Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2007

30800 X 109 Brief van de minister en staatssecretaris van defensie

Vergaderjaar 2006-2007

Nr. 109

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 2 juli 2007

INLEIDING

De Tweede Kamer heeft ons gevraagd om een notitie vóór het zomerreces over de hoofdlijnen van het defensiebeleid in deze kabinetsperiode. Deze notitie bieden wij u hierbij aan, nadrukkelijk onder het beslag van de besluitvorming over de begroting door het kabinet in augustus aanstaande. Omdat het om de hoofdlijnen van beleid gaat, ligt de nadruk in deze notitie op de voorgenomen veranderingen en niet op alles wat Defensie zich voor de komende jaren al had voorgenomen. Het volledige beeld kunnen wij de Kamer voor september aanstaande in het vooruitzicht stellen. Gelijktijdig met de defensiebegroting voor 2008 die de derde dinsdag van september wordt gepresenteerd, kan het parlement een brief tegemoet zien waarin wij het defensiebeleid voor de komende jaren uitgebreid zullen toelichten. Onderdeel daarvan is ook de vervanging van het F-16 jachtvliegtuig. In het coalitieakkoord zijn de stappen beschreven om in 2010 tot een kabinetsbesluit te komen dat aan de Tweede Kamer zal worden voorgelegd.


Mede op verzoek van de Tweede Kamer zullen wij in de septemberbrief onder meer de ontwikkeling van de land- en luchtstrijdkrachten in de komende jaren schetsen. Eveneens op verzoek van de Kamer zullen wij een overzicht geven van de materieelprojecten in de komende jaren. Wij zullen daarbij ook ingaan op de onderlinge samenhang van de voorgenomen aanschaffingen en het beleidsmatige kader dat eraan ten grondslag ligt. Hetzelfde geldt voor het personeelsbeleid; ook dat zal in de brief ruimschoots aan de orde komen.

De afgelopen jaren is de defensieorganisatie ingrijpend verkleind en geherstructureerd, terwijl de mensen en middelen, vooral in Irak en Afghanistan, onder moeilijke omstandigheden zijn ingezet. Nederland behoort in de Navo en de EU tot de landen die metterdaad de stabiliteit en de wederopbouw elders in de wereld trachten te bevorderen. Ons land kan trots zijn op zijn krijgsmacht en het defensiepersoneel verdient grote waardering voor de inzet in een periode van transformatie die voor velen gepaard is gegaan met onzekerheid over de eigen toekomst. Inmiddels hebben de aanpassingen waartoe in 2003 is besloten goeddeels hun beslag gekregen, al zullen onderdelen van de organisatie ook de komende jaren nog in beweging blijven. In dit verband zijn, bijvoorbeeld, de Integrale Helikopterstudie en de Marinestudie 2005 noemenswaard, maar te denken is ook aan de verdere ontwikkeling van de materieelorganisatie en dienstencentra. Nog niet alle ontwikkelingen die sinds 2003 in gang zijn gezet zijn dus voltooid en dit kan voor het personeel onzekerheid meebrengen. Onze aandacht zal de komende jaren nadrukkelijk uitgaan naar het personeel. Er is ons veel aan gelegen een omgeving te creëren waarin mensen hun draai kunnen vinden. Dit geldt zowel voor het personeel dat werkzaam is in uitvoerende delen van de defensieorganisatie als voor personeel in de staven en evengoed voor militairen als voor burgers.


Dit alles neemt niet weg dat ook de komende jaren aanpassingen in de omvang en de samenstelling van de krijgsmacht geboden zijn om een stabiele ontwikkeling in de komende jaren te schragen en nieuwe onevenwichtigheden te voorkomen. Onze voornemens behelzen enerzijds versterkingen op operationeel gebied en ten behoeve van het personeel, maar anderzijds ook intern gerichte maatregelen om de organisatie en haar activiteiten betaalbaar te houden, zoals het uiteindelijk elke overheidsinstantie betaamt. In dit verband levert Defensie ook een aandeel in de efficiencytaakstelling die het kabinet alle departementen heeft opgelegd. Beheersmaatregelen zijn nodig omdat de exploitatie van materieel en personeel duurder wordt, mede door de veeleisende omstandigheden die zich in crisisbeheersingsoperaties kunnen voordoen en door de uitvoering van de aanbevelingen van de commissie-Staal.

