Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2007

30800 VII 21 Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Vergaderjaar 2006-2007

Nr. 21 Vastgesteld 28 november 2006

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen.


De door de regering gegeven antwoorden zijn hierbij afgedrukt.


De voorzitter van de commissie,
Noorman-den Uyl

De griffier van de commissie,
De Gier

1

Waaruit blijkt dat het aantal slachtoffers van geweldsmisdrijven daalt? Voor welke jaren geldt deze daling? Hoe verhoudt zich deze in de begroting genoemde daling tot de cijfers uit de Veiligheidsmonitor Rijk 2006 met betrekking tot slachtofferschap als 1997 of 2000 als peiljaren worden genomen (zie grafiek 4.4 op p. 37 van die monitor)?


In 2006 en in 2005 is slachtofferschap gemeten volgens deVeiligheidsmonitor Rijk (VMR). In 2006 werd ruim vijf procent van alle inwoners in Nederland slachtoffer van één of meer geweldsdelicten. In 2005 was dit nog 5,8%. Dat is een daling van bijna 1 punt.


Vòòr het jaar 2005 werd slachtofferschap gemeten door het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS). Volgens de POLS cijfers nam dit percentage in de periode 1997–2002 toe van 5 naar 6 procent, om daarna weer af te nemen tot 5,2 procent. Het percentage slachtofferschap geweldsdelicten lag zowel in 1997 als in 2000 op 5 procent.


Dit betekent dat de uitkomsten van de Veiligheidsmonitor Rijk niet direct vergelijkbaar zijn met de reeksen uit de «oude» onderzoeken. Hierbij wordt nog opgemerkt dat, hoewel het POLS onderzoek en de Veiligheidsmonitor Rijk in hoofdzaak dezelfde informatie oplevert (zoals het slachtofferschap gewelds- en vermogensdelicten), de opzet van de Veiligheidsmonitor verschillend is van het POLS. Niet alleen is de opzet van de vragenlijst anders, maar bijvoorbeeld ook de bevragingsmethodiek en de enquêteperiode.

2

Wat is het verschil in het aantal slachtoffers van vermogensmisdrijven in de jaren 2001–2004 ten opzichte van 2005? Hoe verhoudt de in de begroting gestelde daling in slachtoffers van vermogensdelicten zich tot de gegevens uit de Veiligheidsmonitor Rijk 2006, bijvoorbeeld in grafiek 4.6 op bladzijde 38 van de monitor?


In de jaren 2001–2004 werd het slachtofferschap vermogensdelicten gemeten op basis van het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) van het CBS. Vanaf 2005 wordt dit gemeten met de Veiligheidsmonitor Rijk. Hierdoor is een trendbreuk in de scores van een aantal indicatoren over de jaren ontstaan die wordt veroorzaakt door methodologische redenen. Dit heeft tot gevolg dat de scores niet absoluut met elkaar vergeleken worden (voor nadere uitleg zie ook: Tweede Kamer, Vergaderjaar 2005–2006, kamerstukken 28 684, nr. 85) Tegen deze achtergrond moeten onderstaande scores worden gelezen.


Daarnaast is de kanttekening relevant dat niet het aantal slachtoffers wordt gemeten maar beide monitoren het slachtofferschap van burgers meten in de zin van het aantal ondervonden vermogensdelicten.


De in de begroting aangegeven daling van slachtofferschap van vermogensdelicten is ook uit de Veiligheidsmonitor Rijk 2006 te halen. Deze verhouden zich één op één.


Zie bijlage bij vraag 2.2

3

Kan met operationele doelstellingen en instrumenten worden verduidelijkt hoe er een «nog sterker accent op het voorkomen van criminaliteit» wordt gelegd? Hoeveel geld besteedt het Rijk per doelstelling?


Alle (preventieve) veiligheidsmaatregelen in 2007 dragen bij aan de algemene doelstelling van het veiligheidsprogramma om overlast en criminaliteit met 25 procent te verminderen. Aan deze doelstelling zal ondermeer worden bijgedragen door het Actieplan overlast en verloedering dat nu wordt ontwikkeld, van de afspraken met gemeenten die nu (o.m. in het kader van het Project veilige gemeenten) worden gemaakt en van het plan van aanpak uitgaansgeweld (onderdeel plan van aanpak geweld). In het eerste kwartaal van 2007 zal ik u hierover naar verwachting meer bijzonderheden kunnen geven (ook wat betreft de inzet van de middelen). Zie ook het antwoord op vraag 7.

4

Wanneer wordt de nieuwe Politiewet naar de Kamer gestuurd?


De nieuwe Politiewet is op 21 november naar de Tweede Kamer verstuurd.

5

In welke zin krijgen gemeenten een sterkere rol ingevolge de nieuwe Politiewet?


In de nieuwe Politiewet is opgenomen dat het regionaal politiebestuur verplicht is om ten behoeve van het regionale beleidsplan de gemeenten te vragen welke lokale prioriteiten zij in willen brengen. Deze prioriteiten worden ter bespreking en besluitvorming ingebracht in het regionale politiebestuur. De wijze waarop de lokale prioriteiten zijn meegenomen in het regionale beleidsplan wordt aan de gemeenteraad teruggekoppeld.


Om ervoor te zorgen dat gemeenten de gevraagde input ook daadwerkelijk leveren, bestaat het voornemen om door middel van een aanpassing van de Gemeentewet de gemeenten te verplichten een lokaal veiligheidsbeleid vast te stellen, dit zal als input voor het regionale beleidsplan dienen. Dit is terug te vinden in de Memorie van Toelichting pag 41 laatste alinea en pag 42 eerste alinea.

6

Hebben de «partners in het veld», waaronder IPO en VNG, inmiddels gereageerd op het conceptwetsvoorstel inzake de veiligheidsregio’s? Zo ja, wat was hun reactie?


Alle «partners in het veld», waaronder IPO en VNG, maar ook NVBR, NPI, GHOR-bestuurders, resp. hebben inmiddels hun reactie gegeven op het concept van Wet op de veiligheidsregio’s. Alle reacties waren unaniem positief in het onderschrijven van de noodzaak voor het vormen van veiligheidsregio’s. De reacties divergeren waar het betreft het verder vormgeven van veiligheidsregio’s. De twee hoofdbezwaren die in de reacties de boventoon voeren zijn:

– het kabinet heeft geen integrale visie op de vormgeving van veiligheidsregio’s, de voorstellen inzake de vormgeving van de veiligheidsregio’s passen niet goed op de voorstellen rond herziening van het politiebestel.;

– feitelijk richt het kabinet een vorm van functioneel bestuur in waar verlengd lokaal bestuur het uitgangspunt is. Dit uit zich onder andere in het grote aantal nadere regels dat in de concept wet wordt aangekondigd.


Alle reacties zijn bestudeerd en verwerkt. Het aantal AMvB’s is verminderd dan wel is op tijdelijke leest geschoeid. Het kabinet blijft van mening dat de veiligheidsregio’s wel degelijk via het verlengd lokaal bestuur kan worden vormgegeven aangezien de landelijke richtlijnen tot het minimum zijn beperkt. De noodzaak tot de herziening van het politiebestel is aangetoond door de commissie Leemhuis-Stout op basis van het onderzoek naar de vraag of de huidige politie toekomst bestendig is (gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van veiligheid). De veiligheidsregio is gebaseerd op de vraag hoe rampen zoals Volendam en Enschede voorkomen en bestreden kunnen worden. Hier is regionalisering het gepaste antwoord. Aangezien de politie ook in het nieuwe bestel lokaal en regionaal ingebed blijft kunnen de hulpverleningorganisaties op regionaal niveau heel goed samenwerken. Daarom is de conclusie gerechtvaardigd dat het nieuwe politiebestel in harmonie is met de voorstellen voor de veiligheidsregio. Inmiddels is het wetsvoorstel Veiligheidregio voorgelegd aan de Raad van State.

7

Wat wordt bedoeld met «aandacht geven» als het gaat om «preventie van criminaliteit»?


De gemeente heeft, vanuit haar regierol voor de lokale veiligheid, de verantwoordelijkheid de samenwerking te stimuleren. De gemeenten worden in deze rol ondersteund via het Project Veilige Gemeenten. Ook komt er een wettelijke planverplichting voor gemeenten om een integraal veiligheidsbeleid op te stellen.


Aandacht geven aan preventie van criminaliteit komt tot uiting in het Landelijk Kader 2007 dat is afgesloten met de politie. De volgende afspraken zijn gemaakt over preventie:

• De korpsen maken (op verzoek van de gemeente) wijkscans.

• Alle korpsen gaan werken met het referentiekader gebiedsgebonden politiezorg. Dat wil zeggen dat het werk van de wijkagent (de ogen en oren in de wijk) meer nadruk krijgt binnen de politieorganisatie.

• Daarnaast worden bij alle korpsen experimenten uitgevoerd, die veel preventieve elementen bevatten.

8

Waaruit bestaat de steun aan gemeenten via het Project Veilige Gemeenten?


Eind 2005 is de ondersteuningsbehoefte van gemeenten op het gebied van veiligheid in kaart gebracht. Het project Veiliger Gemeenten richt zich zowel op integraal veiligheidsbeleid in brede zin als op specifieke (thematische) ondersteuning. Hierbij worden op basis van de behoefte van de gemeente de volgende activiteiten ondernomen:

• Voor raadsleden zijn, in verband met hun rol op het veiligheidsterrein, in 2006 bijeenkomsten georganiseerd.

