Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Noot 1: Schriftelijke antwoorden op vragen, gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling VROM en Waddenfonds 2007

30800 XI 20-12-2006

19851989Nr. 11883BIJVOEGSEL

Schriftelijke antwoorden van de minister en de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op vragen gesteld in de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van VROM en het Waddenfonds.

De heer Depla (PvdA) verzoekt mij het WoonOnderzoek 2006 vóór de tweede termijn aan de Kamer toe te sturen. Dit onderzoek is nog in bewerking. De Kernpublikatie zal begin 2007 aan de Kamer worden aangeboden.

Voorts heeft de heer Depla mij een actieplan aangeboden dat hij gezamenlijk met wethouder Karakus uit Rotterdam heeft ontwikkeld met het doel de Vereniging van Eigenaren (VvE’s) te versterken, met het verzoek om hierop te reageren. Ik deel zijn zorgen over de onderhoudssituatie in bepaalde wijken. Ik voeg er meteen aan toe dat het algemene beeld van het functioneren van Verenigingen van Eigenaren positief is, maar dat zich in bepaalde deelsegmenten problemen voordoen.

Ik ben op dit moment bezig met een inventarisatie van redenen waarom sommige VvE’s goed en andere slecht functioneren. Het is van belang om samen met belanghebbende partijen de ervaren problematiek te duiden en te delen. Daarbij kunnen de oplossingsrichtingen die in gemeenten zijn uitgewerkt en toegepast worden besproken en geëvalueerd. Ik zal de punten uit uw plan van aanpak daarbij betrekken.

Tussen de oplossingen die u aandraagt voor het geschetste probleem kom ik een aantal interessante suggesties tegen, waarvan ik de mogelijkheden en de consequenties nader wil onderzoeken. Echter daar waar het gaat om bevoegdheden voor gemeenten, die het eigendomsrecht van de goedwillende en/of minder vermogende bewoner aantasten, wil ik eerst heel goed onderzoeken of minder zware instrumenten ook het gewenste effect kunnen hebben. Voor het dwingen van huisjesmelkers, die het in principe niet aan geld maar aan goede wil ontbreekt, zijn andere instrumenten van toepassing, dan voor eigenaar-bewoners die hun onderhoudstaak al dan niet kunnen nakomen. Graag kom ik later nog terug op uw plan van aanpak. Een aantal punten uit uw plan komen namelijk overeen met het plan van aanpak dat Rotterdam in het kader van de 13-wijkenpilot «Wijken voor nieuwe coalities» heeft opgesteld om de verloedering van wijken met veel particulier bezit tegen te gaan. Onderdeel van dat plan van aanpak is de versterking van verenigingen van eigenaren door de overkoepeling van in appartementsrechten gesplitst woningbezit op bouwblokniveau. De Rotterdamse voorstellen worden op dit moment door het adoptieteam besproken met overige betrokkenen, onder leiding van het ministerie van OCW, dat de Rotterdamse pilot vanuit het Rijk heeft geadopteerd. Mijn departement is daar uiteraard bij betrokken. De aanpak van achterstandswijken heeft mijn volle aandacht en ik zal u op de hoogte houden van de voortgang van de 13-wijkenpilots.


De fractie van de PvdA vraagt mij welke concrete stappen ik zal zetten om voldoende huisvesting voor tijdelijke werknemers te realiseren. Gesteld wordt dat net als bij de opvang van dak- en thuislozen dwingende prestatieafspraken gemaakt zouden moeten worden met corporaties om hun aandeel te leveren aan betaalbare (kamer)bewoning. Ook vroeg hij of de nieuwe Huisvestingswet hiertoe mogelijkheden biedt.

Allereerst wijs ik erop dat het hier om een lokale verantwoordelijkheid gaat. Conform de lijn van het plan van aanpak dak- en thuislozen, is het aan de gemeente om betrokken partijen, ik denk vooral aan werkgevers in midden en klein bedrijf en corporaties, om de tafel te krijgen. Hierbij dient duidelijk te worden wat de omvang van het probleem is en welke oplossingen voorhanden zijn. Indien er sprake is van structureel wonen, kunnen corporaties zeker een rol spelen. Indien het slechts om zeer tijdelijke huisvesting gaat, ligt een dergelijke rol minder voor de hand. Nieuwe voorschriften ter zake, bijvoorbeeld in de nieuwe Huisvestingswet, lossen naar mijn oordeel het probleem niet op.

