geen code maatschappelijk verantwoord aandeelhouderschap voor aandeelhouders die zich netjes gedragen? Het is een voorstel van Peter Blom van de Triodos Bank. Hij kan het weten, want hij zit dicht bij het vuur.

Wat betreft de kwestie-Limburg sluit ik mij aan bij wat de collega's hebben gezegd. Ik roep nog in herinnering de motie-Verhagen, waar mijn naam ook onder stond. Daarin hebben wij de regering verzocht in de nasleep van de afschuwelijke affaire rond NedCar nieuwe investeringsmogelijkheden actief te benutten. Misschien is het mogelijk om daar hybride auto's te produceren. Waarom is dat geen optie? Is dat nader onderzocht? Gaat het kabinet daar actief de boer mee op?

Mijn politieke partijgenoten op het niveau van provincies en gemeenten hebben de kat op het spek gebonden. Zij hebben geëist dat er in het nieuwe contract voor de topman van Nuon één maximale grens komt, namelijk het salaris van de minister-president. Het lijkt er echter op dat dit niet lukt en de vraag is hoe dat komt. Ik voel niet zozeer de behoefte om namen te noemen en partijen te duiden, maar het dreigt fout te gaan omdat sommige wethouders/aandeelhouders en gedeputeerden/aandeelhouders uit Amsterdam, Gelderland en Friesland niet thuis geven. Laten wij echter niet hier het debat voeren; laat alle partijen met wethouders of gedeputeerden in de betreffende gemeenten of provincies vandaag die mensen bellen om te zeggen dat het afgelopen moet zijn. Het salaris mag niet boven het niveau van het salaris van de minister-president komen te liggen. Anders gaat de betreffende topman maar fietsen. Dan gaat hij maar naar een ander bedrijf waar hij meer mag verdienen dan de minister-president.

De heer Bakker (D66): Voorzitter. Aanhakend op wat de heer Vendrik zei, stel ik vast dat mijn partij op dit moment maar één gedeputeerde heeft. Die zit in Noord-Holland en is volgens mij geen aandeelhouder van Nuon. Voor zover hij er wat over kan zeggen, sluit ik mij natuurlijk heel graag aan bij de woorden van de heer Vendrik op dit punt.

Ik wil er nog een schepje bovenop doen wat de eerdere debatten over topinkomens betreft. Heel vaak wordt gezegd: ach, men moet toch concurreren met de markt en het salaris van de minister-president kan toch niet de norm zijn. Eerlijk gezegd, denk ik steeds vaker: waarom eigenlijk niet? Ik denk dat vooral, omdat ik hoorde dat Greenspan, de inmiddels oud-president van het stelsel van Amerikaanse federale banken, de man die, om het zo maar te zeggen, achttien jaar lang eigenlijk de baas was van de wereldeconomie, $ 120.000 verdiende. En waarom? Het is taxpayer's money en je gaat dan niet hoger dan de president. Waar dat zelfs in de Verenigde Staten, waarop sommigen zo vaak afgeven, heel gewoon is, waarom zou in Nederland dan niet gewoon het salaris van de minister-president de norm kunnen zijn?

Voorzitter. Ik wilde de heer Wijn feliciteren met zijn eerste begrotingsbehandeling als minister totdat ik mij afvroeg of hij niet al eens eerder een begrotingsbehandeling had gedaan, omdat hij destijds is ingevallen voor Heinsbroek. In dat geval feliciteer ik hem hartelijk met zijn tweede begrotingsbehandeling als minister. Natuurlijk heeft hij niet zulke goede partijpolitieke antecedenten als zijn voorganger, maar positief is dat hij op deze plaats erop kan toezien dat het tarief van de vennootschapsbelasting omlaag gaat. Zoiets zal een minister van Economische Zaken zeer tevreden stemmen en is ook goed voor het vestigingsklimaat. Dat kan wat mij betreft niet helemaal worden gezegd van de uitlatingen van de minister over sprinkhanen die Nederlandse bedrijven leeg vreten. Misschien had de minister zijn inspiratie hiervoor gevonden in de oude VOC-mentaliteit, maar mijn idee van globaliseren is meer van openheid en vooruitgang en niet van protectionisme en nationalisme. Gelukkig was er toen nog de oude baas van de minister, minister van Financiën Zalm, die hem op dit punt weer tijdig binnen de teugels hield.

