Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Behandeling van de begroting van het Ministerie van BZK (VII) voor het jaar 2007

30800 VII 23-01-2007

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Aan de orde is de behandeling van:
  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2007 (30800 VII).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Cramer (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de collega's die het mij hebben toegestaan om als eerste te spreken hartelijk. Ik had een agendaprobleem en zij waren bereid om mij te helpen om dat op te lossen. Daar past dankbaarheid bij, en dat moet ik kunnen zeggen in een Kamer waarin ik ook nog eens spreek als vervanger van collega Arie Slob, die met buitengewoon interessante andere zaken bezig is en daardoor niet kan deelnemen aan deze bespreking.

Voorzitter. In deze begroting worden heel wat ambities geformuleerd waarvan het de vraag is of zij werkelijkheid worden. Als dat niet het geval is, dan heeft dat consequenties voor de omvang van de begroting, hetgeen deze bespreking enigszins onzeker maakt. Als eerste spreek ik over veiligheid en bestuur. In de begroting 2007 wordt gefocust op de vorming van veiligheidsregio's. De fractie van de ChristenUnie heeft op zich geen bezwaar tegen de vorming van die veiligheidsregio's, als daarmee een effectieve rampenbestrijding en crisisbeheersing worden gerealiseerd. In de vormgeving van de veiligheidsregio luistert een en ander echter nauw. Mijn fractie heeft in de afgelopen periode bij de discussie over de veiligheidsregio in het bijzonder aandacht gevraagd voor de positie van de brandweer. De brandweer werkt veelal op basis van vrijwillige medewerkers. Nu al blijkt dat de beschikbaarheid van deze vrijwilligers ernstig onder druk komt te staan. De minister erkent dat ook; hij noemt zelf een aantal oorzaken daarvoor, zoals de afstand tussen werkadres en de kazerne of de brandweerpost. Dat zal worden versterkt bij de regionalisering van de brandweer.

Het uitgebreide takenpakket van de brandweer en de vele keren dat sprake is van loos alarm legt een extra beslag op de bezetting. Mijn fractie is erg benieuwd naar de uitkomsten van het door de minister ingestelde onderzoek naar de afbakening van de brandweertaken. Ook wil mijn fractie van de minister weten of in het wetsvoorstel over de veiligheidsregio's rekening wordt gehouden met de motie die eerder is ingediend bij een overleg over de vorming van die regio's waarin is uitgesproken dat er ruimte moet komen voor gemotiveerde afwijking van de regel en dat een nog nader te bepalen deel van het lokale brandweerpersoneel in regionale dienst wordt genomen. Mijn fractie had daarmee nadrukkelijk de beschikbaarheid van de vrijwilligers op het oog.

Het ministerie van BZK is door de Onderzoeksraad voor veiligheid aangesproken op zijn verantwoordelijkheid voor het functioneren van het brandveiligheidsconcept cellen en cellengebouw. Ik zie met betrekking tot de concrete uitvoering van de aanbeveling weinig terug in de begroting. Het is misschien wat kort dag geweest, maar toch. Ziet de minister de noodzaak in van het voortzetten van verscherpt toezicht? De berichten dat het gemeentelijk toezicht op de brandveiligheid een tandje minder kan, zijn verontrustend. Uit de Schipholbrand is gebleken dat het juist belangrijk is om daadwerkelijk te toetsen, hoewel de vraag gerechtvaardigd is in hoeverre gemeenten met die taken kunnen worden belast. Mijn fractie hoort in dit verband graag een toelichting op het overleg dat wordt gevoerd met de VNG en het beslag hiervan op de begroting. Kan de minister aangeven of daarbij ook de wenselijkheid van de toezichthoudende taak van de gemeente bij dergelijke overheidsgebouwen aan de orde komt?

Ik kom op het punt van de bekostiging van de veiligheidsregio's. De minister heeft hierover advies gevraagd aan de Raad voor de financiële verhoudingen. Deze heeft eind oktober geadviseerd en gaf stevige kritiek. De raad geeft de regering in overweging, de bestuurlijke vormgeving van de veiligheidsregio nog eens kritisch te heroverwegen. Als verlengd lokaal bestuur uitgangspunt is van het beleid, zo stelt de raad, dan behoeft het conceptvoorstel aanpassing. Wat is de visie van de minister op deze kritiek? Daarnaast waarschuwt de raad voor hoge frictie- en reorganisatiekosten. Een bij ons bekend voorbeeld betreft de gemeente Nijkerk, waarover nog steeds geen overeenstemming bestaat. Graag ontvangt mijn fractie inzicht in hoe het met deze en andere veiligheidsregio's is gesteld als het gaat om deze bijzondere kosten en welke rol de minister voor zichzelf ziet bij het oplossen van dit probleem.

Aansluitend vraag ik naar de consequenties van de invoering van de veiligheidsregio's voor bijvoorbeeld de gemeente Hattem. Dit is een van de regio's waarbij de congruentie nog problemen oplevert. Waar speelt dat nog meer? Hoe komt het dat zo laat wordt begonnen met een onderzoek naar de gevolgen hiervan? Worden bij de beoordeling ook de frictiekosten in overweging genomen? Wordt bij het onderzoek naar de mogelijkheden voor de gemeente Hattem ook gesproken over de mogelijkheid operationele grenzen te hanteren?

Ik kom te spreken over de politie. Er is een nieuw beleidskader dat gepaard gaat met een nieuwe budgetverdeelsystematiek. Overigens geldt dit beleidskader maar voor een jaar in plaats van de gebruikelijke vier jaar. Binnen het veld is hierover veel te doen geweest. Er brandde een storm van kritiek los. Inmiddels heeft de minister aangegeven dat de korpsen die erop achteruit gaan, worden gecompenseerd. Het is mijn fractie echter nog niet duidelijk hoe die compensatie op de lange termijn gaat uitwerken. Kan de minister dat toelichten? Wat betekent het dat het BVS-budget wijzigt als gevolg van de jaarlijkse actualisatie van de omgevingskenmerken en dat de compensatie wordt verlaagd met het bedrag van een mogelijk hogere uitkering? Betekent dit dus dat in mindere mate rekening wordt gehouden met het verschil tussen het oude budget en het nieuwe budget volgens de budgetverdeelsystematiek?

De ChristenUnie-fractie spreekt haar waardering uit voor het feit dat de prestatieafspraken met de politie een ander karakter hebben gekregen. Het gaat niet langer om de kwantiteit, met alle frustraties van burgers en agenten over prioriteitsstelling van dien, maar om de kwaliteit. Kan die vernieuwde prioriteitsstelling ook betekenen dat er bijvoorbeeld meer aandacht kan worden gegeven aan surveillance en een uitgebreidere inzet van de wijkagent?

Mijn fractie vraagt de minister ook naar de voortgang op het traject van de bestuurlijke boete. Na de behandeling van het wetsvoorstel wilden de ministers een advies van de Raad van State. Dat advies is al een poosje binnen en mijn fractie vraagt deze minister of het beraad inmiddels heeft plaatsgevonden en of wij nog deze kabinetsperiode een reactie van hem mogen verwachten.

Als ik kom te spreken over bestuur en democratie, dan wil ik het in de eerste plaats hebben over de afgelopen verkiezingen. Wij komen daarover nog afzonderlijk te spreken, maar ik maak toch een paar opmerkingen. De verkiezingen zijn in een aantal opzichten namelijk niet vlekkeloos verlopen, ondanks de meer algemene conclusie dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde uitslag. Stempassen werden niet tijdig verstuurd en vervolgens was men te laat met het aanvragen van een nieuwe stempas. Ook het al dan niet kunnen of moeten identificeren leverde veel klachten op. De opmerkingen van de minister daarover in de recente brief duiden er nog niet op dat het anders zal gaan en dat je wel kunt stemmen, ook als je je stempas bent vergeten. Mijn fractie wil graag van de minister weten wat daartegen precies het bezwaar is nu je kennelijk wel met een gevonden stempas kunt stemmen zonder legitimatie.

Ook het stemmen in het buitenland loopt niet in alle gevallen even soepel. Betekent het feit dat de minister onderzoek gaat doen naar mogelijkheden voor registratie van niet-ingezetenen dat dit een mogelijkheid biedt om het initiatief voor het stemmen in het buitenland niet langer bij de burger te leggen? Vervolgens kom ik natuurlijk op het functioneren van de stemcomputers. De signalen van de Commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven hebben ons bereikt. Niet iedereen vertrouwt de stemcomputers en dat is niet helemaal onterecht, zo blijkt nu, want de problemen met de afluisterbaarheid van bepaalde stemcomputers zijn nog niet verholpen. Onderzoekt de ingestelde commissie-Korthals Altes ook of het een reële optie is om opnieuw met het potlood te gaan stemmen? Wat zijn daarvan de voor- of nadelen?

Er is nog een ander punt dat raakt aan de digitale relatie tussen overheid en burger, namelijk het gebruik van de DigiD. Klopt het dat het daardoor ingewikkelder is geworden voor vrijwilligers om belastingaangiften voor anderen in te vullen? Wij vinden het belangrijk dat die vrijwilligers de belastingaangiften voor anderen kunnen blijven doen en wij hopen dat de minister ons kan overtuigen dat er op dat vlak geen belemmeringen meer zijn.

Als het gaat over de verandering van ons staatsbestel, dan zal ik het ook moeten hebben over de discussie inzake het middenbestuur. De huidige bestuurlijke drukte is mijn fractie een doorn in het oog. Uitgangspunt bij eventuele veranderingen van de inrichting van het Nederlandse bestuur is voor mijn fractie een heldere taakverdeling, zo min mogelijk betrokken bestuurslagen bij het oplossen van een probleem, een duidelijke democratische legitimatie en een eigen belastinggebied. Wat het eigen belastinggebied van de gemeente betreft, wil ik de minister graag nog het volgende voorleggen. Hij heeft voor de periode 2005-2007 aan de gemeente Leiden ontheffing verleend van de maximering van de ozb-tarieven om een vrijwillige hogere bijdrage ten behoeve van een ondernemersfonds mogelijk te maken. De ondernemers willen meer betalen. Zodra zij dat niet meer willen, wordt het fonds opgeheven. Inmiddels heeft de minister per brief laten weten, niet meer verder te willen gaan met deze mogelijkheid. Graag een nadere toelichting, het gaat immers om een vrijwillige verhoging. Sprekend over verhoging vraag ik deze minister graag ook naar de voortgang met betrekking tot de cao-onderhandelingen met de rijksambtenaren.

Tot slot. Ik vond het een waar genoegen om deze begroting BZK van mijn collega over te mogen nemen. De begroting BZK gaat in feite over zaken die in belangrijke mate het vertrouwen van de burger in de overheid bepalen. Het gaat over de veiligheid in de buurt, over de werking en verbetering van ons representatieve staatsbestel, zowel dicht bij huis in de gemeente als ook bij de landelijke overheid. Beide onderwerpen kwamen uitgebreid aan de orde in de afgelopen kabinetsperiode en toch gaat het mijn fractie te ver om te zeggen dat het vertrouwen van de burger in de afgelopen periode dan ook daadwerkelijk verbeterd is. Ik vraag de minister naar zijn inschatting hierover. En dan bedoel ik naast het vertrouwen van de burgers in de overheid ook het vertrouwen tussen de landelijke overheid en de decentrale overheden onderling. Dank u wel.

De voorzitter: Dan is nu het woord aan de heer Kalma van de PvdA-fractie. Ik attendeer de leden erop dat dit de maidenspeech van de heer Kalma is. Aangezien mevrouw Kuiken straks ook nog spreekt namens de PvdA-fractie, krijgt zij onmiddellijk na de heer Kalma de gelegenheid om haar maidenspeech te houden. Daarna zullen wij beide maidenspeeches gedenken.

De heer Kalma (PvdA): Voorzitter. Het kabinet zal de bestuurlijke vernieuwing en de vergroting van de kwaliteit van het openbaar bestuur met kracht ter hand nemen, aldus het hoofdlijnenakkoord van CDA, VVD en D66 van mei 2003. Het huidige kabinet heeft mede vanwege zijn demissionaire status minder grote ambities, maar het plaatst het beleid wel degelijk in het teken van "de versterking van het vertrouwen van de burger in de politiek en van versteviging van het draagvlak voor de democratische rechtstaat".

De PvdA heeft de afgelopen jaren de doelstellingen van het beleid inzake de hervorming van het openbaar bestuur veelal onderschreven. Over de uitvoering van die doelstellingen waren wij veel minder tevreden. Dat gold bijvoorbeeld voor het project Andere Overheid dat onvoldoende van de grond is gekomen, onder meer omdat de betrokken minister in de praktijk te weinig zeggenschap bleek te hebben om de departementale verkokering effectief te bestrijden. De PvdA-fractie hoopt dat een volgend kabinet op dit terrein meer resultaat zal boeken.

Ik laat het bij dit ene voorbeeld. Het heeft weinig zin om bij deze begrotingsbehandeling nog eens uitvoerig de degens te kruisen met het zittende kabinet of met het kabinet daarvoor. Minister en Kamer zullen ook niet zitten te wachten op een uitgebreide opsomming van de beleidsvoornemens van mijn partij, al of niet in het verband van de kabinetsformatie. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om versterking van de positie van gemeenten, om doorbreking van de notacultuur, om de mogelijkheden die dat geeft tot afslanking van de rijksdienst en de bijbehorende verschuiving naar uitvoerende professionals en gebruikers, en om verbetering van het bestuur. Ik noem maar iets.

In plaats daarvan wil ik stilstaan bij de verhouding tussen het beleid met betrekking tot de hervorming van het openbaar bestuur en reflectie, bij de noodzaak om bij alle verschillen van mening die men kan hebben over de doelstellingen van het kabinetsbeleid en over de snelheid en doortastendheid waarmee zij worden uitgevoerd, af en toe terug te blikken op het beleid over een langere periode, zo lang zelfs dat de grenzen tussen regerings- en oppositiepartij enigszins vervagen. Dat laatste alleen al maakt dit terugblikken tot een niet gemakkelijke aangelegenheid. Zo'n oproep tot reflectie werd vorig jaar gedaan door de vicevoorzitter van de Raad van State, in het jaarverslag van dit college over 2005 en in een daarop gebaseerd krantenartikel. "Besturen", zo tekent hij allereerst aan, "is meer dan de voorbereiding en uitvoering van wetten. Besturen is kunnen omgaan met verschillende werkelijkheden. De maatschappelijke werkelijkheid, waarin burgers leven en professionele uitvoerders hun werk moeten doen, de politieke werkelijkheid, waarin volksvertegenwoordigers hun programma proberen te realiseren en de ambtelijke werkelijkheid, waarin inhoudelijk deskundige ambtenaren de continuïteit van het overheidsbeleid verzekeren."