Ik deel de opvatting van de heer Depla dat een handleiding niet genoeg is, al is het wel erg zinvol dat deze is gemaakt en aan alle gemeenten is toegestuurd. Verder moet op lokaal niveau actie worden ondernomen. Ik wil dat eerst afwachten. Als blijkt dat het aan deze acties schort zal ik andere stappen overwegen.


Voorts stelt de fractie van de PvdA dat ook plattelandsgemeenten, net als de stedelijke regio’s, in aanmerking moeten komen voor de 1600 euro subsidie per bouwkavel. Ik kan u meedelen dat de regeling van 1600 euro voor alle plattelandsgemeenten in de stedelijke regio’s geldt, juist daar waar het nodig is. Voor de plattelandsgemeenten buiten de stedelijke regio’s is een dergelijke regeling naar mijn oordeel niet nodig omdat in de niet-stedelijke gebieden het aandeel eigenbouw al sinds jaar en dag vrij hoog ligt.

De huidige regeling, die onder bepaalde voorwaarden een stimuleringsbijdrage van 1600 euro per eigenbouw-woning in de stedelijke regio’s kan opleveren, is bestuurlijk vastgesteld voor de periode 2005 tot en met 2009 in de woningbouwafspraken met de 20 stedelijke regio’s.


De heer Van Bochove (CDA) vraagt wanneer de Kamer de Invoeringswet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening feitelijk kan behandelen. Binnen mijn departement wordt hard gewerkt aan verwerking van het advies van de Raad van State over de Invoeringswet. Ik streef ernaar dat het wetsvoorstel met toelichting rond het kerstreces kan worden ingediend. Uw Kamer kan dan begin 2007 starten met de feitelijke behandeling van het wetsvoorstel.

Een ontwerp van het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zal, naar ik verwacht, in het voorjaar van 2007 aan beide Kamers worden toegezonden in het kader van de zogenaamde voorhangprocedure.

Aldus zullen de nieuwe Wro, de Invoeringswet en het nieuwe Bro naar verwachting eind 2007 in werking kunnen treden.


Voorts vraagt de CDA-fractie of ik bereid ben positief in te gaan op verzoeken van verschillende partijen, waaronder de VNG, om de Grondexploitatiewet onmiddellijk na vaststelling door de Eerste Kamer in te voeren binnen de huidige wet. Het wetsvoorstel voor de Grondexploitatiewet is een wijziging van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. De Tweede Kamerbehandeling van de Grondexploitatiewet is inmiddels afgerond en het wetsvoorstel kan daarom niet meer via een nota van wijziging van het wetsvoorstel Grondexploitatiewet worden gekoppeld aan de huidige Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het idee van de VNG vereist dus een compleet nieuw wetsvoorstel, waarin de koppeling aan de huidige WRO tot stand wordt gebracht. Nu de nieuwe Wro in 2007 in werking zal treden, zal het VNG-voorstel eerder tot uitstel dan tot versnelling leiden. Bovendien is het beleidsmatig en juridisch onwenselijk om alsnog een wijziging van de huidige WRO in procedure te brengen.


In antwoord op de vraag van de heer Van Bochove of de aanpassing van de Huisvestingswet met spoed aan de Kamer kan worden voorgelegd, kan ik u meedelen dat deze winter de kaders voor de nieuwe Huisvestingswet naar de Kamer worden gestuurd. De kaders zullen vooraf afgestemd worden met de betrokken partijen zoals VNG en het IPO.


Voorts vraagt de fractie van het CDA naar de voortgang van de besteding van de middelen voor startersleningen. In 2006 heeft het kabinet 40 miljoen euro beschikbaar gesteld om gemeenten te stimuleren meer startersleningen te verstrekken. Over de inzet van die middelen zijn met het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn neergelegd in een convenant dat op 5 oktober jl. is getekend. Het geld is inmiddels overgeboekt naar SVn. Kern van de afspraken is dat met de 40 miljoen euro de kosten van startersleningen voor gemeenten met de helft wordt verlaagd. Deze bijdrage gaat vanaf 1 januari 2007 in. In de loop van het eerste kwartaal zal ik de Kamer nader informeren.