Als wij terugkijken op de economische ontwikkeling van de laatste jaren, dan kunnen wij daar tevreden over zijn. Natuurlijk, wij hebben een aantal moeilijke jaren achter de rug met omvangrijke bezuinigingen en een voor veel mensen moeilijke koopkrachtontwikkeling, maar het resultaat mag er zijn. De economie heeft zich hersteld en de arbeidsparticipatie gaat omhoog dankzij het hervormingsbeleid. De houdbaarheid van de overheidsfinanciën is daardoor met 3,5 procentpunt van het bbp verbeterd, zo hebben wij in de Miljoenennota kunnen lezen. Alleen de vraag is nu: hoe gaan wij verder? De fractie van D66 vindt dat het daar niet bij moet blijven. Ik ben het met de Raad van Economische Adviseurs eens dat de vergrijzing ook haar voordelen heeft, maar dat neemt niet weg dat wij maatregelen moeten nemen om de vergrijzing betaalbaar te houden. De minister kent ons standpunt op dat stuk. Wij moeten het overigens niet alleen hebben over de betaalbaarheid van de vergrijzing, maar ook over de dynamiek van onze economie. Volgens de deskundigen is de vergrijzing vooral een verdelingsprobleem dat je niet kunt oplossen met meer economische groei. Dat zou boekhoudkundig waar kunnen zijn, hoewel je daar een vraagteken bij kunt zetten, maar het getuigt in ieder geval van de jansaliegeest. Ik vraag mij ineens af of Jan Salie ook uit de tijd van de VOC komt. Dat weet ik eigenlijk niet. Ik los in ieder geval liever verdelingsproblemen op in een sterke economie dan in een zwakke. Bovendien hebben wij in een dynamische economie meer mogelijkheden om ons bijvoorbeeld nieuwe medische technologieën te veroorloven. En dus moet er niet alleen worden gesaneerd, maar moet er ook worden geïnvesteerd, zoals in de dynamiek op de arbeidsmarkt, want bij alle hervormingen moeten mensen perspectief op een baan hebben. De fractie van D66 wil daarom verdergaan met het beleid van hervorming van het ontslagrecht, omdat de bescherming van de een de deur dicht voor de ander is. De fractie wil ook de economie versterken door de lasten op arbeid de komende jaren flink verder te verlagen door verhoging van de arbeidskorting en de aanvullende combinatiekorting, door earned income tax credit, verlaging van de tarieven en het stapsgewijs afschaffen van de achterhaalde thuiszitbonus.

Maar het gaat om meer. De afgelopen jaren is met succes de kenniseconomie op de politieke agenda gekomen. Ik zeg dit ook met een zekere tevredenheid over de rol die D66 daarin heeft gespeeld. In het kabinet-Balkenende 2 kwam ruimte om alles bij elkaar een paar miljard extra in onderwijs, kennis en innovatie te stoppen, ondanks bezuinigingen elders. Daar moet het niet bij blijven. Als wij willen dat ons onderwijs zich kan meten met de internationale top – en dat wil D66 – dan moeten wij bereid zijn er nog eens miljarden extra in te investeren. Wat ons betreft tot 2011 netto 2,5 mld. en niet conform het basispad van het CPB. Daar komt je in de buurt als je niet wilt hervormen. Ook voor Economische Zaken – volgens mij het enige "verdienministerie" misschien samen met LNV, die twee zouden mooi kunnen integreren – ligt er nog een mooie taak. Via het Fonds Economische Structuurversterking is er veel geld voor kennis bijgekomen. De cijfers lopen nog wat achter, maar ik ga ervan uit dat die straks in de cijfers voor publieke R&D zichtbaar worden. Nu is het wel zaak om een "multiplier" op gang te krijgen, opdat ook de private R&D-uitgaven op een hoger niveau komen. D66 is in ieder geval voorstander van de verruiming van de WBSO voor startende innovatoren en van uitbreiding van de regelingen voor durfkapitaal.

