Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII) voor het jaar 2007

30800 XII 80 Brief van de minister van verkeer en waterstaat

Vergaderjaar 2006-2007

Nr. 80

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 5 juli 2007


Naar aanleiding van vragen van de vaste Kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat inzake drugstesten, deel ik u het volgende mee.

Inleiding

Artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 is de basis van de aanpak van rijgevaarlijke stoffen. Onder die stoffen vallen alcohol, drugs en geneesmiddelen of een combinatie daarvan. In lid 1 staat: «Het is een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht».

Voor alcohol wordt in het tweede en derde lid verwezen naar een wettelijke limiet waarboven men strafbaar is. Voor andere stoffen als drugs en geneesmiddelen ontbreekt zo’n concretisering en moet volstaan worden met het algemene lid 1.

De huidige politiepraktijk

1. In Nederland wordt gewerkt met de impairment methode. Deze methode komt erop neer dat op basis van impairment (gedrag)de politie het vermoeden kan krijgen dat een bestuurder onder invloed is van een stof als genoemd in artikel 8. Dit vermoeden krijgt de politie op basis van:

a. observatie van het rijgedrag,

b. uiterlijke kenmerken of

c. een eigen verklaring door de bestuurder.

In de praktijk komt die erop neer dat de politie alleen in het geval van een zeer duidelijk vermoeden betrokkene meeneemt naar het bureau voor verder onderzoek (afnemen van bloed door een arts ten behoeve van bloedonderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het gaat daarbij jaarlijks om zo’n 1000 gevallen. Van deze 1000 gevallen staat het voor de politie buiten kijf dat zij gebruikt hebben, vaak ook nog in combinatie met alcohol. Het NFI stelt vervolgens door middel van bloedonderzoek vast of het inderdaad zo is dat er drugs gebruikt zijn. Dit leidt er uiteindelijk toe dat van de 1000 zaken er 800 worden ingestuurd naar het openbaar ministerie voor verdere vervolging. Van de resterende 200 zaken is de verklaring van het NFI in de regel onvoldoende zwaar om met succes proces-verbaal terzake overtreding artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 op te kunnen maken. Deze 1000 zeer duidelijke gevallen vormen echter een topje van de ijsberg. De SWOV heeft vastgesteld dat in haar onderzoek in Tilburg 10% van de bestuurders drugs had gebruikt, waarvan in de helft van de gevallen cannabis.

Problemen bij de huidige wetgeving

Bij de opsporing en handhaving stuitte de politie op de volgende problemen:

1. De politie moet aantonen dat de bestuurder onder invloed van een stof is.

2. Zij moet aantonen dat hij daardoor niet tot behoorlijk besturen in staat was.

3. De punten 1 en 2 zijn in de praktijk alleen maar aan te tonen als de bestuurder zeer duidelijk onder invloed is. Als er geen uiterlijke kenmerken zijn, kan de bestuurder toch recent drugs gebruikt hebben, maar kan dat niet worden vastgesteld.

4. Er wordt slechts een zeer klein gedeelte van de bestuurders ontdekt bij verkeerscontroles en vervolgens wordt slechts een deel hiervan vervolgd en veroordeeld.

Wat gebeurt er in Europa?

In oktober 2006 is het Europese DRUID-project gestart. DRUID is vooral gericht op het betrouwbaar in kaart brengen van het probleem: hoe vaak komt drugsgebruik in het verkeer voor en wat zijn de risico’s van het gebruik.

Daarnaast is een deel van het onderzoek gericht op de evaluatie van bestaande opsporingsmethoden enapparaten (drugstesters en dan met name speekseltesters). Onderzocht wordt de betrouwbaarheid en praktische bruikbaarheid van drugstesters en andere opsporingsmethoden (observationele methoden). Het totale DRUID project zal formeel op 15 oktober 2010 gereed zijn. Informeel zullen de resultaten eerder beschikbaar zijn.

Bovendien wordt nu samen met Nederlandse betrokkenen bij het DRUID-project (SWOV en politie) bekeken wat er gedaan kan worden om eerder resultaat te krijgen met betrekking tot de drugstesters en of er nog andere mogelijkheden zijn om iets te kunnen doen in Nederland.

Hoever zijn we nu in Nederland?

Hiervoor verwijs ik u graag naar de brief die op 13 oktober 2003 aan uw kamer is gezonden (Kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 200 Xll, nr. 8). Ik verwijs u daarbij naar de pagina’s 9 en 10 en 13 t/m 19.

Problemen:

1. Het gaat bij drugs (en zeker bij medicijnen), in tegenstelling tot alcohol om veel verschillende stoffen (drugs minimaal 5 hoofdgroepen en geneesmiddelen minimaal 4 hoofdgroepen). Het is lastig om op een betrouwbare manier vast te stellen of inderdaad die stoffen in het bloed voorkomen. Voorkomen moet worden dat (te veel) bestuurders onterecht meegenomen worden naar het bureau.

2. Daar het om een groot aantal stoffen gaat, zou getest moeten worden met testers, die verschillende combinaties testen, het liefst alle stoffen in één keer. Dit zowel vanuit oogpunt van tijd, kosten en efficiency. Het blijkt dat de betrouwbaarheid voor met name cannabis te wensen overlaat, terwijl dat in het verkeer de meest gebruikte drug is. Ook de aanwezigheid van de meest gebruikte geneesmiddelengroep – benzodiazepines – is nog niet met voldoende betrouwbaarheid langs de kant van de weg in het lichaam van de bestuurder vast te stellen. Daarnaast heeft de ene fabrikant wel een redelijke betrouwbaarheid voor de ene stof, maar weer niet voor de andere. Het wachten is op een tester die voor alle stoffen een redelijke betrouwbaarheid heeft. Of testers voldoende betrouwbaar zijn in de praktijk, is afhankelijk van het oordeel van de politie.

3. Als er een betrouwbare tester is dan moet deze ook op een eenvoudige wijze door de politie in de praktijk zijn toe te passen. Dat wil zeggen onder alle omstandigheden en snel.

Wat gebeurt er in Nederland? Het Twentse voorbeeld.

In Twente werden in het weekeinde onder het uitgaanspubliek ad random gedragstestjes afgenomen. Deze gedragstestjes werden afgenomen op verzoek van de politie door een deskundige op het gebied van drugsbehandeling en in het kader van een alcoholcontrole. In 4 (5%) van de 74 gevallen zou er sprake zijn van drugsgebruik. Van de 4 aangehouden bestuurders is bloed afgenomen door een GGZ-arts. Het NFI zal deze monsters analyseren.

Afgewacht zal moeten worden of vervolgens vervolging zal worden ingesteld. Het is ook de vraag of elke drug op basis van uiterlijke kenmerken te herkennen is.

Het BVOM zal deze zaak actief volgen.

DRUID

Het DRUID-project vindt voor een deel plaats i.s.m. de Nederlandse politie en in diverse politieregio’s. Zo werd in de pers ook gerapporteerd over drugstesten in Groningen. Deze vinden plaats in het kader van DRUID en op basis van vrijwilligheid. Naast Groningen wordt in het kader van DRUID geëxperimenteerd in de volgende plaatsten: Twente, Nijmegen, Eindhoven, Maastricht en Amstelland.

Wat kan worden gedaan?

Ik blijf de ontwikkelingen op de voet volgen. Daarnaast wil ik nagaan in hoeverre gebruik gemaakt kan worden van de eerste resultaten van DRUID. Ik zal daarover in overleg treden met mijn ambtgenoot van Justitie.


De minister van Verkeer en Waterstaat,
C. M. P. S. Eurlings