Welnu, met dat laatste is het volgens de schrijver steeds minder goed gesteld. Management, beheer en toezicht zijn ook in het openbaar bestuur de belangrijkste trefwoorden geworden. Tjeenk Willink kritiseert in zijn bijdrage de opmars van het bedrijfsmatige denken binnen de overheid – de rijksoverheid in het bijzonder – en de druk die dat zijns inziens op de inhoudelijke deskundigheid binnen de desbetreffende organisaties heeft gezet. Deze ontwikkeling is volgens hem in de hand gewerkt door in de eerste plaats een wel zeer sterke nadruk op de bevordering van interne mobiliteit binnen de ambtelijke dienst en in de tweede plaats door verzelfstandiging en privatisering van uitvoerende diensten. In combinatie, aldus Tjeenk Willink, hebben zij geleid tot een vermindering van het collectieve geheugen van het ambtelijk apparaat en van de inhoudelijke kennis binnen veel departementen. De dominantie van het bedrijfsmatige denken, zo concludeert hij, kan alleen worden teruggedrongen door een krachtiger tegenwicht van de uitvoerende professionals in de respectieve sectoren, door een hernieuwde verantwoordelijkheid van burgers voor de publieke zaak en door het herstel van de programmatische kracht van politieke partijen. Men hoeft het, denken wij, met de strekking van dit betoog niet eens te zijn, net zo min als met het ongemeen harde oordeel dat de schrijver velt: "het evenwicht binnen het openbaar bestuur is verregaand verstoord". Men hoeft het met dergelijke kritiek niet eens te zijn om haar serieus te nemen. Graag nodig ik de minister uit om hierop te reageren, zo niet op de stellingen van de vicevoorzitter van de Raad van State zelf, dan wel op het probleemcomplex dat hij aanwijst. Misschien dat de demissionaire status van de minister een dergelijke terugblik vergemakkelijkt.

Ik sluit af met een veel specifiekere vraag over een veel specifieker onderwerp: De Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens, de WOPT, waarbij openbaarheid een eerste stap is op weg naar een normering van topinkomens in de publieke en de semi-publieke sector. De grens voor openbaarmaking ligt op € 158.000, het gemiddelde ministerssalaris. Daarboven moeten alle met publiek geld gefinancierde topinkomens worden gemeld. De minister geeft in een brief van 1 december jongstleden een overzicht van de inkomens die boven het gemiddelde ministerssalaris liggen. Resultaat: ruim 1500 functionarissen kregen een inkomen boven die grens en ruim 1000 personen kregen dat als ontslagvergoedingen buiten beschouwing worden gelaten. De Partij van de Arbeid betreurt het dat er in de afgelopen jaren geen krachtiger beleid op dit terrein is gevoerd, zeker ten aanzien van exorbitante gouden handdrukken, soms gegeven aan slecht functionerende bestuurders. Mijn eerste vraag betreft de uitvoering van de WOPT door de minister. De Partij van de Arbeid heeft samen met D66 bij amendement bewerkstelligd dat ook de gronden waarop beloningen boven het ministerssalaris zijn gebaseerd, gepubliceerd moeten worden. Aldus kan worden bevorderd dat het aantal afwijkingen van de norm wordt beperkt. Genoemde gronden zijn echter niet in de brief of in de bijlage daarbij terug te vinden. Kent de minister deze gronden? Zo ja, waarom zijn die dan niet bekendgemaakt? Zo nee, waarom niet? Ik krijg hierop graag antwoord van de minister.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voorzitter. Ik ben opgegroeid in wat je een achterstandswijk zou kunnen noemen. Er stonden verpauperde flats. In die flats werd vaak gespoten, op straat werden pitbullgevechten gehouden en in een portiek vond een moord plaats. Ik weet dus uit eigen ervaring hoe het is om in een dergelijke wijk op te moeten groeien, hoe belangrijk veiligheid is en dat die niet ongelijk verdeeld mag zijn. Met mij gaat het inmiddels heel erg goed, zoals u kunt zien. Ik weet wel dat je moet beginnen met het voeren van sociaal beleid, wil je dat het in heel Nederland beter gaat en dat de veiligheid groter wordt. Dit is mijn politieke drijfveer. Deze lijn zal ik de komende jaren voortzetten. Ondanks dat de ministers inmiddels demissionair zijn, ben ik blij dat ik hier in ieder geval al een aantal richtingen, een aantal hoofdthema's voor mag uitzetten.

Het kabinet presenteert de laatste tijd hoopgevende cijfers over criminaliteit en veiligheid. De Partij van de Arbeid erkent dat er in de afgelopen periode hard is gewerkt om de veiligheid in Nederland te verbeteren. Elk signaal dat het hiermee beter gaat, is dan ook positief. Gisteren publiceerde het CBS hierover cijfers. Gelukkig is het aantal diefstallen verminderd. De criminaliteit, vooral in de grote steden, is gedaald; wij zouden natuurlijk wensen dat deze daling overal even groot zou zijn.

Tevredenheid is echter op dit punt ongepast. Veel mensen voelen zich nog steeds onveilig en durven de straat niet op te gaan. Kleine winkeliers zijn steeds vaker het slachtoffer van gewelddadige berovingen. Binnenkort zullen wij in de Kamer spreken over agressie tegen medewerkers van hulpverleningsdiensten; deze gevallen van agressie zijn helaas geen uitzondering. Vooral in de oudere wijken neemt, ook door de bezuinigingen, de verloedering toe, net als de kloof tussen de allochtone en de autochtone bevolking. De uitval in het onderwijs is groot. Er is dus, met andere woorden, nog genoeg te doen.

Hoewel ook de PvdA criminaliteit, geweld en vandalisme uiteraard hard wil en zal blijven bestrijden, is repressief optreden alléén niet genoeg. Het kabinet heeft daarop de laatste vier jaar te veel gefocust en te weinig gelet op preventief beleid. Juist het voorkomen van uitwassen is nodig om de veiligheid te waarborgen. In dit licht wil ik nu een beperkt aantal thema's doornemen. Het aantal kan beperkt blijven, omdat wij met een demissionair kabinet spreken.

De fractie van de PvdA wil de komende jaren veel aandacht besteden aan de aanpak van achterstandswijken en de veiligheid daar. Op dit moment heeft het kabinet, in het kader van het project Sociale herovering 25 mln. uitgetrokken voor twaalf achterstandswijken. De minister van VROM luidde onlangs de noodklok over 140 achterstandswijken. Het lijkt in dit licht raadzaam om het project Sociale herovering te verbreden. Hoe gaat het met de voortgang van dit project? Hoe zit het met de samenwerking met het ministerie van VROM? Dat ministerie heeft op dit punt een eigen aanpak onder de naam Nieuwe coalities voor de wijk. Is dit wellicht meer van hetzelfde?

De fractie van de PvdA wil ook veel aandacht besteden aan de verbetering van de samenwerking met lokale partijen. Hiertoe is onder andere door de minister van BZK het project Veilige gemeenten in het leven geroepen en is deze minister voornemens om met de gemeenten afspraken te maken. Hoe staat het hiermee? Wij hopen dat hij niet alleen afspraken maakt met gemeenten, maar ook met welzijnsorganisaties en woningcoöperaties. Wil hij dit ook? Hoe kan dit worden gerealiseerd?

De fractie van de PvdA vindt de invoering van een burger- en mogelijk een buurtbudget een ander belangrijk punt. De fractie vindt wijkgericht en buurtgericht werken erg belangrijk en wil dit in ere herstellen. Buurtbewoners verdienen het en hebben er recht op om meer invloed in de eigen woonomgeving te hebben. De fractie wil graag dat buurtbewoners zelf meer mogelijkheden krijgen om de problemen in de wijk aan te pakken. In Deventer en Heemskerk zijn bijvoorbeeld initiatieven waarbij burgers budget krijgen om daarmee direct invloed uit te oefenen in de eigen wijk. Een deel van het politiebudget zou hiervoor beschikbaar kunnen worden gesteld. Dit beleid past bij het idee dat de buurtbewoners zich veiliger en meer betrokken voelen als zij meer invloed krijgen. Kunnen de bewindspersonen hierop reageren?

De omvang van het politiekorps blijft helaas achter bij de verwachtingen. Zelfs als er rekening wordt gehouden met de bijstellingen die zo keurig worden opgenoemd, is de ontwikkeling op dit punt zorgwekkend. Het aantal politieagenten is in de afgelopen jaren eerder gedaald dan gestegen. Mede gelet op de ambitie die het kabinet op dit punt had, vind ik dit moeilijk te begrijpen. In 2014 wil de minister 1500 extra agenten aannemen. Hoe denkt hij dit te realiseren, aangezien hij er in de afgelopen jaren nog nooit echt in is geslaagd het aantal agenten uit te breiden? Bovendien is het aantal van 1500 agenten bij lange na niet genoeg om het verloop door de vergrijzing de komende tien jaar te compenseren. Dit verloop wordt geschat op 25.000 agenten. Ik vraag om een reactie hierop van de minister.

Ik kom op de prestatieafspraken met de politie. Er wordt gesproken over het versterken van de oog- en oorfunctie in de wijken, maar er zijn hierover geen concrete afspraken opgenomen. De fractie van de PvdA wil graag dat elke buurt weer een eigen buurtagent heeft, want hij of zij is daadwerkelijk het oog of oor van de wijk en kan vroegtijdig ingrijpen als het mis gaat. Dit is tevens de reden waarom de fractie tegen een volledig op nationaal niveau georganiseerde politie is. Vanuit De Haag kan de minister niet bepalen wat er aan de hand is in Rotterdam-Zuid of in Breda-Noord.

Radicalisering is ook een belangrijk thema, een thema dat in de komende jaren behoorlijk wat aandacht zal vragen. Radicalisering en extremisme is de laatste tijd helaas nog toegenomen. De regering heeft toegezegd, de mogelijkheden te onderzoeken om een breder spectrum aan preventieve bestuurlijke en bestuursrechtelijke maatregelen te verkrijgen. Hoe staat het hiermee? Een brede, integrale aanpak is nodig. De weerbaarheid van jongeren moet worden versterkt, de professionaliteit van wijkagenten moet worden verhoogd en jongerenwerkers en gevangenispersoneel moeten speciaal worden opgeleid om signalen van radicalisering te herkennen. Ook denken wij aan speciale jongeren-undercover-rechercheteams die kunnen nagaan waar het in een wijk misgaat.

Ten slotte vraag ik nog aandacht voor institutionele discriminatie. De regering zegt het aanpakken van discriminatie en racisme belangrijk te vinden, maar zij geeft zelf niet het goede voorbeeld. Volgens de Wet SAMEN moet 10% van het personeelsbestand uit allochtonen bestaan. De politie telt 6,2% allochtonen, de brandweer slechts 1,1% en Defensie doet het relatief nog goed met 7,5%, maar ook bij onderwijs- en overheidsinstellingen in brede zin is het hiermee nog slecht gesteld. Wat gaat de minister doen om dit beeld in de komende jaren te veranderen? Wij zouden hierbij graag een ambitie van 10% zien.

Ik rond af. Ik vond het fijn om hier voor het eerst te staan en in ieder geval een aantal punten op dit beleidsterrein naar voren te kunnen brengen. Dit wil niet zeggen dat ik andere onderwerpen, zoals rampenbestrijding en brandweerzorg, niet belangrijk zou vinden. Ik heb een aantal punten genoemd, opdat men in ieder geval weet welke koers ik in de komende vier jaar zal volgen.

De voorzitter: Dit lijkt mij een goed moment om de vergadering even te schorsen om stil te staan bij zowel uw maidenspeech als die van de heer Kalma. Ik feliciteer u alvast als eerste met het uitspreken van uw maidenspeech.

De vergadering wordt enige minuten geschorst.

Mevrouw Spies (CDA): Voorzitter. Laat ik beginnen met een compliment. De begroting bevat dit jaar veel meer concrete en afrekenbare doelen. Daarmee is zij een stuk meer VBTB-proef en dat is zonder meer een stap in de goede richting. Sommige collega's zeiden al dat dit een bijzonder moment is om de begroting te bespreken, vooral omdat de ministers op nogal wat punten in de begroting verwijzen naar keuzen die een volgend kabinet zou moeten maken. Of wij het nu hebben over de toekomstige organisatie van de politie en de rijksdienst of over de toekomst van het middenbestuur, zij geven nogal eens aan dat de knopen door een volgend kabinet moeten worden doorgehakt. Hoe begrijpelijk ook, ik betreur dat zij niet wat meer hapklare brokken en concrete voorstellen hebben aangeleverd.

Wat de adviezen betreft van de Nationale conventie en het Burgerforum, dat een aanpassing van ons kiesstelsel voorstelt, kan ik nog billijken dat zij deze adviezen laten bespreken bij de formatie en de vorming van een nieuw kabinet. De adviezen zijn immers verschenen toen de inkt van het desbetreffende begrotingshoofdstuk droog was. Voor de producten die direct onder de verantwoordelijkheid van deze ministers vallen, ligt dat toch een slag anders. Ter illustratie noem ik de notitie Het resultaat is de maat, een beter presterende rijksdienst van 27 oktober jongstleden. De afgelopen jaren hebben wij reikhalzend naar deze notitie uitgezien. De probleemanalyse van een te verkokerde en daardoor slecht presterende rijksoverheid wordt ongeveer door de gehele Kamer gedeeld. Echter, wat krijgen wij? Een letterlijk en figuurlijk dunne notitie. Zij schetst de probleemanalyse nog eens en zij hangt vervolgens aan elkaar van open deuren. Iets anders kan ik er niet van zeggen. Was dit niet bij uitstek een gelegenheid voor het kabinet om op basis van eigen ervaringen aan te geven op welke wijze de rijksdienst effectiever kan opereren? Nu is de notitie vooral een kopie van datgene wat de sg's in hun wijsheid hebben voorgesteld. Dat lijkt mij toch wel gemakkelijk. Wat wilt u zelf?

Ik krijg ook graag een reactie op de aanbeveling die de Raad van State in zijn beschouwing over de interbestuurlijke verhoudingen ten aanzien van de minister van Binnenlandse Zaken doet. Zijn positie zou volgens de Raad van State met het oog op het naleven van de omgangsregels tussen overheden in het kabinet meer profiel moeten krijgen. Minister Nicolaï, u wilde toch direct aan de slag met op zijn minst een van de aanbevelingen van de Nationale Conventie, met de operatie Kafka? Die betrof het vereenvoudigen van regels. Hoever bent u daarmee?

De minister van Binnenlandse Zaken heeft recent de aftrap gegeven voor het vorm gegeven van de toekomst van het decentrale bestuur. Misschien voelde hij nattigheid, want ook op dit punt wordt gesproken over een verkenning en is op de valreep de commissie-Kok ingesteld. Wij hadden met de minister de afspraak dat hij in samenwerking met de Holland Acht tot voorstellen zou komen en dit onderwerp eens een keer niet aan een aparte commissie zou overlaten. Wat is voor hem de aanleiding geweest om af te wijken van deze afspraak met de Kamer?

De CDA-fractie is er overigens van overtuigd dat de problemen in de Randstad het best en het snelst aangepakt kunnen worden door de inhoud van de problemen en dus de belangen van de burgers en de bedrijven centraal te stellen en niet de lange tenen van een lange rij bestuurders. Wij blijven ons inzetten voor snellere besluitvorming en willen een iets minder grote consensuscultuur. Dat daarbij zeker in de komende jaren een versterkte regie van het Rijk nodig is, staat voor de CDA-fractie vast. Daarom zijn wij met de commissie-Kok van oordeel dat er snel en onder regie van het Rijk een urgentieprogramma moet komen.

De heer Pechtold (D66): Dat is mij niet helemaal duidelijk. Ik heb straks maar vijf minuten spreektijd en ik zal daarin maar één onderwerp bespreken. Dat zal dit onderwerp zijn. U zegt de problemen van de burgers centraal te stellen en meer regie van de overheid te willen. Daar kan ik mij van alles bij voorstellen, behalve een oplossing. U hebt hierover jaren kunnen nadenken. Kunt iets meer zeggen over de uitkomsten van het werk van de commissie-Kok? Wat vindt u daarvan? Bent u het met mij eens dat wij het eens een keer niet over structuur of cultuur moeten hebben, maar dat wij moeten durven doorpakken?

