Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2007

30800 XVI C Verslag van een mondeling overleg

Vergaderjaar 2006-2007

Nr. C Vastgesteld 27 maart 2007

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 heeft op 13 maart 2007 een kennismakingsgesprek gevoerd met minister Klink van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, staatssecretaris Bussemaker van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en vice-minister-president, minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin over:

1. taakverdeling bewindspersonen;

2. regeerakkoord versus door Eerste Kamer ingenomen standpunten, onder meer over:

a. PGO patiëntenorganisaties

b. no-claim,

c. Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling en

d. Evaluatie DBC’s;

3. inhoudelijke nakoming toezeggingen gedaan in de Eerste Kamer.


Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.


De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Van Leeuwen

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Janssen

1. Taakverdeling bewindspersonen

Mevrouw Van Leeuwen (CDA) opent als voorzitter de bijeenkomst en heet de aanwezigen van harte welkom. De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt het bijzonder op prijs dat de bewindslieden op zo korte termijn tijd hebben weten vrij te maken voor een kennismaking met deze commissie.

Zij vraagt de bewindlieden eerst een toelichting te geven op de portefeuilleverdeling, die op een aantal punten nog redelijk ingewikkeld lijkt. Ook zijn nog niet alle verbanden even duidelijk.


Minister Klink weet dat deze commissie het de ministers niet altijd even makkelijk maakt, maar hij herinnert zich ook dat er altijd een «beminnelijke brugfunctie was tussen de beruchte commissie en deze voorzitter».

De portefeuilleverdeling lijkt de minister niet zo heel ingewikkeld. De taakverdeling tussen de minister en de staatssecretaris die usance was tijdens het vorige kabinet wordt gehandhaafd. Dit betekent dat de minister verantwoordelijk is voor het generieke volksgezondheidsbeleid, de curatieve zorg – het verzekeringsstelsel en het zorgstelsel dat betrekking heeft op de op herstel gerichte zorg – en de preventie. Om de eenheid te bewaren is de minister betrokken bij de sturingsfilosofie op het gebied van de AWBZ. Daarbij wordt wel naar consensus gezocht. De AWBZ en de WMO (Wet maatschappelijke ondersteuning) zijn evenwel onderdelen van de portefeuille van de staatssecretaris.


Staatssecretaris Bussemaker hoopt op een zeer prettige gedachtewisseling met deze commissie.

De staatssecretaris draagt zorg voor het carepakket. Dit is gelijk aan het pakket van de vorige staatssecretaris, mevrouw Ross-van Dorp, met uitzondering van de taken die bij de minister voor Jeugd en Gezin zijn ondergebracht. De AWBZ, waaronder de verpleeghuizen, de gehandicaptenzorg en de GGZ, de WMO en de implementatie daarvan, de oorlogsgetroffenen, medisch-ethische vraagstukken, abortus, euthanasie, de Embryowet en sport vallen onder de staatssecretaris. De delen van de AWBZ en de WMO die de jeugd betreffen, vallen onder de programmaminister.


Minister Rouvoet is ervan overtuigd dat het tussen deze commissie en deze drie bewindslieden goed zal gaan.

De gekozen taakafbakening is bedoeld als een verbetering en verheldering. Dat geldt in ieder geval voor de nieuwe vorm van het programmaministerie. De achterliggende gedachte is om de departementale verkokering te doorbreken en een nieuwe vorm van integraliteit tot stand te brengen. De minister realiseert zich dat dit nieuwe vragen oproept over het afgrenzen van takenpakketten van anderen, maar is ook van mening dat op deze manier een betere vorm van inhoudelijke, materiegestuurde integraliteit wordt gerealiseerd.

De programmaminister voor Jeugd en Gezin houdt kantoor op het ministerie van VWS en maakt gebruik van al haar ondersteunende diensten, maar is niet van VWS. De minister voor Jeugd en Gezin krijgt een apart begrotingshoofdstuk en zal dat in de Kamers ook apart verdedigen. Mede daardoor wordt tot uitdrukking gebracht dat een programmaminister voor Jeugd en Gezin iets anders is dan een coördinerend staatssecretaris voor onder andere jeugd.

Alles wat met jeugd te maken heeft, valt in principe onder de minister voor Jeugd en Gezin. Jeugd-GGZ, jeugdgezondheidszorg, jeugdbescherming, de jeugd-WMO en de jeugdwerkgelegenheid zitten in zijn pakket. Er zijn echter directe raakvlakken met de taken van de bewindslieden van VWS. Preventie is bijvoorbeeld een taak van zowel de minister als de staatssecretaris van VWS, maar preventie specifiek gericht op jeugd is ook voor de programmaminister een prioritair aandachtspunt. De bewindslieden hebben er alle vertrouwen in dat dit geen aanleiding zal geven tot competentiegeschillen, maar juist zal leiden tot een gezamenlijk optrekken voor een krachtig beleid. Afstemming is daarbij zeker nodig. De minister vindt dat deze afstemming inmiddels netjes is vormgegeven in taken en posities.


Mevrouw Dupuis (VVD) vraagt naar de mogelijkheden van de programmaminister om mee te denken over de brede school, die valt onder het ministerie van OCW.


