Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting van het gemeentefonds voor het jaar 2007

30800 B 8 Brief van de minister van binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties

Vergaderjaar 2006-2007

Nr. 8

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 27 november 2006


Op korte termijn zullen wij elkaar spreken over de begroting van het gemeentefonds en het provinciefonds. In aanloop van de begrotingsbehandeling heb ik u reeds een brief doen toekomen, die ik u voor de behandeling had toegezegd bij de jaarverantwoording van het gemeentefonds en provinciefonds 2005. Het betreft hier de brief over de voortgang BTW-compensatiefonds (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 B, nr. 5).


In navolging hiervan stuur ik u ook mijn reactie toe op het advies van de Rfv op het Periodiek Onderhoudsrapport Gemeentefonds (POG) en nadere informatie over de onderwerpen leges, grafrechten en de uitvoering van amendement De Pater naar aanleiding van het Algemeen Overleg dat ik had met de Vaste commissie voor BZK en Financiën op 24 oktober jl. (Kamerstuk 26 213, nr. 24).

Advies RFV op Periodiek Onderhoudsrapport Gemeentefonds

Ik spreek mijn waardering uit voor de constructieve reactie van de Rfv. Ik ben blij met het belang dat de Rfv hecht aan het POR en met name aan de signaleringsfunctie ervan.


Uit het POR blijkt dat er mogelijk sprake is van (te grote) scheefheid met betrekking tot de Overige Eigen Middelen van gemeenten (kortweg OEM). Er wordt meer aan OEM gegenereerd dan waar wij in de verdeling van het gemeentefonds rekening mee houden. De Rfv is van mening dat dit een nader onderzoek rechtvaardigt. Ik zie dat punt en heb inmiddels aan de onderzoeker een extra opdracht verstrekt voor nader onderzoek naar de OEM.


Dan wat betreft de opmerkingen over boekingsverschillen die de Rfv maakt. Ik heb in het voorjaar aanvullend onderzoek laten doen, naar aanleiding van de bevindingen van het POR van 2006 (en van enkele jaren daarvoor), naar de ontwikkeling van de uitgaven in het cluster bestuursorganen. Op dat cluster leek zich een scheefheid voor te doen, maar er waren aanwijzigen dat dit beeld was ontstaan als gevolg van boekingsverschillen. Dit is nader onderzocht en inderdaad blijkt er van boekingsverschillen sprake te zijn. Dat is overigens niet zonder meer een kwestie van slordigheid of van fouten aan de kant van de gemeenten, het is veeleer een kwestie van een verschil in interpretatie. Het blijkt namelijk voor te komen dat gemeenten aan de functies die vallen onder het cluster bestuursorganen (zoals de raad, de griffie, de wethouders etc.) ook overheadkosten uit de algemene organisatie toerekenen. Daardoor lijkt het alsof de feitelijke uitgaven voor bestuursorganen veel hoger liggen dan het ijkpunt, dat alleen gebaseerd is op directe uitgaven voor bestuursorganen.

Ik ben niet voornemens om naar aanleiding hiervan actie te ondernemen. Het feit dat de verschillen verklaard zijn door middel van een onderzoek dat weer extra inzicht heeft opgeleverd vind ik voldoende. Het onderzoeksrapport doe ik u hierbij toekomen.1


De Rfv vindt dat er nog zorgvuldiger naar het cluster Kunst en Ontspanning moet worden gekeken. Ik zie echter geen concrete aanleiding om diepgaander te gaan kijken dan gebeurd is. Nadat in het POR 2006 al scheefheid was geconstateerd is nu in het POR 2007, waar dezelfde scheefheid wederom te zien is, nader naar het cluster gekeken. En uit die nadere analyse is naar voren gekomen dat er geen te honoreren patroon is te zien in de overschrijdingen op dit cluster. Het grootste deel (maar zeker niet alles) zit bij het onderdeel sport, maar daarbinnen zijn de variaties groot. Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake is van een grote verstoring als gevolg van een exogene kostenfactor. We honoreren slechts structuurkenmerken die aanmerkelijke invloed op de kosten hebben. En dat dan ook nog niet als automatisme. Steeds zal er een bestuurlijke toets op de noodzaak van intergemeentelijke solidariteit plaats moeten vinden oftewel dat de inwoners in deze gemeente bijdragen in het voorzieningenniveau van gene gemeente. Dat is immers ook de reden dat wijzigingen in de verdeling altijd in goed overleg met de Kamer plaatsvinden.


