Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2007

30800 VII 38 Verslag van een algemeen overleg

Vergaderjaar 2006-2007

Nr. 38 Vastgesteld 22 februari 2007

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1 heeft op 31 januari 2007 overleg gevoerd met minister Remkes van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en minister Nicolaï voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties over:

– de brief van de minister van BZK d.d. 31 mei 2006 met het kabinetsstandpunt Interbestuurlijk Toezicht (30 300 VII, nr. 65);

– de brief van de minister van BZK d.d. 31 mei 2006 met voortgang «vermindering bestuurlijke drukte» (29 362, nr. 95);

– de brief van de minister van BZK d.d. 21 augustus 2006 met het Beleidskader spontane vernietiging (30 300 VII, nr. 75);

– de brief van de minister voor BVK d.d. 30 oktober 2006 met reactie op (sub)regelgeving door inspecties (30 800 XIII, nr. 27);

– de brief van de minister van BZK d.d. 15 december 2006 over beschouwing Raad van State over de interbestuurlijke verhoudingen (30 800 VII, nr. 22);

– de brief van de minister voor BVK d.d. 19 december 2006 over de voortgang van de implementatie van de Kaderstellende Visie op Toezicht (27 831, nr. 21).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Spies (CDA) benadrukt het belang van kwalitatief hoogwaardig interbestuurlijk toezicht. Er wordt op dit dossier veel papier geproduceerd, maar waar blijven de concrete resultaten? Het draagvlak voor toezicht wordt maar al te gemakkelijk ondermijnd, bijvoorbeeld als betrokkenen het toezicht als overdreven moeilijk, tegenstrijdig of nutteloos ervaren. Zo moeten ondernemers vaak aan hun administratieve verplichtingen voldoen tijdens de jaarlijkse pieken in hun bedrijfsvoering. Medewerkers in thuiszorg, op scholen, in gemeentehuizen besteden meer tijd aan verantwoording via het invullen van formulieren dan aan hun eigenlijke werk. Hoewel mevrouw Spies beseft dat er een cultuuromslag nodig is, heeft zij in de afgelopen vier jaar weinig verbeteringen gezien. Adviezen, waaronder vele bruikbare, zijn er inmiddels te over. Toezicht wordt gesplitst in nalevingstoezicht, uitvoeringstoezicht en interbestuurlijk toezicht. Er zijn pilots, quickscans, voortgangsberichten en commissies te over geweest. Het is duidelijk de hoogste tijd voor echt concrete actie.

Het stappenplan van de commissie-Alders is nogal voorzichtig. Mevrouw Spies begrijpt niet waarom het kabinet de zaak niet rigoureuzer aanpakt. Voor het interbestuurlijk toezicht kan worden beschikt over de Grondwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet en de Proviniciewet. Waarom wordt dan zo ingewikkeld gedaan over specifiek interbestuurlijk toezicht? Als meer vertrouwen vooraf moet worden gegeven en gemeenten en provincies duidelijk moet worden gemaakt dat alleen zij verantwoordelijk zijn, moet worden gestopt met het onderbrengen van veel tweedelijnstoezichttaken bij rijksinspecties. Kan de regering aangeven welke vormen van tweedelijnstoezicht bestaan en hoe en wanneer deze zullen worden afgebouwd?

Waarop is het onderscheid tussen signalerend toezicht en interveniërend toezicht gebaseerd? Het is duidelijk wat nodig en gewenst is; daarvoor zijn verdere analyses en verkenningen niet meer nodig. Wat wordt de taak van de commissie-Oosting die interbestuurlijke toezichtsarrangementen moet doorlichten?

Mevrouw Spies beaamt dat bestuursstijl en -cultuur van organisaties cruciaal zijn voor de vermindering van de bestuurlijke drukte. Zij vindt de onderzochte casus bijzonder illustratief. Zij adviseert om deze aanpak voort te zetten en daarbij overkoepelende organisaties van scholen of gemeenten te betrekken; de ruimte die het Rijk geeft wordt immers regelmatig door het maatschappelijk middenveld ingenomen. Wat waren de resultaten van het rondetafelgesprek? Hoe vult de regering haar verantwoordelijkheid voor het rijksbrede proces in? Mevrouw Spies steunt het voorstel van de regering om praktijkmensen uit te nodigen voor voorstellen.