Aangesloten gemeenten betalen dan de helft van de kosten van de starterslening en de andere helft wordt gefinancierd uit de stimuleringsbijdrage van 40 miljoen euro. Iedere gemeente die startersleningen aanbiedt via de SVn kan in aanmerking komen voor de stimuleringsbijdrage. De keuzes die gemeenten maken, bijvoorbeeld ten aanzien van doelgroep, type woning, maximale lening en maximale kostengrens (het lokale maatwerk), worden gerespecteerd zolang de lening onder Nationale Hypotheekgarantie (NHG) wordt afgesloten en het rentevrije deel van de lening maximaal 20% bedraagt van de verwervingskosten die onder NHG worden gehanteerd.


De heer Jansen (SP) vraagt mij welke acties ik zal ondernemen om de uitvoering van de huurtoeslag te verbeteren.

Met de inwerkingtreding van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de daarmee samenhangende wijziging per 1 januari 2006 van de Huursubsidiewet in Wet op de huurtoeslag (Wht), is de uitvoering van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van huurtoeslag opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.

Hiermee is de bestuurlijke en politieke verantwoordelijkheid voor de uitvoering komen te liggen bij de bewindspersoon onder wie de Belastingdienst/Toeslagen ressorteert, de minister van Financiën. Dit houdt in dat de minister van Financiën degene is die kan worden aangesproken op de kwaliteit van de uitvoering, terwijl de minister van VROM, als verantwoordelijk bewindsman voor het Huurtoeslagbeleid, kan worden aangesproken op de kwaliteit van dat beleid.

Uiteraard bestaat er tussen beleid en uitvoering grote samenhang en wordt er dan ook zeer regelmatig tussen de Financiën Belastingdienst/Toeslagen en mijn departement overlegd over onder meer de gang van zaken in de uitvoering. Daarbij wordt van deze kant veelvuldig aangedrongen op een voortvarende en zorgvuldige en uitvoering. Daarvoor zal ik ook zeker aandacht blijven vragen.

Een en ander is uitvoerig uiteengezet in de brief van mijn ambtvoorgangster d.d. 11 april 2006, II 200/2006, 29 760, nr. 47.

Een brief met een reactie op constateringen van de nationale ombudsman over de uitvoering van de huurtoeslag door de Belastingdienst is vorige week door de minister van Financiën naar de Kamer toegestuurd.


Voorts vraagt de SP-fractie op welke wijze ik de naleving van de woningbouwafspraken in regio’s Amsterdam en Utrecht zal afdwingen.

De regio’s Amsterdam (ROA) en Utrecht (BRU) behoorden in 2005 tot de best presterende woningbouwregio’s van Nederland. Zij hebben toen respectievelijk 113% en 93% van de in de woningbouwafspraken opgenomen jaarproductie gerealiseerd. Ook voor dit jaar lijkt het erop dat zij hun geplande jaarproductie (nagenoeg) zullen behalen.

Naleving van de woningbouwafspraken is in absolute zin niet af te dwingen. Wel is in de woningbouwafspraken vastgelegd dat indien een regio de geplande jaarproductie níét haalt, dit tot gevolg heeft dat er minder Bls-gelden uitgekeerd worden. Betaling van Bls-gelden vindt plaats op basis van daadwerkelijk geleverde prestaties (c.q. het aantal gereedgemelde woningen).


Ook vraagt de fractie van de SP wanneer de Kamer de brief van mij en mijn ambtgenoot van Economische Zaken inzake energiebesparing gebouwde omgeving kan verwachten.

Met mijn ambtgenoot van Economische Zaken heb ik overeenstemming bereikt over het energiebesparingsbeleid in de gebouwde omgeving. De brief heeft u vorige week ontvangen. Hierin wordt ingegaan op de mogelijkheden die wij zien voor actiever energiebesparingsbeleid in de gebouwde omgeving.


De SP-fractie vraagt tevens waarom sommige categorieën scholen uitgezonderd worden van het Energieprestatiecertificaat van 1 januari 2007.