• Organisatieformats en functieprofielen zijn ontwikkeld, het doel van deze modellen is om gemeenten een advies te geven over de verankering van het veiligheidsbeleid in de gemeentelijke organisatie.

• In samenwerking met universiteiten en hogescholen wordt een stagepool opgezet, waardoor vraag en aanbod van gemeenten naar personeel en onderwijs bij het integraal veiligheidsbeleid beter aansluiten.

• Een aantal regionale samenwerkingsverbanden wordt (financieel) ondersteund. Tevens worden er regionaal samenwerkingsverbanden c.q. netwerken opgezet, om te komen tot een landelijk dekkend systeem.

• De methode Kernbeleid Veiligheid is aangepast en «leert» gemeenten om integraal veiligheidsbeleid te ontwikkelen. Ook is een «handreiking regierol gemeenten» opgesteld en is een diagnose-instrument ontwikkeld om resultaten van gemeenten zichtbaar te maken. Van die methode kunnen gemeenten gebruik maken bij het vergelijken met andere gemeenten en het communiceren met raad en burgers.

• Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid zorgt voor de instrumentele en thematische ondersteuning van gemeenten.


Tot slot zijn in een aantal regio’s pilots gestart om te kijken of rijk en gemeenten kunnen komen tot wederzijdse afspraken op het terrein van veiligheid. Alle activiteiten zijn erop gericht om gemeenten beter in staat te stellen het integraal veiligheidsbeleid vorm te geven en uit te voeren.

9

Welke 12 gemeenten zijn uitgenodigd om in het kader van de krachtige buurt plannen te maken, waaruit in ieder geval betrokkenheid en activering van bewoners spreekt?


(zie ook vraag 19)

Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almelo, Arnhem, Dordrecht, Eindhoven, Heerlen, Leeuwarden, Nijmegen, Schiedam.

10

Wanneer zal naar verwachting het advies van de Raad van State inzake de twee bij de Kamer aanhangige wetsvoorstellen (Kamerstukken 30 098 en 30 101) inzake de bestuurlijke boete gereed zijn? Wat is de verwachting voor de inwerkingtreding van beide wetsvoorstellen?


Het raadsadvies over de wetsvoorstellen bestuurlijke boete 30 101 en 30 098 is 11 oktober jl. ontvangen. De regering beraadt zich op dit moment op haar reactie op het advies. De datum van inwerkingtreding van de wetsvoorstellen staat daarmee ook nog niet vast.

11

Worden in de nieuwe prestatieafspraken met de politie expliciet afspraken gemaakt over preventie van criminaliteit en overlast? Zo ja, over welke thema’s worden afspraken gemaakt? Zo nee, waarom niet?


Ja. In het Landelijk Kader Nederlandse Politie 2007 worden ondermeer afspraken gemaakt over het opstellen van criminaliteitsbeeldsanalyses op wijkniveau in het kader van gebiedsgebonden politiezorg, het opstellen van overzichten van jeugdige veelplegers en de implementatie van het werkproces vroegsignalering en doorverwijzing van minderjarigen die met de politie in aanraking komen. Deze afspraken hebben een sterk preventief karakter. Hiernaast is er een afspraak opgenomen over het bestrijden van overlast. Korpsen dragen informatie aan die het mogelijk maakt een lijst op te stellen van notoire overlastplegers en tevens inzichtelijk maakt welke overlastgevende groepen er zijn in de regio. De korpsen delen deze informatie met de ketenpartners en geven aan wat de partners met deze informatie kunnen doen. Uiteraard zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de lijsten en de aanpak van criminele jongeren. Nadere afspraken over het bestrijden van overlast worden per korps in de afzonderlijke convenanten vastgelegd.

12

Welke preventieve maatregelen bij het tegengaan van terrorisme en radicalisering worden bedoeld? Hoeveel geld wordt beschikbaar gesteld?

De preventieve aanpak van radicalisering

Ten aanzien van het voorkomen en tegengaan van radicalisering wordt door het kabinet een brede benadering voorgestaan. Momenteel werken diverse ministeries samen aan een extra inzet op dit gebied. Hierbij valt te denken aan het opzetten van een gebiedsgerichte aanpak, het activeren en ondersteunen van professionals (agenten, leraren, jeugdwerkers, CWI-medewerkers e.d.), het stimuleren van gemeenten om beleid ten aanzien van polarisatie en radicalisering te formuleren, het bundelen en toegankelijk maken van de kennis over het fenomeen radicalisering en de verschillende methoden van aanpak.


Om toegang te krijgen tot de «haarvaten van de samenleving» bouwt de politie (buurtregisseurs, wijkagenten) contacten op met bewoners, maar ook met medewerkers van scholen, moskeeën en jeugdwerkers in een wijk. Op wijkniveau kunnen radicaliseringtendensen, radicale kernen en mogelijke ondersteunende activiteiten ten behoeve van islamistisch terroristische activiteiten op deze manier zo vroegtijdig mogelijk worden onderkend (vroegsignalering).

Uitbreiding Politie

In het kader van de intensivering van de voorkoming en bestrijding van terrorisme en radicalisering zijn in 2005 additionele middelen beschikbaar gekomen. Deze extra middelen lopen in 2007 nog verder op tot het gewenste niveau van uitbreiding is bereikt.


Qua repressie gaat het hierbij om de uitbreiding van de opsporingscapaciteit. In dit kader zijn extra middelen beschikbaar gesteld om voor de aanpak van terrorismezaken de Dienst Nationale Recherche uit te breiden met 20 fte in 2005, oplopend tot 60 fte in 2007.


Qua preventie gaat het om de de uitbreiding van de inlichtingen- en analysefunctie en van de bewaking- en beveiligingsfunctie van de politie.


Op decentraal niveau zijn extra middelen beschikbaar gesteld ten behoeve van de inlichtingen-, verwerkings- en analysefunctie van de politie waarmee in de politiekorpsen zowel de Regionale Inlichtingendiensten als de Regionale Informatieknooppunten met 75 fte zijn versterkt.


Voor het bewaken en beveiligen van objecten zijn in 2005 32 extra fte ter beschikking gesteld. Dit aantal zal in de periode tot 2007 geleidelijk toenemen tot in totaal 100 fte.


Op centraal niveau zijn de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB), de Nationale Recherche, de Unit Contra Terrorisme en Activisme (UCTA) en het Nationaal Informatieknooppunt (NIK) van het KLPD uitgebreid. De DKDB is ten behoeve van de persoonsbeveiliging versterkt met 92 extra fte. Dit aantal loopt op tot 235 fte in 2007.


Het NIK en de UCTA zijn versterkt, oplopend tot 30 fte in 2007.

Bestuurlijke maatregelen ter bestrijding van terrorisme

Ik wijs u in dit verband op het bij uw Kamer ingediende wetsvoorstel bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid waarvan de schriftelijke behandeling inmiddels is afgerond. Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk preventief op te treden, ook indien er nog niet voldoende grond is voor strafvervolging.


Het wetsvoorstel maakt het mogelijk een gebiedsverbod, een persoonsverbod en/of een meldingsplicht op te leggen aan personen die op grond van hun gedragingen in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten en daardoor een gevaar vormen voor de nationale veiligheid. Ook kunnen subsidies en vergunningen van dergelijke personen of instellingen worden geweigerd of ingetrokken.


Daarnaast wordt in opdracht van het Ministerie van BZK onderzoek verricht naar de effectiviteit van het bestaande bestuurlijke en bestuursrechtelijke instrumentarium, waarbij tevens wordt bezien of verbeteringen van en aanvullingen op dit instrumentarium nodig zijn. Het onderzoek richt zich op twee domeinen: antiterrorisme en overlast in het publieke domein.

13

Wat wordt precies bedoeld met het «uitdrukkelijk betrekken van mensen [...] bij een eventuele herziening van het kiesstelsel en andere staatsrechtelijke hervormingen»?


In de memorie van toelichting is aangegeven dat mensen meer vertrouwen hebben in de politiek als het beleid de gewenste effecten heeft en als zij zich betrokken voelen bij het bestuur. Daarom is het belangrijk hen te betrekken bij onderwerpen die de samenstelling en de inrichting van het bestuur betreffen. De Nationale conventie die zich heeft gebogen over de inrichting van het politieke stelsel op nationaal niveau heeft zich daarom desgevraagd nadrukkelijk tot de samenleving gericht onder andere door middel van hun zeer druk bezochte website. Het Burgerforum kiesstelsel bestaat uit 140 willekeurig gekozen burgers die op hun beurt allerlei mensen in het land bij hun werk hebben betrokken.

14

Waarom is er sprake van een «eventuele» herziening van het kiesstelsel? Betekent het woord «eventueel» dat er mogelijk geen herziening van het kiesstelsel zal worden voorgesteld? Zo ja, betekent dit dat voorstellen van het burgerforum kiesstelsel kunnen worden genegeerd?