Mevrouw Spies (CDA): Nee, dat ben ik niet met u eens. Wij denken dat het heel goed is wat de commissie-Kok heeft gedaan, namelijk het maken van een heldere analyse van de problemen in de Randstad die niet kunnen wachten op een aanpak door middel van een structuurverandering. Dat staat bijna letterlijk in het advies. De commissie-Kok stelt voor om zo snel mogelijk onder regie van het Rijk met een urgentieprogramma te komen. Over dat deel van het advies is de CDA-fractie enthousiast. Zij wil dat deel dus graag gaan invullen, onder verantwoordelijkheid van een nieuw kabinet.

Het tweede deel van het advies houdt de start in van een provinciale herindeling, parallel aan het urgentieprogramma. Daar heb ik nogal wat bedenkingen bij, die tweeledig zijn. In de eerste plaats is dat voor het CDA – dat zal de heer Pechtold bekend in de oren klinken – draagvlak bij de betrokken bestuurders. Daar ben ik niet erg optimistisch over, zeker niet als ik de reacties van de diverse bestuurders uit de Randstad op mij in laat werken. In de tweede plaats ben ik erg bang dat de structuurdiscussie zo dominant wordt dat wij de problemen op het gebied van ruimtelijke inrichting en mobiliteit vergeten.

De heer Pechtold (D66): Wij zijn het helemaal eens met het urgentieprogramma: daar zal ik u als regeringspartij aan houden. Maar nu de structuur. U bent het toch met mij eens dat wij, als wij wachten op draagvlak bij bestuurders van provincies, heel lang kunnen wachten? Hoe ziet u de uitvoering van een urgentieprogramma in verhouding tot de macht van die provinciale bestuurders? Bent u niet met mij van mening dat wij beide moeten doen? Een urgentieprogramma is prima, maar wij zullen nu toch ook een keuze moeten maken. Hoe ziet u anders de mogelijkheid uw urgentieprogramma uit te voeren, wanneer u er geen nieuwe laag bij hebt en ook geen oude laag hebt afgeschaft? Waar leggen wij die verantwoordelijkheid dan neer?

Mevrouw Spies (CDA): U vergeet gemakshalve, wellicht bewust, de G-4. Behalve de vier provincies gaat het immers ook om de vier grote steden en de WGR-gebieden, om maar eens een willekeurig voorbeeld te noemen. Mijn constatering is nog steeds dat al deze bestuurders rollebollend over straat gaan als het gaat om de structuur, zodat mij dat geen erg vruchtbare discussie lijkt. Laten wij het veel concreter maken, en kijken naar het wetsvoorstel dat nu ter goedkeuring bij de Eerste Kamer ligt op het gebied van de Wet ruimtelijke ordening. Daarin zit heel uitdrukkelijk een keuze: maximaal twee bestuursorganen gaan nog over een besluit dat de ruimtelijke inrichting betreft. Het aantal procedures kan dus behoorlijk worden beperkt. Laten wij nu eens gewoon met dit soort instrumenten aan de gang gaan! Ik kan mij heel goed voorstellen dat, als alle bestuurders in de Randstad menen dat zij de problemen willen oplossen, zij alle uitkeringen, bijvoorbeeld op het gebied van verkeer en vervoer, op een plek neerleggen, waarover dan gezamenlijke prioritering plaatsvindt. Dát zou naar mijn gevoel met het urgentieprogramma moeten gebeuren.

Het lijkt wel alsof in het verlengde van de commissie-Kok op allerlei plekken in Nederland de discussie over schaalvergroting op provinciaal niveau losbarst. Wij denken niet dat de Randstad maatgevend moet zijn voor de oplossing van de problemen in de rest van Nederland. Ik vraag mij ook werkelijk af of de situatie in de overige landsdelen een dergelijke ingrijpende oplossing rechtvaardigt. Graag krijg ik de bevestiging van de ministers dat zij de problemen van de Randstad die vragen om een specifieke aanpak, ook zullen aanpakken, maar de rest van Nederland daarin niet meenemen.

De heer Van Beek (VVD): Als die discussie in de andere provincies van onderaf wordt gestart, is daar dan enig bezwaar tegen?

Mevrouw Spies (CDA): Nee. Ik heb steeds gezegd dat iedere discussie over structuur weer discussie oproept over de dan wellicht nieuw te ontstane grenzen. Ik heb heel vaak de noordelijke provincies gecomplimenteerd met de strategische alliantie die zij zijn aangegaan bij het Langmanakkoord. Soms zijn er dingen waardoor je specifiek met de noordelijke provincies een samenwerkingsverband moet sluiten. Ik merk dat er bewegingen bij de provincies rondom het IJsselmeer zijn om gemeenschappelijk te kijken naar de vraag wat zij met het IJsselmeer willen. Zuid-Holland, Zeeland en Brabant werken uitstekend samen aan de corridor naar het zuiden. Laten wij de inhoud van de problemen vooropstellen. Structuuroplossingen zijn daar niet per definitie het juiste antwoord op.

De heer Van Beek (VVD): Dat was een ruim antwoord op een redelijk eenvoudige vraag. Het ging mij erom dat u tot nu toe bij bestuurlijke reorganisaties de weg openhoudt voor initiatieven van onderaf. Dat geldt toch ook voor provincies? Ik heb aansluitend een tweede vraag. Kunt u zich voorstellen dat een discussie in het westen van het land over de schaal van het middenbestuur, voor andere provincies een aanleiding kan zijn om na te denken over de consequenties voor hen wanneer er zulke grote verschillen in de krachtsverhoudingen ontstaan?

Mevrouw Spies (CDA): Mij bereiken op dit moment nog geen signalen van provincies buiten de Randstad om spontaan van onderaf met voorstellen tot opschaling te komen. Wij zullen eventuele voorstellen vanzelfsprekend op basis van draagvlak etc. beoordelen.

Verder heb ik eerdere reacties gezien, bijvoorbeeld van het IPO. Daarin wordt gezegd dat als de Randstad vraagt om een specifieke oplossing, de overige provincies zich dan niet tegen de oplossing op dat punt zullen verzetten, maar dan wel met de kanttekening dat die oplossing voor de Randstad niet als maatgevend voor de overige provincies mag worden bestempeld. Dat lijkt mij verstandig.

De heer Van Beek (VVD): Dat laatste zijn wij volstrekt met elkaar eens. Het gaat mij er alleen maar om dat wij de mogelijkheid voor andere provincies openhouden om met hun eigen ideeën te komen.

Mevrouw Spies (CDA): Het is heel goed wanneer provincies zo ongeveer de enige zijn die daarin initiatieven nemen. Wij moeten voorkomen dat wij vanuit Den Haag dictaten gaan opleggen.

Voorzitter. Dan kom ik op de verkenning van de minister over het middenbestuur. Die kan wat ons betreft worden "geprullebakkeerd", om het in het jargon van de minister te zeggen. Groot was onze verbazing toen hij op het punt van herindeling in nota bene het eerste beleidsuitgangspunt in die notitie radicaal breekt met zijn eigen herindelingskader. Wij zullen – ik markeer het nog maar een keer – niet meewerken aan herindeling van bovenaf en zeker niet in het modelmatige keurslijf waarin de minister de gemeente onder de grens van 20.000 inwoners wil laten functioneren. Ik ben blij dat deze minister niet de kans krijgt om op dit onderdeel die verkenning nog te vertalen in concrete voorstellen, want anders hadden wij de degens nog wel wat heftiger moeten kruisen.

Dat brengt mij op een brief die wij een jaar na dato hebben ontvangen over de uitvoering van de motie-Boelhouwer/Knops over de benoeming van waarnemend burgemeesters. Naar het oordeel van de CDA-fractie voert de minister deze motie onvolledig uit. En dat is dus anders dan de Kamer aan hem had gevraagd. Ik heb op twee punten moeite met de brief van 21 november. De minister veronderstelt dat een bestuurskrachtmeting alleen plaatsvindt als er sprake is of zou kunnen zijn van herindeling. De praktijk is echter een totaal andere. Bovendien lopen er op dit moment in zo veel gemeenten bestuurskrachtmetingen dat je dan in het geval van een burgemeestersvacature automatisch tot benoeming van een waarnemer zou moeten overgaan. En dan draait de minister de zaak ook nog eens om. Niet meer automatisch wordt de vacature opengesteld, nee, dat gebeurt alleen als de gemeenteraad zich verzet tegen het verlengen van een niet-openstelling. Dat is de omgekeerde wereld. De motie-Boelhouwer/Knops was volstrekt helder en niet vatbaar voor dit soort rekkelijke uitleg. Kan ik er daarom van uitgaan dat wij deze brief dan maar als niet geschreven moeten beschouwen en dat wij binnenkort de gewijzigde circulaire tegemoet kunnen zien?

Voorzitter. Ik kom bij het onderdeel politie. Veiligheid kun je nooit volledig garanderen, maar als overheid heb je wel de plicht om een veilige samenleving na te streven. Het CDA is dan ook van mening dat de overheid voldoende gekwalificeerde mensen moet inzetten om de veiligheid te waarborgen. De afgelopen jaren zijn daartoe belangrijke stappen gezet. Binnen politie- en veiligheidsdiensten zijn de terrorisme-gerelateerde onderdelen fors uitgebreid. Het CDA heeft deze ontwikkelingen steeds gesteund, omdat zij noodzakelijk waren. Zij hebben echter ook een keerzijde. De reguliere politie, belast met de basiskwaliteitszorg in Nederland, is de afgelopen jaren versneld veel ervaren collega's kwijtgeraakt. De doelstelling "meer blauw op straat" komt daarmee in de ogen van de CDA-fractie in gevaar.

Het CDA heeft de afgelopen jaren steeds gewezen op de afspraken om in 2010 per saldo 4000 extra agenten te hebben. De minister heeft er keer op keer op gewezen dat het afgesproken saldo ook gehaald gaat worden. Toch blijven wij ons zorgen maken. De reguliere uitstroom zal de komende jaren onveranderd hoog blijven, terwijl de instroom aantoonbaar moeite heeft om de uitstroom te compenseren. Veel korpsen hebben moeite om de zogenaamde noodhulpbezetting op peil te houden. Bovendien gaat dat op peil houden direct ten koste van andere politiewerkzaamheden, zoals projecten, opsporing en wijkzorg. Vooral de wijkzorg blijft in de ogen van de CDA-fractie mede daardoor achter bij de doelstellingen.

De vraag aan de minister is vandaag dan ook of hij de knelpunten die het CDA signaleert, herkent en onderkent. Welke aanvullende maatregelen gaat hij nemen om te voorkomen dat de basis van de politie kwalitatief, maar vooral ook kwantitatief, te veel verzwakt? Is het geld dat daarvoor in de begroting is gereserveerd, en dan vooral in meerjarenperspectief, ook echt toereikend?

Het is goed dat de hulpverlening als basistaak voor de politie niet meer ter discussie staat. Minder begrijpelijk vinden wij de opstelling van het kabinet over het meevoeren van de defibrillator. Zoals bekend is de politie in veel gevallen eerder ter plaatse bij ongevallen dan de ambulance. Door het niet meevoeren van die defibrillator staan de politieagenten letterlijk met lege handen, wanneer er sprake is van hartfalen. Het is dan ook goed dat de Tweede Kamer unaniem in een motie heeft uitgesproken dat alle politiemotorvoertuigen moeten worden uitgerust met een defibrillator. Het is onverkwikkelijk dat een kennelijk slepende discussie tussen de ministeries van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid de daadwerkelijke invoering vertraagt. Het ziet ernaar uit dat de minister een duwtje in de rug nodig heeft. Daarom heb ik hierover een amendement ingediend, dat mede is ondertekend door collega Griffith. Alle auto's van de ANWB worden inmiddels met een defibrillator uitgerust. Als de ANWB dat kan, moet dat zeker ook bij de politie kunnen.

Een halfjaar geleden hebben wij bij monde van de toenmalige collega's Algra en Vietsch aandacht gevraagd voor het zogenaamde vermistepersonensysteem. De minister heeft toen aangegeven dat een aantal functionaliteiten in dit systeem moesten worden verbeterd. Wat is de stand van zaken?

Ondanks het ontbreken van een formeel wettelijk kader gaat de vorming van de veiligheidsregio's op de meeste plaatsen gelukkig gestaag door. Uit de vele gesprekken met bestuurders en professionals blijkt dat er bij die verdere invulling grote behoefte is aan duidelijkheid over binnen welke wettelijke kaders er in de toekomst moet worden gewerkt. In de komende maanden moet er duidelijkheid worden verschaft over de volgende onderwerpen: de positie van de drie kolommen en vooral de samenwerking op de werkvloer, de integratie van de besturen van de politie- en veiligheidsregio en met welk gezag de positie van de voorzitter wordt ingevuld, vooral wat betreft de financiële verhoudingen. Kan de minister een tijdpad of een spoorboekje geven voor de stappen die in de komende periode moeten worden gezet?

De regionalisering van de brandweer is volop gaande. In meerdere regio's is sprake van grote inzet van bestuurders, vrijwilligers en professionals. Ik plaats hier heel bewust ook de vrijwilligers bij. Zonder de vrouwen en mannen die zich als vrijwilliger inzetten, kan de brandweer niet functioneren. Namens de CDA-fractie spreek ik daarvoor op deze plaats veel waardering uit.

Voor de positie van de vrijwilliger vraag ik ook bij deze begrotingsbehandeling aandacht. De vrijwilliger ziet zichzelf als een volwaardig lid van de brandweergemeenschap en wil in die zin ook serieus worden genomen. Daarom kloppen de vrijwilligers nu op de deur van het ministerie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Zij willen worden betrokken bij het landelijk overleg met Binnenlandse Zaken en de VNG over allerlei aspecten die de brandweerzorg en de positie van de vrijwilligers in de brandweerorganisatie direct raken, en dan praat ik niet alleen maar over de landelijke cao. Dat alles doen zij met het oogmerk om te komen tot versterking van de traditie van het vrijwilligerschap op lokaal niveau. Is het kabinet bereid om die deur daadwerkelijk open te doen?

Veel gemeenten worden geconfronteerd met extra kosten voor het op sterkte brengen van de brandweer als gevolg van het feit dat de uitspraak van het Europese Hof verregaande consequenties heeft voor de arbeidstijden. Betekent dit dat er in de gemeenten sprake is van onderbezetting? Zo ja, heeft dat consequenties voor de basisbrandweerzorg?

Het beeld dat in de trendnota naar voren komt, spreekt ons veel meer aan dan dat van vier jaar geleden.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Is de CDA-fractie van mening dat wij ons moeten houden aan de uitspraak van het Europese Hof en dat er zo snel mogelijk actie dient te worden ondernomen? In vergelijking met de uitspraak van het Europese Hof moeten brandweermannen en -vrouwen meer uren werken. Hoe staat mevrouw Spies daar tegenover? De acties die momenteel worden gevoerd over de cao voor ambtenaren, hebben niet alleen betrekking op geld maar ook op arbeidstijden.