Minister Rouvoet onderscheidt in zijn verantwoordelijkheden een dubbele gelaagdheid. Enerzijds zijn dat de zaken waarvoor hij rechtstreeks verantwoordelijk is, zoals de jeugdgezondheidszorg, de jeugd-GGZ en de jeugd-WMO, anderzijds zijn dat zaken waarvoor de hij weliswaar niet primair verantwoordelijk is, maar waarbij hij wel een bijzondere betrokkenheid heeft omdat deze raken aan zijn portefeuille. Als voorbeeld geeft hij de maatschappelijke stage, waarvoor de staatssecretaris van Onderwijs verantwoordelijk is, maar die raakvlakken heeft met de jeugdwerkgelegenheid na het verlaten van de school. Andere voorbeelden zijn de jeugdbescherming, gezinsvoogdij en de raden voor de kinderbescherming. Deze vallen onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin, maar raken ook de verantwoordelijkheid en de positie van de minister van Justitie, bijvoorbeeld op het gebied van de aanwijsbevoegdheid. Op het programmaministerie wordt een en ander zo geregeld dat de minister van Justitie en de minister voor Jeugd en Gezin ieder de eigen verantwoordelijkheid kunnen dragen. Over de eerste verantwoordelijkheid moet telkens volstrekte duidelijkheid bestaan. Dit geldt ook voor de brede school.


Mevrouw Linthorst (PvdA) constateert dat de jeugdbescherming vooralsnog onder Justitie valt. Zij vraagt of deze situatie te vergelijken is met de zojuist aangegeven positie van het onderwijs.


Minister Rouvoet antwoordt dat de jeugdbescherming nog enige fine-tuning vereist bij de afspraken die gemaakt zullen worden in het kader van het constituerend beraad omdat hierbij directe raakvlakken zijn met Justitie. Uiterlijk volgende week zal de precieze invulling daarvan worden afgerond. Jeugdbescherming – gezinsvoogdij en de raden voor de kinderbescherming – zit in de portefeuille van de minister voor Jeugd en Gezin. De ambtenaren van het ministerie van Justitie die zich hiermee bezighouden, blijven bij het ministerie van Justitie maar ressorteren voortaan onder de programmaminister.

De raden voor de kinderbescherming en in zekere mate ook het Bureau HALT vragen nog om een verdere uitwerking omdat de raden te maken hebben met civielrechtelijke en strafrechtelijke zaken. Het is niet mogelijk om alles naar Jeugd en Gezin over te hevelen omdat de minister van Justitie zijn bevoegdheden dan niet meer kan uitoefenen. Geprobeerd wordt om een splitsing te voorkomen omdat dit een organisatorisch probleem zou opleveren. De overheveling is op dit moment onderwerp van gesprek.


Het is mevrouw Slagter-Roukema (SP) opgevallen dat minister Klink in de media wordt genoemd als de ontdekker of ontwerper van het nieuwe zorgstelsel. Dat heeft haar verrast omdat zij meent dat daarover toch meer mensen hebben nagedacht.

Zij verzoekt minister Rouvoet aan te geven hoe hij denkt grip te krijgen op de aansluiting van het provinciale beleid op het gemeentelijke beleid. Het lijkt haar ingewikkeld om hiervoor geld te verzamelen omdat het beschikbare geld al vaak is geoormerkt.


Minister Klink zegt dat Maxime Verhagen hem bij de introductie aan de media heeft genoemd als de ontwerper van het nieuwe zorgstelsel. Dat is echter slechts ten dele waar; succes heeft immers vele vaders. In dezen is als eerste Hans Hoogervorst te noemen. Ook Els Borst heeft het nodige bijgedragen, bij de voorbereiding en bij het denken over de zorg. De SER heeft ook zijn eigen toon gezet. De voorbereiding is dus vrij breed gedragen. Het CDA heeft hevig geïnvesteerd in het denken over het nieuwe zorgstelsel en het nieuwe verzekeringsstelsel al voordat dit onderwerp was in het kabinet Balkenende. Daarbij ging het bijvoorbeeld over de Europeesrechtelijke inpasbaarheid van het zorgstelsel. Het wetenschappelijk bureau van het CDA heeft daar een uitvoerige studie naar verricht. Vooral Nancy Dankers van de CDA-fractie heeft veel ideeën voor het nieuwe zorgstelsel aangeleverd.


Minister Rouvoet erkent dat veel van het jeugdbeleid via de provincies gestalte krijgt of via de gemeenten, zoals het gemeentelijke jeugdbeleid inclusief de WMO. Het geld dat hiervoor beschikbaar is, komt uit het Gemeentefonds of het Provinciefond en dergelijke. De desbetreffende taken vallen evenwel onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin. De verdere stroomlijning van de jeugdzorg in Nederland, inclusief de aansluiting van het provinciale jeugdbeleid op het lokale jeugdbeleid, is een van de speerpunten van beleid voor de komende periode. Een deel van het geld dat daarvoor beschikbaar is, is inderdaad geoormerkt. De begroting van de minister voor Jeugd en Gezin is volgens de opgave van het constituerend beraad ruim 6 mld. Daarmee kan toch het nodige worden gedaan, temeer omdat in het coalitieakkoord twee enveloppen exclusief zijn toebedeeld aan de portefeuille jeugd en gezin. De besteding daarvan is niet helemaal vrij, maar zowel wat betreft de lasten als de intensiveringen kan daar de komende jaren wel een aanwending voor worden gevonden. Een aanzienlijk bedrag, bijna 1 mld., staat ter beschikking voor de vormgeving van het programma.


De heer Hamel (PvdA) herinnert zich dat het stellen van de vraag aan de juiste bewindspersoon van belang was voor het antwoord.

Hij begrijpt dat de minister de verantwoordelijkheid heeft voor het generieke beleid. De AWBZ en de WMO, onderdelen van het generieke beleid, vallen echter onder de staatssecretaris. Onduidelijk is nog of het nieuwe verzekeringsbeleid, dat in principe ook de AWBZ en de WMO raakt, onder de staatssecretaris valt.

Tot nu toe ging het bij het verzekeringsbeleid om een stelselwijziging, waarbij men zich op een andere manier ging verzekeren. Daarbij is vrijwel nooit uitdrukkelijk over de pakketten gesproken. De heer Hamel vraagt dan ook waar hierbij de raakvlakken zijn.