Het rapport van het Burgerforum kiesstelsel zal naar verwachting op 14 december worden aangeboden aan minBVK. Het ligt niet voor de hand dat dit kabinet daarop nog een reactie zal uitbrengen. Op dit moment is nog niet bekend of het Burgerforum voorstellen zal doen tot wijziging van het kiesstelsel, laat staan hoe een volgend kabinet zal reageren op de voorstellen van het Burgerforum. Het negeren van de voorstellen van het Burgerforum kan vanzelfsprekend niet aan de orde zijn. Maar ook zonder dat daarvan sprake is kan een volgend kabinet tot de conclusie komen dat er geen aanleiding is voor wijziging van het kiesstelsel.

15

Waarom behoeft het draagvlak voor de democratische rechtsstaat versteviging? Heeft het kabinet informatie waaruit blijkt dat het draagvlak voor de democratische rechtsstaat vermindert? Zo ja, wil hij de Kamer dan van deze gegevens in kennis stellen? Zo nee, waarom is het kabinet dan van mening dat dit draagvlak versteviging behoeft?


Het kabinet baseert dit op de bevindingen van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO). Democratie lijkt een vanzelfsprekende verworvenheid, maar is dat niet. Menselijk gedrag is niet automatisch democratisch gedrag en ook democratische structuren en onze democratische levenswijze ontstaan door keuzes die telkens opnieuw moeten worden gemaakt. Burgers worden tot democratische burgers gevormd, niet als zodanig geboren. Een democratisch bestel kan bovendien ook alleen functioneren wanneer het wordt «gedragen» door zijn burgers. De Raad voor de maatschappelijke ontwikkeling (RMO) verkende recentelijk in een vooronderzoek getiteld «Democratie voorbij de instituties» in hoeverre democratie en democratische basiswaarden steun vinden bij burgers. De RMO constateerde dat het beschikbare empirische materiaal geen eenduidig beeld geeft van een afnemende steun voor de democratie. Een ruime meerderheid vindt de democratie de beste staatsvorm, ook al neemt het vertrouwen in de democratie en democratische instituties wel (licht) af. Door de opzet van de meeste onderzoeken blijft echter onduidelijk welke bevolkingscategorieën behoren tot de groep die de democratie minder welgezind zijn en wat hun motivaties en alternatieve denkbeelden zijn. Een tweede constatering van de RMO is dat veel maatschappelijke problemen in Nederland, zoals radicalisering, botsende grondrechten, intolerantie en afnemende gemeenschapszin relevant zijn voor de democratie. Deze problemen raken het veiligheidsvraagstuk en de onderliggende waarborgen voor sociale en politieke stabiliteit en een goed functionerende democratie. In het voetspoor van deze voorstudie heeft de RMO inmiddels nader kwalitatief onderzoek laten uitvoeren. Daarnaast wordt een thans een kwantitatief onderzoek voorbereid naar kennis en houding ten opzichte van democratie, democratische vaardigheden en democratisch gedrag. De Kamer zal over resultaten hiervan worden geïnformeerd.

16

Wacht het kabinet het advies van de commissie onder leiding van oud-premier Kok, die nog bezig is met een onderzoek naar het middenbestuur, af voordat een notitie naar de Kamer wordt gezonden?


Nee, de verkenning over de toekomst middenbestuur «De toekomst van het decentrale bestuur, het decentrale bestuur van de toekomst» is reeds aan alle gesprekspartners gezonden. De beide Kamers hebben deze verkenning in afschrift ontvangen. Als gevolg van de vervroegde verkiezingen heb ik er voor gekozen de verkenning reeds te zenden aan de honderden gesprekspartners die een bijdrage hebben geleverd aan de gedachtevorming rond het thema «toekomst middenbestuur». Deze verkenning is dan ook op te vatten als een tussenstand en als voorlopige afronding van de discussie die ik de afgelopen periode breed heb gevoerd.


Dat betekent voor het – onder meer door de «Holland 8» geagendeerde – onderwerp bestuurlijke toekomst van de Randstad, ik mij in deze verkenning beperk tot het noemen van enkele mogelijke bestuurlijke scenario’s voor de Randstad. De Adviescommissie Versterking Randstad zal naar verwachting in december haar bevindingen presenteren. De Adviescommissie Versterking Randstad zal de bestuurlijke scenario’s uit de verkenning toetsen op de bijdrage die zij zouden kunnen leveren aan een structureel sterkere concurrentiepositie van de Randstad in internationaal verband.

17

Wanneer kan de Kamer een reactie op het rapport «Hart voor de publieke zaak» van de Nationale Conventie tegemoet zien of wordt dit overgelaten aan het nieuwe kabinet?


Tijdens het algemeen overleg over onder meer bestuurlijke vernieuwing op 21 september jl. is al aangegeven dat het niet opportuun is dat het kabinet in de nadagen van zijn missionaire status of na de verkiezingen in demissionaire status in reactie op het advies van de Nationale conventie beschouwingen geeft over de toekomstige inrichting van het staatsbestel (Kamerstukken 2006–2007, 30 184 en 28 101, nr. 10). Dit kabinet zal dan ook geen standpunt uitbrengen over het rapport van de Nationale conventie.

18

Is het mogelijk een discussienotitie waarin voorstellen staan om ingrijpende besluiten te nemen over de rijksoverheid, uiterlijk medio november 2006 aan de Kamer aan te bieden?


Op 27 oktober jl. heeft Uw Kamer de notitie «Het resultaat is de maat» ontvangen. Hierin zijn opties opgenomen voor een beter presterende overheid: andere politieke sturing, flexibeler ambtenarij en meer ruimte voor de uitvoering.

19

Waarom is er voor de plannen in het kader van de sociale cohesieproblemen alleen geld voor de jaren 2006 en 2007 uitgetrokken? Zijn die problemen na 2007 naar verwachting opgelost? Zo nee, hoe wordt dan het beleid op dit terrein dan vormgegeven?


Het budget Sociale Herovering (dat bedoeld is voor het oplossen van de sociale cohesieproblemen) cohesieproblemen, het zgn. budget sociale herovering moet gezien worden als een extra impuls op wijkniveau: maatregelen met een korte doorlooptijd, bedoeld om groepen inwoners die zich aan de wederopbouw van hun wijk onttrekken weer te mobiliseren en de negatieve spiraal in wijken te doorbreken. Afhankelijk van de ervaringen die met deze manier van werken worden opgedaan en de evaluatie van de resultaten kan het nieuwe kabinet besluiten of en op welke wijze verder wordt gegaan met dit beleid.

20

Voor hoeveel jaar ontvangen korpsen die op basis van het nieuwe budgetverdeelsysteem een kleiner aandeel van het totale budget krijgen een compensatie? Is die compensatie gelijk aan of kleiner dan het verschil tussen het oorspronkelijke en het nieuwe aandeel?


Om te bepalen of een korps volgens het nieuwe Budgetverdeelsysteem Nederlandse politie (BVS) een hoger of lager budget ontvangt dan volgens het oude BVS is in de junicirculaire 2006 het ijkpunt vastgesteld. Er is bepaald wat een korps per 1 januari 2007 volgens het oude BVS en volgens het nieuwe BVS zou ontvangen. Korpsen die volgens het nieuwe BVS minder ontvangen krijgen compensatie ter grootte van het verschil tussen het oude en het nieuwe BVS. Voorts zal voor die korpsen vanaf 1 januari 2008 de compensatie worden verhoogd met het bedrag van de stijging van de budgetimpuls. Aan de compensatie is geen vaste termijn verbonden. Het BVS-budget van de korpsen wijzigt als gevolg van de jaarlijkse actualisatie van de omgevingskenmerken. Indien het betreffende korps daardoor een hoger budget krijgt, wordt de compensatie met dat bedrag verlaagd. Op die wijze groeit het korps in de verhoudingen van het nieuwe BVS. Veranderingen in het totaal voor de politie beschikbare budget kunnen gevolgen hebben voor de hoogte van de compensatie. De manier waarop dat gebeurt zal, nadat het Korpsbeheerdersberaad is gehoord, worden uitgewerkt in een ministeriële regeling.

21

Betekent het feit dat korpsen die op basis van het nieuwe budgetverdeelsysteem van de politie een kleiner aandeel krijgen en hiervoor een compensatie krijgen dat het nieuwe budgetverdeelsysteem alleen korpsen kent die gelijk blijven in budget of er op vooruit gaan? Zo nee, hoe werkt de genoemde compensatie dan?


Zie antwoord op vraag 20.

22

Waardoor ontstaat precies deze forse voorfinanciering? Hoe waren de regelingen anders gefinancierd? Is er sprake van verbeterde arbeidsvoorwaarden waardoor eerder geld nodig is? Hoe wordt de financiering van de aflossing geregeld? Welke rentecondities zijn overeengekomen?


Het Vut-fonds ging, vóór de inwerkingtreding van het akkoord over VUT/prepensioen/levensloop (VPL) bij de overheid, voor de berekening van de premie uit van een kostendekkend niveau. De kostendekkende premie was gebaseerd op de feitelijke FPU-uitkeringslasten (inclusief de uitvoeringskosten) die in datzelfde jaar werden omgeslagen over de premiebetalenden (de overheidswerknemers en -werkgevers).