Bij de omzetting van de Europese richtlijn van gebouwen in Nederlandse wetgeving is uitgegaan van een strikte interpretatie van deze richtlijn om de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden. Normaliter zullen gebouwen enkel over een Energieprestatiecertificaat dienen te beschikken op mutatiemomenten zoals bouw, verkoop en verhuur. Een uitzondering daarop zijn de gebouwen > 1000 m2 waar publieke diensten worden aangeboden. Deze behoren altijd een Energieprestatiecertificaat in een centrale, voor het publiek toegankelijke, ruimte op te hangen.

Uitgaande van de interpretatie in andere lidstaten, betreft het hier gebouwen waar door een overheid een dienst wordt aangeboden. Schoolbesturen zijn private instellingen en daarmee vrijgesteld van deze Energieprestatiecertificaatplicht buiten mutatiemomenten. Openbare scholen waar de gemeente het schoolbestuur vormt zijn daarmee niet vrijgesteld.


De heer De Krom (VVD) vraagt naar de stand van zaken van de uitvoering van de toezeggingen die ik en mijn ambtsgenoot van Justitie in februari 2006 in een Algemeen Overleg over onrechtmatige bewoning heb gedaan. Tevens vraagt de VVD-fractie naar de stand van zaken van de uitvoering van de motie Veenendaal/Depla van 1 december 2004.

Allereerst hecht ik eraan te vermelden dat het van belang is voor de werking van de woningmarkt om onrechtmatige bewoning tegen te gaan. In het Algemeen Overleg van februari jl. is toegezegd eind 2006 een stand van zaken brief te maken over onrechtmatige bewoning en huisjesmelkerij. In die brief wordt ingegaan op de gedane toezeggingen. Het instrument bestuurlijke boete, onderwerp van de motie Veenendaal/Depla, speelt hierbij ook een rol. Het is mijn voornemen om die brief zo mogelijk nog in 2006 of anders begin 2007 aan Uw Kamer te sturen.


Voorts vraagt de VVD-fractie te schetsen in hoeverre en tegen welke kosten een nieuw links kabinet de winning van waddengas kan stopzetten.

De Tweede Kamer heeft in oktober 2005 ingestemd met het toegangsbesluit Rijksprojectenprocedure (RPP) gaswinning voor de locaties Vierhuizen, Moddergat en Lauwersoog. Inmiddels is deze procedure zover gevorderd dat door de bevoegde overheden alle benodigde vergunningen voor deze locaties zijn verleend. Momenteel loopt alleen nog de beroepsprocedure.

Dit kabinet heeft nadrukkelijk een politieke koppeling gelegd tussen de vergunningverlening voor de gaswinning en het Waddenfonds. Wanneer de vergunningen definitief zijn (na uitspraak van de rechter in de lopende beroepsprocedure) is ook het Waddenfonds definitief. Tot die tijd kan in het Waddenfonds voor een jaar verplichtingen worden aangegaan maar wordt het niet meerjarig gevuld.

Het mag hiermee duidelijk zijn dat indien er geen gaswinning plaatsvindt, er geen sprake is van een operationeel Waddenfonds.


De heer Madlener (PVV) vraagt naar mijn mening over een kooprecht voor huurwoningen en of ik een plan van aanpak zal opstellen om de verkoop van huurwoningen te stimuleren. Ook de heer Van der Staaij (SGP) constateert dat de aankoop van een huurwoning door de huurder niet in elke regio goed loopt en verzoekt mij om een landelijk beeld aan de Kamer te geven. Tevens vraagt de fractie van de SGP of ik een aanjaagfunctie kan vervullen.

Ik zal u op korte termijn het Toezichtverslag sociale huursector 2005 zenden. Daarin treft u een overzicht aan van de verkoop van huurwoningen door woningcorporaties in 2005, ook uitgesplitst naar regio’s en provincies. Overigens is de verkoop van huurwoningen aan zittende bewoners en andere natuurlijke personen toegenomen van 15 100 in 2004 naar 16 400 in 2005.