Het preventiebeleid valt onder de minister van VWS. Het jeugdbeleid heeft ook een preventiefactor, net als het ouderenbeleid overigens. Valt het vaccinatiebeleid bij pasgeborenen bijvoorbeeld onder de minister voor Jeugd en Gezin of onder de minister van VWS? Wellicht komt het geestelijk preventiebeleid ook onder de minister voor Jeugd en Gezin te vallen. Of valt dit als integraal pakket ook onder het preventiebeleid van de minister van VWS? De heer Hamel gaat ervan uit dat de minister voor Jeugd en Gezin bij de jeugdzorg de ambtenaren van andere departementen functioneel aanstuurt, terwijl hun rechtspositie ressorteert onder het betrokken departement.

Nog onduidelijk is wie zal zorgdragen voor de BOPZ, de Wet bijzondere opneming psychiatrische ziekenhuizen. Ook dit onderwerp kan een plaats vinden op het terrein van justitie, jeugdzorg en/of preventie. Biotechnologie valt onder het takenpakket van de staatssecretaris, maar exclusief technologisch onderzoek. Is dit technologisch onderzoek naar de minister van OCW gegaan en is alleen het ethische vraagstuk onder deze staatssecretaris gebleven?


Minister Klink legt uit dat de minister verantwoordelijk is voor de afbakening van de taken van de cure en de care. Deze zullen, overigens net als de sturingsfilosofie die ook via de minister een zekere eenheid moet waarborgen, in nauwe samenspraak met de staatssecretaris worden bepaald. Elke vorm van dwang zal daarbij vermeden worden. Dat neemt echter niet weg dat een zekere eenheid gewaarborgd moet zijn en dat zich soms demarcatievragen zullen voordoen rondom de AWBZ en de Zorgverzekeringswet. Dit geldt overigens ook voor de WMO, die raakvlakken heeft met de taken van de staatssecretaris en de minister voor Jeugd en Gezin. Vooralsnog valt dit nog niet over de hele linie met een schaartje te knippen.

Hetzelfde geldt voor preventie. Drugspreventie komt bijvoorbeeld al snel in de sfeer van het jeugdbeleid, maar ook in de sfeer van de meer generieke preventie. De desbetreffende bewindspersonen zullen het ook daarover eens moeten worden. Ook daarvoor geldt echter dezelfde invalshoek van werken.

De mensen die aangestuurd worden vanuit de portefeuille van de minister voor Jeugd en Gezin vallen functioneel onder de minister voor Jeugd en Gezin en rechtspositioneel onder de minister van VWS.


De heer Hamel (PvdA) gaat ervan uit dat dit openhartig op het departement zal worden geregeld. Als een vraag van de Kamer bij een van de bewindslieden aankomt, wordt deze dan in ieder geval beantwoord, ook als deze aan een andere bewindspersoon moet worden doorgegeven?


Minister Klink zegt nogmaals dat de AWBZ onder de staatssecretaris valt. De cure valt onder de minister. Uiteraard is er eenheid van regeringsbeleid. Is een vraag aan de verkeerde bewindspersoon geadresseerd, dan wordt deze wel beantwoord. Mocht discussie worden gevoerd over de vraag bij wiens domein een vraag past, dan dient de vraag tot de minister te worden gericht. In dat geval zullen zich twee mensen over de vraag buigen, van wie een de adressant is.


Mevrouw Swenker (VVD) heeft grote moeite gehad met de Wet op de Jeugdzorg, door de verschillende geldstromen, de verschillende compartimenten en de onvermijdelijke bureaucratie en mismatch die daarmee samenhangen. Het antwoord van minister Rouvoet klink zeer plausibel. Daarin klinkt het beleid van mevrouw Ross door, maar er zijn nog steeds problemen in de jeugdzorg. Zij vraagt de minister precies aan te geven waarom hij denkt dat het hem wel zal lukken om een eenheid of functionele samenhang te realiseren.


Minister Rouvoet erkent dat het beleid van mevrouw Ross in zijn antwoord doorklinkt. De evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg is in behandeling in de Tweede Kamer. De belangrijkste conclusie van de evaluatie is dat er nog wel iets te verbeteren valt, maar dat men met dit stelsel goed uit de voeten zal kunnen. Het is niet de ambitie van deze minister om een nieuwe stelselwijziging door te voeren. De Wet op de Jeugdzorg wordt in het parlement vrij breed gesteund en biedt goede kansen voor de jeugdzorg in de toekomst. De knelpunten die uit de evaluatie blijken zullen wel moeten worden opgepakt. Waar dat nodig is, zal de jeugdzorg verder worden gestroomlijnd. Dat geldt met name voor de aansluiting op het lokale jeugdbeleid. De totstandkoming van centra voor jeugd en gezin op lokaal niveau zal krachtig worden gestimuleerd. Vaccinatiebeleid, consultatiebureaus, GGD, opvoedingsondersteuning en gezinscoaching zullen steeds meer bij elkaar worden gebracht. De minister verwijst hierbij naar Rotterdam, waar men laat zien hoe het kan. Daar heeft men een directe relatie met het Bureau Jeugdzorg, zodat geen onnodig overleg nodig is voor een goede hulptoewijzing. Hij realiseert zich dat dit in Rotterdam misschien makkelijker kan worden gerealiseerd omdat Rotterdam een eigen Bureau Jeugdzorg heeft, terwijl andere gemeenten een provinciaal bureau hebben. De minister heeft zich voorgenomen om binnen de kaders van de Wet op de Jeugdzorg de knelpunten op te lossen en te zorgen voor een goede afstemming tussen lokaal en provinciaal jeugdbeleid, de AMK’s (Advies- en meldpunt kindermishandeling) etc.