Mevrouw Spies kan zich vinden in de hoofdlijnen van het Beleidskader spontane vernietiging. Uiteraard gaat bijzonder toezicht gaat vóór algemeen toezicht, maar hoe verhoudt deze stelregel zich met het streven om veel bijzonder toezicht af te schaffen? De nadere invulling van «algemeen belang» als grond voor spontane vernietiging is welkom, maar mevrouw Spies benadrukt dat dit alleen in zeer uitzonderlijke gevallen als grond mag worden toegepast.

Er komt een aanzienlijke lastendruk voort uit regelgeving door inspecties zonder dat daar nationale wetgeving en regelgeving aan ten grondslag ligt. Eerder heeft de regering toegezegd hieraan paal en perk te stellen. Haar brief met een reactie op (sub)regelgeving door inspecties stelt in dit opzicht echter teleur. Waarop baseert de regering dat toezichthouders over voldoende interventiemogelijkheden beschikken, maar nog onvoldoende worden benut omdat het instrument van effectmeting nog in de kinderschoenen staat? Bovendien is de doelstelling van maximaal twee inspecties per jaar voor de meest relevante domeinen voor bedrijven met minder dan tien medewerkers in 2008 wat aan de magere kant; 31 december 2007 lijkt mevrouw Spies een beter streven. En waarom zou dit alleen mogelijk zijn voor de kleinere bedrijven? Verder blijkt veel toezichtslast te worden veroorzaakt door de werkwijze van inspecteurs. Een cultuurveranderingstraject moet leiden tot «inspecteurs-nieuwe stijl», maar welke afrekenbare resultaten moeten wanneer zijn bereikt?


De heer Van der Staaij (SGP) vindt dat de rijksoverheid in de afgelopen periode onvoldoende begrip heeft getoond voor de positie en verantwoordelijkheden van decentrale overheden. Gemeenten en provincies, die bijvoorbeeld bij de afschaffing van het gebruiksdeel van de ozb en het op dossier van de gekozen burgemeester voor voldongen feiten werden geplaatst, hebben dit gebrek aan inlevingsvermogen met recht aangekaart. De Raad van State wijst terecht op het belang van voldoende kennis van de bestuurlijke verhoudingen en spelregels bij alle partijen. Het lijkt echter of deze na elke verkiezingsronde opnieuw moeten worden uitgevonden. Het advies van de raad op dit gebied verdient een robuustere invulling.

De schijn van hiërarchie van bestuurslagen moet worden vermeden, evenals een te gemakkelijke aanwending van het instrument van spontane vernietiging. Dit laatste moet een ultimum remediumkarakter houden: toepassing mag slechts aan de orde zijn als het optreden van decentrale overheden buitenconstitutioneel is; het beroep op «dwingend openbaar belang» vergt in ieder geval een stevige onderbouwing.

Het overzicht in de brief over de implementatie van de Kaderstellende Visie op Toezicht geeft te kennen dat er nog veel sprake is van werk in uitvoering. Hoeveel voortgang is er in de praktijk geboekt? Dezelfde vraag is gerechtvaardigd met betrekking tot het interbestuurlijk toezicht: is inmiddels de analyse afgerond die voor eind 2006 was toegezegd?

De heer Van der Staaij vond de toelichting van de bestuurlijke drukte aan de hand van concrete casus zeer informatief. Deze casusgerichte aanpak verdient voortzetting en verbreding naar andere terreinen. Hoe denkt de regering de gewenste veranderingen in bestuursstijl te bewerkstelligen? Als de uitvoering van het beleid tot vermindering van bestuurlijke drukte zelf weer de nodige bestuurlijke drukte oplevert, wordt duidelijk het paard achter de wagen gespannen; een sober toezicht op dit punt verdient dan ook de voorkeur.


De heer Cramer (ChristenUnie) staat achter de hoofdlijnen van de kabinetsvisie op bestuurlijk toezicht. Verander(en)de omstandigheden, verhoudingen en behoeften, de wens tot vermindering van toezichtslasten en het voorkómen van stapeling van toezicht zijn belangrijke toetsstenen van bestaande toezichtsarrangementen. Een gedecentraliseerde eenheidsstaat zal altijd spanningen kennen rond interbestuurlijk toezicht. Interbestuurlijke verhoudingen floreren als wordt uitgegaan van gelijkwaardigheid tussen de overheden. De heer Cramer vindt dat de Raad van State terecht constateert dat bij de afschaffing van het gebruiksdeel van de ozb aan dit ideaal van gelijkwaardigheid afbreuk is gedaan.