In het hiervoor genoemde akkoord is een stabiel premiepad afgesproken voor de termijn van de overgangsregeling. Vanwege de dubbele lasten van enerzijds de omslaggefinancierde regeling voor 56-plussers en anderzijds de structurele kosten van de kapitaalgedekte nieuwe regeling ontstaat in de periode 2007–2012 een tekort ten opzichte van een stabiel premiepad. Voor het afdekken van dit «premietekort» heeft het Vut-fonds, dat verantwoordelijk is voor de hiervoor genoemde omslaggefinancierde regeling, een financieringsbehoefte van € 2 miljard. Hierin wordt voorzien door een lening van de Staat aan het Vut-fonds, die in de periode 2007–2009 in drie tranches wordt verstrekt. Zonder deze lening was de premie de eerste jaren van de overgangsregeling hoger geweest ten opzichte van het stabiele premiepad en in de laatste jaren lager. De lening is daarmee een cruciaal onderdeel van het VPL-akkoord.


Het grootste deel van de omslagpremies in de periode waarop de tranches van de lening betrekking heeft, bestaat uit financiering van de lopende gevallen. Daarnaast houdt het overgangsregime voor de 56-plussers (voor de nieuwe gevallen) een versobering in van het aansprakenniveau. De uittreedleeftijd is – afhankelijk van de leeftijd op de ingangsdatum van de FPU (1 april 1997) – met twee of drie maanden opgeschoven. Daarnaast leveren de nog actieve 56-plussers een extra bijdrage aan de financiering van de VPL-deal. Zij betalen een hogere Ouderdomspensioen/Nabestaandenpensioen-premie (OP/NP-premie) dan correspondeert met hun rechten en ze hebben geen recht op een werkgeversbijdrage in levensloop. Er is dus geen sprake van verbeterde arbeidsvoorwaarden waardoor eerder geld nodig zou zijn.


In de tussen de Staat en het Vut-fonds overeengekomen leenovereenkomst3 is bepaald dat de tranches voor de lening in drie termijnen in de periode 2014–2016 zullen worden afgelost. Wanneer zou blijken dat er bij het Vut-fonds sprake zou zijn van structurele meevallers ten opzichte van een basisscenario waarmee is gerekend bij het opstellen van de leenovereenkomst, dan is het Vut-fonds verplicht tot vervroegde aflossing over te gaan.


Omdat met het Vut-fonds is overeengekomen dat uiterlijk per 30 november 2008 de Garantieportefeuille van het Vut-fonds moet zijn verkocht, zullen in de periode van de aflossing de premie-opbrengsten voor het Vut-fonds de voornaamste financieringsbron zijn voor de aflossing van de lening (inclusief de rentebetalingen).


Het VUT-fonds is rente verschuldigd over de lening. Per tranche is vooraf de rente vastgesteld, gebaseerd op het effectief rendement van staatsobligaties met een corresponderende looptijd. Het VUT-fonds betaalt de rente jaarlijks achteraf aan de Staat.

23

Waarom wordt bij deze post alleen de extra financiële compensatie in beeld gebracht? Welke zijn de financiële meevallers naar aanleiding van het vervallen van de tegemoetkoming gepensioneerde ambtenaren nu en op termijn?


Bij deze post wordt alleen het bedrag voor de extra compensatie voor 65-plus ambtenaren weergegeven, als uitvoering van de afspraken die daarover met de Kamer zijn gemaakt. Het gereserveerde bedrag biedt de mogelijkheid om de afbouw van de tegemoetkoming ambtenaren een meer geleidelijk karakter te geven, bovenop de afspraken die daarover al in de diverse overheids-cao’s waren gemaakt. Het gereserveerde bedrag staat als zodanig los van de arbeidsvoorwaardenruimte 2006 waarin (onder andere) de diverse effecten van de invoering van het nieuwe zorgstelsel zijn verwerkt. Als gevolg van de wijze van vaststelling van de arbeidsvoorwaardenruimte 2006 beschikken sectoren niet over financiële meevallers op het ziektekostenterrein voor 65-plussers in 2006 en latere jaren.

24

Betekent de zin «De oog- en oorfunctie van de politie in de wijk wordt verstevigd» dat er meer buurtagenten komen? Zo ja, hoeveel en wanneer? Zo nee, wat wordt dan wel bedoeld?


Korpsen zullen binnen hun huidige budget de oog- en oorfunctie van de politie verstevigen. In het Landelijk Akkoord voor 2007 is opgenomen dat ieder korps werkt volgens de principes van gebiedsgebonden politiewerk, waarbij korpsen in ieder geval voor de wijken waarvoor dat nodig is input leveren voor de gemeentelijke wijkscan in het kader van integraal veiligheidsbeleid. Er wordt geen extra budget aan de korpsen toegekend voor wijkagenten. Voor de uitbreiding van het aantal wijkagenten kunnen korpsen binnen het huidige budget hun eigen keuze maken.

25

Hoe lang gaat de «werkelijke opbouw van de nieuwe politieorganisatie» naar verwachting duren in het geval de nieuwe Politiewet in 2007 van kracht zal zijn?


Na verzending van het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer en de afronding van de formatie zal een start worden gemaakt met de voorbereiding van een optimaal beheerde politie organisatie. Dit echter zonder een onomkeerbare situatie te creëren. Zodra er besluitvorming over het wetsvoorstel heeft plaats gevonden zullen er kwartiermakers worden benoemd. De kwartiermakers zullen worden gevraagd alle voorbereidende handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om de opbouw en het functioneren van de directieraad, na inwerkingtreding van de wet, mogelijk te maken.


Het landelijk uniformeren en waar nodig centraliseren van beheerstaken zal enkele jaren duren. Daarbij wordt voortgebouwd op de ervaring die nu wordt opgedaan met de Voorziening Tot Samenwerking. Dit moet voortvarend worden opgepakt en mag de uitvoering van de operationele politietaken niet verstoren.

26

Wat zijn de te verwachten kosten van de «opbouw van de nieuwe politieorganisatie»? Moet voor deze opbouw het budget voor de politie (tijdelijk) worden verhoogd? Zo ja, voor hoeveel jaar?


Bij de totstandkoming van de wet zijn ook de mogelijke kosten en baten van het wetsvoorstel onderzocht. Dit onderzoek is tegelijk met het aanbieden van het wetsvoorstel aan uw Kamer aangeboden.

27

Hoe verhoudt het opleidingsniveau van het politiepersoneel zich tot de toegenomen complexiteit van het werk?


Het werk van de politie is onmiskenbaar complexer geworden. Voor de bestrijding van bedreigingen als computercriminaliteit, identiteitsfraude en financiële fraude zijn hooggekwalificeerde politiemensen nodig. Ook van de agent op straat wordt steeds meer kundigheid verwacht in zijn contacten met de diverse bevolkingsgroepen, in het samenspel met ketenpartners en het werken met steeds hoogwaardiger technologische middelen (o.a. slimme camera’s en informatieanalyse). Dit vraagt om een medewerker van een ander niveau dan op mbo-niveau, zowel voor instroom als doorstroom naar bepaalde functies in de basispolitiezorg, leidinggevende- en specialistische functies.

28

Waarom wordt er op de meeste terreinen gestreefd naar een lagere prestatie dan de basiswaarde?


Zie ook het antwoord op vraag 30.

29

Waarom liggen de streefwaarden voor dienstverlening door de politie (prestatie-indicator 1) lager dan de basiswaarde in 2005? Betekent dit dat het beantwoorden van telefoontjes aan de politie naar verwachting in 2006 en 2007 langzamer zal gaan dan in 2005? Zo nee, wat wordt dan wel bedoeld?


De prestatie-indicatoren telefonische bereikbaarheid, als onderdeel van de dienstverlening, zijn niet lager dan de oude afspraken. De afspraken die tot en met 2006 gelden voor het Landelijk Telefoonnummer Politie zijn gecontinueerd in 2007 en de prestatie-indicator voor de oproepen via de mobiele telefoon (112) is voor het jaar 2007 zelfs verhoogd van 80% binnen 15 seconden naar 90% binnen 10 seconden.

30

Wat is de achtergrond van het feit dat de streefwaarde voor 2007 ten aanzien van de tevredenheid over het optreden van de politie bij het laatste politiecontact duidelijk lager is dan de basiswaarde én de streefwaarde voor 2006?


In het Landelijk Kader Nederlandse Politie 2007 is voor het vaststellen van de basiswaarde tevredenheid (maar ook voor beschikbaarheid) gebruik gemaakt van de Veiligheidsmonitor Rijk 2006. Deze Veiligheidsmonitor vervangt ondermeer de Politiemonitor Bevolking die ten grondslag ligt aan de prestatie-afspraken 2003–2006. De Veiligheidsmonitor 2006 kan qua uitkomsten niet worden vergeleken met de Politiemonitor Bevolking, ondermeer omdat de enquêtemethode verschilt. Er is gekozen voor nieuwe basiswaarden voor de afspraken voor het jaar 2007, gebaseerd op de VMR 2006.

31

Hoe verhouden de programma-uitgaven 2007 zich tot de uitgaven in 2010 ervan uitgaande dat er in 2010 4000 extra politiemensen in dienst zijn?


In de begroting 2007 zijn de budgettaire effecten van de extra politiesterkte in 2010 verwerkt.

32

Welke asielgerelateerde taken van de politie veroorzaken de verhoging met ruim 3 miljoen euro op het onderdeel Asiel van politie? Hoe verhouden deze taken zich tot de nieuwe prestatieafspraken voor de politie? Wat moet de politie extra gaan doen voor dit geld? Welke onderdelen van de politie worden hiervoor aangewezen?