De heer Schouw (D66) wenst de ministers en de staatssecretaris veel succes toe. Hij vindt het spannend om te zien hoe het zal gaan met het programmaministerie. Dat het niet vanzelf gaat, blijkt al uit de vragen van vandaag. Is de programmaminister bereid om bijvoorbeeld na een jaar samen met deze commissie te bezien of de manier waarop het programmaministerie is opgezet, de slagkracht heeft opgeleverd die daaraan is toebedacht?

De minister voor Jeugd en Gezin heeft in feite een transdepartementale relatie met verschillende directies op andere departementen. Over welke directies is deze minister de baas? De heer Schouw vraagt hem verder de reeds genoemde bedragen van 6 mld. en 1 mld. nader toe te lichten.

Over het verwachtingsmanagement maakt de heer Schouw zich een beetje zorgen. Hij vraagt de minister van VWS aan te geven welke beleidsruimte en welk budget er te verdelen zijn in de honderd dagen. Hij kan zich niet voorstellen dat men op het departement of in het kabinet geen heldere lijnen heeft uitgezet.


Minister Rouvoet legt uit dat hij het vervullen van de functie van programmaminister heeft gekoppeld aan de vraag of zou worden voldaan aan de drie B’s: Budget, Bevoegdheden en de mogelijkheid tot het Bevorderen van regie. Op al deze punten moest een plus te zien zijn vergeleken met het coördinerend bewindspersoonschap. Aan deze drie B’s is tegemoetgekomen. De programmaminister heeft immers een eigen bevoegdheid over de onderwerpen in zijn portefeuille. De honderd dagen zullen ook worden gebruikt voor een precieze invulling daarvan. Een departementale herindeling is één, maar dit gaat over de departementale grenzen heen. Dat vergt meer tijd dan normaal en dat is ook niet erg. Na deze honderd dagen, en misschien wel eerder, wordt schriftelijk precies aangegeven wie waarover gaat. Raakvlakken en overlappingen zullen dan ook blijken. De drie B’s zijn de sleutel tot het succes van het programmaministerie. De minister wil al zijn energie steken in het halen van de beleidsdoelstellingen, maar hij is bereid om op ieder moment met de Kamers te spreken over de manier waarop. Wellicht zijn hieraan nadelen verbonden die nu nog niet overzien kunnen worden. Zeker aan het eind van de periode kan hierover worden gesproken. Het werken met programmaministers is immers ook voor het kabinet een experiment. Een evaluatie zal zeker plaatsvinden met het oog op de vraag of het zinvol is om dit vaker of voor meer onderwerpen te doen.

Een aantal directies zal rechtstreeks onder de programmaminister vallen, zoals de Directie Jeugdbescherming van Justitie. De raden voor de kinderbescherming hebben binnen Justitie nu al een bijzondere positie. De ambtenaren die daarvoor werken, worden overgeheveld naar de programmaminister, maar blijven waar zij nu zijn, namelijk in Utrecht. Hetzelfde geldt voor de gezinsvoogdij. De directies primair onderwijs en voortgezet onderwijs gaan ook voor de programmaminister werken. Daarnaast verrichten zij werkzaamheden voor de beide staatssecretarissen van Onderwijs. Het gaat erom welke ambtenaren en directies de programmaminister kan aansturen en kan aanspreken op resultaten voor het programma jeugd en gezin. Bij Onderwijs zijn dat de Directie PO en de Directie VO, bij Justitie is dat de Jeugdbescherming en alles wat daaronder valt. Bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid is dat iedereen die te maken heeft met de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet. Afhankelijk van de vormgeving zal ook het kindgebonden budget hierbij horen. Een wetsvoorstel dat hieraan raakt, ligt thans bij de Tweede Kamer voor. De ambtenaren die daarmee bezig zijn, worden ook door de programmaminister aangestuurd.

Het bedrag van ruim 6 mld. heeft betrekking op de begroting voor Jeugd en Gezin, een apart begrotingshoofdstuk. De marge is soms nul, zoals bij de uitvoering van de kinderbijslag. Dat zal niet veranderen. De beleidsvrijheid is daarbij dus gering, tenzij wordt voorgesteld om de kinderbijslag te verhogen of te verlagen of het systeem te veranderen. Het bedrag van 1 mld. is bestemd voor het nieuwe beleid en is krachtens het coalitieprogramma toegevoegd aan de bestaande budgetten.


Mevrouw Van Leeuwen merkt naar aanleiding van de vraag van de heer Schouw op dat Kamerleden zich hebben afgevraagd of een aparte commissie Jeugd en Gezin niet wenselijk is. Zij neemt aan dat de nieuwe Kamer daar na de honderd dagen over zal beslissen. Hierover zal op z’n minst discussie moeten worden gevoerd.


Minister Klink zegt dat de leden van het kabinet in de honderd dagen in samenspel met de samenleving hun agenda willen opstellen. Na honderd dagen zal het kabinet zich met een programma presenteren. Dat is belangrijk voor de verschillende departementen en begrotingshoofdstukken, maar ook vanwege de pijlers en de tien accenten die het kabinet wil zetten. Op dit punt tekenen de financiële randvoorwaarden met het oog op de voorjaarsnota zich al af. De agenda ligt in feite in het coalitieakkoord besloten. Aan de prioriteiten die daarbinnen gesteld zullen worden, zal in een samenhangend programma vorm worden gegeven. In de honderd dagen zal worden bekeken in hoeverre de samenleving kan worden betrokken bij het opstellen van de meerjarenagenda.