Mevrouw Spies (CDA): Wij zullen een uitspraak van de rechter moeten eerbiedigen. Wat dat betreft doet het er niet toe of het een uitspraak van de Nederlandse rechter betreft of van het Europese Hof. Daarbij plaats ik de kanttekening dat dit niet ten koste mag gaan van de brandveiligheid. Ik heb vernomen dat de gemeente Utrecht meent dat zij twee jaar nodig heeft om de basiszorg van de professionele brandweer weer op peil te brengen. Wat ons betreft staat de veiligheid voorop. Ik heb al opgemerkt dat wij gevolg moeten geven aan de uitspraak van het Europese Hof – daarover mag geen misverstand bestaan – al kan dat niet van vandaag op morgen.

In de trendnota krijgt de voorbeeldfunctie van de overheid als werkgever concreet handen en voeten. Ik doel daarmee bijvoorbeeld op het gericht inzetten op het vergroten van het aantal allochtone vrouwen in hogere functies binnen de overheid. Dat is uitstekend. Ook het intrekken van het Koninklijk Besluit dat voorziet in ontslag van werknemers in overheidsdienst die de leeftijd van 65 jaar bereiken, is een voorbeeld van meer flexibiliteit en maatwerk voor werknemers. Er wordt relatief veel aandacht besteed aan scholing en loopbaanontwikkeling, juist ook voor de groep 45-plussers in overheidsdienst. Het is ook goed dat het kabinet zich aan de belofte houdt om in de begroting € 800.000 te reserveren voor achterstallig onderhoud in het kader van VUT en prépensioen. Toch kan het altijd beter. Naar ons oordeel zou het nog beter zijn om de flexibiliteit binnen de rijksdienst verder te vergroten. Wordt het niet tijd dat alle ambtenaren bij de rijksdienst in algemene dienst zijn? Zouden wij op die manier de schotten tussen de departementen niet kleiner moeten maken? Is het kabinet bereid om bij wijze van het invullen van die voorbeeldfunctie ook een doelstelling na te streven voor de groep mensen die moeilijk bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt? Ik doel onder andere op de groep die langdurig een uitkering krijgt.

De discussie over de topinkomens blijft de gemoederen bezighouden. Dat gebeurt ook in de publieke sector en in de semipublieke sector. De laatste brief van het kabinet geeft daartoe overigens ook wel aanleiding. Ondanks het feit dat wij daarover op een ander moment uitgebreider zullen spreken, merk ik op dat wij graag willen dat de commissie-Dijkstal snel komt met een advies over normering in de semipublieke sector. De voortgang in de codes die nu worden ontwikkeld, geeft ons onvoldoende vertrouwen. Het kabinet kan dan natuurlijk ook geen genoegen nemen met het feit dat nog steeds 7% van de organisaties geen gegevens aanlevert en zich daarmee onttrekt aan publieke verantwoording. Op welke wijze zorgt het kabinet ervoor dat dit percentage alsnog doet wat van hem verwacht mag worden?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Openbaarmaking alleen is inderdaad een beetje slap. Vervolgens duurt het soms immers lang en wij constateren ook dat de salarissen in de publieke sector en in de semipublieke sector te hoog zijn. Kan mevrouw Spies exact aangeven wat die normering voor haar inhoudt? Tot welke hoogte of diepte wenst zij te gaan?

Mevrouw Spies (CDA): Dat kun je niet in z'n algemeenheid aangeven. Voor de rijksdienst lijkt mij dat vrij helder: daar zou, in lijn met de adviezen van de commissie-Dijkstal, het salaris van de minister-president richtinggevend moeten zijn. Ik vraag echter niet voor niets om een advies van de commissie-Dijkstal over de normering in de semipublieke sector. Als u nu voorstelt dat ook daar het salaris van de minister-president richtinggevend zou moeten zijn of de top van het salarisgebouw zou moeten worden, wil ik daar iets langer over nadenken in plaats van hier op een dinsdagmiddag te besluiten dat dat het meest wijze zou zijn. Ik wil daar echt een goed advies van de commissie-Dijkstal aan vooraf laten gaan.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Als kwesties gevoelig liggen – dat geldt voor deze kwesties, want wij praten hier al jarenlang over – is het altijd handig om dan maar weer een advies te vragen. In de publieke sector en voor ambtenaren in bepaalde functies is het MP-salaris echter de norm; dat wordt ook wel "de Balkenendenorm" genoemd. Over de hoogte daarvan hebben wij nog de nodige discussie, maar het is een beetje vaag en slap dat de CDA-fractie niet durft uit te spreken in welke richting zij denkt. Waarom hebben wij een eindeloze commissie-Dijkstal nodig? Wij kunnen dat toch gewoon in de Kamer bepalen? Wij hebben die richting immers al eerder aangegeven. Straks hebben wij weer een jarenlange discussie, terwijl er dan nog steeds enorme bedragen naar die mensen in de publieke en semipublieke sector gaan. Dat is hopelijk iets wat ook u niet bevalt.

Mevrouw Spies (CDA): Dat bevalt ons zeker niet, maar mevrouw Van Gent laat zich op deze manier wel weer goed herkennen. Wij hebben een fundamenteel andere visie op de overheid en de inrichting van de samenleving dan GroenLinks. Dat is misschien maar goed ook.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Wat heeft dat met het betalen te maken?

Mevrouw Spies (CDA): Een hele hoop, want uw voorstellen wekken, wat de inrichting van deze samenleving betreft, de indruk dat wij hier in de Kamer alles dirigistisch en centralistisch zouden moeten willen aansturen. Dat beeld van de samenleving staat het CDA niet voor ogen. Ons past als Kamer ook enige terughoudendheid, omdat wij daar niet rechtstreeks over gaan. In de semipublieke sector zijn wij geen werkgever. Wij gaan dus niet over die topinkomens. Ik ben het met u eens – dat is niet nieuw en dat is ook niet slap en laf, zoals u dat formuleerde – dat wij topinkomens...

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Die woorden heb ik niet in de mond genomen, maar je zou het inderdaad zo kunnen noemen.

Mevrouw Spies (CDA): U nam die woorden wel in de mond; ik citeer u dus letterlijk. Wij vinden dat je zorgvuldig naar die inkomens moet kijken en dat er een vorm van normering zou moeten komen, maar wel op basis van een afgewogen advies en niet op basis van een vluggertje, zoals GroenLinks het misschien zou willen voorstellen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik stel mij iets heel anders voor bij een vluggertje, want over dit onderwerp wordt in de Tweede Kamer al jarenlang gepraat. Dat weet mevrouw Spies net zo goed als ik. Omdat u een beetje ruzie had met de PvdA, hebben wij op dit punt nog niet kunnen doorpakken. Dat is enorm vervelend, maar als u zegt dat er snel normering moet komen, hoe snel wilt u die normering dan hebben? Is de commissie-Dijkstal daar nog drie, vier, vijf of zes jaar mee bezig of zegt u dat u daar bijvoorbeeld voor de zomer of voor de Voorjaarsnota helderheid over wilt hebben? Ik vind het inderdaad slappe hap dat u zelf niet met een bepaalde norm komt, terwijl u wel pseudoverontwaardigd zegt dat er iets moet gebeuren. Dat betekent dat u de topinkomens nu te hoog vindt. Wees dan moedig en noem gewoon een bedrag waar u naar toe wilt. Dat heeft niets met dirigistisch te maken, maar met het feit dat wij best enige normen en waarden mogen verbinden aan de publieke en semipublieke sector, waar wij – heel vaak met een gigantisch bedrag – met z'n allen aan meebetalen. Uw fractie is toch ook voor normen en waarden? Tenminste, daar was uw fractie voor. Dan zou ik zeggen: noem gewoon een bedrag en doe niet zo kinderachtig.

Mevrouw Spies (CDA): Ik krijg nu een beetje moeite met de kwalificaties van mevrouw Van Gent. Zo kennen wij mevrouw Van Gent ook met enige regelmaat in deze Kamer. Het CDA staat inderdaad nog steeds voor waarden en normen en wij willen daarop aangesproken en ook afgerekend worden.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Vooral afgerekend worden.

Mevrouw Spies (CDA): Ja, dat is in deze discussie een goed woord. Bij waarden en normen hoort echter ook zorgvuldigheid. Ook dat is de CDA-fractie iets waard. Ik verwacht dat de commissie-Dijkstal snel en adequaat met adviezen komt. Een en ander moet gemakkelijk voor de zomer klaar kunnen zijn. Op basis daarvan komt het kabinet waarschijnlijk met voorstellen voor normering in de semipublieke sector. Daarover zijn wij het namelijk eens.

Voorzitter. Ik was bij het onderwerp van het Gemeentefonds en het Provinciefonds gekomen. De financiële perspectieven voor gemeenten en provincies zien er een stuk beter uit dan in de afgelopen jaren. Natuurlijk profiteren ook zij mee van de beter gevulde rijksschatkist, maar ook het beëindigen van slepende discussies over een aantal langlopende kwesties met de VNG, met dank aan beide partijen, is voordelig. De CDA-fractie meent dat voor 2007 vooral moet worden gekeken naar een manier waarop het aantal doeluitkeringen drastisch kan worden verkleind zodat de bestedingsvrijheid van gemeenten en provincies wordt vergroot. Daarbij is het natuurlijk van belang dat daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan de motie-Koopmans over het halveren van het aantal monitoringsverplichtingen. Ik ben benieuwd naar de stand van zaken op dat punt. Deze discussie is een stuk vruchtbaarder dan energie stoppen in een heilloze discussie over een gesloten huishouding voor de provincies. Ik twijfel er niet aan dat de minister het daarmee eens is.

In de categorie onduidelijkheid in wet- en regelgeving bestaat sinds kort een dispuut over het privégebruik en zakelijk gebruik van dienstauto's door leden van het openbaar bestuur. De Belastingdienst houdt er in mijn ogen een onnavolgbare redenering op na: het bezoeken van een bestuursvergadering van de VNG is privégebruik terwijl het bezoeken van congressen van politieke partijen waarvan men lid is, zakelijk gebruik is. Er lijkt nu zelfs de bizarre situatie te ontstaan dat een chauffeur die moet wachten en even naar Scheveningen rijdt om een broodje te eten, de gereden kilometers als privégebruik moet aanmerken. Het achteraf treffen van een regeling voor een naheffing die commissarissen hebben gekregen, lost het probleem natuurlijk niet structureel op. De CDA-fractie wil dat zo snel mogelijk een einde komt aan het grijze gebied, aan de onduidelijkheid en aan verrassingen achteraf. Zij wil gewoon een heldere regeling. Dat hoeft niet zo vreselijk ingewikkeld te zijn. Neemt de minister hiervoor zelf het initiatief, vanzelfsprekend samen met zijn collega van Financiën, of laat hij de gemeenteraad of provinciale staten bij elke nevenfunctie aangeven of deze hoort bij het uitoefenen van de functie, waarbij de Belastingdienst vervolgens als uitvoerend orgaan die beoordeling volgt? Dat scheelt een hoop gedoe en een heleboel negatieve publiciteit die het openbaar bestuur geen goed doet.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik ben het met u eens dat er helderheid moet komen over dit grijze gebied. Ik heb begrepen uit een artikel in de NRC dat u onderscheid wil maken tussen ritjes die worden gemaakt uit hoofde van een publieke functie – die worden vergoed – en ritjes die worden gemaakt uit hoofde van een commerciële bijbaan.

Mevrouw Spies (CDA): Daarmee wordt in elk geval een begin gemaakt met het opheffen van dat grijze gebied.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): In datzelfde artikel van de NRC staat dat een woordvoerder van BZK erkent dat de compensatie die het ministerie voor zijn rekening neemt, betekent dat commissarissen die de bijtelling voor de meer commerciële bijbanen hebben gekregen over de periode 2001-2005 dat bedrag niet zelf hoeven te betalen. Hoe kijkt u daartegenaan? Dat betekent dat voor de bijtelling van een deel van de commerciële bijbanen waar men aan verdient, voor een jarenlange periode niet hoeft te worden betaald. Vindt u dat juist? Ik vind dat namelijk niet juist.

Mevrouw Spies (CDA): Voordat daarover een oordeel kan worden uitgesproken, moet de rechtspositieregeling van de commissarissen bekend zijn. Die ken ik momenteel onvoldoende. Ik weet niet welke afspraken en welke verwachtingen in de rechtspositieregeling van de commissarissen op dit punt zijn opgenomen. Voordat ik kan beoordelen of de regeling die door de minister achteraf getroffen is juist is, moet ik meer weten over de afspraken die over de rechtspositie zijn gemaakt. Die vraag moeten wij dus aan de minister stellen. Voor de toekomst moet er helderheid zijn zodat wij achteraf niet met onaangename verrassingen worden geconfronteerd. Ik heb een aantal voorbeelden gezien die mij niet optimistisch maken over het optreden van de Belastingdienst in een aantal van dit soort kwesties.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik begrijp nu dat mevrouw Spies deze vraag aan de bewindslieden heeft gesteld. Daarom kan deze vraag nu ook mede namens mij worden gesteld.

Mevrouw Spies (CDA): Er is een behoorlijk dossier van Kameruitspraken en beloften van de minister van BZK op het gebied van precario. Ik ken de minister als iemand die zijn beloften ook nakomt. Op dit dossier is dat echter nog niet gebeurd. Sterker nog, zijn laatste belofte dat de afschaffing van de precario per 1 januari 2007 een feit zou zijn, komt hij niet na. Dit zou zijn eer te na moeten zijn. Ik doe een dringend beroep op de minister van BZK om dit wetsvoorstel nog vóór het einde van zijn ambtsperiode aan de Raad van State voor te leggen. De CDA-fractie heeft een redelijk uitgewerkt voorstel klaarliggen en wil de minister best een handje helpen.

Ten slotte probeer ik een omissie goed te maken die ik aan het begin van mijn betoog heb begaan. Ik zou namelijk graag de heer Kalma en mevrouw Kuiken van harte willen feliciteren en complimenteren met hun maidenspeech. Nu ze echt helemaal ontgroend zijn, heet ik ze nogmaals van harte welkom in de Kamer. Ik spreek de verwachting uit dat er nog heel veel mooie en misschien ook stevige en vruchtbare debatten met hen gevoerd zullen worden.

De heer Van Raak (SP): Voorzitter. Ik wil namens de SP-fractie de heer Kalma en mevrouw Kuiken van harte feliciteren. Omdat ik niet mocht interrumperen, wil ik in mijn eigen kostbare tijd toch nog een vraag aan de heer Kalma stellen. Zijn kritiek op het bedrijfsmatig denken bij de overheid sprak mij erg aan in zijn verhaal. De heer Kalma legde in zijn betoog ook een verband met de politiek van marktwerking, privatisering en verzelfstandiging. Ik wil hem in ieder geval vragen om te traceren waar deze politiek is begonnen. Volgens mij is dat begonnen in de kabinetten waarvan de Partij van de Arbeid ook deel uitmaakte. Ik begreep uit zijn woorden dat wij erop kunnen vertrouwen dat wanneer de Partij van de Arbeid deel uitmaakt van een komend kabinet, dit kabinet zal breken met dit beleid en met dit bedrijfsmatig denken. Ik wacht het antwoord van de heer Kalma hierop graag af.

Dan kom ik op deze begroting, die van deze ministers is, maar die natuurlijk vooral voor de volgende ministers is. Binnenkort zal de minister van BZK plaats nemen in de Kamerbankjes. Het is mij opgevallen dat zijn laatste begroting erg veel financiële ruimte laat. De fracties die nu onderhandelen over een nieuw regeerakkoord zullen deze ruimte waarschijnlijk in dit debat niet graag willen invullen. Dat geeft ons in ieder geval ruimte voor een korte terugblik. Ik begin met een gemakkelijke vraag. Als de minister terugkijkt op zijn jaren bij BZK, waarop is hij dan het meeste trots?