De verantwoordelijkheid voor de verkoop van huurwoningen ligt in eerste instantie bij lokale partijen. Gemeenten kunnen in hun woonvisie een doelstelling ten aanzien van verkoop huurwoningen opnemen. Corporaties kunnen hun voornemens tot verkoop onderdeel maken van het «bod» dat ze uitbrengen op de verwezenlijking van die woonvisie.

Ik ben er voorstander van dat woningcorporaties meer woningen te koop aanbieden. Een kooprecht is in de Nederlandse situatie echter niet mogelijk. Doordat de huurwoningen in private handen zijn (woningcorporaties) kan de overheid geen inbreuk maken op hun eigendom door verkoop van huurwoningen verplicht te maken. Er is een aantal goede voorbeelden van corporaties die actief zijn met de verkoop van woningen. Wat mij betreft mogen dat er meer worden. Verder zal ik bevorderen dat de verkoop van huurwoningen een onderdeel zal zijn van het bod waarmee de woningcorporaties in februari zullen komen.


Voorts vraagt de fractie van de PVV naar het huisvesten van illegalen door corporaties, naar aanleiding van een bericht in het Algemeen Dagblad van 10 december jongstleden.

Het gaat in deze kwestie om het huisvesten van een gezin met kinderen. De betrokken corporatie meende dat dit gezin niet op straat thuishoort. Wel wijs ik erop dat in dergelijke situaties de huurder niet in aanmerking komt voor een woning als daar een huisvestingsvergunning voor vereist is en dat er ook geen huurtoeslag verkregen kan worden. Maar er kan wel een privaatrechtelijk huurcontract worden gesloten, of bijvoorbeeld woonruimte worden verkregen via een charitatieve instelling.


Daarnaast vraagt de PVV-fractie of ik van mening ben dat het afschaffen van de overdrachtsbelasting kan helpen bij de doorstroming op de woningmarkt.

In de visie op de woningmarkt is een onderzoek aangekondigd naar bevordering van de verhuismobiliteit waarbij ook het schrappen van de overdrachtsbelasting wordt meegenomen. Zodra dit onderzoek gereed is, zal ik het aan Uw Kamer sturen.


De fractie van de PVV vraagt naar mijn oordeel over het idee om provinciale woningcontingenten af te schaffen en de provincie alleen nog minimum aantallen per gemeente te laten vaststellen.

Vanuit het Rijk zijn de woningbouwcontingenten reeds jaren geleden afgeschaft. Sommige provincies houden nog wel een dergelijk verdelingssysteem aan, maar dit is op basis van eigen provinciaal beleid.


Tevens vraagt de fractie van de PVV naar mijn mening over het afschaffen van de welstandscommissies in heel Nederland. In 2003 is het wettelijk kader voor het gemeentelijk welstandstoezicht aangepast. Overeenkomstig hetgeen bij die betreffende wijziging van de Woningwet aan de Kamer is toegezegd, worden de effecten van die aanpassing momenteel geëvalueerd. Zoals ik in mijn brief van 10 november jongstleden heb aangegeven, verwacht ik dat de Kamer begin 2007 over de evaluatieresultaten zal kunnen worden geïnformeerd. Op basis daarvan kan een gedachtewisseling over de verdere toekomst van het welstandstoezicht plaatsvinden.


Mevrouw Van Gent (GroenLinks) verzoekt mij om een reactie op de Zembla-uitzending over fouten in de bouw en vraagt mij tevens in te gaan op de voorstellen tot het verplicht in stellen van de hoofdconstructeur op de bouwplaat en een betere check op het ontwerp van nieuwe gebouwen.

In Nederland worden veel bouwwerken van goede kwaliteit opgeleverd. Niettemin zijn bij diverse projecten fouten aan het licht gekomen die voorkomen hadden kunnen worden. In Zembla is daar een aantal van genoemd. Mijn opvatting is dat de opdrachtgever zijn verantwoordelijkheid moet nemen zoals die nu ook al geregeld is in het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning. De opdrachtgever moet de samenhang tussen de verschillende constructieberekeningen aantonen. Dit betekent dus dat geen coördinator wordt voorgeschreven, maar wel de noodzakelijke coördinatie. Het is ook de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever dat gebouwd wordt volgens de plannen zoals die door de gemeente zijn goedgekeurd. De expliciete verantwoordelijkheid van de opdrachtgever is naar mijn idee wat te weinig in de Zembla-uitzending naar voren gekomen.