De bestuurlijke code van de commissie-Alders zet in op een gezamenlijke verkenning van de relatie tussen functionele besturen en de bestuurlijke hoofdstructuur. Waarom wordt de Unie van Waterschappen niet formeel bij deze verkenning betrokken? Deze is bij de probleemanalyse immers wel geconsulteerd.

Er is een grote mate van overeenstemming bij de analyse van de problemen rond de interbestuurlijke verhoudingen: onduidelijkheid over taken en bevoegdheden tussen overheden, een te sterk verkokerd rijkstoezicht en stapeling van toezicht. Op basis van deze analyse is een uitbreiding van toezicht naar decentraal niveau onlogisch; vereenvoudiging wel. Het is goed dat bestaande en komende wet- en regelgeving wordt doorgelicht aan de hand van de basisprincipes. Het instrument van de effectmeting staat nog in de kinderschoenen en daarom kunnen toezichthouders hun interventiemogelijkheden onvoldoende benutten. Een en ander riekt naar een gebrekkige voorbereiding.

Voor de interventieproblematiek door het bestaan van verschillende toezichthouders op hetzelfde beleidsdomein wordt een onafhankelijk interbestuurlijk orgaan als oplossing aangedragen, bijvoorbeeld in de vorm van een agentschap, zelfstandig bestuursorgaan, gemeenschappelijke regeling of een bestuurlijke werkgroep. Zijn dit de mogelijkheden die de commissie-Oosting gaat onderzoeken? Leidt dit middel niet juist tot meer bestuurlijke drukte en is het daarom niet erger dan de kwaal? Het is wenselijker om in te zetten op één bestuurlijk orgaan per domein, en op een scherper onderscheid van verantwoordelijkheden en bevoegdheden, met nabijheid als zwaarste factor.

De heer Cramer wijst erop dat bestuurlijke drukte met name samenhangt met gebrek aan duidelijkheid en visie op overheidsverantwoordelijkheden. Uiteraard speelt ook bestuurscultuur een grote rol. De bijdrage aan de bestuurlijke drukte van de activiteiten van allerlei organisaties in de Wgr-plussfeer mag niet worden onderschat. Hiervoor is nog geen echte oplossing gevonden.

De heer Cramer is ontevreden over de suggestie van de commissie-De Grave om de omvang van de vertegenwoordigende organen te verkleinen. De lagere uitvoeringskosten wegen bij lange na niet op tegen de negatieve bestuurlijke gevolgen van een dergelijke operatie. Feitelijk zou dit allemaal neerkomen op de verhoging van kiesdrempels, die altijd in het nadeel van kleinere fracties uitpakt. De verkleining van gemeenteraden door middel van de dualiseringscorrectie vindt hij onjuist en onnodig. Overigens is de omvang van de vertegenwoordigende organen in Nederland relatief klein.


Mevrouw Van der Burg (VVD) constateert dat de bestuurlijke drukte voor een groot deel wordt veroorzaakt door onduidelijkheid over taken en bevoegdheden. Hoe gaat de regering die onduidelijkheid aanpakken? Wat is de huidige stand van zaken rond de vermindering van de toezichtslast en de heroverweging van toezichtsarrangementen? Er is een hoop in gang gezet, maar de concrete resultaten laten te wensen over. Hoe denkt de regering meer in het algemeen de regie in handen te kunnen houden?

Bestuurlijke drukte wordt zeker verminderd door een terugkeer naar de hoofdstructuur; het werkelijke nut van tussenlagen als stadsdeelraden en de Wgr-plusregio’s moet kritisch worden herbezien. De casusaanpak is illustratief, maar met een heldere illustratie zijn de problemen nog niet aangepakt. Verder vraagt mevrouw Van der Burg naar de resultaten van de rondetafelgesprekken. Zij betreurt het dat gemeenten en provincies hierbij onvoldoende zijn betrokken.

Mevrouw Van der Burg staat open voor veranderingen in het openbaar bestuur, maar is geen voorstander van differentiatie in gemeenteraadsperiodes of inkomensbeleid op lokaal niveau. Het is evident niet de bedoeling dat inspectie- en controlediensten op eigen houtje aanvullende eisen stellen. Mevrouw Van der Burg wil nadere informatie over de maatregelen. Blijven toezichthouders als NMa en AFM en OPTA hierbij buiten beschouwing?