De tweede vraag is al wat moeilijker. Waarop is de minister het minste trots? Dat kan natuurlijk van alles zijn. Ik doe hem wat suggesties. Misschien zijn beleid om de groei van de topinkomens in de publieke en semipublieke sector in de hand te houden. Maatregelen als de openbaarmaking van inkomens hebben het gegraai alleen maar groter gemaakt. Misschien is het de moeizame omgang met lagere besturen en met de ambtenaren. Op dit moment zijn er acties tegen deze minister. De brandweerlieden hebben acties ondernomen, bijvoorbeeld om op te komen voor hun arbeidstijden. De politiebonden noemden de minister "onbetrouwbaar". Dat is niet iets om trots op te zijn. Of is deze minister het minst trots op zijn ministers voor Bestuurlijke vernieuwing? Ik bedoel natuurlijk niet de minister die nu naast hem zit, maar zijn twee voorgangers. Wij horen het graag.

Als deze minister vertrekt, laat hij in ieder geval geen schoon bureau achter. Hopelijk kunnen wij vandaag alsnog iets van die achterstand wegwerken, om te beginnen op het gebied van veiligheid. Politieagenten lijken zich steeds minder veilig te voelen als er burgers in de buurt zijn. Meer dan 40% van de agenten heeft zich het afgelopen jaar bedreigd gevoeld. Tegelijkertijd klagen burgers steeds vaker over de politie, bijvoorbeeld over onnodig gewelddadig optreden, het soms moeizaam verlopen van aangiftes en flutboetes zoals voor gladde banden op een fiets. Sinds 2001 is het aantal klachten tegen de politie met bijna 40% gestegen. In antwoord op vragen van mijn collega Gerkens verklaarde de minister deze groei door de betere klachtenregeling en de toegenomen mondigheid van burgers. De nieuwe klachtenregeling dateert echter niet uit 2001, maar uit 2004, dus dat kan de verklaring niet zijn, en mondigheid is toch hopelijk niet hetzelfde als klagen? Graag willen wij daarom van de minister een betere verklaring hebben. Heeft de groeiende onvrede misschien te maken met de prestatiecontracten, die agenten veel minder ruimte geven om naar eigen inzicht te handelen? In het debat van 4 oktober vorig jaar ontkende de minister dit ten stelligste. Is het echter niet zo dat prestatiecontracten, die het politiewerk opdelen in meetbare eenheden, de professionaliteit aantasten van politieagenten die tijdens hun werk te maken krijgen met onmetelijke problemen? Wij hebben aanwijzingen dat klachten van burgers door de politie niet altijd serieus worden genomen. Er zijn klachten blijven liggen, aangevers zouden worden getreiterd en feiten verdraaid. De SP-fractie zou graag zien dat klachten landelijk werden gebundeld en dat de politie daarover jaarlijks verantwoording aflegt. Kan de minister dit voorstel steunen? Wij overwegen op dit punt een motie.

Er zijn nieuwe prestatieafspraken gemaakt met de politie. Daaruit blijkt dat de minister niet van zijn geloof wil vallen dat meer regeltjes mensen beter laat presteren. In een brief van 27 november 2006 noemt de minister expliciet de individuele prestatiebeloning. Politiewerk is echter bij uitstek werk waarin mensen goed moeten samenwerken. Wij moeten collega's dan niet tegen elkaar opzetten met individuele prestatiebeloningen, zeker niet als daar geld mee gemoeid is. Waarom is de minister het daarmee niet eens? In de nieuwe prestatiecontracten wordt meer rekening gehouden met de regionale wensen van de politie, en dat is mooi. De SP-fractie is voorstander van een regionaal georganiseerde politie, met veel lokale inspraak. Daarom willen wij meer wijkagenten, die de buurt goed kennen en die regelmatig de mensen zien en naar eigen inzicht problemen kunnen oplossen. Dat kan leiden tot een boete, maar soms is een goed gesprek beter, of het aanspreken van de ouders dan wel het inlichten van de jeugdzorg. Door een lokale aanpak kunnen problemen vroegtijdig worden gesignaleerd en in de kiem worden gesmoord. Meer mensen lijkt ons beter dan meer regels. De minister wil bestuurlijke boetes, maar de SP-fractie wil extra agenten op straat, wijkagenten, wijkteams en toezichthouders.

Het Centraal Planbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau komen gezamenlijk tot de conclusie dat voortzetting van het huidige grotestedenbeleid niet wenselijk is. Dat is een nogal hard oordeel. Wat vindt de minister daarvan? Hoe kijkt hij terug op al die jaren grotestedenbeleid en hoe moet het volgens hem beter? Wat kan een volgende minister hiervan leren?

Ik schrok nogal van de opmerking in de begroting over de sociale herovering van wijken en buurten. Ik heb het nu niet over de doelstelling, want die is goed. Wij willen allemaal overlast en verloedering tegengaan, zodat bewoners zich veiliger voelen. Ook willen wij dat mensen zich op straat goed gedragen. In mijn buurt zie ik hoe bewoners van elkaar vervreemden en hoe de sfeer agressiever wordt. Mevrouw Kuiken wees daar ook al op met betrekking tot de buurt waar zij woont. Ik schrok echter van de aanpak. Sommige buurten moeten worden "heroverd", maar op wie? Op de nieuwe bewoners? Zij hebben hun buurt toch niet bezet? Zij zijn daar toch gewoon komen wonen? Ik denk dat hierbij sprake is van meer dan een ongelukkige woordkeuze. De idee van sociale herovering lijkt voort te komen uit een Amerikaanse traditie waarin sociale achterstanden vooral worden herleid tot gedragsproblemen. Als mensen zich weer goed gaan gedragen, zouden zij ook uit hun maatschappelijk isolement kunnen komen. Dat is een heel individualistische, morele benadering. In deze opvatting maakt sociale zekerheid mensen lui, waardoor er onvoldoende een beroep wordt gedaan op hun eigen verantwoordelijkheid. Deze opvatting is de laatst jaren bijvoorbeeld verwoord door de Britse psycholoog Dalrymple. Vormen dergelijke nauwe opvattingen ook de basis voor de idee van sociale herovering, of mogen wij deze politiek wat breder opvatten? Komt er ook aandacht voor de maatschappelijke oorzaken die tot achterstanden leiden, zoals de segregatie in het wonen, de uitval in het onderwijs en het verdwijnen van werkgelegenheid voor laaggeschoolden? Gaan wij ook bezien welk beleid onder de kabinetten van Kok en Balkenende ertoe heeft bijgedragen dat mensen nog verder op achterstand zijn gekomen? Ik denk aan de verzelfstandiging van de woningbouwverenigingen, de schaalvergroting in het onderwijs en de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Wat gebeurt er als mensen in achterstandswijken zich straks beter gaan gedragen, maar toch geen woning, scholing of werk kunnen krijgen? Worden daarmee de problemen opgelost?

De minister heeft twaalf steden uitgenodigd om plannen te maken. Veel zal afhangen van de keuzes die door deze steden worden gemaakt. Hopelijk zal daarbij niet alleen worden gekozen voor "fatsoen moet je doen", maar voor woningbouw, scholing en werkgelegenheid. Ik vraag de minister, hoe het staat met de plannen van deze steden. Hij heeft daarvoor 25 mln. beschikbaar gesteld. Dat lijkt ons nog niet voldoende voor een voorzichtig begin.

De SP-fractie heeft voorstellen gedaan om de sociale samenhang in de wijken te vergroten, door kleinschalig onderwijs in de buurt, het stimuleren van buurtwinkels en het organiseren van zorg en opvoedingsondersteu­ning in de wijk. In het verleden is veel bezuinigd op stadswachten. Dat heeft bijvoorbeeld winkeliers op extra kosten gejaagd. De politie moet naar onze opvatting kunnen optreden tegen diefstal en onveiligheid. Dat mag niet afhankelijk zijn van de mogelijkheid om een bewaker in te huren.

Dan de integriteit van het bestuur. Na onder meer de bouwfraude, de hbo-fraude en de faillissementsfraude wordt dit onderwerp in de politiek gelukkig serieuzer genomen. Onderzoek is gedaan naar het voorkomen van corruptie. Een Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector (BIOS) is in het leven geroepen. Toch ontbreekt het nog steeds aan een gevoel van urgentie. Ook jaren na de bouwfraude is de registratie van integriteitsschendingen nog niet goed geregeld. Ambtenaren zijn nog steeds bang om misstanden te melden. NMa-directeur Kalbfleisch zei het onlangs nog eens: toezicht is niet mogelijk zonder klokkenluiders.

De SP-fractie wil dat de minister een landelijke inventarisatie maakt van meldingen van fraude en integriteitsschendingen. In grote steden als Amsterdam en Rotterdam is in de afgelopen jaren een groot aantal onderzoeken gedaan naar meldingen van het vermoeden van misstanden, meer dan honderd per jaar. Dat is een kwart van alle onderzoeken bij de overheid. Naar onze idee spelen daarbij de vertrouwelijkheid van de behandeling en een voortvarende behandeling van de meldingen een belangrijke rol. Hoe verklaart de minister de verschillen in aantallen meldingen tussen de verschillende overheidsorganen? Hoe wil hij de achterblijvers in het gelid brengen?

De SP-fractie wil een nationale coördinator fraudebestrijding aanstellen en de prioriteit van het vervolgen van fraude vergroten. Bovendien willen wij het aantal deskundigen bij de recherche, bij het OM en bij de rechterlijke macht uitbreiden. Voorts zien wij heel graag een betere klokkenluidersregeling. Daarvan hoort in ieder geval een fonds onderdeel te zijn ter ondersteuning van mensen die oneervol worden ontslagen, daardoor in financiële problemen komen en te maken krijgen met rechtszaken. Maar ook smartengeld of geld voor reputatieschade zou uit een dergelijk fonds kunnen worden betaald. Het gaat dus om een fonds waarmee verzekerd kan worden dat mensen hun maatschappelijke plicht kunnen vervullen door fraude en misstanden te melden.

Ten slotte ben ook ik heel erg benieuwd naar de mening van de minister over de voorstellen van de commissie-Kok over een Randstadautoriteit. Voor mijn fractie zien die er toch erg uit als een koekoeksei in het middenbestuur. Ik zie ook hier meer denken in grootschaligheid en in structuren dan in kleinschaligheid, samenwerking en het voeren van regie. Wij hebben daar erg veel vraagtekens bij, maar zijn toch ook benieuwd naar wat de regering van de voorstellen vindt.

De heer Van Beek (VVD): Voorzitter. Er zijn heel veel interessante ontwikkelingen binnen het openbaar bestuur. Veel rapporten vragen zeker onze aandacht. Wij zouden graag willen praten over de wetsvoorstellen ten aanzien van de commissie-Dijkstal, het rapport van de Holland Acht of het rapport van de commissie-Kok, maar ook de voorstellen ten aanzien van het middenbestuur. Toch zal ik daar mijn verhandeling niet over houden. De discussie daarover wil ik namelijk voeren op het moment dat er ook kabinetsstandpunten liggen en wij tot beslissingen kunnen overgaan. Ik wil mij vandaag richten op een aantal punten waarvan ik denk dat het nuttig is ze nog met deze twee ministers te bespreken.

Allereerst heb ik een paar opmerkingen over de Kieswet. Het is van belang dat de Kieswet wordt gemoderniseerd. Het gaat ons niet om hervorming van het kiesstelsel, maar om het feit dat het huidige kiesstelsel ervan uitgaat dat iedereen nog met een rood potlood stemt, dat er na afloop van de stemming door iedereen geteld wordt en dat er meegekeken kan worden bij die telling. Kortom: in de wet is uitgegaan van iets wat verouderd is, dus de VVD-fractie vindt dat de wet zo snel mogelijk aan de tijd moet worden aangepast. Maakt dit ook deel uit van de opdracht van de commissie-Korthals Altes? Zo niet, wat moet die commissie dan doen? Waarom is er überhaupt voor een commissie gekozen? Waarom heeft de organisatie het niet zelf aangepakt?

Het tweede traject betreft het willekeurig stemmen in stembureaus. Dat vinden wij een heel goed idee, al zien wij dat dit tijdens de laatste verkiezingen op een aantal punten niet goed heeft gewerkt. Ik wijs vooral op hoe dat heeft uitgepakt met de stempas, op het feit dat niet iedereen door had dat er een aparte pas voor nodig was en op de situatie dat mensen die zo'n pas wel hadden aangevraagd, maar hem op dat moment niet meer konden laten zien, in de problemen kwamen. Mijn fractie heeft het gevoel dat hier nog veel voorlichting over moet worden gegeven. Wat zijn de ervaringen van de minister tot nu toe? Wat is het kabinet voornemens te doen om ervoor te zorgen dat kiezers die hun pas kwijtgeraakt zijn, wel hun stem kunnen uitbrengen? Ik vraag dit vooral met het oog op de verkiezingen die binnenkort worden gehouden.

Mijn derde vraag gaat over de problematiek van het stemmen door Nederlanders in het buitenland. Zij is vaak besproken, maar nog steeds niet echt goed opgelost. Er zijn veel klachten binnengekomen, ook na de laatste verkiezingen. Bestudeert de commissie-Korthals Altes dit onderwerp ook? Zo niet, hoe wordt het dan aangepakt? Naar de mening van mijn fractie moet dit worden verbeterd. Wat zijn daartoe volgens het kabinet de mogelijkheden? Hoe kunnen mensen die in het buitenland wonen en het recht hebben om voor de Tweede Kamer en het Europees Parlement te stemmen, dat op een eenvoudiger manier doen? Hoe kunnen er minder stemmen verloren gaan?

Ten vierde wil ik de door een aantal inwoners van Aruba uitgelokte uitspraak van het Europees Hof noemen. Ik begrijp dat de Raad van State daar ook nog een standpunt over moet innemen. Hoe reageert het kabinet op deze uitspraken? Twee weken geleden zijn hier tijdens het reguliere overleg tussen de drie parlementen nadrukkelijk vragen over gesteld.

Het vierde punt betreft de situatie rondom een drietal eilanden van de Antillen die een gemeente overwegen te worden. Die zaak wordt natuurlijk op een ander moment en met de minister in een andere hoedanigheid besproken. Toch ben ik nu al benieuwd of er sprake zal zijn van openbare lichamen en daarmee gepaard gaand stemrecht voor de Eerste en Tweede Kamer. De discussie is of die openbare lichamen onderdeel moeten worden van een provincie. Daar wordt al op gespeculeerd. Al worden die openbare lichamen geen onderdeel van een provincie, zijn er dan toch mogelijkheden om het stemrecht voor de Eerste Kamer gerealiseerd te krijgen of moet er altijd een indeling in een provincie zijn, al is die maar pro forma? Dit waren mijn vragen over de Kieswet.

In november 2006 is in de Eerste Kamer de Elektriciteits- en Gaswet besproken en afgehandeld. Met deze ministers wil ik niet over elektriciteit praten, maar wel over wat er is gebeurd. Mijn fractie heeft de indruk dat in de Staatscourant uiteindelijk een wet komt te staan die volstrekt anders is dan de wet die de Tweede Kamer heeft behandeld. De Eerste Kamer heeft de Splitsingswet aangenomen, maar de splitsing zelf uitgesteld door voorwaarden aan de invoering te stellen. Het ziet er dus naar uit dat de wet via een motie is geamendeerd. De vraag is of de gang van zaken die zich bij de behandeling van dit wetsvoorstel heeft voorgedaan met de afspraken over de taakverdeling over de Eerste en Tweede Kamer strookt. Nogmaals, het gaat mij dus niet specifiek om deze wet of dit beleidsonderdeel, maar om het wetgevend proces en om de vraag hoe de Eerste en de Tweede Kamer met elkaar werken in dit proces. Hoe oordelen de ministers hierover? Als zij nog geen oordeel hebben, zou ik graag willen dat dit wordt uigezocht.