Overigens faciliteert mijn ministerie de bouwpartijen bij het nemen van hun verantwoordelijkheid. Zo heeft VROM meegewerkt aan de totstandkoming van het zogenoemde «Plan van Aanpak Constructieve Veiligheid». Hierin zijn partijen uit de bouwsector gezamenlijk gekomen tot onder meer een handleiding voor de inrichting van het bouwproces om constructieve veiligheid te waarborgen, waarmee een goede afstemming kan worden bereikt.

Voorts doet de VROM-Inspectie, naar aanleiding van een aantal ernstige incidenten zoals Bos en Lommerplein en de instortingen van daken door sneeuw eind 2005, onderzoek naar de borging van de constructieve kwaliteit in de gehele bouwketen; van opdrachtverstrekking tot en met oplevering. De lessen uit dit onderzoek moeten zorgen voor een betere naleving van de regelgeving door de verantwoordelijke bouwpartijen.


Voorts vraagt de fractie van GroenLinks of ik bereid ben om met mijn ambtgenoot van OC&W te overleggen over de relatie tussen het normbedrag Studiefinanciering en de mogelijkheden voor studenten op de woningmarkt, en de Kamer over de uitkomst van dit overleg te informeren.

Op het vlak van studentenhuisvesting vindt regelmatig overleg plaats met KENCES, het samenwerkingsverband van studentenhuisvesters in Nederland. In dit overleg is niet het signaal naar voren gekomen dat de studiefinanciering voor studenten te laag zou zijn om in de woonbehoefte te voorzien, noch dat op dit moment de woningnood onder studenten onacceptabel hoog zou zijn.

De laatste jaren is op diverse manieren invulling gegeven aan het vergroten van het woningaanbod voor studenten. Onder meer heb ik middels een subsidie aan KENCES het mogelijk gemaakt dat 5 000 COA-eenheden worden ingezet voor de tijdelijke huisvesting van studenten. Tevens heeft KENCES een plan gemaakt voor de structurele oplossing van de woningnood onder studenten. Hiervoor heeft mijn ministerie bemiddeld om een goede matching tot stand te laten komen. Het aanbod is hierdoor vergroot waarmee tegemoet is gekomen aan de woningbehoefte van studenten. Ik acht het daarom niet nodig om verdere acties op dit punt te ondernemen.


Mevrouw Huizinga-Heringa (CU) vraagt mij hoe ik het gat in de begroting als gevolg van het niet doorgaan van de betaalbaarheidsheffing zal dichten.

Met het controversieel verklaren van de Interimwet Betaalbaarheidsheffing door de Eerste Kamer zal over het jaar 2006 niet worden geheven. De ontvangsten van deze heffing in 2006 zijn in de begroting geraamd in het jaar 2007. Aangezien het niet mogelijk is om met terugwerkende kracht over het jaar 2006 te heffen, zullen deze inkomsten ter grootte van €154 mln. niet worden ontvangen. Ik zie dit als een generaal besparingsverlies welke ik terug wil leggen bij het kabinet. Het is voor mij niet mogelijk en niet gewenst dekking te vinden binnen de thans beschikbare middelen op de VROM begroting. Voor de inkomsten in het jaar 2007 en later kan nog niets worden gemeld. Hiervoor wordt gewacht tot de Eerste Kamer zich over de wetsvoorstellen Interimwet Betaalbaarheidsheffing en de modernisering van het huurbeleid heeft uitgesproken.


Tevens vraagt de CU-fractie of in het kader van de rapportage over de woningbouwproductie kan worden ingezoomd op specifieke categorieën zoals de bouw van starterswoningen.

In de woningbouwafspraken zijn geen (kwantitatieve) afspraken gemaakt over de bouw van specifieke categorieën nieuwbouw. Wel monitor ik via onder meer de «Monitor nieuwe woningen» en «Bewoners nieuwe woningen» de voortgang van de nieuwbouwproductie voor specifieke doelgroepen zoals bijvoorbeeld ouderen, starters en studenten.