Over het FES gesproken: de luxe van de extra FES-middelen heeft wel zichtbaar gemaakt dat er nog wel het een en ander schort aan de besluitvorming over de inzet ervan. Ik ben er voorstander van om voortaan bij de start van een kabinetsformatie de voeding van het FES te fixeren en besluitvorming over de investeringen minder ad hoc en veel meer op basis van een lange termijn visie te doen plaatsvinden. Ik sluit mij op dit punt aan bij de woorden van de heer Vendrik die zei: je hoeft maar de film van Al Gore te noemen en je weet wat die lange termijn visie moet laten zien, met name ook omdat het aardgas in de voeding van het FES zo belangrijk is. Dit is de overgang, de transitie naar duurzame energie. Investeringsvoorstellen moeten natuurlijk voortdurend kritisch en misschien kritischer beoordeeld worden in een procedure waarbij het parlement veel actiever is betrokken dan tot dusver.

In dit licht wil ik een paar vragen stellen over het Nederlandse Genomics Institute. Ik begrijp dat de commissie-Wijffels destijds heeft aanbevolen om initiatieven op het gebied van de life sciences voor tien jaar te ondersteunen, maar dat er maar geld voor zes jaar is gereserveerd. Dit budget is straks op en dan dreigt er dus een gat te vallen voor de rest van die tien jaar. Het schijnt dat internationale deskundigen de prestaties van het instituut positief beoordelen, maar dat het kabinet nu alleen overgangsfinanciering voor 2008 wil regelen. Hierdoor ontstaat er onzekerheid in de markt en als gevolg daarvan dreigen goede onderzoekers weg te lopen. Kritisch beoordelen, ja, maar kapitaal vernietigen, liever niet. Ik krijg hier graag een reactie op. Hoe kan dit worden voorkomen?

Voor een sterke economie zijn niet alleen financiële investeringen nodig, maar moeten soms ook instituties worden hervormd. Ik sprak al over de modernisering van het ontslagrecht. Verder zouden outsiders een echte kans moeten krijgen. Iets vergelijkbaars geldt voor de winkeltijden. Die zijn ruim tien jaar geleden met veel succes verruimd door minister Wijers – niet toevallig van D66 – en het lijkt mij weinig aannemelijk dat al die mensen die 's avonds en op zondag winkelen en de mensen die daarmee hun brood verdienen, dit doen omdat zij een hartgrondige hekel hebben aan ruime winkeltijden. Ik voel er dan ook helemaal niets voor om strenger te gaan optreden in of tegen gemeenten waar de winkels op zondag open zijn. Als er op zondag wordt gewinkeld, gebeurt dat omdat mensen daar behoefte aan hebben. Zij hebben kennelijk boodschappen nodig, zij willen recreëren, waar dan ook of wat dan ook. Als winkeliers dan hun winkel open willen doen, moeten wij dit niet ontmoedigen. Wij moeten daar juist blij mee zijn. Consumenten en toeristen worden beter bediend en er komt "schwung" in de economie en de werkgelegenheid. Ik zou er daarom voor kiezen om de beperking tot twaalf koopzondagen en de toeristische regeling te schrappen en de beslissing zonder verdere randvoorwaarden aan de gemeente over te laten.

De heer Van der Vlies (SGP): De heer Bakker heeft toch ook wel de uitkomsten van de evaluatie gezien en diverse enquêtes, zelfs een referendum in Utrecht onder de bevolking, over het beeld van de acceptatie en appreciatie van het winkelen op zondag? De uitkomst is veel genuanceerder dan hij nu voorgeeft. Overigens heeft hij toch ook wel eens gehoord over de argumenten met betrekking tot de concurrentievervalsing? Dit is voor mij niet het allerzwaarste argument, maar wel een beduidend argument. Daar moet de heer Bakker zich toch ook over verantwoorden.

De heer Bakker (D66): Vanzelfsprekend. De allereerste vraag is of wij op de een of andere manier een collectief besluit moeten nemen over winkeltijden, in de Tweede Kamer, in de gemeenteraad, bij referendum, of dat wij dit aan ondernemers en mensen zelf over laten. Ik heb natuurlijk alle respect voor een referendum, maar dit is regelrecht in strijd met wat ik iedere zondag in de binnenstad van Utrecht zie. Daar winkelen heel veel mensen, die kiezen er om welke reden dan ook voor om dit op zondag te doen. Laat ze dat toch gewoon rustig op zondag doen. Ik geloof best dat uit een referendum een genuanceerder beeld naar voren is gekomen, maar waarom zouden wij dit moeten regelen? Waarom laten wij het niet over aan ondernemers en hun klanten?