Ik kom op het decoratiestelsel. Ik heb al eerder gezegd dat ik vind dat er bij de dualisering iets gebeurd is dat niet de bedoeling was. Wethouders en gedeputeerden zijn met de dualisering namelijk uit artikel 14 van het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau gevallen, omdat zij sinds de dualisering geen lid meer zijn van de gemeenteraad of gedeputeerde staten. Toch is er in de Kamer geen discussie gevoerd over de vraag of dit wenselijk is. Zo zien wij nu dat in artikel 14d wel degelijk nog steeds de staatssecretaris en de minister worden genoemd. Ik vind dat er een onevenwichtige situatie ontstaan is tussen raads- en statenleden enerzijds, en bewindslieden op landelijk niveau anderzijds en ik zou hierover met de minister van gedachten willen wisselen. Het lijkt mij dat dit rechtgetrokken moet worden.

De ontslagleeftijd voor burgemeesters, commissarissen van de Koningin, voorzitters van waterschappen en de Nationale ombudsman is verhoogd van 65 naar 70 jaar. Dit wil niet zeggen dat al deze functionarissen ook altijd tot hun 70ste in functie zullen blijven, maar er ontstaat wel een keuzemoment tussen de 65 en de 70 waarop men zich moet afvragen wanneer men met pensioen wil gaan. De VVD-fractie is hierover positief en vindt dat niet alleen enkele functionarissen, maar alle ambtenaren dit recht moeten krijgen. Wij realiseren ons dat dit niet zonder voorwaarden kan, want er ontstaat niet een eenzijdig recht. Voor werknemers én werkgevers zal er onder bepaalde voorwaarden een situatie moeten worden gecreëerd waarbij bepaalde spelregels worden gehanteerd. Dit moet een onderwerp zijn dat door de sociale partners, in overleg met de minister, wordt besproken. Het is echter erg positief dat mensen nu zelf kunnen bepalen wanneer zij met pensioen willen en dat dit niet alleen maar wordt bepaald doordat zij op enig moment de leeftijd van 65 jaar bereiken. Heeft de minister dit onderwerp op de agenda gezet van het overleg met de sociale partners? Wanneer denkt hij daar met hen uit te komen?

Er bereiken ons berichten dat de gemeentelijke woonlasten en de ozb weer fors stijgen. Heeft de minister al een overzicht van de stijgingen en heeft hij daarover al een oordeel? Dit was het eerste volle jaar nadat het voorgaande jaar de heffing wel heel snel na de invoering van de nieuwe wetgeving plaatsvond. Heeft de minister een oordeel over het functioneren van de provincies bij het toezicht op deze ontwikkelingen? Worden de intenties die bij de behandeling van de wet in de Kamer zijn uitgesproken, ook echt waargemaakt?

Met name door de VNG wordt erop gewezen dat het Gemeentefonds op één punt echt tekortschiet. Het gaat daarbij om zowel de brandweerzorg en de rampenbestrijding als de openbare orde en veiligheid. Ik heb begrepen dat de VNG hierover meningsverschillen heeft met het kabinet. Hoe staat het met de gesprekken over deze onderwerpen? Is hierover op korte termijn overeenstemming te verwachten?

Ik kom ten slotte op de fiscale problematiek rond reiskosten van bestuurders met dienstauto's. Is de minister van BZK bereid en in staat om een handzame definitie te leveren aan de minister van Financiën over de vraag wat zakelijk en wat privégebruik is, zodat dit probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost op het ministerie waar dat hoort te gebeuren, namelijk op het ministerie van Financiën?

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.

Mevrouw Griffith (VVD): Voorzitter. Er is in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd om de criminaliteit te verminderen. Verschillende gemeenten zijn op dit terrein heel actief. De laatste rapporten geven aan dat de criminaliteit met name in de grote steden is afgenomen en de politie probeert ook heel creatief te zijn door burgers bij het bestrijden van de criminaliteit te betrekken. De VNG heeft echter in een brief aangegeven dat de gemeenten ongeveer 335 mln. tekortkomen voor beleid op het gebied van openbare orde en veiligheid. Dit schijnt gebaseerd te zijn op de resultaten van een onderzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Ik heb begrepen dat er in de periode 2007-2009 in het Gemeentefonds 220 mln. extra beschikbaar zal zijn voor activiteiten op het gebied van openbare orde en veiligheid. Toch pleit de VNG nog voor een structurele verhoging van het budget om de criminaliteit op lokaal niveau te kunnen bestrijden. Graag een reactie hierop.

Voor het bestrijden van de criminaliteit is het natuurlijk van belang dat de politieorganisatie over hooggekwalificeerd personeel beschikt, maar er zijn twee bedreigingen. Enerzijds wordt het politiewerk complexer; zo vraagt financiële fraude specifieke deskundigheid van de politie. Anderzijds wordt de politieorganisatie net als vele andere organisaties met vergrijzing geconfronteerd. In de brief van 6 december over de politiesterkte geeft de minister aan dat hij voor de politie een taskforce personeelsvoorziening in het leven heeft geroepen. Het is voor onze fractie onduidelijk wat het einddoel van deze taskforce is. Wat moet er bereikt worden als het gaat om de kwaliteit en de kwantiteit van de Nederlandse politie? Voorts zijn er geluiden te horen over een betere salariëring van de politie. Juist omdat er heel veel geld wordt uitgetrokken voor bepaalde onderdelen van de politie, zou ik graag vernemen welke stappen de minister wil ondernemen en wat hij vindt van deze roep om hogere salarissen.

De zware storm van afgelopen donderdag heeft zeven mensen het leven gekost. Ons medeleven gaat uit naar de nabestaanden van de slachtoffers van deze storm. Het nationaal coördinatiecentrum heeft vooraf via de media een alarmbericht gegeven. Verschillende diensten en overheidsorganisaties zijn hierbij betrokken geweest. Ik noem de KLM, de Nederlandse Spoorwegen, het KNMI, de commissarissen van de Koningin en de burgemeesters. Vele instanties en personen zijn erbij betrokken geweest en zij hebben al dan niet nauw met elkaar samengewerkt. Er is een telefoonnummer gebruikt dat speciaal ingesteld is voor het gebruik bij crises en er is ook gebruik gemaakt van de website www.crisis.nl. Er is veel goed gegaan, maar er zijn ook berichten over gebrekkige bereikbaarheid van deze site en over onvoldoende slaapplaatsen in het congrescentrum in Utrecht en in de RAI. Ik neem aan dat het gebruikelijk is om de gang van zaken bij dit soort gebeurtenissen te evalueren, dus ik vraag de minister van Binnenlandse Zaken als coördinerend minister voor crisisbeheersing of hij kan aangeven of de aanpak bij deze storm geëvalueerd zal worden. En als dit zo is, wil hij het resultaat hiervan dan aan de Kamer toesturen? Wij moeten leren van wat er goed gegaan is, maar ook van de dingen die verkeerd zijn gegaan.

De VVD-fractie maakt zich grote zorgen over de streefwaarden voor de dienstverlening van de politie aan de burger. In de begroting stelt de minister dat de politie redelijk functioneert en presteert. Dit vinden wij toch wel een beetje mager, wij gaan ervan uit dat de ambitie van de minister toch iets hoger is dan redelijk presteren. De minister geeft in de begroting aan dat de streefwaarde nu bepaald wordt door de veiligheidsmonitor. Wat de VVD-fractie betreft zou het niet moeten uitmaken of de streefwaarde bepaald wordt door de politiemonitor of door de nieuwe veiligheidsmonitor. De dienstverlening aan de burger mag er niet onder lijden. Dat betekent iets voor de telefonische bereikbaarheid van de politie. De VVD-fractie gaat ervan uit dat de dienstverlening aan de burger optimaal blijft of verbetert.

Gisteren bereikte mij het bericht over een nieuw politie-uniform dat op basis van een Europese richtlijn gedragen zou moeten worden. Er zijn berichten, onder andere van het Witte Kruis, die aangeven dat de uniformen aanleiding geven voor verwarring. Ik begrijp alles niet helemaal. Er komen nieuwe uniformen voor een deel van de politie, voor motor-, verkeers- en waterpolitie. Voor een andere categorie komen er blauwe uniformen. Wij krijgen dus gele uniformen en blauwe uniformen. Volgens mij zou dat aanleiding kunnen zijn voor onhelderheid. Het gaat de VVD-fractie juist om helderheid en herkenbaarheid voor de burger. Kan de minister hierover iets meer vertellen? Is bij de totstandkoming van de wijziging en bij de acceptatie van de Europese richtlijn rekening gehouden met de verschillende diensten in Nederland? Weten de burgers met wie zij te maken hebben als zij iemand van de politie zullen aanspreken?

De voorzitter: het woord is aan de heer Brinkman, die zijn maidenspeech zal houden.

De heer Brinkman (PVV): Voorzitter. Alles lijkt in Politie Nederland prima te gaan. Echter, niets is minder waar. De overheid heeft de slag om het vertrouwen verloren. De burger heeft van de politie het beeld van het fanatiek bonnen schrijven, maar op het moment waarop een boef met 75 kilo cocaïne gepakt kan worden, heeft de politie geen tijd. De burger heeft geen respect meer voor de politie. In Lelystad mag je zelfs "fuck you" naar de politie roepen. Boeven worden opgepakt, maar zij staan voordat hun proces-verbaal uit de printer rolt alweer op straat. Ik ben van mening dat de politie datgene moet doen waarom de burger vraagt.

In de periode van deze minister is de politie een soort politiek instrument geworden. De politieman wordt de straat op gestuurd met de opdracht per jaar 350 bonnen uit te schrijven. Het gaat helemaal niet om het soort overtreding, maar om de aantallen: kwantiteit is belangrijker dan kwaliteit. Ik kan mij herinneren dat een politieman twee weken voor het einde van het jaar met een radar de straat op werd gestuurd, omdat het quotum van het wijkteam niet gehaald zou worden. Door het fanatieke schrijven van deze politieman werd dit aantal wel gehaald en vervolgens werd hij beloond met een bonus.

Begin vorig jaar bleek ineens dat het bonnenquotum niet meer zo belangrijk was. Er moest gewerkt worden aan het verkrijgen van opgeloste misdrijven met een dader. Ook nu weer hetzelfde principe met nog verdergaande gevolgen. Opeens gaat de politie zich namelijk richten op zaken die gemakkelijk op te lossen zijn. De politie gaat opnieuw voor de aantallen en niet voor datgene waaraan de burger behoefte heeft. De politie gaat zich bijvoorbeeld richten op winkeldiefstallen, niet omdat het tegengaan daarvan prioriteit heeft, maar omdat deze zaken eenvoudig en snel afgehandeld kunnen worden, terwijl zij wel voor een misdrijf tellen. Dit werkt preventie richting de detailhandel niet in de hand. De mensen die werkten aan reeds ingezette preventieprojecten kregen te horen dat men graag een andere koers wilde, namelijk de winkeldief gewoon zijn gang laten gaan en daarna aanhouden.

Er is een ander nadeel. Bij de behandeling van misdrijven heb je politiemensen achter de bureaus nodig en dus geen politiemensen in uniform op straat. In de regio Amsterdam is bijvoorbeeld een trek gaande van politiemensen in uniform in de wijkteams naar rechercheurs in burger. Deze rechercheurs moeten misdrijven afhandelen. Dit betekent feitelijk dat in Amsterdam de komende jaren minder politie in blauw op straat loopt, terwijl juist de politiek reeds jaren de burger belooft om meer blauw de straat op te sturen. Is de minister bereid om dit beleid met deze uitwerking een halt toe te roepen?

Deze misstanden hebben een organisatorische oorzaak. Binnen de politie hebben wij namelijk twee kapiteins op één schip: de handhaving van de openbare orde en de opsporing van strafbare feiten zijn gedecentraliseerd naar de driehoek korpsbeheerder, hoofdofficier van justitie en korpschef. De PVV is ervan overtuigd dat de macht van die driehoek moet worden gebroken. De handhaving van de openbare orde en de justitietaak moeten gedaan worden waar zij democratisch gezien gedaan behoren te worden, namelijk door de minister, gecontroleerd door de Tweede Kamer en niet door een ondemocratisch gekozen driehoek die voor allerlei besluiten moeilijk democratisch gecontroleerd kan worden. De PVV wiléén minister van veiligheid, verantwoordelijk voor beheer en beleid op het gebied van openbare orde en justitie, waarin dus justitie en politie zijn samengevoegd. De PVV wil de macht van de theedrinkende burgemeesters breken. Hoe staat de minister tegenover deze zienswijze? Is hij bereid naar de haalbaarheid en wenselijkheid van een dergelijke reorganisatie onderzoek te doen? Zo ja, dan stel ik ook voor te kijken naar het aantal regio's. Een verdergaande centralisatie naar vier regio's en het KLPD zal veel effectiever werken. Graag de mening van de minister hierover.

Ik noem twee voorbeelden van deze problematiek. Het eerste voorbeeld is de kraak van het fort Pannerden. Ik wil het hebben over de belachelijke deal die de burgemeester van deze gemeente met de krakers heeft gemaakt. Na eerst honderdduizenden euro's te hebben verknald aan ontruiming van dit fort, werd het na een paar dagen weer gekraakt. Wat doet de overheid vervolgens? Zij gaat met de krakers om tafel zitten, en als beloning krijgen zij een beheersfunctie voor het fort. In plaats dat deze lieden worden aangehouden en worden leeggeplukt voor de schade die zij hebben aangericht, worden zij beloond en krijgen zij geen straf. Bijna alle burgemeesters werken zo. Als de krakers sympathie krijgen en er geweld moet worden gebruikt, krijgt men slappe knieën en gaat men over tot het sluiten van deals. Is de minister eindelijk bereid, zijn verantwoordelijkheid hierin te nemen door centrale regels op te stellen met betrekking tot de aanpak van kraakpanden?

Het volgende voorbeeld hoort thuis in de categorie "bestrijding islamitisch terrorisme". Er zijn burgemeesters die van het bij elkaar houden hun levenswerk hebben gemaakt, zij het totaal op de verkeerde manier, namelijk door het bekende kopje thee drinken in de moskee, en onder andere ook door bijeenkomsten bij te wonen van bijvoorbeeld B&W van de stad Amsterdam met het bestuur van de El Tawheed-moskee, waarbij bijna moet worden gesmeekt, anti-Israël-opmerkingen van de moskeesite af te halen. Een ander voorbeeld is de invoering in Amsterdam van een radicaliseringsexpert. Deze man gaat de wijk in en zou jongeren moeten herkennen die aan het radicaliseren zijn, terwijl dit ook door buurtregisseurs binnen de politie wordt gedaan. Het was een buurtregisseur die een rapport heeft opgemaakt over Mohammed Bouyeri, waarin melding werd gemaakt van diens radicaliseringsproces, maanden voordat hij Theo van Gogh vermoordde. Is er iets gedaan met dit rapport? Zijn andere instanties aangestuurd? De minister en ik weten het antwoord. Is hij ook hierin bereid, eindelijk zijn verantwoordelijkheid te nemen en een meer centrale aanpak op te leggen, zodat wij niet allerlei zaken dubbel gaan doen en geld weggooien?