Tot slot wijst de Rfv op het feit dat in het POR een verwijzing ontbreekt naar het onderzoek van de nettering van oude, «bruto»-specifieke uitkeringen en uit zij haar zorgen over het verloop van het onderzoek. Dit laatste baseert zij op het feit dat zowel gemeenten als ministeries problemen hebben om de noodzakelijke gegevens boven tafel te krijgen. Daarbij adviseert zij de inspanningen in deze kwestie zo gering mogelijk te laten zijn en in verhouding te laten staan met de kwaliteit van de te trekken conclusies. Bovendien is de Raad bereid om te mee te denken over een uiteindelijke oplossing.

Ik ben erkentelijk voor de steun die de Rfv aanbiedt in deze kwestie, maar dit is vooralsnog voorbarig. Het onderzoek bevindt zich in de afrondende fase. Inmiddels is na verschillende acties van de werkgroep de respons verbeterd. De aangeleverde gegevens worden thans geanalyseerd. Pas als het eindrapport beschikbaar is, kan ik de eindbalans opmaken. Ik zal de Raad daarin betrekken.

Ontwikkelingen op terrein van de leges, grafrechten en uitvoering amendement De Pater

In het Algemeen Overleg met de Vaste commissie voor BZK en Financiën van 24 oktober jl. is onder meer gesproken over de onderwerpen leges, grafrechten en de uitvoering van amendement De Pater. Bijgaande nadere informatie wil ik daarover geven.

«Eindrapport onderzoek inventarisatie en Analyse Leges»

Recent is vanuit het project «vereenvoudiging vergunningen» een rapport uitgebracht over de leges: «Inventarisatie en analyse leges». Het rapport is met de meibrief aan de Kamer aangeboden.

Ik wil nog eens benadrukken dat het kabinet hecht aan het profijtbeginsel en het kostenveroorzakingsbeginsel bij de beantwoording van de vraag wie de kosten van een vergunningsaanvraag moet dragen. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om over te gaan tot afschaffing van de leges. Zolang een taak niet wordt afgeschaft wordt de legesheffing daarvoor ook niet afgeschaft. De aanvrager moet wel duidelijk inzicht hebben in de manier waarop de prijs wordt bepaald. De verantwoordelijkheid voor de vaststelling van legestarieven en de verantwoording daarover ligt bij degene die ook de taak verricht. Om de medeoverheden en andere organisaties daartoe beter in staat te stellen zal een «kostendragerrichtlijn» worden opgesteld. De betrokkenheid van de gemeenten en de VNG in de totstandkoming daarvan is hierbij uiteraard van belang.

«Richtlijn kostendragers»

Inmiddels is ben ik gestart met het opstellen van een «richtlijn kostendragers». Deze richtlijn geeft overheidsdiensten en medeoverheden een handreiking bij het vaststellen van «kostendekkende tarieven».

De handreiking geeft een overzicht van regelgeving en jurisprudentie op het gebied van tariefstelling. Daarbij komen zowel de tarieven van lokale heffingen als de tarieven van departementen en ZBO’s aan bod. Ook zal in de richtlijn worden aangegeven waar er keuzevrijheid bestaat bij het bepalen van de tarieven en hoe het best daarover naar buiten toe kan worden gecommuniceerd zodat er meer transparantie en draagvlak ontstaat met betrekking tot de tarieven. De handreiking zal naar verwachting in april 2007 gereed zijn, zodat het ten dienste kan staan voor de doelgroep in de vaststelling van hun tarieven voor het jaar 2008.