Er zijn ondernemers die om welke reden dan ook niet op zondag open willen gaan. Daartoe hebben zij het volste recht. Zij kunnen hun klanten op een andere manier opzoeken, bijvoorbeeld door langer open te blijven of door producten thuis te bezorgen. Op de een of andere manier zullen ze met hun concurrenten mee moeten gaan, want de wereld blijft niet hetzelfde. Ik ken ook een kleine ondernemer die besloten heeft om zijn boekhandel op zondag open te doen. Dat is een groot succes, want de hele stad gaat bij die kleine ondernemer winkelen. De man heeft het nog nooit zo goed gehad!

Het is ook de kwestie of een ondernemer actief in het leven wil staan of wil doen alsof hij nog in de jaren vijftig of zeventig leeft. De maatschappij is veranderd en verandert nog steeds. Als wij er overigens toe zouden besluiten om winkels niet op zondag open te laten gaan, krijg je natuurlijk weer meer telemarketing. En dat wil de heer Ten Hoopen natuurlijk niet.

De heer Van der Vlies (SGP): Er is wel degelijk sprake van concurrentievervalsing en dan niet alleen tussen winkels in één gemeente maar tussen winkels in verschillende gemeenten met een verschillend beleid voor de zondagopenstelling. U suggereert echter dat winkeliers er in vrijheid voor kunnen kiezen om bij deze ontwikkeling aan te haken. Los van eventuele gewetensbezwaren: een ondernemer heeft geen vrije keus.

De heer Bakker (D66): Niet als je het de gemeenteraad laat regelen. Daarom heeft het mijn voorkeur dat wij nog verder gaan met deze deregulering en dat wij ondernemers zelf laten beslissen wanneer ze hun winkel open willen doen. Het is hun winkel. Ze betalen belasting. Ze regelen het allemaal netjes. Verder zijn er alle mogelijke regelingen voor arbeidsomstandigheden en arbeidstijden. Waarom stoppen wij niet met deze regulering? De tijden zijn echt veranderd. Het is 2006!

De heer Irrgang (SP): U hebt natuurlijk recht op uw eigen maatschappijbeeld. Overigens zijn er ook mensen die los van hun geloofsovertuiging prijs stellen op de serene rust van een zondagmiddag in een stadscentrum. In de wet staat echter een maximum van twaalf koopzondagen. Zolang die wet niet is afgeschaft, zullen gemeenten zich daaraan moeten houden. U bent het verder toch wel met mij eens dat Almere geen toeristische locatie is en dat deze gemeente dus eigenlijk de wet ontduikt?

De heer Bakker (D66): Wie bepaalt wat een toeristische locatie is? Beslist u dat, mijnheer Irrgang? Beslist u soms dat iemand op zondag voor zijn boodschappen wel naar Delft mag, maar niet naar Almere? De gemeente neemt hierover binnen de grenzen van de huidige wet een verstandig besluit en ik denk dat wij daarop moeten vertrouwen. Overigens mogen gemeenten van mij best wel wat meer ruimte nemen.

Wij stellen allemaal prijs op rustmomenten in het leven, maar iedereen vult die op een andere manier in. Er zijn mensen die graag zouden zien dat Nederland een groot openluchtmuseum wordt, een grote toeristische attractie waarin het verboden is om op zondag te winkelen, waar wij tussen zes en zeven uur samen eten om daarna samen Lingo te gaan kijken. Dat is niet het Nederland dat mij voor ogen staat. Mijn Nederland is vrijheid voor mensen en ondernemers.

Voorzitter. Mijn laatste punt is dat ik mij van harte aansluit bij de woorden van mijn collega's over het bedrijf Scheuten in Limburg. Wij zijn er allemaal van overtuigd dat er voor dit bedrijf iets moet gebeuren. Het zou mooi zijn als de Kamer zich hierop kon verenigen, maar nog mooier zou het zijn als het kabinet in eerste of tweede termijn zegt: dat gaan wij regelen.

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Gezien de beperkte spreektijd wil ik mij beperken tot drie punten. Zoals u ziet verloochen ik mijn afkomst niet, want spreken in drie punten is in mijn kring wel gewoon.