In welk opzicht verschilt het nieuwe Beleidskader met betrekking tot spontane vernietiging van het oude uit 1992? Verwacht de regering dat in de toekomst meer gebruik zal worden gemaakt van dit instrument? En als dit het geval is, worden de interbestuurlijke verhoudingen daardoor dan niet op scherp gezet? De definitie van «algemeen belang» is hoe dan ook te vaag.

Antwoord van de bewindslieden

De minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelatiesheeft begrip voor het gevoel bij de Kamer over het gebrek aan urgentie. Het dossier kent echter een hoge prioriteit. Er worden in hoog tempo concrete en gerichte stappen gezet naar minder, maar effectiever en dus beter toezicht. De minister wijst er echter op dat de beleidsmakers op dit terrein vaak worden geconfronteerd met tegenstrijdige wensen uit de samenleving: enerzijds leeft bij velen de algemene wens van zo weinig mogelijk overheidsbemoeienis, onder andere in de vorm van controle en toezicht, anderzijds is er bij problematische situaties steevast een luide maatschappelijke roep om overheidsoptreden en worden na calamiteiten de verantwoordelijke(n) voor controle en toezicht ter verantwoording geroepen.

De minister bestrijdt dat er weinig concrete vorderingen zijn geboekt; de rapportage geeft aan dat er het nodige is gebeurd op verschillende terreinen. Duidelijke voorbeelden zijn de frontoffices en het maximum van twee inspecties per jaar; deze dragen bij aan de vermindering van de toezichtslasten voor horeca en de primaire sector. In 2008 geldt dit ook voor de overige domeinen. Met 40 gemeenten zijn afspraken en pilots in gang gezet voor een lagere toezichtslast afkomstig van lagere overheden. Met verschillende bedrijfssectoren zijn duidelijke afspraken gemaakt. Hierbij wordt gefocust op de kleinere bedrijven, omdat deze de toezichtlast het sterkst ervaren. De minister heeft begrip voor de klacht dat er nogal veel papier naar de Kamer is gestuurd; in het vervolg zal de rapportage gerichter zijn en zich concentreren op vorderingen en afspraken per domein en onderlinge overdrachten tussen inspecties. Volgens de minister zullen de effecten van alle maatregelen in de loop van 2007 werkelijk merkbaar zijn. Met een verregaande evaluatie zal dus pas tegen die tijd kunnen worden begonnen. Gezien de omvang van de verschillende operaties is het huidige tijdpad al vrij ambitieus. Desgevraagd zegt de minister toe dat de Kamer een reële planning van de ambities per sector zal ontvangen.

Aan de ontwikkeling van goede methodieken van effectmeting van het beleid wordt hard gewerkt. De minister erkent dat vele van de huidige methoden en benaderingen gericht zijn op de kleine minderheid van bedrijven en instellingen die de regels aan hun laars lappen; de meerderheid van de goedwillenden is hier de dupe van. Waar mogelijk is vertrouwen in de welwillendheid volgens de minister een goed en bruikbaar uitgangspunt. Intelligente technieken van risicomanagement, die uitgaan van selectiviteit en differentiatie, kunnen daarbij soelaas bieden. De nieuwe methodieken zullen overigens niet alleen de objectieve toezichtlast meten, maar ook de ervaring daarvan door betrokkenen. Hoe dan ook is de ambitieuze doelstelling van 25% lastendrukvermindering voor bedrijven en burgers een harde, toetsbare doelstelling.

Inspecties moeten vaak eigen regels hanteren om de wettelijke bepalingen in concrete situaties toe te kunnen passen. De kern is dat deze regelgeving van inspecties bij toepassing van wettelijke bepalingen in de praktijk geen aanvullend karakter mag hebben. De Inspectieraad heeft een aansturende bevoegdheid voor alle inspecties. Deze heeft ook een grote rol bij de realisatie van de «inspecteur-nieuwe stijl», de cultuurverandering binnen de verschillende inspecties. De minister zegt toe, de Kamer voor het eind van dit jaar, in de voortgangsrapportage voor 2007 specifiek over de cultuuromslag te informeren. Inderdaad is het niet de bedoeling is dat inspectie- en controlediensten op eigen houtje aanvullende eisen stellen.

De markttoezichthouders NMa en OPTA vervullen een wezenlijk andere rol en functie ten opzichte van bedrijven dan de gewone inspecties. De minister zal de Kamer hierover spoedig, mogelijk voor 1 maart, nader informeren.