Deze voorbeelden zijn van belang om aan te geven dat het beleid bij die burgemeester te dicht bij het volk staat, waardoor burgemeesters als het even moeilijk wordt bakzeil halen. Deze mentaliteit is overal aanwezig in onze maatschappij, en dat ziet de burger. Degene die het hardst schreeuwt, krijgt het meest gedaan. De politieman op straat heeft daar last van. Als hij moet optreden, kan hij twee dingen doen: doorlopen of de confrontatie aangaan, wetende dat als hij het laatste doet, hij de kans loopt een klacht aan zijn broek te krijgen. Deze klacht wordt binnen onze maatschappij met alle egards behandeld, en zijn baas vindt dit niet leuk, of die klacht nu terecht is of niet.

Het zou mooi zijn indien deze minister, na ruim vierenhalf jaar op het departement te hebben gewerkt, aan het einde van zijn periode mijn suggesties van een man uit de praktijk durft over te nemen. Dit is goed voor de politie, en nog beter voor het land.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Voorzitter. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de heer Brinkman te feliciteren met zijn maidenspeech. De heer Brinkman leert snel, want hij had zelfs de term "fuck you" in zijn bijdrage. Ik weet dat zoiets alleen mag als je iemand citeert. Zeg je dat zelf, dan krijg je echt problemen met de voorzitter. Hij is wat dat betreft dus een snelle leerling.

Verder viel het mij op dat het theedrinken bij hem een centrale plaats inneemt. Hij vindt dat niet zo'n goed idee, maar ik wil hem meegeven dat het drinken van een kopje thee mensen soms ook tot rust kan brengen, zodat dingen nog eens nader beschouwd kunnen worden. Het lijkt mij dus niet altijd slecht. Ik zie overigens uit naar de pittige discussies met de heer Brinkman, want ik kan hem verzekeren dat die er zullen komen, ook gezien zijn bijdrage. Ik wens hem veel succes, pit en uiteindelijk geen slappe thee toe, maar voor dat laatste ben ik bij de heer Brinkman niet zo bang.

Voorzitter. De eerste drie kabinetten-Balkenende zijn tekortgeschoten in de aanpak van de topinkomens. In de publieke, maar zeker ook in de semipublieke sector zijn op grote schaal de zakken gevuld. Hoewel de Tweede Kamer een reeks moties heeft aangenomen om deze geldhonger van bestuurders een halt toe te roepen, heeft het kabinet nauwelijks actie ondernomen. Dat moet in mijn ogen de komende vier jaar radicaal anders. Aan de Kamer zal het niet liggen; ook nu is er een ruime meerderheid voor inperking van de topinkomens. Wouter Bos was helder in de kabinetsformatie: als de PvdA in de regering komt, gaan de ministersalarissen met niet meer dan 10% omhoog. Dat is dus een stijging van € 9400 nu naar ruim € 10.000 bruto per maand, maximaal. GroenLinks vindt het huidige salaris hoog genoeg en heeft niet het idee dat meer betalen leidt tot betere bewindslieden. Het is toch niet zo dat er nu allemaal tweederangsmensen zitten in dit kabinet of het komende kabinet? Aan de non-verbale uitdrukking op zijn gezicht zie ik nu dat minster Nicolaï daaraan twijfelt. Maar ja, meer geld zal ook niet in alle gevallen tot verbetering leiden. Wij behoeven ook niet te denken dat de gang naar de voedselbank noodzakelijk wordt. Wij hebben het namelijk over salarissen die bijvoorbeeld tien keer hoger liggen dan het bedrag dat een bijstandsmoeder ontvangt. Het gaat dus over behoorlijk wat geld. In ieder geval is +10% wat ons betreft beter dan de door deze minister voorgestelde +30%. Graag krijg ik vandaag van de PvdA de bevestiging dat zij vasthoudt aan de maximale bescheiden verhoging. Dat lijkt mij een interessant punt in de formatie, maar zij heeft nu al de gelegenheid om het met ons en wellicht een meerderheid in de Kamer te regelen.

GroenLinks vindt het ontzettend slap dat deze minister niet verder is gekomen dan een wet die verplicht tot openbaarmaking van salarissen die hoger zijn dan 130% van het huidige ministerssalaris van € 158.000 per jaar. De boodschap is: zakken vullen in de publieke sector is toegestaan zolang je het maar eerlijk vertelt. En de Kamer wil normeren, niet alleen voor ambtenaren op ministeries maar voor alle bestuurders die worden betaald uit belastinggeld, premies of heffingen. Ik noem de zorginstellingen, de energiebedrijven en de woningbouwcorporaties. Collega's van D66, de SP en GroenLinks, onder wie ikzelf, hebben hierover moties ingediend die zijn aangenomen. Waarom heeft de minister deze moties naast zich neergelegd? Ik doe een beroep op deze minister om een wettelijke normering voor te bereiden, zodat die door het nieuwe kabinet kan worden doorgevoerd.

De heer Pechtold (D66): Mevrouw Van Gent vindt D66 vaak aan haar zijde als het gaat om topinkomens maar ik vind dat zij naast haar taalgebruik over zakken vullen, nu wel heel kort door de bocht gaat door aan te geven dat je met een hoger salaris geen betere ministers krijgt. Dat haalt namelijk een van de bouwstenen van onze gezamenlijke opzet weg, namelijk het ervoor zorgen dat een ministerssalaris een soort ijkpunt in de maatschappij wordt. Wat D66 betreft zou dat dit +30% moeten zijn en zou dat voor de aanvang van de nieuwe kabinetsperiode geregeld moeten worden zodat het nieuwe kabinet straks niet het gevoel heeft over de eigen salarissen te moeten gaan. Is mevrouw Van Gent het niet met ons eens dat door die +30% wij van een heleboel discussies afkomen en wij misschien wel betere mensen krijgen op de vele plekken in de maatschappij waar wij kwaliteit willen hebben?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik ben blij dat u mij interrumpeert, maar ik ben het niet met u eens. De fractie van GroenLinks heeft altijd gekozen voor een consequente lijn en gezegd dat zij het huidige salaris, dat ook niet misselijk is, genoeg vindt. U hebt zelf ook jarenlang topbestuurders geleverd voor dit salaris, dat neem ik tenminste aan, dus dat is het probleem niet. Ik zou zeggen dat wij de zaak kunnen bevriezen op het huidige salaris van de mp, ook als het gaat om de topambtenaren. Men kan tegen een heel goed salaris, wat de meeste Nederlanders nooit zullen verdienen, werken voor de publieke sector. Zoals ik al zei, is het tien keer zoveel als wat een bijstandsmoeder vangt, dus daar hoeft men niet zielig over te doen. De fractie van GroenLinks is voor inkomensnivellering, maar ik weet niet precies hoe dat bij uw fractie ligt. Laten wij daar nu een begin mee maken en niet door op te hogen, maar door af te toppen.

De heer Pechtold (D66): Mijn fractie is zeker niet voor inkomensnivellering. Ik vind dat mensen in de publieke zaak juist goed beloond moeten worden, dan kun je ook kwaliteitseisen stellen en onderscheid maken. Ik vind dat wij deze discussie de komende periode goed moeten voeren, zeker nu ik heb gemerkt dat u in Groningen en zelfs ik in Wageningen netto maandelijks meer op onze giro bijgeschreven krijgen, doordat in onze kosten alle mogelijke zaken zijn verwerkt, waardoor ons inkomen ogenschijnlijk lager uitvalt. Is mevrouw Van Gent het met mij eens dat wij beter moeten betalen om kwaliteitseisen aan mensen te kunnen stellen, juist omdat GroenLinks ook vaak kritiek heeft op dit soort mensen?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Die kritiek heeft meestal betrekking op de inhoudelijke beschouwingen van deze topbestuurders en heeft weinig met hun inkomen te maken. Als zij goede dingen zeggen, zal ik ze prijzen, wat zij ook verdienen, dus dat lijkt mij het probleem niet. Ik ben het niet met u eens, maar dat had u waarschijnlijk al begrepen. Wij vinden het huidige salaris genoeg. Mensen met lage of lage middeninkomens hebben jarenlang de broekriem fors moeten aantrekken. Het is nergens voor nodig om te zeggen dat ministers, de minister-president, de staatssecretarissen en ook de Kamerleden lekker mogen uitbuiken en dat de ministers er 30% bij krijgen. Dat is gewoon niet te verkopen. Daar moeten wij niet aan beginnen. Ik zou zeggen: denk er nog eens over na, want wij kunnen echt wel goede mensen krijgen. Of hebt u jarenlang B-types geleverd voor de paarse kabinetten en de kabinetten-Balkenende, omdat echt goede mensen zeiden: dat doe ik niet, want ik verdien zo weinig als minister of staatssecretaris? Dat lijkt mij niet, want ze zitten allemaal te beven bij de telefoon of zij erbij zijn en gebeld worden, als het weer zo ver is. Dan willen zij dat allemaal dolgraag doen, ook met het huidige salaris. Dat lijkt mij niet aan de orde. Wij zijn het gewoon niet eens, maar dat moet kunnen, lijkt mij.

De heer Pechtold (D66): Ik krijg al te horen dat ik aan uitlokking doe en dat het verhaal nooit stopt, maar ik constateer dat ik het hypocriet vind. GroenLinks levert geen B-types en ook geen C-types, want het doet niet eens mee aan het bestuurlijk onderhandelen. Mevrouw Van Gent en de minister komen allebei uit Groningen, maar mevrouw Van Gent krijgt netto per maand meer dan deze minister. D66 vindt dat wij daarover een open discussie moeten kunnen voeren, ook in het parlement. Wat mij betreft hebben wij hierover nog een appeltje te schillen met GroenLinks, en zeker als mevrouw Van Gent hierover dadelijk een motie indient.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Dat heeft niets met hypocriet te maken. Ik wil heel graag die discussie met u aangaan. Ik heb een ander startpunt dan u. Ik zou zeggen: laten wij een zaaltje huren en laten wij er nog eens fijn met elkaar over doorpraten, maar in deze zaal mag ook. Volgens mij is inmiddels wel helder dat D66 en GroenLinks het niet eens zijn. Wij vinden het huidige niveau ruim voldoende en willen het geld eerder uitgeven aan zaken die echt schrijnend zijn. Het lijkt mij niet dat de personen waar het hier over gaat, allemaal in een moeilijke positie zitten. Integendeel.

De commissie-Dijkstal heeft in haar laatste advies voorgesteld om de regels voor bijverdiensten aan te scherpen. Dat geldt dan voor commissarissen van de Koningin, burgemeesters, gedeputeerden en wethouders, die allemaal fulltime werken. Waarom ligt hierover nog geen wetsvoorstel bij de Kamer? Is de minister het met mij eens dat de aanscherpingen nog wel wat strikter kunnen? Waarom zou een commissaris der Koningin bijvoorbeeld de tijd moeten krijgen om ongebreideld bij te verdienen met commissariaten en andere klussen in het bedrijfsleven? Als zij zo veel tijd hebben voor dit soort bijbaantjes, vraag ik mij af of het niet beter is om van de functie van Commissaris van de Koningin een parttime functie te maken met dito beloning. Indien nodig, zal ik een motie indienen met de intentie om bijverdiensten van fulltime bestuurders volledig af te romen tot het salarisniveau van de minister-president. Commissaris van de Koningin Nijpels heeft in het NRC-artikel over de dienstauto opgemerkt dat hij daar niet zit als Pietje Puk maar om de functie van Commissaris van Koningin uit te oefenen. Mensen worden uit hoofde van hun functie voor dit soort zaken gevraagd. Het lijkt mij dan ook redelijk om de bijverdiensten af te romen.

De ontslagvergoedingen in de publieke sector zijn mij een doorn in het oog. Ik noem het voorbeeld van een falende manager in de thuiszorg, namelijk Icare in Drenthe. Iedereen kent dat voorbeeld: die man functioneerde niet naar behoren, maar kreeg desondanks een gouden handdruk van bijna 1 mln. Dat is niet uit te leggen aan patiënten die ermee worden geconfronteerd dat de thuiszorg duurder wordt of die als gevolg van geldgebrek zelfs helemaal geen hulp krijgen. Ik verzoek de minister dan ook om een wettelijke norm op te stellen voor ontslagvergoedingen. Goudgerande vertrekregelingen dienen te worden verboden. Ook voor topbestuurders dient de kantonrechtersformule te worden gehanteerd, al moet dat op sobere wijze gebeuren. Die functionaris in Drenthe was al lange tijd in dienst. Daarom gold de kantonrechtersformule die 1 mln. opleverde. Dat is echter niet de methode waarvoor ik pleit.

In reactie op het betoog van mevrouw Spies hebben wij gesproken over de brandweer. Graag wil ik opheldering over de genoemde uren, namelijk 56 en 58. Ook wil ik duidelijkheid over de uitspraak van het Europese Hof en de termijnen waarbinnen een en ander zal worden geregeld. De huidige gang van zaken is uiteraard niet correct.

De politie kent een speerpuntenbeleid ten aanzien van huiselijk geweld en seksueel geweld. Gisteren heeft NOVA daaraan aandacht besteed naar aanleiding van de afschuwelijke moord in Drenthe. In de praktijk blijkt dat er wel meldingen worden gedaan maar dat daarmee soms maandenlang niets wordt gedaan. Het komt voor dat meldingen niet goed in dossiers worden opgeborgen en dat er sprake is van verschillende informatiebronnen in plaats van één dossier voor een bepaalde persoon. Graag wil ik opheldering van de minister.

Ik vraag minister Nicolaï hoe het staat met het project "Duidelijke Taal" in reactie op mijn initiatiefnota van vorig jaar met de titel "Heerlijk helder Hollands".

De heer Pechtold (D66): Mevrouw de voorzitter. Gezien de beperkte tijd die mijn fractie vanmiddag is gegeven, stel ik het onderwerp "praathuis Nederland" van oud-premier Kok centraal. Naar de mening van mijn fractie heeft dat namelijk een probleem. Vorige week presenteerde de oud-premier het zoveelste rapport van de zoveelste commissie over de Randstad.

Universiteiten in de Randstad beconcurreren elkaar. Dat gaat ten koste van de ene of de andere universiteit en daarvoor is Nederland veel te klein. In de wereld van vandaag zouden die universiteiten samen moeten concurreren met de universiteit van Oxford en de Parijse universiteit de Sorbonne. Dit voorbeeld staat echter niet op zichzelf: de bestuurlijke structuur en cultuur staan economische ontwikkelingen in de weg. Politieke verdeeldheid en bestuurlijke onwil regeren. Wij proberen problemen uit de eenentwintigste eeuw te lijf te gaan met middelen uit de negentiende eeuw. Die middelen waren een oplossing voor weer oudere problemen. Naar mijn idee is er consensus over de probleemstellingen. De afgelopen jaren zijn al veel oplossingen de revue gepasseerd en het advies van de commissie-Kok doet weer een duit in het zakje. Ook het laatste voorstel biedt weer veel aanknopingspunten. De hoofdvraag is echter wat daarvan terecht zal komen. Wij willen nu een doorbraak forceren, omdat langer wachten de ontwikkeling van Nederland in de weg staat. De politiek is aan zet. Het mag niet zo zijn dat de hoognodige verbeteringen op de uitvoeringsdetails stuklopen. Het is onverantwoord om voort te gaan op dit pad van introverte en defensieve passiviteit. Er is een aantal randvoorwaarden om dit tot een succes te maken. In de eerste plaats dient nu te worden doorgepakt. Het moment lijkt daar: de formatie is het moment om dit te regelen. Over een paar jaar kan het dan ook zo ver zijn.