Staatssecretaris Bussemaker wil in deze eerste honderd dagen een aantal concrete ambities formuleren op haar terrein. De grootste uitdaging ligt bij de AWBZ, dus de verpleeghuizen, de GGZ en de gehandicaptensector. Zij heeft een aantal werkbezoeken afgelegd en zal dat ook de komende tijd doen. Juist op het terrein van de AWBZ is verspreid over het land een aantal regionale conferenties georganiseerd, waar met deskundigen wordt gesproken over onderdelen van de AWBZ-problematiek. Deze gesprekken moeten uitmonden in een aantal concrete beleidsvoornemens en ambities, die aan het eind van de honderd dagen gepresenteerd zullen worden. Dat zal ergens tussen eind mei en eind juni zijn.


Minister Rouvoet voegt hieraan toe dat hij is gestart met een bustour. De bedoeling daarvan is om de dialoog met de samenleving te voeren. De ambities zijn neergelegd in een coalitieprogramma, zodat de contouren vastliggen. De invulling vindt echter plaats in het beleidsprogramma. Daarvoor wil hij het gesprek aangaan met de professionals, maar ook met de ouders, de kinderen en de jongeren zelf. Daarbij komen kernthema’s aan de orde zoals veiligheid en gezondheid. De bustour zal worden afgesloten met een Kindertop, waaraan staatssecretaris Dijksma, verantwoordelijk voor het primair onderwijs, zal meewerken. De prioriteiten en programma’s zullen dan kenbaar worden gemaakt. Deze kunnen nog bijgesteld worden naar aanleiding van deze Kindertop. Een en ander zal neerslaan in het beleidsprogramma voor de komende vier jaar.


De heer Putters (PvdA) vindt het plezierig dat de commissie zo snel over de taakverdeling en agendering met de bewindslieden kan spreken. Drie thema’s wil de heer Putters steeds met de bewindslieden bespreken. Dit zijn: 1. de cliënt en de cliëntenwetgeving, 2. de opleiding en de arbeidsmarkt, de werkers in de zorg en 3. de kwaliteit. Hij heeft de indruk dat deze onderwerpen dwars door de portefeuilleverdeling heen lopen en hij is dan ook benieuwd hoe hieraan gestalte zal worden gegeven.


Minister Klink merkt op dat het coalitieakkoord de nodige aanknopingspunten biedt voor het beleid en de basis vormt voor de komende vier jaar. Dan zijn er nog de lopende agendapunten, die door de ambtelijke ondersteuning zijn aangedragen en de ambities van de drie bewindslieden op VWS. Uiteindelijk zal hieruit een beleidsagenda voortvloeien. Uiteraard is de politiek sturend, maar de interactie tussen de drie genoemde punten is wel heel belangrijk. Er is wel een voorlopige agenda, die de komende tijd in samenspraak met het veld zal worden uitgewerkt.

De punten die de heer Putters noemt, zijn ook voor het kabinet speerpunten. Deze zullen dan ook in de beleidsprogramma’s en op de gemeenschappelijke agenda voorkomen: cliënten, de kwaliteit van de zorg en de arbeidsmarkt.


De heer Putters (PvdA) vraagt of een van de bewindslieden dit coördineert. Het lijkt hem dat juist op deze drie terreinen veel vraagstukken van integraal beleid een rol spelen.


Minister Klink wijst erop dat de beleidsterreinen van de staatssecretaris en de minister elkaar nauw raken. Bij deze hoofdaccenten zullen zij dan ook gemeenschappelijk optrekken. Zij kunnen daarop ook worden aangesproken.


Staatssecretaris Bussemaker herkent zich in deze ambitie. Zij stelt niet de regels centraal, maar de cliënten, de waardering van de professional, eerherstel voor de mensen die het werk doen en het verbeteren van de kwaliteit. Zij denkt daarbij in het bijzonder aan verpleeghuizen, gehandicapteninstellingen en GGZ. Goede kwaliteit moet beloond worden.

Er zijn wel verschillen. De arbeidsmarkt in de caresector en in de curesector hebben ieder een aantal specifieke problemen, maar kennen ook overlap. De Kamer zal hierover dus zowel door de bewindslieden gezamenlijk als afzonderlijk worden bericht.


Minister Klink noemt nog een speerpunt, namelijk innovatie. Innovatie, de tweede pijler in het coalitieakkoord, is buitengewoon belangrijk om het thema arbeidsmarkt aan te kunnen. Slaagt het kabinet er niet in om de arbeidsproductiviteit de komende jaren te verhogen, dan zullen opnieuw wachtlijsten ontstaan, evenals een gebrek aan verpleegkundigen en verzorgenden. Dat raakt zowel de kwaliteit als de cliënt. Innovatie is daarom een van de thema’s die uitdrukkelijk aan de arbeidsmarkt zullen worden gelieerd.


Mevrouw Van Leeuwen wijst erop dat bij de participatietop alleen wordt gesproken over sociale partners, terwijl daarbij onderwerpen een rol spelen die voor de gehandicaptenorganisaties, de ouderenorganisaties en de jongerenorganisaties van essentieel belang zijn.


Minister Rouvoet merkt ter geruststelling op dat in de loop van deze week duidelijk zal worden welke bewindspersoon betrokken zal zijn bij de participatietop. De agenda van deze top zal breder zijn. Er wordt ook gefocust op het overleg met sociale partners, maar het is nadrukkelijker breder dan het reguliere voorjaarsoverleg. De ministers van VWS en voor Jeugd en Gezin zijn betrokken bij onderdelen van deze participatietop. Uiterlijk volgende week vrijdag wordt de agenda van deze top vastgesteld. De waarschuwing van mevrouw Van Leeuwen zal ter harte worden genomen.