Ik wil allereerst iets zeggen over de highlights, die in de begroting van EZ zijn terug te vinden. In één oogopslag krijg je een indruk van de maatregelen die het afgelopen jaar zijn genomen om de economische groei te bevorderen. Het gaf de fractie van de ChristenUnie een goed gevoel dat hierin ook de innovatieregeling voor de scheepsbouw staat. De heer Aptroot refereerde hier al aan. Het heeft mij ongeveer twee begrotingsjaren gekost om het probleem van het level playing field in deze sector tot het kabinet te laten doordringen. Het stemt mij ook tot oprechte dankbaarheid dat het dus eindelijk gelukt is. Dit geeft ook weer wat moed voor de toekomst als het om andere onderwerpen gaat. Er is nu voor de komende jaren 60 mln. beschikbaar gekomen voor de scheepsbouw. De aanhouder wint! Als het om volhouden gaat, vraag ik nog wel aandacht voor een door mij ingediende en vorig jaar Kamerbreed aangenomen motie, waarin de ChristenUnie heeft aangegeven, dat er iets moest gebeuren aan het grote probleem van het zwartwerken in de bouw. Ik constateer dat het kabinet nog steeds met de branche in gesprek is over de ernst van dit probleem. Wij weten dat dit probleem er is en dat er iets aan moet gebeuren. Als het allemaal weer zo lang gaat duren, dan hoeft het op een bepaald moment niet meer. Graag wil ik de stand van zaken weten en wil ik dat dit kabinet, dat een lik-op-stukbeleid voorstaat, actie onderneemt.

Mijn tweede punt betreft RFID. Het kabinet heeft op mijn verzoek, en gesteund door de Kamer, kortgeleden de notitie "RFID in Nederland" naar de Kamer gestuurd. RFID kan als technologie veel voordeel opleveren voor onder meer het bedrijfsleven. Er kleven echter ook wel wat nadelen en risico's aan RFID, die in de notitie in kaart zijn gebracht. Ik ben door de notitie niet helemaal gerustgesteld. Het kabinet erkent dat er privacy-, veiligheids- en gezondheidsrisico's kleven aan RFID, maar bagatelliseert deze wel enigszins en stelt in elk geval geen concrete maatregelen voor om ze te beheersen. Ik vind dat in de notitie iets te gemakkelijk wordt gesteld dat de mogelijke risico's van RFID niet nieuw zijn en dat mensen al lang gevolgd kunnen worden, bijvoorbeeld via hun mobiele telefoon, en dat hun aankopen al lang worden geregistreerd via klantenkaarten. Dat zijn niet de argumenten op basis waarvan wij met elkaar over deze technologie moeten praten. Wij moeten niet achterover leunen. Het is positief dat er een interdepartementale werkgroep wordt ingesteld. Er zit dus wel wat beweging in het onderwerp. Ik constateer ook dat het kabinet wacht totdat het College bescherming persoonsgegevens volgende maand met een notitie over dit onderwerp komt. Laten wij dat moment gebruiken om er inhoudelijk verder over te spreken. Ten aanzien van de privacy moeten wij wat verdere stappen zetten. Ik zou het ook op prijs stellen als er maatschappelijk debat over dit onderwerp zou ontstaan. Misschien kan dit worden geëntameerd.

Mijn derde punt betreft de Winkeltijdenwet. Dit onderwerp krijgt nu opeens de aandacht omdat de evaluatie er eindelijk is. Mijn fractie is er wel van geschrokken dat uit de evaluatie blijkt dat de handhaving in de praktijk niet altijd plaatsvindt. Dit is geen kabinet van gedogen en dus moet er iets gebeuren. Ik verzoek het kabinet dan ook om aan te geven wat het gaat doen om ervoor te zorgen dat gemeenten de handhaving daadwerkelijk inhoud geven.

Ik sluit mij aan bij wat de woordvoerder van de CDA-fractie heeft gezegd over de toeristische regimes. Ik weet zeker dat ook de heer Van der Vlies daarover nog iets zal gaan zeggen. Volgens de evaluatie maken gemeenten op een onelegante manier gebruik van het toeristische regime door hun hele gemeente als toeristisch gebied te bestempelen. Wij vinden dat het tegen de wet is. Als iets tegen de wet is, moet er worden opgetreden. Als de wet onduidelijk is, moet die onduidelijkheid in de formulering worden weggenomen.

Ten slotte vraag ik aandacht voor de bescherming van het winkelpersoneel. Uit onderzoeken blijkt dat 79% van het winkelpersoneel niets voelt voor verdere uitbreiding van het aantal koopzondagen. Ook deze mensen hebben recht op een rustdag voor sociale activiteiten en gezinsactiviteiten. Ik vind dat een heel belangrijk argument om niet nu opeens deuren verder open te gooien, in de trant van: de beperking tot twaalf koopzondagen kan wel weg, laten wij het maar helemaal vrij geven en de keuze bij de winkeliers leggen. De kleine winkelier zou daar met name het slachtoffer van worden en dat kan toch niet de bedoeling zijn.