De minister voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatieswijst op het fundamentele probleem bij bestuurlijke reorganisaties dat hervormingsvoorstellen op abstract niveau vaak op algemene bijval kunnen rekenen, maar op verzet stuiten als de plannen de implementatiefase bereiken en worden vertaald in maatregelen die concrete gevolgen voor bestuurslichamen hebben. Dit is zeker van toepassing op alle voorstellen op het dossier van de vermindering van bestuurlijke drukte.

Het dossier bestuurlijke drukte kent vier relevante invalshoeken. Ten eerste zijn er de acties die voortvloeien uit het rapport van de commissie-De Grave. De minister is blij met de brede steun uit de Kamer voor de casusaanpak. De IOS-toets wordt inmiddels toegepast bij nieuwe wetsvoorstellen. De minister wijst erop dat deze verplicht is voor ieder voorstel dat in de ministerraad aan de orde komt en relevant is voor de medeoverheden. Er wordt mee beoogd om relevante zaken in het voortraject voldoende in kaart te brengen, zodat deze expliciet bij de politieke afwegingen in de ministerraad, die uiteindelijk natuurlijk de doorslag geeft, kunnen worden betrokken. Het wetsvoorstel met betrekking tot de uitvoering van de dualiseringscorrectie ligt op dit moment bij de Kamer. Een tweede lijn bestaat uit alles wat te maken heeft met de toekomstvisie op het decentrale bestuur. De commissie-Kok doet met name aanbevelingen vanuit de erkenning van het belang van bestuurlijke cultuur en wijst op de consequenties daarvan voor de bestuurlijke structuur. Als deze aanbevelingen onverkort worden uitgevoerd, zou dat neerkomen op een reductie van het aantal provincies, opheffing van de Wgr-plusregio’s en daarmee een terugkeer naar de bestuurlijke hoofdstructuur, opheffing van de deelgemeenten in Amsterdam en Rotterdam en een herijking van de gemeentelijke schaal, mede met de doelstelling om het aantal intergemeentelijke samenwerkingsverbanden terug te brengen. In samenwerking met IPO en VNG is onderzoek gedaan naar de overlap in taken. Als dit onderzoek is afgerond, zal de Kamer de resultaten ontvangen. Ten derde zijn er de beleidsvoorstellen van het kabinet die zijn gericht op een de facto vermindering van de bestuurlijke drukte, zoals die met betrekking tot de veiligheidsregio, waarvoor een wetsvoorstel bij de Raad van State ligt, de Nota Ruimte, de nieuwe wet op de ruimtelijke ordening en de PAO-trajecten. Ten vierde vormen ook de interbestuurlijke toezichtsarrangementen een belangrijke invalshoek.

Ook de minister neemt waar dat koepels wel eens de ruimte herbezetten die vrijkomt als het Rijk zich terugtrekt. Nu eens zijn dit spontane processen, die als ze zich voordoen kritisch moeten worden gevolgd, dan weer is dit het gevolg van bewuste beleidskeuzen, zoals wanneer de overheid verantwoordelijkheden overdraagt aan een sector.

De minister kan zich vinden in de suggestie om gemeenten en provincies samen te brengen bij een eventueel volgend rondetafelgesprek.

De commissie-Oosting beoogt de departementale consequenties in kaart te brengen van de afbouw van het tweedelijns interbestuurlijk toezicht. Een stevige sanering is de ambitie achter deze operatie. Uiteraard moet in deze gevoelige materie de nodige zorgvuldigheid worden betracht. De noodzaak van toezichtsarrangemenen zal goed in kaart moeten worden gebracht. Wellicht kan worden geconcludeerd dat door een andere verdeling van verantwoordelijkheden sommige vormen van toezicht kunnen worden afgeschaft. De betrokkenheid van provincies en gemeenten is gegarandeerd doordat hun vertegenwoordigers in de commissie-Oosting zijn vertegenwoordigd. De minister geeft aan dat het interbestuurlijk functionerend toezichtsorgaan de uitkomst is van ingewikkelde onderhandelingen met VNG en IPO. Hij zegt niet op voorhand overtuigd te zijn van het nut van het interbestuurlijk functionerende toezichtsorgaan. Hij vertrouwt erop dat het advies van de commissie-Oosting ervoor zal zorgen dat dit orgaan geen last zal veroorzaken.