Staatssecretaris Bussemaker voegt hieraan toe dat iedereen aan de participatietop meedoet, dus ook vrijwilligerswerkers en mantelzorgers.


Mevrouw Van den Broek-Laman Trip (VVD) is het opgevallen dat de bewindslieden vaak zeggen dat zij zaken gezamenlijk zullen doen, dat zij er samen uit moeten komen en moeten overleggen. Zij maakt zich zorgen dat dit samen beslissen erg veel bureaucratie met zich zal brengen.


Minister Klink heeft de indruk dat hij niet duidelijk genoeg is geweest en herhaalt nogmaals de afgesproken taakverdeling. Moeten bijvoorbeeld delen van de AWBZ naar de cure, dan ligt de ultieme verantwoordelijkheid bij de minister. Er zal echter altijd overleg zijn met.


Staatssecretaris Bussemaker verlaat de bijeenkomst wegens verplichtingen elders.

2. Regeerakkoord versus door Eerste Kamer ingenomen standpunten, onder meer over a. PGO-patiëntenorganisaties, b. no-claim, c. Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling en d. evaluatie DBC’s

Mevrouw Van Leeuwen (CDA) ligt toe dat er in de Tweede Kamer nog steeds sprake is van een conflict over de PGO-patiëntenorganisaties (patiënten, gehandicapten en ouderen). 1. De Eerste Kamer heeft in het verleden krachtig uitgesproken dat er structureel grote aandacht moet komen voor de patiëntenorganisaties, ook via de subsidies. De Eerste Kamer is van oordeel dit nog niet in voldoende mate structureel gebeurt. 2. Er zijn verder duidelijke afspraken gemaakt over de afschaffing van de no-claim. De meerderheid van deze Kamer heeft duidelijk uitgesproken dat, als van de no-claim moet worden afgestapt, de eigen bijdragen inkomensafhankelijk moeten worden. 3. Ook zijn vragen gesteld over de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO). 4. De minister heeft toegezegd dat na het bereiken van 10% DBC’s tot evaluatie zal worden overgegaan. Deze vier punten zijn nu iets anders in het regeerakkoord terechtgekomen.


Minister Klink meent dat wensen van het kabinet ten aanzien van de PGO-patiëntenorganisaties niet ver afliggen van de intentie van de Kamer. Het kabinet wil met kracht werken aan een structurele positie voor de patiëntenorganisaties in de driehoek van verzekeraars, zorgaanbieders en de cliënten/patiënten. Dat geldt zowel voor de AWBZ als voor de Zorgverzekeringswet. Dat houdt in dat ook bekeken wordt welke financiën daarvoor nodig zijn. In de loop van de komende maanden zullen gesprekken worden gestart met de patiëntenorganisaties, de ouderenorganisaties en de gehandicaptenorganisaties over een nieuwe vormgeving van de subsidieregelingen. Dit gebeurt mede op initiatief van de Tweede Kamer, die afgelopen januari haar onvrede heeft uitgesproken over het feit dat in principe alleen maar historisch gegroeide patronen worden bestendigd terwijl een onderliggende visie gewenst is. Deze visie wordt thans gevormd. Dat gebeurt niet alleen op grond van de aansporing van de Eerste en Tweede Kamer, maar ook omdat het kabinet een structurele positie in de zojuist geschetste driehoeksverhouding wil borgen.

In het coalitieakkoord ligt de realisatie van een systeem van eigen betaling besloten. De no-claim zal komen te vervallen. De uitwerking hiervan is al ter hand genomen. De minister kan hier nog niet veel over zeggen, behalve dan dat het een uitermate complexe materie is die de inkomenspositie van mensen raakt. Gehoopt wordt wel dat het systeem hetzelfde effect heeft op het gedrag als de no-claim. In het coalitieakkoord staat overigens ook dat de TBU-regeling (tegemoetkoming voor buitengewone uitgaven) uiteindelijk zal worden opgenomen in de WMO. Ook dat is een complicerende factor. De uitkomsten zijn dus nog niet duidelijk. De no-claim wordt per 1 januari 2008 afgeschaft. Wil daar op dat moment iets tegenover staan, dan moet een en ander vrij snel in wetgeving worden omgezet.

Dan de RMO. Er zal vrij fundamenteel naar de radenstructuur worden gekeken. Ook de adviesorganen zullen goed worden bekeken. De bezuiniging van 1,6 mln. is op initiatief van de Tweede Kamer niet doorgegaan. De WRR en de SER zullen een soort spilfunctie krijgen. Daaromheen zal een aantal «satellieten» zich richten op onderwijs, scholing, volksgezondheid en cultuur. Dit zal voor een deel de richting bepalen van VWS en van Jeugd en Gezin. In hoeverre de RMO zal blijven bestaan of zal worden opgenomen in een van de satellieten kan de minister nu nog niet zeggen. Dit aspect zal betrokken worden bij de algemene beleidslijn.

Bij de evaluatie van de DBC’s refereert de minister aan de motie van de heer Schouw uit 2004. Er zijn al voortgangsrapportages geweest. In de eerste rapportage is een evaluatiekader opgenomen. Daar is in de tweede voortgangsrapportage aan gerefereerd. In de loop van juni zal een derde voortgangsrapportage volgen. De implementatie van de vereenvoudiging van de DBC’s zal in tranches plaatsvinden. De minister meent zelfs dat hiermee al een begin is gemaakt. Het evaluatiekader en de eerste evaluaties zijn er. De minister is doordrongen van het feit dat een evaluatiekader nodig is. Dat geldt overigens ook voor de verruiming van het vrije deel in het pakket, het B-segment. Daarover zal met de Kamer gecommuniceerd worden. Dit zal maatgevend zijn voor de vervolgstappen.