Binnen de politiekorpsen houdt hoofdzakelijk de vreemdelingenpolitie zich bezig met de asielgerelateerde taken. Het gaat om de werkvelden Toelating, Handhaving en Vertrek en Bewaring.


De politie voert haar asielgerelateerde taken uit op basis van prognose- en realisatiegegevens van de minister voor Vreemdelingenzaken & Integratie. Deze gegevens worden (vreemdelingen-)keten breed gehanteerd en op basis van een vastgestelde werklastnormering leiden deze tot bekostiging van de politiekorpsen. De verhoging met ruim € 3 miljoen is dus gebaseerd op het afgesproken beleid van V&I en de inzet die van de politie wordt gevraagd om dit beleid uit te voeren.


Binnen de verschillende werkvelden vinden werkzaamheden plaats die betrekking hebben op het vaststellen van identiteit, waarover in het Landelijk Kader Nederlandse Politie 2007 een prestatieafspraak is gemaakt. Deze prestatieafspraak over de intensivering van het vreemdelingentoezicht is geoperationaliseerd in streefwaarden voor eerste- en tweedelijns onderzoeken ter vaststelling van de identiteit. Het behalen van de prestatie-indicatoren uit het Landelijk Kader Nederlandse Politie 2007 kan leiden tot een prestatiebekostiging die los staat van de gelden die naar de politie gaan voor de asielgerelateerde politietaak.


Eerstelijns onderzoeken ter vaststelling van de identiteit worden uitgevoerd door zowel de basispolitiezorg als de vreemdelingenpolitie. Tweedelijns onderzoeken ter vaststelling van de identiteit worden uitsluitend uitgevoerd door de Vreemdelingenpolitie. Deze werkzaamheden vallen onder de normale politietaken en hiervoor zijn geen extra middelen beschikbaar gesteld.

33

Wanneer wordt de volgende sterktebrief in verband met de politieomvang naar de Kamer gestuurd?


Voorafgaand aan de behandeling van mijn begroting op 5 december 2006 zal een aanvullende sterktebrief aan uw Kamer verzonden worden.

34

Elk politieonderdeel is primair verantwoordelijk voor de controle en opsporing in de Rotterdamse haven? Hoe verhouden zich de taken van KLPD en regiokorps Rotterdam/Rijnmond tot elkaar? Welke hiaten zijn aanleiding voor de capaciteitsuitbreiding van de zogenaamde zeehavenpolitie? Hoe verhoudt het takenpakket grensbewaking zich tot andere diensten die actief zijn op het terrein grensbewaking? Worden door de uitbreiding bij de politie andere diensten ontlast?


De Dienst Zeehavenpolitie van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond is verantwoordelijk voor de controle en opsporing in de Rotterdamse haven.

De dienst Waterpolitie van het KLPD is (onder meer) verantwoordelijk voor de controle van de (beroeps-) vaart op de hoofdvaarwegen, de kust en binnenwateren, met uitzondering van de Rotterdamse haven, waar deze taak wordt uitgevoerd door de Dienst Zeehavenpolitie.

De Dienst Zeehavenpolitie is daarnaast verantwoordelijk voor de handhaving van de vreemdelingenwet in de Rotterdamse haven. Daaronder zijn begrepen de uitvoering van het grenstoezicht (grensbewaking en grenscontroles) en het havengerelateerd vreemdelingentoezicht. De helft van het totale aantal controles op persoonsbewegingen via de Nederlandse maritieme buitengrens wordt uitgevoerd door de Dienst Zeehavenpolitie. Buiten de regio Rotterdam wordt grenstoezicht uitgevoerd door de Koninklijke Marechaussee en de Kustwacht. De Douane heeft taken op het gebied van grensoverschrijdend goederenvervoer. Op het gebied van informatiedeling, operationele activiteiten en opleidingen werkt de Dienst Zeehavenpolitie samen met de Koninklijke Marechaussee en de Douane.


In verband met diverse beleidsintensiveringen, mede in het kader van terrorismebestrijding, is besloten aan de Dienst Zeehavenpolitie ten behoeve van een capaciteitsuitbreiding extra financiële middelen toe te kennen. De capaciteitsuitbreiding dient de scheefgroei tussen (toegenomen) taken en (gelijk gebleven) personeelinzet bij de Dienst Zeehavenpolitie op te lossen. De uitbreiding heeft dus geen invloed op andere diensten, met dien verstande dat het voorkomt dat voor die (toegenomen) taken andere diensten bijspringen.

35

Wanneer wordt het plan van aanpak geweld tegen de overheidsdienaren opgezet? Komt er voor de politie een afzonderlijk plan van aanpak?


De minister van Justitie en ik hebben bij de brief van 26 oktober 2006 het actieprogramma «aanpak agressie en geweld tegen werknemers met publieke taken» en de antwoorden op de openstaande vragen over dit onderwerp aangeboden aan de Tweede Kamer.


Alle sectoren hebben een rol in het gezamenlijk uitvoeren van dit programma en om de uitvoering aan te passen naar de sector specifieke situatie. De politie heeft hiervoor een stuurgroep ingesteld en is bezig met het opstellen van een eigen plan van aanpak binnen de kaders van het actieprogramma.

36

Welke korte en lange termijn effecten heeft de forse uitbreiding van centrale onderdelen op de wijkgerichte taakinvulling van de regiokorpsen?


Uitbreiding van centrale onderdelen gaat niet ten koste van – en heeft derhalve geen gevolgen voor – de wijkgerichte taakinvulling van de regiokorpsen.

37

Heeft de voorgestelde wijziging van de Wet veiligheidsonderzoeken, die nu in behandeling is in de Kamer gevolgen voor de capaciteit van de AIVD?


De WVO-wijziging lijkt met name gevolgen te hebben voor het werkproces. De functie- en werkinhoud van werknemers lijkt nauwelijks te veranderen. Een verandering in het benodigde aantal fte’s, met name als gevolg van de dynamisering van het proces, is nu niet aan te geven. Wel zijn ICT-anpassingen noodzakelijk. Over financiële gevolgen is in dit stadium nog geen uitspraak te doen.

38

Op welke wetgeving op het terrein van crisisbeheersing wordt gedoeld?


Het gaat hierbij om de huidige Wet rampenbestrijding en zware ongevallen (Wrzo), waarvan het voornemen is dat deze zal opgaan in de Wet op de veiligheidsregio’s.

39

Waarom is de opkomsttijd van de brandweer van 2003 naar 2004 verslechterd?


De in de Handleiding brandweerzorg vermelde norm van maximaal 8 minuten is in 2004 (34%) iets verslechterd ten opzichte van het jaar ervoor (35%). De afgelopen jaren is gebleken dat de verslechtering van de opkomsttijd voor een deel bij de verslechtering van de uitruktijd ligt en voor deel bij de verslechtering van de aanrijdtijd. Onder opkomsttijd wordt verstaan de som van de verwerkingstijd in de alarmcentrale, de uitruktijd (tijd die nodig is tussen ontvangst van de doormelding van de alarmcentrale en het vertrek uit de kazerne of post) en de aanrijdtijd (zuivere rijtijd nodig voor het bereiken van de plaats van de brand of het incident).


De verslechtering van de uitruktijd is te wijten aan de afgenomen beschikbaarheid van de vrijwilligers. Dat is het geval bij vrijwillige korpsen waar overdag de beschikbaarheid in de knel komt als gevolg van de grote afstand tussen het werkadres en de kazerne of post. Deze situatie wordt tevens beïnvloed door het gegeven dat sommige werkgevers in het hoofdberoep van de vrijwilliger niet toestaan dat zij overdag uitrukken. Oorzaken hiervan zijn onder meer de relatief vele keren dat dient te worden uitgerukt naar een loos alarm, alsmede de inzet voor activiteiten die niet tot de strikt wettelijke taken van de brandweer behoren als bijvoorbeeld het reinigen van het wegdek na een ongeval, het afhijsen van brancards uit gebouwen en het ontmantelen van XTC-laboratoria. Naar de taakafbakening van de brandweer vindt momenteel onderzoek plaats.


De verslechtering van de aanrijdtijd vinden haar oorzaak onder meer in de toename van de verkeersdrukte en de toename van snelheidsbeperkende maatregelen als rotondes, verkeersdrempels, eenrichtingsstraten en afgesloten winkelbuurten.


Van belang is dat er steeds meer energie wordt gestoken in maatregelen aan de voorzijde van de hulpverleningsketen. De brandveiligheid in woningen wordt onder meer verbeterd door nadruk te leggen op brandveiliger bouwen (Bouwbesluit 2003) en veiliger gedrag van personen (actieprogramma’s brandveiligheid via onder meer de Nationale Brandpreventieweek, de Stichting Consument en Veiligheid, KidsTV/KidsKrant, etc.).