MAATREGELEN: AARD EN OOGMERK

Van de middelen die in het regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld – in totaal 500 miljoen euro in de kabinetsperiode – kan de helft direct worden aangewend voor enkele selectieve versterkingen. De andere helft wordt op de post Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) aan de defensiebegroting toegevoegd ten behoeve van de uitvoering van crisisbeheersingsoperaties. Om de vereiste versterkingen volledig te bekostigen is een vergelijkbaar bedrag gevonden door herschikkingen binnen de defensiebegroting. Wij zullen hierbij de voorwaardelijke benadering volgen die ook in het coalitieakkoord is gehanteerd; intensiveringen zullen in opeenvolgende begrotingen worden verwerkt als extensiveringen worden uitgevoerd. Ook zijn herschikkingen binnen de defensiebegroting aan de orde om knelpunten in de bedrijfsvoering op te lossen. Deze aanpassingen betreffen in eerste instantie doelmatigheidsmaatregelen. Daarnaast worden enkele investeringsprojecten vertraagd en komen enige projecten te vervallen. Ten slotte achten wij het op basis van een uitgebreide analyse verantwoord de aantallen van enkele hoofdwapensystemen te verlagen zonder het expeditionaire vermogen van de krijgsmacht aan te tasten. De herschikkingen stellen Defensie in staat de komende jaren met vaste koers de ontwikkeling te vervolgen die in 2003 is ingezet naar een volledig inzetbare krijgsmacht, met professionele mensen en met middelen die zo goed mogelijk zijn afgestemd op de taken. Een krijgsmacht die in staat is op alle geweldsniveaus te opereren samen met die van onze belangrijkste bondgenoten, die samen met civiele autoriteiten onze nationale veiligheid waarborgt en die haar deskundigheid in dienst stelt van het geïntegreerde veiligheidsbeleid dat de regering hoog in het vaandel voert. Een krijgsmacht met een gezonde bedrijfsvoering en met een investeringsquote van ten minste 20 procent. Een krijgsmacht, ten slotte, waar burgers en militairen zich gezamenlijk inzetten om de veiligheid van ons land te bevorderen en om de levensomstandigheden van mensen elders in de wereld te verbeteren.


Op operationeel gebied heeft de krijgsmacht de afgelopen jaren waardevolle ervaringen opgedaan in Irak en Afghanistan. De militaire betrokkenheid bij de stabilisering en wederopbouw van Bosnië is na vijftien jaar aanmerkelijk verkleind. Nederlandse militairen hebben de afgelopen jaren eens te meer aangetoond onder moeilijke omstandigheden hun werk te kunnen doen. De ervaring leert dat de effectiviteit van het expeditionaire optreden niet alleen afhankelijk is van de inzetbaarheid van (hoofd)wapensystemen, maar in toenemende mate ook van ondersteunende capaciteiten, zoals de inlichtingenvoorzieningen, de kwaliteit van de bevelvoeringsmiddelen, de informatievoorziening, de logistieke ondersteuning en de mogelijkheid om specialisten in te zetten, bijvoorbeeld op het gebied van civiel-militaire samenwerking en Security Sector Reform. Wij achten daarom gerichte impulsen op deze terreinen nodig. Een belangrijke les is voorts dat de eisen aan ondersteunende elementen van militair vermogen toenemen en dat mede daarom het evenwicht tussen aantallen hoofdwapensystemen en andere elementen van militair vermogen verschuift. Dit is in overeenstemming met de Defence Requirements Review (DRR) 2007 van de Navo die thans in voorbereiding is, waarin de nadruk meer zal liggen op de ondersteunende capaciteiten. Wij hebben ook daaraan consequenties verbonden en besloten de aantallen gevechtstanks, pantserhouwitsers en F-16 gevechtsvliegtuigen van de krijgsmacht verder te verlagen, zoals eerder is gebeurd met het aantal fregatten. Ten slotte hebben wij besloten enige projecten te staken. De herschikking van prioriteiten heeft geleid tot beëindiging van (de deelneming aan) de projecten Tactical Tomahawk en MALE UAV en in afwachting van de uitkomsten van internationaal overleg reserveert Defensie geen geld meer voor het project Alliance Ground Surveillance (AGS) van de Navo. De gelden die met deze projecten zijn gemoeid worden aangewend voor (de versterking van) eerdergenoemde capaciteiten en voor intensiveringen op personeelsgebied. Wij zullen al deze voornemens nader toelichten en onderbouwen in de brief die wij in september aanstaande zullen sturen.