De heer Aptroot (VVD): Ik wil u dezelfde vraag stellen die ik ook al aan de heer Van Dam heb gesteld, maar hij gaf geen antwoord. Jammer, maar ik ken de heer Slob als iemand die wel rechttoe, rechtaan is en gewoon antwoord geeft. U wilt heel strikt omgaan met toeristisch gebied. Betekent dit dat u de opening op zondag wilt verbieden voor het centrum van Den Haag, Rotterdam en Delft? Wilt u dat de betrokken ondernemers en dat de daarmee verbonden werkgelegenheid het verder kunnen schudden?

De heer Slob (ChristenUnie): Ik vraag op dit moment, uitgaande van een bestaande wet, niet meer en niet minder dan dat er in de praktijk wordt gehandhaafd wat wij met elkaar hebben afgesproken. Leest u de evaluatie, mijnheer Aptroot, u hebt hem gekregen. In de evaluatie staat dat er gemeenten zijn die onelegant omgaan met wat een leemte in de wet is. Dan vind ik dat wij het daar met elkaar over moeten hebben. Uw opvatting is bekend, u wilt alles vrijgeven. Dat is uw goed recht, maar u zult het ook met ons eens moeten zijn dat wij dit kabinet, waar ook de VVD deel van uitmaakt, mogen aanspreken op handhaving van de bestaande wet, zolang er nog geen nieuwe wet is. Ik hoop bovendien dat een wet zoals u die wilt, er nooit zal komen.

De heer Aptroot (VVD): Voorzitter. Ik moet mijzelf corrigeren. Ik zei dat de heer Van Dam geen antwoord had gegeven, maar het was de heer Ten Hoopen die ik daarop aansprak. Maar de heer Slob geeft ook geen antwoord. Dan moet hij consequent zijn en zeggen: in al die gemeenten kan de opening op zondag niet meer doorgaan.

De heer Slob (ChristenUnie): Laten wij Den Haag als voorbeeld nemen. Scheveningen was het gebied dat als toeristisch kon worden aangemerkt op het moment dat de wet in werking trad. Wij moesten toen immers uitgaan van de situatie die wij hadden op dat moment. Het gemeentebestuur van Den Haag heeft vervolgens besloten om dan maar heel Den Haag te verklaren tot toeristisch gebied. Men zag immers dat andere gemeenten dat ook deden. Zo zie je dat men elkaar maar achterna holt als de wet ruimte biedt voor een uitbreiding. Op een bepaald moment hebben wij dan de situatie die u beoogt: dat heel Nederland iedere zondag de winkels openzet. En dat kan dus niet de bedoeling zijn. Wij willen graag strikte handhaving van de wet. Gebieden die echt een toeristisch gebied zijn, kunnen zich beroepen op de wet en meer dan twaalf zondagen open zijn en andere gebieden kunnen dat niet. Als gemeenten daar de hand mee lichten, dan moeten wij dus handhaven.

De heer Aptroot (VVD): Ik dank de heer Slob voor de duidelijkheid. Ik begrijp dus dat het centrum van Den Haag op het centrum niet meer open mag. Boekhandel Paagman aan de Frederik Hendriklaan mag ook niet meer open. U wordt bedankt namens de ondernemers en namens alle werkenden die straks werkloos worden.

De heer Slob (ChristenUnie): Het is wel heel erg bijzonder dat de VVD, die er altijd zo ontzettend prat op gaat dat bestaande wetten strikt gehandhaafd moeten worden, nu in deze situatie zegt: hier kan het ook wel even anders, want er zijn economische belangen die het naar onze mening rechtvaardigen om de hand te lichten met de wet die er is. Zo ken ik de VVD niet en zo wil ik de VVD eigenlijk ook niet kennen, maar het is wel duidelijk waar de heer Aptroot voor kiest.

Ik zou ook willen weten hoe hij de positie ziet van al die mensen die werken in die winkels. Ik zei net al dat 79% van het winkelpersoneel heeft aangegeven, graag gebruik te willen maken van een vrije dag en rust te willen hebben voor sociale activiteiten en voor gezinsactiviteiten. Daar heeft de heer Aptroot geen oog voor. Hij kiest voor de shoppende burger en laat deze mensen letterlijk en figuurlijk in de kou staan. Sterker nog, hij schuift er zelfs de wet voor aan de kant.