Mevrouw Swenker (VVD) erkent dat er een voortgangsrapportage is geweest, maar daaruit bleek voornamelijk dat een en ander nog niet deugde. Er kunnen nog wel meer evaluaties volgen, maar op een gegeven moment moet aan de hand van een evaluatie worden besloten of verder wordt gegaan of niet. Wanneer is dat moment aangebroken?


Minister Klink merkt op dat de interne evaluaties hebben geleid tot de beslissing om te vereenvoudigen. De minister hoopt dat daarmee de evaluatiecriteria uiteindelijk wel worden bereikt. Dat deze vereenvoudigde tranches gespiegeld zullen worden aan de criteria, is evident. De minister ziet het nog niet gebeuren dat helemaal zal worden afgestapt van DBC’s.

In het coalitieakkoord is opgenomen dat wordt gestreefd naar 20%. Nadere stappen zullen worden gezet op basis van de evaluatie. Ook voor de interne evaluatie moeten een evaluatiekader komen, zodat op basis van de criteria die nu worden geformuleerd, kan worden bekeken in hoeverre het een succes is.


De heer Hamel (PvdA) begrijpt dat de 20% in het regeerakkoord zijn opgenomen. Er moet echter nog een besluit volgen waarin deze 20% worden gematerialiseerd. Aan de hand daarvan kan dan discussie plaatsvinden.


Minister Klink benadrukt dat deze 20% in principe in beton is gegoten. Er moet een evaluatiekader komen voor het zetten van vervolgstappen, al was het maar omdat ook in het coalitieakkoord wordt gezegd dat anders geen verdere stappen worden gezet. Een volgende vraag is wat onder deze 20% wordt gebracht. Het kabinet zal zich daar de komende maanden over buigen. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van de bevindingen die in de eerste tranche naar voren zijn gekomen. Dat de Kamer daarover met deze bewindslieden zal discussiëren moge duidelijk zijn.


De heer Hamel (PvdA) roept in herinnering dat is toegezegd dat een rapportage wordt voorgelegd aan de Eerste Kamer voordat een stap zou worden gezet naar meer dan 10%. Aan de hand van deze rapportage zou de Eerste Kamer een oordeel geven. Een voortgaande introductie van DBC’s kan immers tot consequenties leiden die op zichzelf niet in het systeem van de 10% te vinden zijn, maar zich pas voordoen bij bijvoorbeeld 30% DBC’s. De Eerste Kamer vraagt in feite om een notitie waarin wordt aangegeven wat met de 10% is gedaan, welke ervaringen daarmee zijn opgedaan en welke stappen zijn gepland. Aan de hand van deze notitie kan een discussie met de Eerste Kamer plaatsvinden.


Minister Klink zegt dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) het geheel monitort. In april 2007 zal de NZa haar tweede evaluatie naar buiten brengen. Die is voor het kabinet bepalend bij de vraag in welke richting zal worden verdergegaan. De 20% vloeit voort uit het coalitieakkoord. Dat neemt niet weg dat nog vele afwegingen die daaraan ten grondslag liggen een evaluatie vergen. De criteria daarvoor zullen gaandeweg opgebouwd moeten worden. Vervolgstappen zullen in communicatie met de Kamer worden gezet.


Mevrouw Van Leeuwen (CDA) constateert toch een verschil van mening. De Kamer heeft inderdaad een aantal voortgangsrapportages ontvangen. Op grond van deze rapportages zou de Eerste Kamer een afwijzend oordeel moeten uitspreken.


Minister Klink wijst erop dat er twee aparte trajecten zijn van evaluatie. De evaluatie die aan de heer Hoogervorst is gevraagd, is in feite een kader gegeven. Dat is mede basis voor de NZa om te bekijken hoe het gaat met de vrije prijsvorming. Daarover heeft een eerste rapportage plaatsgevonden.


Het lijkt mevrouw Van Leeuwen (CDA) dat hierover nog in de commissie gesproken moet worden. Het is mogelijk dat dit erop neerkomt dat de Kamer in de oude samenstelling nog voor de zomervakantie een discussie met de minister zal voeren over de stand van zaken in het kader van de evaluatie. Dat kan de helderheid brengen waar iedereen op wacht. De vrees van de Kamer is dat een clash ontstaat als de 20% een eigen leven gaat leiden in het veld en de minister geen overeenstemming heeft met de Kamer.


Minister Klink vindt de inzet van 20% helder. Die is opgenomen in het coalitieakkoord. De NZa zal rapporteren in april. Dat kan een basis zijn voor een debat.


De heer Schouw (D66) haalt aan dat de stap van 10 naar 20% wellicht gemaakt kan worden als de argumenten bekend zijn die de coalitiepartijen kennelijk hebben gehad voor het opschrijven van die 20%.


Minister Klink wil dat aanvullen met hetgeen in april door de NZa naar buiten wordt gebracht. Dat lijkt hem een prachtig aangrijpingspunt om eens goed te kijken welke richting moet worden opgegaan.


De heer Hamel (PvdA) wijst erop dat deze 20% pas kan worden ingevoerd nadat een stuk met de Kamer is besproken.


Minister Klink zegt het traject niet voor niks te hebben aangegeven. Het plan om van 10 naar 20% te gaan wordt gemotiveerd. Deze motivatie zal mede ontleend worden aan de eerste inzichten. De NZa heeft daartoe de opdracht gekregen.


Het lijkt de heer Hamel (PvdA) goed als de Kamer de minister in een brief om een toelichting vraagt op dit standpunt.


Mevrouw Van Leeuwen (CDA) zegt dat hierover nog gesproken zal worden. Daarbij zal worden bezien of een en ander schriftelijk wordt voorbereid.