DE KRIJGSMACHT: VEELZIJDIG EN EXPEDITIONAIR

De krijgsmacht is in de Afghaanse provincie Uruzgan actief om de veiligheid en de stabiliteit zodanig te verbeteren dat wederopbouw en de bestuurlijke ontwikkeling goed op gang komen. Onder het motto «zo civiel als mogelijk en zo militair als nodig» leveren ongeveer 1 500 militairen een belangrijke bijdrage aan de geïntegreerde aanpak die Nederland voorstaat en waarvan diplomatieke en ontwikkelingsinspanningen eveneens deel uitmaken. Naast Afghanistan levert onze krijgsmacht op dit ogenblik tevens belangrijke bijdragen aan de VN-missies in Libanon (Unifil) en Soedan (Unmis), de Navo-trainingsmissie in Irak (NTMI) en de EU-missie in Bosnië-Herzegovina. Tegelijkertijd bereidt Defensie zich onverminderd voor op taken die eveneens onderdeel zijn van het ambitieniveau, zoals grotere land-, zee- en luchtoperaties en early entry operaties waarin snel een militair overwicht moet worden bereikt. Het gaat ook om de inzet van marechaussees voor de nationale veiligheid en in internationale politiemissies en om de inzet van specialisten op het gebied van Security Sector Reform, een terrein waarop de komende jaren wellicht nog gerichte versterkingen nodig zijn. Hoewel veel aandacht naar Uruzgan uitgaat, richt Defensie zich ook op de mogelijke inzet in andere delen van de wereld, met name Afrika, waar interne oorlogen maatschappelijke ontwrichting en veel humanitair leed teweegbrengen. Defensie bereidt voorts een bijdrage voor aan de politiecomponent van een EU-missie in Kosovo, waarvan wellicht enige tientallen marechaussees deel zullen uitmaken.


De snelle reactiemacht van de Navo, de Nato Response Force(NRF) is tijdens de Navo-top van regeringsleiders in Riga in november 2006 operationeel verklaard. Nederland is voornemens kwalitatief hoogwaardige bijdragen aan de NRF te blijven leveren. In de eerste helft van 2008 behelst de bijdrage aan NRF 10 ongeveer 2400 militairen alsmede de leiding van de landcomponent door het Duits-Nederlandse legerkorpshoofdkwartier. Voor NRF 12 (in de eerste helft van 2009) heeft Nederland aangeboden het bevel te voeren over de amfibische taakgroep. Ook de beide amfibische transportschepen Hr.Ms. Rotterdam en Hr. Ms. Johan de Witt maken deel uit van dit aanbod. Sinds 1 januari 2007 zijn voorts de EU battlegroups operationeel. Deze samengestelde eenheden kunnen bijvoorbeeld na een verzoek van de VN worden ingezet. Tot en met 30 juni 2007 vormt Nederland samen met Duitsland en Finland een battlegroup. Ons land levert bijna 800 van de in totaal 2 000 militairen. In de eerste helft van 2010 zal Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk een battlegroup vormen, gevolgd door opnieuw een samenwerkingsverband met Duitsland en Finland in de eerste helft van 2011, ditmaal onder Nederlandse leiding. In eigen land, ten slotte, heeft Defensie op grond van afspraken over intensievere civiel-militaire samenwerking 4 600 man beschikbaar om civiele autoriteiten te ondersteunen bij hun nationale taken.


De regering zal deze zomer beslissen of, en zo ja hoe, Nederland na augustus 2008 een bijdrage zal leveren aan de International Security Assistance Force (Isaf) in Afghanistan. In dit verband, en gelet op het toetsingskader, onderzoekt de regering de mogelijkheden en wenselijkheid van het blijven leveren van een bijdrage aan Isaf voor de periode na 1 augustus 2008, al dan niet in gewijzigde vorm. Afhankelijk van dat besluit zijn de toezeggingen voor de NRF en de battlegroups wellicht nog aan verandering onderhevig.