De invoering van het Bouwbesluit 2003 heeft er onder meer toe geleid dat in de Leidraad repressieve basisbrandweerzorg, die door mij wordt opgesteld ter vervanging van de huidige Handleiding brandweerzorg uit 1992 voor eengezinswoningen, vrijstaande woningen en woongebouwen laag- en hoogbouw waarin zelfredzame personen verblijven en die gebouwd zijn na het van kracht worden van dit Bouwbesluit, de opkomsttijd is verruimd van 8 naar 10 minuten. Over deze nieuwe Leidraad, die in nauwe samenwerking met de branchevereniging Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), tot stand is gekomen, voer ik momenteel in het Strategisch Beraad Veiligheid afsluitende gesprekken met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overlegorgaan (IPO).


De resultaten van het onderzoek naar de afbakening van de brandweertaken en de consequenties ervan (bijvoorbeeld voor de inzet van vrijwilligers overdag bij niet-kern taken van de brandweer) zal ik bespreken met de VNG. Ik wil, gelet op de toename van de opkomsttijden, met deze organisaties evenzeer de grotere betrokkenheid van de hulpverleningsdiensten bij door gemeenten te nemen verkeersbelemmerende maatregelen bespreken.

40

Wat is de oorzaak van de sterke dalingen van het aantal brandmeldingen in 2003 in vergelijking met 2004?


De daling van het aantal brandmeldingen wordt veroorzaakt door incidentele, externe factoren. In 2003 was er sprake van uitzonderlijke klimatologische omstandigheden (lange droogte en warmte). 2004 was klimatologisch veel meer een normaal jaar. Daardoor zijn er ca 10 duizend minder buitenbranden geweest. Buitenbranden zijn branden in de open lucht waarbij geen gebouwen of opstallen zijn betrokken. Te denken valt hierbij aan brand in papiercontainer, vuilcontainer, afvalbak, los afval, berm, bos, heide, sloopauto e.d.

De gegevens over 2005 (43 200 brandmeldingen) bevestigen het beeld uit 2004.

41

Wat wordt bedoeld met de zin «Nieuwe ontwikkelingen dienen te leiden tot het opnieuw overwegen van de grondwettelijke regeling van het bestel»? Aan welke nieuwe ontwikkelingen wordt gedacht?


De overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan de laatste algemene grondwettelijke regeling van het staatsbestel dateren uit de jaren zeventig waarin de algehele grondwetsherziening van 1983 is voorbereid. Sindsdien hebben zich talrijke ingrijpende ontwikkelingen voorgedaan in de samenleving, op het gebied van techniek, politiek en internationale verhoudingen. Deze hebben hun weerslag op onder andere de staatsinrichting, grondrechten en politiek participatie. Het rapport van de Nationale Conventie, de staatkundige vernieuwingen in de Antillen en de voorbereiding van een voorstel tot wijziging van enkele grondrechten in verband met de digitaal geworden samenleving zijn enkele voorbeelden die getuigen van deze weerslag.

42

Wanneer zal het wetsvoorstel inzake de digitale grondrechten bij de Kamer worden ingediend?


BZK werkt aan de voorbereiding van wijzigingsvoorstellen. In dat kader vindt in diverse verbanden overleg plaats en wordt een internationaalvergelijkend wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. BZK streeft ernaar in de loop van 2007 met concrete voorstellen voor consultatie naar buiten te treden. Indiening van wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer zal zo spoedig mogelijk daarna plaatsvinden.

43

Wat is precies de stand van zaken op dit moment van het wetsvoorstel Financiering Politieke Partijen en welke hobbels moeten nog genomen worden voordat het wetsvoorstel kan worden ingediend? Wat is de reden dat er wordt gesteld dat het wetsvoorstel Financiering politieke partijen «zo mogelijk» bij de Tweede Kamer wordt ingediend?


De Raad van State heeft op 15 september jl. zijn advies over het wetsvoorstel financiering politieke partijen uitgebracht. Op dit moment wordt bezien of en zo ja, in welke zin, het wetsvoorstel aanpassing behoeft naar aanleiding van het advies van de Raad. Aan de formulering «zo mogelijk» dient geen bijzondere betekenis te worden gehecht. Zoals de lijn is onder het huidige kabinet ten aanzien van elk wetsvoorstel waarover de Raad heeft geadviseerd, zal ook dit wetsvoorstel eerst ter sprake komen in de ministerraad, waarin wordt besloten of het voorstel bij de Tweede Kamer wordt ingediend door het huidige kabinet.

44

Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen het Instituut voor Publiek en Politiek en het Forum voor Democratische Ontwikkeling? Wat is de meerwaarde van deze beide organisaties en wat is de financiële bijdrage van de rijksoverheid aan deze organisaties?


Het Forum voor Democratische Ontwikkeling (FDO) richt zich op het bevorderen van het debat over de Nederlandse democratie en rechtsstaat. Het FDO is een zeer kleinschalig instituut dat werkt met onbezoldigde prominenten die optreden als ambassadeur voor de democratie. Het FDO heeft een toezegging gekregen voor een subsidie van maximaal € 190 000 voor het jaar 2006, met perspectief op een toezegging voor 2007. Daarnaast is een afzonderlijke projectsubsidie toegekend voor maximaal € 33 000 voor het houden van 6 publieksdebatten over de vraagstukken die wij hebben verbonden aan het rapport de Staat van Onze Democratie 2006. Het brede netwerk van het FDO en de kennis die bestuur en ambassadeurs bieden, zijn van grote waarde, maar de doelmatigheid van het FDO als zodanig is, mede door de kleinschaligheid van het instituut, nauwelijks meetbaar. Anderzijds blijkt de waarde van het FDO en het bijbehorende netwerk uit de mogelijkheid die het heeft om een bijdrage te leveren aan het debat over de democratie.


Het Instituut voor Publiek en Politiek (IPP) is een geheel andere organisatie. Het IPP richt zich op het bevorderen van politieke en maatschappelijke participatie. Aan het IPP is voor de in het jaar 2006 geprogrammeerde activiteiten op grond van de Subsidieregeling IPP een subsidie van ten hoogste € 1 150 000,= toegezegd (gecorrigeerd met de hierop van toepassing zijnde prijs- en looncompensatie). De meerwaarde van het IPP is primair gelegen in het (politiek neutraal) bevorderen van participatie en draagt aldus bij aan het functioneren van onze democratie. Naast bovenbedoelde subsidie per boekjaar is aan het IPP in 2006 een projectsubsidie toegezegd van € 81 000 voor het project «De Haagse Tribune». Dit project beoogt – mede als onderdeel van de bevordering van actief burgerschap – bij te dragen aan kennis en draagvlak voor de democratie bij scholieren. In de loop van 2007 wordt bezien of en zo ja op welke wijze dit project wordt voortgezet.

45

Wat is de regering voornemens te doen als het gaat om het «opschonen van het overgangsrecht»? Om welke wetgeving gaat het?


BZK is voornemens om al haar wetgeving te bezien op uitgewerkt overgangsrecht. In 2006 is door de wetgevers van BZK een leidraad overgangsrecht tot stand gebracht die de «best practices» ten aanzien van overgangsrecht beoogt te bundelen. Eén van deze practices is het bij het totstandbrengen van nieuwe wetgeving bekijken of er uitgewerkt overgangsrecht is op dit terrein dat kan worden ingetrokken. Het vergt doorgaans enige inspanning om te verifiëren of overgangsrecht nog zijn werking heeft, omdat de concrete praktijktoepassing van de regeling moet worden bekeken. Het gaat dan om vragen als: zijn er nog geschillen aanhangig, zijn er nog burgers die deze pensioenen ontvangen? Naast deze inspanning die zeer geleidelijk resultaat zal opleveren wordt er vanuit het project minder regeldrukte een wetsvoorstel in procedure gebracht dat uitgewerkte wetten en bepalingen intrekt, waaronder evident uitgewerkt overgangsrecht.

46

Waarom wordt de subsidie van ruim 2.3 miljoen euro voor de zorg en onderhoud van erevelden en oorlogsgraven aan de Oorlogsgravenstichting ten laste gebracht van de begroting van BZK? Wanneer en op welke wijze is definitieve besluitvorming voorzien?


De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is de meest aangewezen bewindspersoon als het gaat om de jaarlijkse subsidiëring van de Oorlogsgravenstichting. De Oorlogsgravenstichting draagt immers niet alleen de verantwoordelijkheid voor de verzorging van de graven van militairen, maar ook van burgerslachtoffers. Om die reden, en vanwege de relatie met onze democratische rechtsstaat, is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet slechts subsidieverlener, maar eveneens statutair toezichthouder van de Oorlogsgravenstichting. De raakvlakken met verantwoordelijkheden van andere ministeries komt tot uitdrukking in de samenstelling van de Raad van Bestuur van de Oorlogsgravenstichting. Zo hebben de ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie en Verkeer en Waterstaat een vertegenwoordiger in de Raad van Bestuur. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties had in het verleden ook een vertegenwoordiger in het bestuur van de OGS. Om de verscheidene verantwoordelijkheden van de minister van BZK beter te kunnen onderscheiden heeft de minister van BZK formeel geen vertegenwoordiger meer in het bestuur. De betrokkenheid van de minister van BZK wordt tot uitdrukking gebracht door een op voordracht van de minister van BZK benoemd lid van de Raad van Bestuur.