Regio’s maken zelf regionale woonvisies waarin staat opgenomen welk type woningen voor welke doelgroep gebouwd moeten worden. Dit is erg afhankelijk van de lokale omstandigheden. Via bestuurlijke bijeenkomsten, gesprekken met lokale partijen en middels de verspreiding van onderzoeksresultaten (zoals het Woon, het vroegere WBO) vraag ik wel continu aandacht voor een goede afstemming tussen vraag en aanbod.


De heer Van der Ham (D66) constateert dat er geen middelen in de VROM-begroting zijn opgenomen voor uitvoering van het EU-actieplan met normen voor energie-efficiëntie. In het actieplan kondigt de Commissie aan de normstelling voor energie-efficiëntie uit te breiden en aan te scherpen. Dit zal vorm worden gegeven via wijzigingen in de betreffende EU-richtlijnen (o.a. ecodesign en labelling). Hiervoor behoeven geen middelen in de begroting van VROM te worden vrijgemaakt.


De heer Van der Staaij (SGP) vraagt of er financiële consequenties moeten worden verbonden aan het feit dat stedelijke vernieuwing wordt bemoeilijkt door een krimpende bevolking in combinatie met een ontspannen woningmarkt.

Het RPB heeft net een studie uitgebracht waarin zij aangeven dat de gevolgen van demografische krimp beperkt zijn. Andere factoren zoals de ontwikkeling van de welvaart, veranderingen in gedrag en ruimtelijk beleid hebben een grotere invloed. Daar komt bij dat het toppunt van de bevolkingsomvang en de woningbehoefte pas over ca. 25 jaar verwacht wordt.

Zoals ik heb aangegeven in de visie op de woningmarkt die in juni aan Uw Kamer is gezonden, is slechts in een zeer beperkt aantal gebieden nu of binnenkort al sprake van de in de vraag beschreven situatie. In een aantal regio’s (bijvoorbeeld Limburg/Zeeland) is sprake van een krimp. In die ontspannen regio’s, lopen achterstandswijken extra risico op een neerwaartse spiraal en dit vergt investeringen in die wijken. Ik heb die behoefteraming meegenomen in mijn brief over de stedelijke vernieuwing, die in november aan Uw Kamer is verstuurd.


Mevrouw Thieme (PvdD) vraagt of ik bereid ben tot het verlenen van een algemene vrijstelling voor bijbouwen op erven en of ik bereid ben tot onderzoek naar de behoefte aan deze vrijstelling en naar de economische impuls die hiervan uit zou gaan.

De beoordeling van bijbouwen op het eigen erf is ter beoordeling aan de gemeenten. In bestemmingsplannen kan worden aangeven in hoeverre bijbouwen op het eigen erf mogelijk is. In de Woningwet is vervolgens aangegeven in hoeverre bouwwerken vergunningsvrij zijn. Een algehele vrijstelling is niet aan de orde.


Ook vraagt de fractie van de PvdD in hoeverre gebruik wordt gemaakt van de ruimte-voor-ruimte-regeling.

Het is thans niet aan te geven in hoeverre gebruik wordt gemaakt van alle ruimte-voor-ruimte-regelingen. Het Rijk heeft in de Nota Ruimte provincies gevraagd planologische kaders op te stellen voor het thema bebouwing in het buitengebied waar ruimte-voor-ruimteregelingen onderdeel van uit kunnen maken. Hierdoor zijn er op dit moment nog geen landelijke gegevens van alle ruimte-voor-ruimteregelingen. In de eerstvolgende herziening van de uitvoeringsagenda zal hierop worden ingegaan.

De voorloper van alle ruimte-voor-ruimte-regelingen is het Pact van Brakkensteijn. Op verzoek van het Rijk hebben de reconstructieprovincies inzicht gegeven in de voortgang van deze ruimte-voor-ruimte-regeling, met als peildatum 1 januari 2005 (TK 2005–2006, 30 300 XI, nr. 70). Een totaal van 4067 veehouderijen is gestopt in de betreffende provincies. Hiervan heeft 54% besloten om ook de bijbehorende stallen te slopen, hetgeen heeft geleid tot een afbraak van circa 3 100 000 vierkante meter (310 hectare) aan bebouwing. De sloop van de stallen wordt bij deze regeling betaald door het uitgeven van woonkavels. In totaal worden er 3513 woningen teruggebouwd. Dit getal kan iets lager uitvallen als gevolg van planologische goedkeuringsprocedures.