MAATREGELEN: VERMINDERING EN VERSTERKING

De bovenstaande opsomming van inzetopties is illustratief voor de inspanningen die Defensie levert om voldoende eenheden inzetgereed te hebben. Om dat te garanderen, de vereiste doelmatigheidswinst te verwezenlijken en enige gerichte versterkingen mogelijk te maken, zijn onder meer de volgende maatregelen nodig, waarvan de verdere detaillering en de fasering hun beslag zullen krijgen in opeenvolgende begrotingen tijdens de kabinetsperiode.


Maatregelen met het oog op de bedrijfsvoering:

• De herinrichting van de organisatie voor het toezicht op het financiële beheer en het materieelbeheer bij Defensie en de kwalitatieve verbetering daarvan;

• De doorlichting en, zo nodig, de herstructurering van de staven van de defensieonderdelen, inclusief de bestuursstaf;

• De vergroting van de doelmatigheid van de cateringorganisatie Paresto;

• De vergroting van de doelmatigheid van de dienst Werkplekken van de Defensie Telematica Organisatie (DTO);

• De samenvoeging van enkele dienstencentra op het terrein van de informatievoorziening;

• De vergroting van de doelmatigheid bij de Dienst Vastgoed Defensie;

• De samenvoeging van de gevechtssteunbrigade en de logistieke brigade van de landmacht.


Maatregelen betreffende operationele capaciteiten die wij op basis van de ervaringen verantwoord achten:

• De reductie van twee tankeskadrons met in totaal 28 Leopard II tanks. Het aantal operationele Leopard II tanks van de krijgsmacht neemt hierdoor af van 88 naar 60. Het aantal gevechtstanks dat beschikbaar is voor opleiding etc. blijft 22;

• De reductie van twee vuurmondbatterijen met in totaal twaalf pantserhouwitsers. Het aantal operationele pantserhouwitsers van de krijgsmacht neemt hierdoor af van 36 naar 24;

• De reductie van achttien F-16 jachtvliegtuigen. Het aantal operationele F-16’s van de krijgsmacht neemt hierdoor af van 90 naar 72 en de vijf squadrons worden kleiner van omvang. Het aantal F-16’s dat beschikbaar is voor opleiding en training blijft vijftien;

• De projecten MALE UAV en Tactical Tomahawk worden gestaakt en voor AGS wordt niet langer geld gereserveerd;

• De opheffing van de compagnie mariniers op Curaçao en, in plaats daarvan, de inzet van militairen op roulatiebasis. Compagnieën van het Commando Landstrijdkrachten zullen hiervoor worden ingezet. De militaire verplichtingen in de West blijven ongewijzigd en de aanwezigheid van de compagnie mariniers op Aruba wordt voortgezet;

• Verkleining van het formatiebestand van het Commando Koninklijke Marechaussee met 70 functies.


Maatregelen die wij noodzakelijk achten op basis van de ervaringen in recente militaire operaties zijn:

• Versterking van de inlichtingenketen;

• Verbetering van de veiligheid en bescherming van uitgezonden personeel, zoals tegen geïmproviseerde explosieven;

• Verbetering van het personele en logistieke voortzettingsvermogen van de operationele Apache-helikopters, omdat die vrijwel onmisbaar zijn gebleken om grondtroepen snel en trefzeker te ondersteunen;

• De oprichting van een permanent, gezamenlijk hoofdkwartier, voor de verdere verbetering van de aansturing van operaties;

• Versterking van Network Enabled Capabilities (NEC), om de operationele samenwerking in internationaal verband te bevorderen en commandanten op alle niveaus te voorzien van identieke, liefst real time informatie;

• Uitbreiding van de capaciteit voor civiel-militaire samenwerking, omdat het winnen van de hearts and minds van de lokale bevolking de veiligheid van de militairen en de effectiviteit van hun inspanningen ten goede komt;

• Versterking van de informatievoorziening (IV) in het bestuurlijke en operationele domein onder meer om de processen van het personele, materiële en financiële beheer te verbeteren en om voorraadvorming en -beheer en de logistieke keten te versterken. Hiertoe dient onder meer het programma Speer, dat enigszins is vertraagd, maar de komende jaren in een gestaag tempo verder zal worden uitgevoerd.