Handreiking leges omgevingsvergunning

Nu de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht, waarin de omgevingsvergunning wettelijk wordt geregeld door de Ministerraad aan de Kamer is aangeboden is het voor gemeenten ook tijd om de legesheffing voor de omgevingsvergunning vorm te geven en om tarieven vast te stellen voor de nieuwe wijze van dienstverlening. Om de uniformiteit en de transparantie met betrekking tot de leges voor de omgevingsvergunning te stimuleren is door VROM (in samenwerking met SGBO, BZK, VNG, FIN en een aantal gemeenten) een handreiking opgesteld. Voor deze handreiking geldt het «Model transparantie bouwgerelateerde leges» dat door de VNG bij haar modelverordening is opgenomen, als uitgangspunt. In deze handreiking wordt aan gemeenten verzocht om de leges voor de omgevingsvergunning op zich maximaal kostendekkend te laten zijn en om geen kruissubsidiëring toe te passen met andere diensten.

Deze zal door VROM (met behulp van de VNG) aan alle gemeenten worden aangeboden. Tevens zal deze handreiking worden ondersteund door een internet applicatie die VROM nog aan het ontwikkelen is.

Plaatsonafhankelijke dienstverlening

In vervolg op de schriftelijke vragen van het kamerlid Smilde van het CDA, ingezonden 9 februari 2005, is in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een onderzoek ingesteld naar de consequenties van plaatsonafhankelijke verstrekking van paspoorten, identiteitsbewijzen en GBA-afschriften. Dit onderzoek heeft geleid tot het onderzoeksrapport «Plaatsonafhankelijke dienstverlening. Een stap vooruit?».

Plaatsonafhankelijke dienstverlening is één van de reductievoorstellen in het kader van het programma Administratieve lastenverlichting burgers. Door de burger de mogelijkheid te bieden een reisdocument aan te vragen in een gemeente anders dan zijn woonplaats, is de noodzaak van het opnemen van een vrije dag niet meer aan de orde. Naast de voordelen van efficiëntere tijdsbesteding bespaart dergelijke dienstverlening de burger irritatie.


Gezien de positieve uitkomst van het rapport is de volgende stap het ontwikkelen van voorstellen betreffende de invoering van plaatsonafhankelijke dienstverlening. De ontwikkeling van deze voorstellen zal in overleg met de betrokken partijen op korte termijn van start gaan. Ik breng in herinnering, gegeven het Algemeen Overleg van 24 oktober, dat het rapport aan de Kamer is aangeboden en dat in de brief van de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties d.d. 22 september 2006 (29 515, nr. 157) is aangegeven dat de Kamer eind van het jaar meer informatie zal ontvangen met betrekking tot de invoering van plaatsonafhankelijke dienstverlening.

Grafrechten

In het kader van de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging zal ik uw Kamer nader informeren over de uiteenlopende tarieven die gemeenten hanteren met betrekking tot de grafrechten.

Uitvoering amendement De Pater

In het AO is het amendement De pater aan de orde geweest. Er zouden uitvoeringstechnische problemen zijn omtrent de uitvoering. Per 1 januari 2007 zouden gemeenten verplicht de vermindering voor de woning in het bedrijfsgebouw op de aanslag moeten vermelden. Dit zou uitvoeringstechnisch lastig zijn. De gemeente Utrecht zou hiervoor een oplossing hebben bedacht, vraag was of dit wel spoorde met de bedoeling van de wetgever.


Per 1 januari 2007 staat in artikel 220e van de gemeentewet dat «bij de bepaling van de heffingsmaatstaf OZB buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen.....» In artikel 217 gemeentewet staat dat de belastingverordening dient te vermelden de belastingplichtige, het voorwerp van belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, etc....


In mijn optiek zou dus de verordening de duidelijkheid moeten geven omtrent de heffingsmaatstaf, hoe het verder op de aanslag wordt vermeld is mijns inziens niet aan wettelijke regels gebonden. Dat wordt overgelaten aan de gemeentelijke autonomie. Er bestaat geen verplichting om de vermindering van de OZB als gevolg van het amendement expliciet op de aanslag te vermelden. Ik voorzie hier dus geen extra uitvoeringstechnische problemen.


Mede namens de minister van Financiën,


De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes

1  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.