De vraag wanneer en op welke wijze definitieve besluitvorming is voorzien interpreteer ik als zijnde op welk moment een definitief besluit valt over de subsidie aan de Oorlogsgravenstichting met betrekking tot het jaar 2007. In antwoord daarop meld ik dat de Oorlogsgravenstichting jaarlijks op basis van de regeling subsidiëring Oorlogsgravenstichting (Stcrt. 1997, 128), de begroting van BZK en een subsidieaanvraag van de Oorlogsgravenstichting een bedrag aan subsidie ontvangt en een compensatie voor loon- en prijsstijgingen. In de loop van 2008 wordt de definitieve subsidie vastgesteld op basis van het financieel verslag door de OGS over het jaar 2007.

47

Wat is het maximum bedrag voor financiële compensatie aan gemeenten voor het houden van een burgemeestersreferendum?


Artikel 2, tweede lid, van het Tijdelijk besluit bijdrage burgemeestersreferendum bepaalt hoe het bedrag van de uitkering aan een gemeente wordt berekend wanneer een gemeente een referendum heeft gehouden en voor het overige voldoet aan de gestelde eisen. Uitgangspunt is het aantal kiesgerechtigden voor het referendum. Per kiesgerechtigde ontvangt de gemeente een in de ministeriële regeling vastgesteld normbedrag van € 2,80. Daarbij is een minimum bepaald om ook kleinere gemeenten in staat te stellen om bepaalde vaste kosten zoals bijvoorbeeld voorlichtingskosten en campagnekosten, te kunnen dragen. Die ondergrens wordt bepaald door een vast bedrag van € 20 000 plus het aantal kiesgerechtigden maal € 1,95. De meest gunstige formule wordt toegepast. Aldus is er geen plafond aan het bedrag dat gemeenten kunnen ontvangen.

48

Blijven de middelen die worden bespaard door vermindering van het aantal raadsleden ter beschikking staan aan gemeenten via de algemene uitkering uit het gemeentefonds?


De middelen die worden bespaard door vermindering van het aantal raadsleden dienen als dekking voor het voorstel van Wet invoering beloningsstructuur politieke ambtsdragers (Dijkstal II; kamerstukken II, 30 693)

49

Wat zijn inmiddels de ervaringen bij gemeenten met rekenkamers en rekenkamercommissies met een rekenkamerfunctie?


Van de ervaringen bij gemeenten met rekenkamers en rekenkamercommissies met een rekenkamerfunctie bestaat nog geen volledig beeld. Het is de bedoeling dat in 2007 een evaluatie van de rekenkamerfunctie plaatsvindt om een representatief beeld van de gemeentelijke en provinciale ervaringen te verkrijgen. Wel hebben zich incidenten voorgedaan met betrekking tot enkele gemeenten waarbij de gemeenteraad teveel op de stoel van de rekenkamer(commissie) plaats nam. In die gevallen bepaalde de gemeenteraad in de verordening dat niet de rekenkamer(commissie) het onderzoeksprogramma vaststelt, maar de raad dat onderzoeksprogramma vaststelt. Dergelijke besluiten zijn door de Kroon geschorst of vernietigd (Lelystad, Oirschot). Datzelfde lot trof ook de onderdelen van de verordeningen van de gemeenteraden van Oirschot en Gorinchem waarin was bepaald dat de onderzoeksprogramma’s slechts worden uitgevoerd na goedkeuring door de raad.

50

Mag een rekenkamercommissie uit alleen externe personen bestaan, dat wil zeggen dat er in zo’n commissie geen enkel raadslid en geen enkel lid van een commissie van de gemeente zitting heeft?


Ja, de wet biedt de ruimte aan gemeenten om in een rekenkamercommissie alleen externen te benoemen. Overigens wijs ik erop dat het voor de gemeentelijke rekenkamer op grond van artikel 81f, eerste lid en onder k, niet is toegestaan dat een lid van de rekenkamer tevens lid is van de raad. Voor leden van een rekenkamercommissie geldt dat verbod niet. De constructie van een rekenkamercommissie maakt het mogelijk om raadsleden in een rekenkamercommissie te benoemen. Het ligt dan minder voor de hand – indien een gemeenteraad ervoor gekozen heeft een rekenkamercommissie in te stellen – om daarin volstrekt geen raadsleden te benoemen.

51

Heeft het kabinet er zicht op of er rekenkamercommissies met een rekenkamerfunctie zijn, die zich gedragen als waren zij een «echte» rekenkamer, gebruikmakend van alle daarbij behorende bevoegdheden, terwijl een rekenkamercommissie wettelijk gezien minder bevoegdheden heeft dan een rekenkamer? Wat zal het kabinet doen als rekenkamercommissies zich niet houden aan de wettelijke bepalingen met betrekking tot hun bevoegdheden?


Dit aspect kan desgewenst worden betrokken bij de voorgenomen evaluatie van de gemeentelijke en provinciale rekenkamerfunctie.

52

Waarom is de vraag aan de orde of de huidige normeringssystematiek (koppeling van fondsen aan de rijksbegroting) wordt gecontinueerd?


In bestuurlijk overleg met de VNG en het IPO en in het verleden ook in de Tweede Kamer is afgesproken dat de normeringssystematiek elke vier jaar wordt geëvalueerd. De kernvraag van de evaluatie is of de normeringssystematiek nog steeds een adequate invulling is van het uitgangspunt dat de fondsen zich evenredig ontwikkelen met de uitgaven van de rijksoverheid. De evaluatie is recent naar de Kamer gezonden (brief minister van Financiën, 16 oktober 2006, BZ 2006–705M).

53

Wat is de reactie van het kabinet op de onlangs verschenen studies van het Ruimtelijk Planbureau (RPB) en het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) inzake het Grotestedenbeleid, waarin kritische geluiden over de effectiviteit van dat beleid worden geuit?


De verschenen studies van respectievelijk het RPB en het SCP zijn gemaakt op verzoek van BZK. Het doel van de studies was om een beschouwing te geven van de toekomst van stedelijk beleid (en een mogelijke verkenning van gebiedsgericht beleid richting de steden). Het onderzoeksgebied is door de planbureaus afgebakend tot de G4. De studies betreffen dus ook geen evaluatie van het GSB. Dit geven de planbureaus ook zelf uitdrukkelijk aan in hun studie.


Per studie wordt hieronder een reactie gegeven op passages die verwijzen naar de effectiviteit van het GSB.


1. Toekomstverkenning grotestedenbeleid: een beschouwing door het RPB


Paragraaf 2.5 geeft een overzicht van resultaten en trends:


«We kunnen deze paragraaf afsluiten met de conclusie dat de situatie in de grote steden sinds de start van het grotestedenbeleid is verbeterd. Er was een aanzienlijke economische groei, het aantal banen nam fors toe. Dat succes is nauwelijks aan het beleid toe te schrijven: steden bewogen mee met de algemene conjunctuur en profiteerden soms extra door hun gunstige economische sector-samenstelling. Bij de bestrijding van de werkloosheid leek het beleid niet zozeer effect te hebben op het algemene werkloosheidsniveau, maar vooral de verdeling van werkloosheid tussen doelgroepen ten gunste van allochtonen en jongeren.Zoals gezegd lijken de verbeteringen in de samenstelling van de woningvoorraad wel samen te hangen met het beleid. Daarvan profiteerden de middeninkomens echter nog niet voldoende, vooral het aandeel van de hoogste inkomensgroep in de stadsbevolking nam toe (Annex, grafieken 2.9 en 2.10). Tegelijkertijd blijft een aantal hardnekkige problemen bestaan: hoge uitkeringsafhankelijkheid onder bepaalde groepen, toenemende segregatie in het onderwijs, uit de stad wegtrekkende middengroepen. Het begint erop te lijken dat de in de tweede helft van de jaren negentig binnen het grotestedenbeleid in zwang gekomen nadruk op welvaartsgroei via economie en woningmarkt zijn grenzen heeft bereikt, dan wel pas op lange termijn zijn doel kan bereiken. De benadering heeft in een aantal opzichten succes geboekt, maar er blijven hardnekkige sociale problemen bestaan waarop deze benadering weinig invloed heeft. Een residu van grootstedelijke problemen lijkt niet via deze weg op te lossen».


Reactie van het kabinet:


Het RPB constateert terecht dat in de looptijd van het grotestedenbeleid de situatie in de grote steden is verbeterd en dat er successen zijn geboekt. Tegelijkertijd onderkent het kabinet dat de conjunctuur een groter effect heeft gehad op de economische groei en het aantal banen dan het GSB zelf. Echter, op een aantal terreinen is de relatieve positie van de GSB-steden ten opzichte van het Nederlandse gemiddelde verbeterd.


Over de resultaten van de tweede convenantsperiode van 1999 tot en met 2004 (GSB II respectievelijk ISV I) bent u geïnformeerd middels respectievelijk de brieven Evaluatie tweede convenantsperiode grotestedenbeleid (1999–2004) (TK 2005–2006, 30 128, nr 9) en Evaluatie ISV 1 (TK 2005–2006, 30 606, nr. 1). Hoofdconclusies hieruit zijn:

– De positie van steden is verbeterd. Maar we zijn er nog niet. Steden kampen nog steeds met bovengemiddelde problemen die in de huidge GSB III-periode verder aangepakt worden;

– De bestuurlijke aanpak is succesvol geweest (meer resultaatgerichte aanpak en sturing op concrete doelen). Een aantal bestuurlijke verbeterpunten is in de huidige convenantperiode van 2005 tot en met 2009 verwerkt: verdere ontkokering en ontbureaucratisering door de realisatie van drie brededoeluitkeringen (BDU’s);


Het kabinet erkent met het RPB dat steden nog steeds kampen met bovengemiddelde problemen die een aanpak vragen van lange adem. In de huidige convenantsperiode (2005–2009) is het GSB daarom gecontinueerd middels drie BDU’s op fysiek, economisch én sociaal terrein. Het kabinet herkent daarom niet de passage dat het GSB zich vooral richt op economische en fysieke ingrepen («welvaartsgroei via economie en woningmarkt»).