De heer Aptroot (VVD): Voorzitter.

De voorzitter: Nee, ik weigerde net al een interruptie aan de heer Van Dam, dan kan ik u niet nog een keer laten interrumperen. Het woord is aan de heer Van der Vlies.

Voorzitter: Hamer
De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Het is natuurlijk onmogelijk om in vier minuten de totale begroting te behandelen. Ik moet mij dus beperken en ik kan de Winkeltijdenwet en alles wat daarmee samenhangt, niet voorbij laten gaan. Dus dat is mijn eerste punt.

Na te lang wachten, kregen wij eindelijk het evaluatierapport. Vooral de conclusie over de toerismebepaling in deze wet is veelzeggend. De rapporteurs constateren dat veel gemeenten deze bepaling gebruiken als wat daar heet "onelegante oplossing", en terecht. Mijn fractie heeft in twee series vragen die zich richten op Leiden en Almere aandacht gegeven aan deze problematiek. De bewindslieden die deze vragen hebben beantwoord, lieten geen bereidheid zien om op te treden. De handhaafbaarheid stond en staat daarmee onder grote druk. Wij vinden dat ongewenst. De SGP-fractie vindt de zondag als rustdag te belangrijk om aan de commercie over te geven, niet alleen omdat zij de zondag inderdaad beschouwt als de dag des Heren, maar ook omdat dat uitgangspunt, dat Bijbelse gebod, zulke positieve consequenties voor de samenleving heeft. Niemand kan immers zonder een dag waarop even gas terug wordt genomen. Uit het evaluatierapport blijkt dat deze opvatting door een ruime meerderheid van bedrijven, werknemers en de bevolking wordt gedeeld. Deze twee redenen liggen in het verlengde van elkaar. Hierom hebben wij de staatssecretaris indertijd gevraagd om snel actie te ondernemen. Mijn fractie vindt het teleurstellend dat het daar niet van kwam. Vanwaar die terughoudendheid? Ik ga er nog steeds van uit dat de staatssecretaris het belangrijk vindt dat de wet wordt nageleefd. Dat moeten wij allemaal vinden. In het evaluatierapport staat dat een fors percentage van de gemeenten de bepaling onduidelijk vindt en bovendien opmerkt dat de handhaving sterk te wensen over laat, zoals ik al zei. Niets staat volgens ons een oplossing in de weg. Daarom vraag ik de bewindslieden met klem om hier nog eens helder op in te gaan. Als de reactie opnieuw onbevredigend is, zijn wij voornemens, morgen een motie in te dienen of dat met anderen te doen waarmee wordt beoogd, de toerismebepaling te heroverwegen. Een bepaling die zo verwarrend is en misbruikt wordt, kan beter uit de wet verdwijnen. Gezien hun CDA-achtergrond, mogen wij er toch van uitgaan dat deze bewindslieden net als mijn fractie hechten aan de zondag als collectieve rustdag?

De heer Van Dam (PvdA): Ik moet eerlijk zeggen dat ik mij net afvroeg of mijn vraag niet al was beantwoord. Wij hebben hier altijd een vrij genuanceerde opvatting over, al delen wij niet de religieuze achtergrond met de christelijke partijen die hier ook een punt van hebben gemaakt. De heer Van der Vlies heeft het over handhaving van de wet. Hij loopt nu al vooruit op wat hij gaat doen als dit niet mogelijk blijkt te zijn. Vindt hij dat de wet vanuit Den Haag dient te worden gehandhaafd? Vindt hij dat wij moeten bepalen wat een toeristisch gebied is? Zo ja, hoe moeten wij dat doen? Ik zou het niet weten.

De heer Van der Vlies (SGP): In andere fasen van het debat is hierover al het nodige uitgewisseld. Wij hebben de wet hier geschreven en afgetikt, zogezegd. Daarna waren de gemeenten aan zet. Zij moesten beleid maken en de bepalingen van de wet handhaven. Nu wordt er geconstateerd dat de bepaling ter zake van het toeristisch regime onduidelijk is. Daarom zijn wij weer aan zet. Wij moeten die bepaling verduidelijken. Daar kunnen wij nog een uitgebreide discussie over voeren. Ik heb daar concrete voorstellen voor in gedachten, die enkelen uwer in concept wel bekend zijn. Zo kan het volgens mijn fractie gaan. Het is onze verantwoordelijkheid. Wij schrijven de wet, althans, zijn medewetgever. Ik doe het niet zelf; wij leveren gezamenlijk een product en zijn daar gezamenlijk verantwoordelijk voor.