HET DRAAIT OM PERSONEEL

De belangrijkste doelstellingen van het personeelsbeleid in de komende jaren zijn de verdere vergroting van de inzetbaarheid van de krijgsmacht en de verlichting van de werkdruk van personeel waarop de laatste jaren een soms onevenredig zwaar beroep is gedaan. Tegen deze achtergrond zal de vermindering van operationele middelen die in deze brief aan de orde zijn, niet gepaard gaan met het ontslag van het betrokken personeel. Integendeel, de vrijkomende personele capaciteit, burgers en militairen, zal worden benut om problemen elders in de organisatie, in het bijzonder de ondersteuning, te verlichten. De doelmatigheidsmaatregelen die de komende jaren worden getroffen zullen evenmin tot gedwongen ontslagen leiden. De zorg voor het personeel behelst uiteraard veel meer dan het beheer van het functiebestand. Daarom volgen hieronder ook enige hoofdlijnen van het personeelsbeleid voor de komende jaren.


De voorspoedige economische ontwikkeling stelt ook Defensie als werkgever voor de nodige problemen. De wervingsresultaten lopen terug en de uitstroom van zittend personeel overtreft al enige tijd de instroom van nieuw personeel. Een structureel herstel van het personeelsaanbod is onwaarschijnlijk vanwege de voortschrijdende ontgroening en vergrijzing in ons land. Defensie moet zich erop instellen dat zowel in goede als in minder goede economische tijden de arbeidsmarkt krap blijft. De werving van nieuw personeel zal dan ook aanzienlijke inspanningen blijven vergen en als niet de gehele arbeidsmarkt wordt benut, zal het steeds meer moeite kosten om de gewenste vulling van de operationele eenheden te waarborgen. Hierom en mede in het kader van «Iedereen doet mee», een belangrijk onderdeel van het beleidsprogramma van het kabinet, zal Defensie de aandacht nog nadrukkelijker richten op vrouwen en allochtonen. De werving onder deze doelgroepen is ook van belang met het oog op de verbetering van de diversiteit onder het personeel.


Defensie zal in samenwerking met het ministerie van OCW de voorschakeltrajecten en instroomopleidingen fors uitbreiden, opdat meer jongeren kiezen voor een baan bij Defensie én zo een startkwalificatie verwerven. Dit sluit aan bij «De aanval op schooluitval» uit het beleidsprogramma van het kabinet. Met het ministerie van Sociale Zaken bereidt Defensie maatregelen voor om jongeren die op latere leeftijd nog geen werk hebben te interesseren voor de krijgsmacht. Door jongeren opleidingen te bieden en werkervaring te laten opdoen en zo als «tweede kans opleidingsinstituut» te fungeren, dient Defensie zowel het eigen (wervings)belang als het algemene belang.


Een helder toekomstperspectief en goede arbeidsvoorwaarden, waaronder faciliteiten om werk en zorg te combineren, zijn voorwaarden om burgers en militairen voor langere tijd aan Defensie te binden. Naast de werving vraagt daarom ook het behoud van personeel om een individuele benadering met aandacht voor de specifieke omstandigheden die samenhangen met de levensfase, de loopbaanmogelijkheden en de culturele achtergrond van personeelsleden. Het personeelsbeleid moet hiervoor het kader bieden. Het personeelssysteem wordt de komende jaren verder aangepast om de opbouw en de samenstelling van het personeelsbestand zo goed mogelijk te kunnen afstemmen op de behoeften van de organisatie en, tegelijkertijd, om de individuele medewerker een zo concreet mogelijk loopbaanperspectief en optimale ontplooiingsmogelijkheden te bieden. Defensie zal zich op die manier nog nadrukkelijker dan voorheen manifesteren als een moderne overheidsorganisatie met oog voor het personeel, waar zinvol en uitdagend werk samengaat met flexibele arbeidsvoorwaarden. De bonden zijn hier uiteraard nadrukkelijk bij betrokken.


Het welbevinden van mensen hangt ook nauw samen met de sfeer op de werkplek. Juist omdat het militaire beroep veeleisend kan zijn, is een prettige, veilige werkomgeving voor iedereen – man, vrouw, allochtoon of autochtoon, ongeacht de positie in de organisatie – van groot belang. Het gaat daarbij om de omgangsvormen tussen militaire collega’s en het uitdragen van de waarden en normen die horen bij het militaire beroep, maar ook om de rol die leidinggevenden daarbij moeten spelen. Zowel gedurende de eerste opleidingen als gedurende de verdere loopbaan zal meer tijd en aandacht worden besteed aan deze en andere, gerelateerde aspecten, in overeenstemming met de aanbevelingen van de commissie-Staal.