In de tweede plaats is het een kwestie van kiezen. Er moeten prioriteiten worden gesteld: niet én-én, maar in plaats van: landsdelen in plaats van provincies. Ook in het advies van de Commissie Versterking Randstad, de commissie-Kok, zijn bestuurscomplexiteit en bestuursdrukte bezworen. De oorzaak hiervoor wordt maar al te vaak gemakkelijk bij de ambtenaren neergelegd, want meestal zijn zij het die de eindeloze overleggen moeten voeren. Natuurlijk zijn er ook raamambtenaren, maar wij moeten in de eerste plaats hier zijn: de oorzaak ligt vaak hier, bij de politici. Het is dan ook interessant dat de PvdA en het CDA zoveel willen bezuinigen op ambtenaren en nu niet thuis geven.

Ten derde moet de Randstadprovincie voldoende schaal hebben en moet – dat zal niemand verbazen – de democratische legitimatie gewaarborgd zijn. Dat betekent ook het opruimen van het woud van mistige hulpstructuren. De verdediging uit de heup van de PvdA en het CDA is voorstelbaar en voorspelbaar. Natuurlijk vroeg het CDA, ook vanmiddag weer, hoe het met het draagvlak zit. De PvdA vroeg: en hoe zit het met de rest van Nederland? Het probleem wordt daarmee verbreed totdat het heel Nederland omvat. Deze politieke mist leidt ertoe dat twee kranten op dezelfde dag compleet anders berichten over de reacties uit Den Haag. De ene krant kopt politiek positief over één bestuur voor de Randstad, terwijl de andere krant meldt dat er weinig steun voor de megaprovincie is. Wat is het antwoord van de PvdA en het CDA? "Het gaat ons om de banen en wij doen niets." De markt voor ego's en posities overheerst, zoals onze Nationale ombudsman dat omschreef. Daar wordt, eerder of later, iedereen minder van.

Mevrouw Spies (CDA): Van de retoriek keer ik graag terug naar de inhoud, want u zei in een bijzinnetje dat u het noodzakelijk vindt om alle bestuurlijke hulpstructuren op te ruimen. Betekent dit dat u af wilt van de WGR-plus, voor grootschalige gemeentelijke herindeling bent en af wilt van de deelraden in Amsterdam en Rotterdam? Dat zijn allemaal voorstellen van de commissie-Kok en D66 was er in ieder geval tot 22 november niet van overtuigd dat dat nuttige voorstellen zouden zijn.

De heer Pechtold (D66): Om op basis van mijn eigen ervaring een voorbeeld te geven: ik vind de WGR-plus een weinig democratisch systeem dat ervoor zorgt dat steeds meer taken op een plek worden neergelegd waar gemeenteraden geen invloed hebben. Wat mij betreft, zullen wij de komende jaren inderdaad moeten durven doorpakken. Als wij ook willen kijken naar de problemen van mensen en niet alleen naar de bestuurders – zo formuleerde u het in uw eerste termijn – zullen wij op dat punt moeten doorpakken. Wat mij betreft, gaat ook dat soort instituties op de schop als het uiteindelijke plaatje neerkomt op opschonen en kortere lijnen.

Mevrouw Spies (CDA): Dat betekent dus dat wij inmiddels steun van D66 ontvangen voor bijvoorbeeld het niet toekennen van streekplanbevoegdheid aan de WGR-plusregio's, omdat dat geen direct gekozen en dus geen democratisch gelegitimeerde bestuursorganen zijn.

De heer Pechtold (D66): Ik heb niet het bordje "cafetaria" boven mijn hoofd hangen. Net zoals ik het CDA nooit heb leren kennen als een partij waar je één dingetje uit kunt halen om iets te regelen, vindt u mij niet op uw pad als u nu denkt dat u dat even snel voor elkaar kunt krijgen. Als ik u hoor zeggen dat voor u "vier landsdelen" bespreekbaar is en dat wij daarmee echt opschonen, vindt u mij bij dit soort streekplannen – dat zijn de kleinere ingrepen – graag op uw weg, maar dan graag in een totaalplaatje.

Mevrouw Spies (CDA): Wij hebben het niet alleen over een totaalplaatje, maar ook over het oplossen van problemen die de Randstad vooruithelpen. Daarin kan het opschonen van bestuurlijke hulpstructuren behulpzaam zijn. Dat betekent dat wij, bijvoorbeeld bij de Nota Ruimte maar zeker ook bij de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening, steeds gezegd hebben dat de WGR-besturen geen beslissingen behoren te kunnen nemen die de burgers binden via de vaststelling van bestemmingsplannen of streekplannen. Dat is immers een vorm van verlengd lokaal bestuur. Ik zou u er dus toe willen uitnodigen om, daar waar nu al concreet inhoudelijke stappen gezet kunnen worden, vooral met ons op te trekken. Dat is geen cafetaria.

De heer Pechtold (D66): Ik trek graag samen op met het CDA en zeker met deze woordvoerder van het CDA, maar dan wel graag met gelijk oversteken. Ik heb immers ook dingen op mijn prioriteitenlijstje, waar ik met mevrouw Spies graag over spreek. Wie weet maken wij dan samen heel mooie dingen.

Het aantal rapporten is niet meer te tellen. Zij zijn niet allemaal even gedegen, maar vertonen wel een eenduidig beeld. Als de een "cultuur" zegt, zegt de ander "structuur" en als de een "structuur" zegt, zegt de ander "cultuur". Als de een zegt dat het transitietraject in de gaten moet worden gehouden, zegt de ander dat het einddoel voor ogen moet worden gehouden. Bij elkaar zorgt dat ervoor dat wij alles bij het oude laten. Hetzelfde geldt voor de ministeries voor veiligheid en jeugd. Commissies adviseren van alles, maar er gebeurt weinig. Voor D66 geldt dan ook: liever een keuze dan geen keuze. Het is jammer dat Kok zo ver voor zijn oude troepen uitloopt. D66 zou graag nog wat verder gaan. Ik vraag minister Remkes, die het moederdepartement dat leidend is op dit onderwerp bestuurt, wat hij vindt van de aanpak van de Denen. In twee jaar tijd was er daar resultaat.

Minister Remkes: Wij zijn daar samen nog naartoe geweest.

De heer Pechtold (D66): Wij zijn daar inderdaad nog samen naartoe geweest. Dat was een van onze laatste daden samen, maar dat wisten wij toen niet. De politiek heeft te veel gevestigde plannen om hierover te beslissen. Wat zou het advies van minister Remkes zijn aan het volgende kabinet? Ik zou zeggen: tijd voor nieuw elan. Dat is ons immers beloofd.

De heer Van der Staaij (SGP): Mevrouw de voorzitter. Nu de voorbereidingen van de begroting 2008 langzamerhand in gang worden gezet, behandelen wij vanavond de begroting van BZK voor het inmiddels reeds lopende jaar. Er wordt hard gewerkt aan de formatie van een nieuw kabinet en het is dus een geschikt moment om eens terug te kijken. Uit het regeerakkoord van Balkenende II valt op dat op het punt van binnenlands bestuur veel aandacht is besteed aan het thema bestuurlijke vernieuwing: wijziging van kiesstelsel, introductie van gekozen burgemeester, enzovoort. Eigenlijk zijn weinig voornemens daadwerkelijk gerealiseerd. Ik weet niet precies wie ik daarvoor dankbaar moet zijn, maar ik complimenteer in elk geval de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties ermee dat daar zo weinig van terechtgekomen is. Dat gebeurt niet vaak maar in dit geval wel. Mijn fractie meent dat bij deze voornemens de vernieuwing te veel een doel op zich was. De vraag hoe daarmee de vertrouwenskloof tussen burger en overheid kon worden overbrugd, werd te weinig gesteld. Het is wel jammer dat de energie die is gestoken in allerhande studies en voorstellen inzake bestuurlijke vernieuwing niet beter besteed is, hoewel deze wel hebben geholpen in het denken over veranderingen die nuttig zouden zijn. Op het punt van het kiesstelsel ligt bijvoorbeeld nog een interessant advies voor van het burgerforum waarover wij ongetwijfeld binnen afzienbare tijd nader komen te spreken.

Ik kom op een punt dat door het kabinet wel ambitieus in gang is gezet en waarop concrete resultaten zijn geboekt: het project Andere Overheid. Er is gesnoeid in regelgeving en er zijn diverse administratieve processen vereenvoudigd. Dat lijkt op het eerste gezicht positief, maar vanuit het perspectief van de burger zijn kleine ergernissen blijven bestaan. De praktijk blijft vaak haken op het meedenken vanuit het perspectief van betrokkenen. Ik zou wensen dat bij de evaluaties van dit soort veranderprocessen nadrukkelijk het perspectief van de burger of de ondernemer wordt meegenomen en simpelweg gevraagd wordt: wat hebt u hiervan gemerkt? Er is nog steeds een wereld te winnen. Een marktkoopman loopt nog tegen allerlei regels aan, alleen al voor het bevestigen van een vlaggetje op de kraam. Dergelijke verhalen, over het totaal van regels waarmee wij ondernemers opzadelen, zijn schrikbarend.

Op het punt van de digitalisering is een goede slag geslagen; het project Elektronische overheid is in het leven geroepen. Inmiddels klinken wel zorgelijke geluiden over de aanpak van het project. Is de uniformiteit die nodig is om snel wegwijs te raken in die elektronische wereld voldoende gewaarborgd? Gaan praktijken niet te zeer uiteenlopen waardoor burgers worden gehinderd in het bereiken van de overheid via de elektronische weg?

Een thema waar de afgelopen jaren veel over is gesteggeld, betreft de verhouding tussen rijksoverheid en decentrale overheden. Ik denk daarbij aan de discussie die wij hebben gevoerd over de onroerendezaakbelasting. Die vormde eigenlijk wel een dieptepunt in de verhouding tussen rijksoverheid en decentrale overheden. Er zijn ook interessante studies van gezaghebbende organen verschenen waarin die verhouding tussen de verschillende bestuursorganen tegen het licht is gehouden. Ik noem daarbij nadrukkelijk de publicatie van de Raad van State over de interbestuurlijke verhoudingen. Naast een positieve noot, spreekt hierover ook de nodige zorg over onder andere een activistische bestuurscultuur. Onder andere onder invloed van de wens om op korte termijn helder te presteren, worden af en toe te kort door de bocht maatregelen genomen die niet goed zijn afgestemd met, bijvoorbeeld, andere overheidsorganen. In deze publicatie wordt ook de zorg uitgesproken over het feit dat het er wel eens op lijkt dat het bestuur na elke verkiezingenronde moet worden uitgevonden. Er is te weinig kennis van de staatsrechtelijke verhoudingen en de positie van de overheidslagen onderling. Gaat de minister van BZK, om deze kennis verder bij te spijkeren, in de praktijk ook iets met deze aanbeveling doen? De SGP-fractie sprak de tweede aanbeveling van de Raad van State aan, namelijk om nadrukkelijk het regeerakkoord in inhoudelijke afspraken met de verschillende decentrale overheden te vertalen, zodat duidelijk is waar concreet de komende tijd aan gewerkt kan worden.

Dan kom ik op het thema van de bestuurlijke drukte. Hiermee hebben de bestuurlijke verhoudingen alles mee te maken. Een scherpere toebedeling van verantwoordelijkheden kan behulpzaam zijn bij het aanpakken van die bestuurlijke drukte. De schaalvergroting van gemeenten, zoals onder andere wordt voorgestaan in de door de minister van BZK gepresenteerde verkenning, spreekt de SGP-fractie niet aan. Mijn fractie vindt deze schaalvergroting te modelmatig vastgepind op bepaalde aantallen inwoners. De SGP-fractie vindt dat er meer maatwerk geleverd moet worden. Daarom moet zo'n benadering niet gevolgd worden. Wel spreekt het mijn fractie aan om te kijken hoe je kunt snoeien in allerlei hulpstructuren die te veel een eigen leven zijn gaan leiden, zoals de WGR-plusregio's.

Dezer dagen verscheen ook het rapport van de commissie-Kok over de bestuurlijke indeling in de Randstad. De analyse van deze commissie is helder en wordt ook breed onderschreven. Wat de SGP-fractie betreft vormt dit rapport een waardevol uitgangspunt om verder te spreken over een goede aanpak van de geconstateerde knelpunten. Voor mijn fractie blijft het echter een constante dat je niet te makkelijk alleen maar moet denken in termen van fusie van provincies en opschaling van bestuursniveaus, die bovendien niet los verkrijgbaar zijn. Hiermee loop je het risico dat er meer problemen worden opgeroepen dan er worden opgelost. De opschaling van het bestuursniveau is in het algemeen te gemakkelijk een panacee voor het aanpakken van allerlei kwalen, terwijl het van veel meer belang is om de urgente knelpunten binnen de huidige bestuursstructuren zo snel mogelijk aan te pakken, bijvoorbeeld door verantwoordelijkheden eenduidig te beleggen en met elkaar te werken aan een concrete uitvoeringsagenda waarin taken en competenties eenduidig worden toebedeeld.

Over het thema veiligheid is terecht veel gesproken in deze kabinetsperiode. Het is zaak dat de inspanningen voor onder meer een goede politiezorg op een hoog peil blijven. Ook op dit terrein geldt dat niet te makkelijk de toevlucht moet worden genomen tot allerlei structuurwijzigingen. Of het nu gaat om een politieorganisatie of een eventueel nieuw ministerie van veiligheid, steeds weer moet de nuchtere vraag onder ogen worden gezien, of de interne energie die gaat zitten in dit soort reorganisatieprocessen, opweegt tegen het voordeel dat hiermee wordt beoogd. Heel vaak zal wat ons betreft een goede, concrete en verplichtende samenwerking het sleutelwoord moeten zijn. De SGP-fractie vindt het ook van belang dat wij de lat hoog blijven leggen als het gaat om het waarborgen van veiligheid en openbare orde. Ik denk terug aan de relletjes rond de jaarwisseling. Wat ons betreft wordt te gemakkelijk gesproken over een rustige jaarwisseling. Net zo goed als wij in het kader van de filebestrijding zeggen dat wij er niet aan moeten wennen dat een normale spits gepaard gaat met een eindeloze rij files, zouden wij het rond de jaarwisseling niet normaal moeten vinden dat er veel vandalisme en er behoorlijk wat openbare ordeproblemen zijn. Er is veel te veel mis en dat moet beter worden aangepakt.

De uitvoering van het veiligheidsbeleid berust voor een belangrijk deel, zeker bij de brandweer, op de inzet van vrijwilligers. Dat verdient veel waardering. De inzet van vrijwilligers staat echter wel onder flinke druk door de toegenomen belasting. Er wordt zelfs gesproken over een afgenomen beschikbaarheid van vrijwilligers die heeft geleid tot een verslechtering van de uitruktijd van de brandweer. Dat is een ernstige constatering. Ook bij de politie wordt zó vaak een beroep gedaan op vrijwilligers dat zij dreigen af te haken. Dat is al met al een zorgwekkende trend. Welke mogelijkheden ziet de regering om die trend om te buigen en welke inzet wordt op dit punt gepleegd?

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter: De regering zal morgen antwoorden.