De heer Van Dam (PvdA): Laat mij verduidelijken dat er een verschil is tussen de constatering dat de wet niet goed wordt gehandhaafd of nageleefd en de conclusie dat die niet werkt, maar ook niet kan werken en daarom moet worden gewijzigd. Dan voeren wij een heel ander soort discussie. Ik ben benieuwd of uw collega's het daarover met u eens zijn.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik heb enkele dingen aan de orde gesteld. Ik constateer dat bepaalde gemeenten de bepaling over het toeristisch regime ge- of misbruiken door dat op hun territoir toe te passen. Het gaat dan niet alleen om een toeristisch centrum, maar om een totale bebouwde kom. Als verder een bepaling zo diffuus is dat die moeilijk te handhaven is, moet die indringend tegen het licht worden gehouden. Dat waren mijn punten.

De heer Aptroot (VVD): Over de religieuze betekenis van de zondag denken wij verschillend, dus daar ga ik de discussie niet over aan. Ik respecteer dat volledig. Toerisme is toch ook geen star begrip? Het heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld. Waar vroeger mensen onder toerisme alleen verstonden dat je ergens op een camping ging staan, vinden zij nu dat heel andere dingen daar ook onder vallen. Winkelen kun je leuk vinden of niet, maar wordt ook als toeristische, recreatieve bezigheid beschouwd.

De heer Van der Vlies (SGP): Laten wij het gebied van de gemeente Leiden nemen, een van de door mij genoemde voorbeelden. Leiden is een oude stad met bezienswaardigheden en functies die zijn gelokaliseerd in de binnenstad. Wanneer daar een toeristische functie ligt, maakt de heer Aptroot het mij niet wijs dat die ook voor de woonwijken in de periferie van Leiden is. Het besluit waarop ik doel is teruggefloten maar is ooit wel genomen. Ik vind dat misbruik van de bepaling van het toeristische regime.

Ik maak er geen geheim van dat ik een religieuze overweging heb, maar overigens ook een sociaal motief. Dat heeft ons altijd over de sluitingstijden van winkels bij elkaar gebracht als het gaat om de vraag of wij die tijden moeten beperken of niet en zo ja, tot hoe ver. Dat is mijn inzet.Van der Vlies

Ik sprak zojuist over een motie die ik zou kunnen indienen wanneer de reactie van de bewindslieden ontoereikend of onbevredigend zou zijn. Zo'n motie moet de eindstreep halen. Stel dat ook dat niet het geval is, dan zullen wij binnenkort een initiatiefwetsvoorstel indienen om de toerismebepaling te verduidelijken en die beter te laten aansluiten bij de doelstellingen van de wet. Dat voorstel ligt nagenoeg klaar en vele leden kennen dat al. Ook daarvan kan ik mij eerlijk gezegd niet goed voorstellen dat de Kamer daarin niet zou kunnen meegaan, omdat dit een gezamenlijke verantwoordelijkheid is.

Wat de MEP-regeling betreft, herinnert de minister zich ongetwijfeld de stevige discussie die wij daarover in de afgelopen weken hebben gevoerd. Een van de aanvaarde moties is die van de collega's Hessels en Van der Staaij, gericht op een nieuwe regeling. Uit de antwoorden op onze vragen daarover maken wij nog niet op dat de minister zich haast om met een nieuwe MEP-regeling te komen. Dat zouden wij teleurstellend vinden. Ik zou daarom helder in dit debat ingeplugd willen zien dat daarmee haast wordt gemaakt, opdat er snel een nieuwe regeling komt.

Op mijn motie van verleden jaar over de beveiliging van kleinere bedrijven is niet ingegaan, afgezien van een formele reactie. Ook in de brief over de business improvement districts is daarop niet ingegaan. Veiligheid voor kleine ondernemers moet ook in dat traject worden meegenomen en moet daarin wat ons betreft zelfs vooropstaan. Graag krijg ik op dit punt een toezegging en een inhoudelijke reactie.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.