Dat «het residu van grootstedelijke problemen niet via deze weg lijkt op te lossen», is moeilijk te staven aangezien er over het huidige beleid (2005–2009) nog geen evaluatie voorhanden is. De tussenbalans wordt bij de midterm review in 2007 opgemaakt. Dan pas valt te zeggen of de uitvoering van de resultaatafspraken door de steden op koers ligt en het huidige beleid c.q. aanpak verbetering behoeft.


In paragraaf 3.3 stelt het RPB dat «Voortzetting in de huidige vorm niet is aan te bevelen, onder meer vanwege de uiteenlopende situaties van de steden, de gebleken ineffectiviteit door stapeling van doelstellingen en de daarmee samenhangende problemen met de scherpe selectie van deelnemende steden».


Reactie van het kabinet:


De huidige convenantsperiode loopt door tot en met 2009. Het kabinet heeft vooralsnog geen reden om deze convenant open te breken.


Daarnaast blijkt uit de probleemanalyse van de discussienota, Steden van morgen, keuzes voor vandaag, (TK 2006/2007 30 128, nr. 13) dat bij ongewijzigd beleid de verschillen binnen de steden in de periode tot 2015 toe nemen, zodat sociale spanningen kunnen ontstaan. Daarnaast blijkt dat de verschillen in problematiek tussen steden in verschillende delen van het land zullen toenemen. Die verschillen kunnen bij een toekomstig beleid richting steden aanleiding geven tot meer maatwerk en differentiatie.


In paragraaf 3.4., optie 3 stelt het RPB dat «stoppen met GSB in elk geval de negatieve effecten (bureaucratie) zou opheffen».


Reactie van het kabinet:


Het RPB heeft de bureaucratie van grotestedenbeleid niet onderzocht maar veronderstelt dat het stelsel GSB extra bureaucratie oplevert. Het kabinet wil daarbij aangeven dat er tussen GSBII en GSBIII belangrijke vooruitgang is geboekt. Ten eerste is de bureaucratie teruggedrongen door meerjarig drie BDU’s te organiseren; een groot aantal afzonderlijke specifieke uitkeringen is daarmee vervallen. Als gevolg daarvan hoeven steden slechts één keer over de hele GSB-periode verantwoording af te leggen per BDU. Dat zal gebeuren – via het principe van single-audit/single-information – bij de gemeenterekening, waar voorheen per regeling er een grote verantwoordingslast was met jaarlijks aparte verantwoordingen en specifieke accountantsverklaringen. Inmiddels heeft de Minister voor BVK opdracht gegeven tot een onderzoek naar de administratieve lasten van GSB III. De resultaten hiervan worden opgenomen in de midterm review die in 2007 wordt uitgevoerd.


2. De leefsituatie in de grote stad 1997–2004 door het SCP


In de slotparagraaf 5 suggereert het SCP dat «na twaalf jaar sterke en bestuurlijke aandacht voor de grotestedenproblematiek, de magie van het GSB lijkt uitgewerkt, getuige ook de twijfel die minister Nicolaï onlangs uitte over het nut van het GSB ... Wanneer we kijken naar de ontwikkelingen in de afgelopen jaren in de leefsituatie van de stedeling en tevredenheid daarover, dan is het beeld positief. De ontwikkeling van de kwaliteit van de woonwijken laat eveneens een positieve tendens zien ... Wel is de ongelijkheid tussen verschillende bevolkingsgroepen toegenomen».


Reactie van het kabinet:


Ook het kabinet is van mening dat nagedacht moet worden over de toekomst van het stedelijk beleid na 2009. Uit de discussienota Steden van morgen, keuzes voor vandaag (TK 2006/2007 30 128, nr. 13) blijkt dat zonder nieuwe inspanningen de verschillende tussen kansrijken en kansarmen binnen de Nederlandse steden de komende tien jaar snel toenemen waardoor sociale spanningen kunnen ontstaan. De problemen zullen dus na 2009 niet zijn opgelost. Bovendien blijkt uit contacten met de grote steden dat er behoefte is om ook na 2009 in een partnerschap tussen Rijk en steden de maatschappelijke problemen aan te pakken. Daarom is het kabinet van mening dat steden en Rijk met elkaar in gesprek moeten over een nieuwe beleidsagenda en het bestuurlijke arrangement dat daarbij het beste past.

54

Waarvan hangt het af of het Burger Service Nummer per 1 januari 2007 ingevoerd kan worden?


De invoering van het BSN stelsel hangt af van de afronding van de behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer.

55

Waarom is het niet mogelijk om met alle medewerkers jaarlijks een functioneringsgesprek te voeren?


In beginsel heeft elke rijksambtenaar een keer per jaar een formeel gesprek met zijn of haar leidinggevende over het functioneren. Dat het in de praktijk niet mogelijk is om met elke medewerker zo’n gesprek te voeren heeft verschillende oorzaken.


In de eerste plaats zijn functioneringsgesprekken met nieuwe en vertrekkende medewerkers meestal niet opportuun. Met hen worden overigens wel startgesprekken respectievelijk exitgesprekken gevoerd. In de tweede plaats zijn er geen functioneringsgesprekken bij langdurige ziekte van medewerkers of leidinggevenden. In de derde plaats komt als gevolg van reorganisaties een aantal vooraf geplande gesprekken te vervallen.


Een score van 100% gehouden functioneringsgesprekken is kortom onhaalbaar. Zoals aangegeven in de begroting liggen de streefwaarden op 70% in 2006 en 75% in 2007.


Instrumenten die de ministeries gebruiken om het percentage te verhogen zijn onder meer agendering in managementbesprekingen en onderlinge benchmarking. Uit steekproef-onderzoek blijkt dat voor het Rijk als geheel uiteindelijk ook 80% mogelijk moet zijn.

56

Heeft het kabinet wel het voornemen om op een later moment de motie-Van der Staaij over voetbalvandalisme uit te voeren?


De motie Van Staaij is reeds uitgevoerd. Onderstaande is een aanvullende toelichting.

De overige punten uit de motie Van Staaij zijn beantwoord in de brief van BZK aan de TK van 3 oktober jl. De interdisciplinaire stuurgroep voetbalvandalisme heeft geconcludeerd dat aanscherping van de geldende weten regelgeving niet nodig is. De stuurgroep zal stimuleren dat er meer aandacht is voor het uitwisselen van goede praktijkvoorbeelden en het optimaal benutten van de bestaande regelgeving.

Het OM zal de aanwijzing bestrijding voetbalvandalisme en geweld voor 1 januari 2006 wijzigen. Dit is reeds in gang gezet.

Vanwege de geïntensiveerde discussie m.b.t. de uitvoering moties Weekers en Van Schijndel, overleggen BZK en Justitie over het onderbrengen van een bestuursrechtelijke meldingsplicht voor voetbalvandalen in de uitwerking van beide moties. Dit onderwerp heeft nadrukkelijke aandacht.


De bestrijding van voetbalvandalisme krijgt een stevige intensivering door de landelijke uitrol bij politie van de methodiek «Hooligans in Beeld». Dit wordt gefinancierd door BZK en is in 2007 afgerond. Het projectbureau en de KNVB zorgen ervoor dat in 2007 ook de betaald voetbal organisaties bij deze werkwijze aansluiten.

1  Samenstelling:Leden: Kalsbeek (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), voorzitter, Van Beek (VVD), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Wilders (Groep Wilders), De Pater-van der Meer (CDA), Eerdmans (Groep Eerdmans-van Schijndel), Duyvendak (GL), Spies (CDA), Sterk (CDA), Van der Ham (D66), Algra (CDA), Haverkamp (CDA), Van Fessem (CDA), Smilde (CDA), Straub (PvdA), Nawijn (Groep Nawijn), Boelhouwer (PvdA), Dubbelboer (PvdA), Hermans (LPF), Griffith (VVD), Nijs (VVD), Irrgang (SP), Meijer (PvdA), Özütok (GL), Wagner (PvdA), Vacature (SP) en Vacature (VVD).Plv. leden: De Vries (PvdA), Fierens (PvdA), Weekers (VVD), Slob (CU), Szabó (VVD), Rambocus (CDA), Vacature (LPF), Van Gent (GL), Çörüz (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Koşer Kaya (D66), Eski (CDA), Knops (CDA), Van Bochove (CDA), Van Hijum (CDA), Hamer (PvdA), Hermans (LPF), Leerdam (PvdA), Wolfsen (PvdA), Vacature (VVD), De Vries (VVD), Van der Sande (VVD), Kant (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Halsema (GL), Dijsselbloem (PvdA), De Wit (SP) en Balemans (VVD).

2  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

3  Zie de brief van de minister van BZK aan de Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005– 2006, 29 760, nr. 70).