Net als over 2005 zullen de betreffende provincies over 2006 inzicht geven in de voortgang van deze regeling.


Tevens vraagt de PvdD-fractie of ik het standpunt deel dat de Wet ammoniak en veehouderij moet worden herzien ten aanzien van de gevarenzone van 250 m.

Dat standpunt deel ik niet. In het voorstel ter wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij, dat momenteel ter behandeling in de Eerste Kamer ligt, is de zone van 250 meter rondom zeer kwetsbare natuur gehandhaafd. Deze zone is sinds ongeveer vijf jaar van kracht. In deze zone wordt geen nieuw-vestiging van intensieve veehouderijen toegestaan en zijn bestaande bedrijven gehouden aan een emissieplafond. Er zijn geen inhoudelijke aanwijzingen om deze zone te wijzigen. Voorts, gelet op consistentie van beleid ben ik er niet voor om de zone nu te wijzigen. Overheden en ondernemers hebben er immers hun plannen (waaronder de reconstructieplannen) op afgestemd.


De fractie van de PvdD vraagt mij duidelijkheid te geven over het afgeven van milieuvergunningen die in strijd zijn met natuurbeschermingswetten (Vogel- en Habitatrichtlijn).

In het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland gebieden aangewezen. Deze moeten in 2015 aan het gewenste beschermingsniveau voldoen. Daar wordt in het kader van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) invulling aan gegeven door het ministerie van LNV (aankoop en inrichting), VROM en V&W (milieucondities en met name antiverdrogingsbeleid). Hiermee zal een einde gemaakt worden aan de door u genoemde ongewenste situatie.


Ook vraagt de fractie van de PvdD naar de investeringskosten van luchtwassers en of de belastingbetaler daar aan meebetaalt.

De investeringskosten voor luchtwassers zijn afhankelijk van de omvang van het bedrijf. Voor grote bedrijven (met veel dieren) zijn de kosten hoger dan voor kleine bedrijven. Het kabinet zet momenteel in op de verder ontwikkeling en toepassing van zogeheten gecombineerde luchtwassers. Met deze techniek worden zowel de uitstoot van geur, als van ammoniak, als van fijn stof vergaand gereduceerd. Ten opzichte van gangbare emissie-arme stalsystemen worden de meerkosten voor gecombineerde luchtwassers geraamd op ca. €55 per zeugenplaats, €12 per vleesvarkenplaats, €1,30 per henplaats en €1,70 per vleeskuikenplaats.

Door het kabinet wordt aan onderzoek en ontwikkeling van deze technieken in de periode tot aan 2010 €10 miljoen besteed. Voor een investeringssubsidie voor de aanschaf van dergelijke systemen wordt (zoals eerder toegezegd) bij Voorjaarsnota €15 miljoen vrijgemaakt.


Tenslotte vraagt de fractie van de PvdD of het juist is dat in slechts in 10% van de gevallen een luchtwasser (economisch) rendabel is.

De verwachtingen voor wat betreft de mate waarin veehouders gecombineerde luchtwassers zullen toepassen verschillen voor de diverse sectoren. Naar het nu schijnt, is de gecombineerde luchtwasser het meest aantrekkelijk voor de grote varkenshouderijen. Met de introductie van het «intern salderen» in het Besluit huisvesting (zoals met de Kamer afgesproken tijdens de behandeling van de Wet ammoniak en veehouderij) wordt de gecombineerde luchtwasser voor verschillende sectoren interessanter, omdat dan met één techniek meer milieuwinst geboekt moet worden.

Overigens worden de voordelen van het aanschaffen van een gecombineerde luchtwasser groter, als niet alleen gekeken wordt naar de effecten op de uitstoot van ammoniak, maar ook naar de effecten voor geur en fijn stof. Met name voor dat laatste aspect blijkt uit een verkenning van de wet- en regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit dat van die regelgeving al een stimulerende werking uitgaat voor de aanschaf van luchtwassers.