De minister herinnert eraan dat een onderdeel van de afspraken met betrekking tot de bestuurlijke code de raadpleging door de kabinets(in)formateur van VNG en IPO behelst. Hij zou het betreuren als bij de huidige informatie dit onvoldoende is gebeurd. Hij benadrukt dat er geen politieke afspraken over een alternatief belastinggebied zijn gemaakt. Een aantal scenario’s hiervoor is aan de Kamer voorgelegd. Uiteraard dient bij alle betrokkenen voldoende kennis van de bestuurlijke verhoudingen en spelregels aanwezig te zijn. De materie is vaak bijzonder ingewikkeld. Soms wordt de departementen door IPO en VNG met recht verweten dat deze kennis bij de departementen onvoldoende aanwezig is of wordt toegepast. Uit de gang van zaken rond WMO en streekplanbevoegdheden bij Wgr-plus kan volgens de minister worden opgemaakt dat ook de Kamer dit verwijt wel eens met recht kan worden gemaakt.

De minister is in het algemeen geen voorstander van de differentiatie van de zittingsduur van gemeenteraden. Bestuurlijke crises vormen soms uitzonderingsgevallen. Hij is wel voorstander op differentiatie op het gebied van taakverdeling en schaal, als dit het probleemoplossend vermogen van het openbaar bestuur ten goede komt.

De minister merkt op dat voor het eerst in veertien jaar gelukt is om een nieuw beleidskader aan de Kamer te sturen. Eerder pogingen strandde in of voor de ministerraad. Hoewel het beleidskader spontane vernietiging inderdaad geen complete vernieuwing behelst, is er wel sprake van een verduidelijking. In dit beleidskader is gekozen voor een helder perspectief, te weten dat van de constitutionele verhoudingen. Vernietiging kan alleen worden ingezet om de constitutionele verhoudingen te herstellen. De minister noemt daarbij een aantal voorbeelden van recente zaken, zoals de bomenkap in Onderbanken, Haarlemmermeer, de privatisering Schiphol en de rekenkamerkwesties. De minister geeft aan dat het ondoenlijk is om een ultieme definitie te geven van het «algemeen belang», mede omdat dit concept een politiek bestuurlijke lading kent. In vergelijking met het vorige kabinet is het «algemeen belang» wel meer uitgewerkt. De minister spreekt uit verheugd te zijn met de positieve signalen van de Kamerleden op het beleidskader. Bij afschaffing van bijzonder toezicht verwacht de minister niet zonder meer dat het gebruik van dit instrument zal toenemen. Het is en blijft een bestuurlijke afweging. Het komt alleen wel eerder in beeld.

Ook de minister vindt dat de inzet van het instrument van spontane vernietiging altijd goed moet zijn onderbouwd om willekeur te voorkomen. Het algemene uitgangspunt is dat van dit instrument een terughoudend gebruik wordt gemaakt.

Toezeggingen

– de minister voor BVK stuurt de Kamer een planning van de realisering van de lastenverlichting door inspecties per sector;

– de minister voor BVK stuurt de Kamer eind dit jaar een rapportage over de cultuuromslag bij de inspecties en de stand van zaken van eind 2007;

– de minister van BZK stuurt de Kamer de resultaten van het onderzoek door VNG, IPO en BZK naar de overlap van taken;

– de minister voor BVK zal zijn gedachten over de problematiek van de verschillende toezichthouders aan de ministerraad voorleggen en de Kamer hierover spoedig, mogelijk voor 1 maart, nader informeren.


De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Leerdam

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Hendrickx

1  Samenstelling:Leden: Van Beek (VVD), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Blok (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Slob (ChristenUnie), Van Bochove (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Gerkens (SP), Spies (CDA), Sterk (CDA), Van der Ham (D66), Haverkamp (CDA), Leerdam (PvdA), voorzitter, Griffith (VVD), Irrgang (SP), Kalma (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Jacobi (PvdA), Van der Burg (VVD), Brinkman (PVV), Heerts (PvdA), Van Raak (SP), Kuiken (PvdA) en Leijten (SP).Plv. leden: Teeven (VVD), Van der Vlies (SGP) Weekers (VVD), Van de Camp (CDA), Cramer (ChristenUnie), Ormel (CDA), Van Gent (GroenLinks), Polderman (SP), Van Haersma Buma (CDA), Van Heugten (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Hijum (CDA), Wolbert (PvdA), Zijlstra (VVD), Van Gerven (SP), Van der Veen (PvdA), Çörüz (CDA), Albayrak (PvdA), Ten Broeke (VVD), De Roon (PVV), Koenders (PvdA), Van Bommel (SP), Bouchibti (PvdA) en De Wit (SP).