Het feit dat een militaire loopbaan niet een betrekking voor het leven is, betekent geenszins dat werken bij de krijgsmacht een onzekere aangelegenheid wordt of dat Defensie een minder aantrekkelijke werkgever zou zijn. Militairen hebben ook andere werkgevers veel te bieden, zoals waardevolle werkervaring en goede, op de civiele arbeidsmarkt afgestemde opleidingen. Dit geldt zowel voor militairen die op jonge leeftijd enige jaren hebben gediend als voor militairen die Defensie op latere leeftijd met een langere staat van dienst verlaten. Andere departementen maar ook het bedrijfsleven blijken in de praktijk dankbare afnemers van defensiepersoneel en de vooruitzichten op een baan elders zijn dan ook goed. Personeel dat de komende tijd door lopende reorganisaties zijn baan verliest, kan ook de komende jaren rekenen op goede begeleiding bij de zoektocht naar ander werk en een stevig vangnet in de vorm van het sociale beleidskader. Defensie doet er hoe dan ook veel aan om de overgang van militairen naar de civiele samenleving te vergemakkelijken. Zo zal zij met VNO-NCW afspraken maken over banen en extra opleidingen voor militairen gedurende hun diensttijd bij de krijgsmacht. Op haar beurt zal Defensie veel meer dan voorheen de zij-instroom van personeel stimuleren, zowel voor defensiemedewerkers die de organisatie hebben verlaten en willen terugkeren als voor nieuwe medewerkers die vanwege hun werkervaring en -kennis een waardevolle bijdrage aan de organisatie kunnen leveren.


De taakuitvoering van Defensie kan leiden tot grote fysieke en psychische belasting van militairen. Speerpunt van het personeelsbeleid is om schade als gevolg daarvan zoveel mogelijk te voorkomen. Preventie staat voorop, maar Defensie draagt een grote verantwoordelijkheid om toereikende zorg te bieden aan personeel dat als gevolg van de dienst fysieke of psychische schade oploopt. Defensie maakt deze verantwoordelijkheid de komende jaren waar door te voorzien in een goede en gestroomlijnde hulpverlening, ook voor personeel dat de organisatie inmiddels heeft verlaten

TEN SLOTTE

De veelomvattende aanpassingen bij Defensie in de afgelopen jaren hebben een solide basis gelegd voor de verdere professionalisering en de verdere ontwikkeling van het expeditionaire vermogen van de krijgsmacht in de komende jaren. Militairen brengen de doelstellingen van het Nederlandse veiligheidsbeleid op grote afstand van ons land met succes in de praktijk. De bedrijfsvoering bij Defensie wordt verder verbeterd door het beheer en het toezicht te versterken, wat onder meer waarborgt dat er ook de komende jaren ruimte is voor de benodigde investeringen. Het aanhoudende streven naar doelmatigheid zal ook de komende jaren resulteren in de reorganisatie van enige onderdelen van Defensie, zij het niet op de schaal van de afgelopen jaren. De werving en het behoud van personeel zijn, naast goed werkgeverschap, nadrukkelijk de prioriteiten van het personeelsbeleid, waarbij meer en meer een gedifferentieerde, op het individuele personeelslid afgestemde benadering zal worden gevolgd.


De inzet bij crisisbeheersingsoperaties vergt aanzienlijke inspanningen, ook financiële, niet in de laatste plaats ook van Defensie zelf. Met extra geld uit het coalitieakkoord en door herschikkingen binnen het defensiebudget kunnen echter toch de komende jaren enige gerichte versterkingen tot stand worden gebracht. Deze komen de operationele inzet ten goede, maar ook het personeel. Ons land kan daardoor ook de komende jaren blijven rekenen op een krijgsmacht met gemotiveerd, professioneel personeel, civiel en militair, dat is uitgerust met modern materieel en overal ter wereld inzetbaar is. Defensie houdt dus koers.


De minister van Defensie,
E. van Middelkoop

De staatssecretaris van Defensie,
C. van der Knaap