3. Inhoudelijke nakoming toezeggingen gedaan in de Eerste Kamer

Mevrouw Van Leeuwen (CDA) geeft aan dat de Eerste Kamer de toezeggingen nauwlettend zal volgen. Aan het departement is een lijst gestuurd van niet nagekomen toezeggingen. Daarop is een voortreffelijk, maar ook ambtelijk antwoord gegeven. In veel gevallen ging dit antwoord voorbij aan de politieke context waarin de desbetreffende discussies in de Kamer hadden plaatsgevonden.

Bij de totstandkoming van de Zorgverzekeringswet is eenen andermaal diepgaand gesproken over de onverzekerdenproblematiek. Er zijn concrete voorstellen gedaan. Er zijn gesprekken gevoerd, maar inhoudelijk is niet op de bezwaren en de voorstellen van de Kamer ingegaan. Een aantal punten inzake de Zorgverzekeringswet moet dus nog worden beantwoord.


Mevrouw Slagter-Roukema (SP) vraagt zich af hoe wordt verdergegaan met de Zorgverzekeringswet en met de nog zwakke punten daarin. Bestaat een plan om deze te monitoren? De onverzekerdenproblematiek is mogelijk toch groter dan eerst werd aangenomen. Een ander punt is de grootte van de collectiviteiten. In een discussie daarover heeft mevrouw Slagter aan minister Hoogervorst voorgesteld om maar heel Nederland onder de collectiviteit te brengen, waardoor toch weer een collectief en publiek systeem zou ontstaan. Door de ontwikkeling van de collectiviteiten lijkt het daar al een beetje op. Wat gaan deze bewindslieden daarmee doen?


De heer Hamel (PvdA) bevestigt dat het bij de toezeggingen ging om de vraag of er daadwerkelijk iets geëffectueerd is. Vooral over de jeugdzorg is een aantal keren een antwoord uitgebleven.


Minister Klink zegt dat VWS op de punten die door de Eerste Kamer zijn geïnventariseerd heeft aangegeven wanneer en op welke wijze daaraan invulling is gegeven. In hoeverre dat politiek toereikend is, is zeker door het wisselen van de wacht lastig te beoordelen. Daarop zal in de nabije toekomst uitvoerig op worden teruggekomen. De minister hecht eraan op te merken dat de afdoening, voor zover deze toen mogelijk was, naar zijn gevoelen toereikend was. Onder verwijzing naar vindplaatsen en ondernomen acties is immers toch een inventarisatie gemaakt die aan de Eerste Kamer is kenbaar gemaakt. Dat neemt niet weg dat hieruit een vervolgactie voortvloeit. Gaan brieven naar de Tweede Kamer – waarvan een afschrift naar de Eerste Kamer zal gaan – dan zal uitdrukkelijk worden vermeld aan welke toezegging daarmee is tegemoetgekomen.

De onverzekerdenproblematiek is inderdaad een behoorlijk thema, zeker omdat vanaf 1 juli 2007 daadwerkelijk het risico wordt gelopen dat verzekerden uit de verzekering gaan en dus in feite onverzekerd zijn. Daar is al het een en ander aan gedaan. Er is een wetsvoorstel voor de incasso. In datzelfde wetsvoorstel wordt de mogelijkheid afgesloten dat degenen die niet betalen zich vervolgens bij een andere verzekeraar aanmelden. De problematiek dat mensen al dan niet moedwillig niet meer verzekerd zijn, wordt daarmee echter niet ondervangen. Daarom wordt nu gestudeerd op een vangnetconstructie. Hoe deze eruit zal zien en of deze er zal komen, weet de minister nog niet.

Er zijn gelegenheidscollectiviteiten gevormd, maar er zijn ook collectiviteiten doordat werkgevers voor hun werknemers verzekeringen afsluiten. Dat kan buitengewoon belangwekkende aangrijpingspunten bieden voor bijvoorbeeld het integreren van preventie in de zorgverzekeringsketen. De minister wil de collectiviteiten bepaald niet wegpoetsen. Zij kunnen juist dankbare aangrijpingspunten zijn voor nieuw beleid.


Mevrouw Slagter-Roukema (SP) had de indruk dat de zorg was dat het aantal collectiviteiten zo groot werd dat het gedeelte dat nog individueel verzekerd is, klein is. Deze mensen zouden daardoor extra belast worden omdat zij op de een of andere manier niet in een collectiviteit passen.


Minister Klink kan zich de cijfers niet precies voor de geest halen, maar heeft wel de indruk dat hierin nog een zeker evenwicht bestaat.


Mevrouw Van Leeuwen (CDA) dankt de bewindslieden voor de openhartige kennismaking. De opmerkingen over de toezeggingen zijn niet gemaakt omdat er geen waardering is voor de manier waarop zij ambtelijk zijn beantwoord. In de Kamer moeten echter de puntjes op de i worden gezet en bij de onverzekerdenproblematiek had het toch anders kunnen gaan.

1  Samenstelling:Leden: Werner (CDA), Van Leeuwen (CDA), voorzitter, Van den Berg (SGP), Dupuis (VVD), Swenker (VVD), plv. voorzitter, Hamel (PvdA), Nap-Borger (CDA), Slagter-Roukema (SP), Schouw (D66), Putters (PvdA) en Thissen (GL).Plv. leden: Pastoor (CDA), J. de Graaf (CDA), Schuurman (CU), Kalsbeek-Schimmelpenninck van der Oije (VVD), Van den Broek-Laman Trip (VVD), Doesburg (PvdA), Van de Beeten (CDA), Meulenbelt (SP), Schuyer (D66), Linthorst (PvdA) en Van der Lans (GL).