Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting van het Ministerie van VROM (XI) voor het jaar 2007

30800 XI 116 Verslag van een algemeen overleg

Vergaderjaar 2006-2007

Nr. 116 Vastgesteld 12 juli 2007

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1, de vaste commissie voor Economische Zaken2, de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit3 en de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat4 hebben op 30 mei 2007 overleg gevoerd met minister Cramer van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over:

– de brief van de minister van VROM d.d. 6 februari 2007 over de structuurvisie Panorama’s en Snelwegzone (29 435, nr. 189);

– de brief van de minister van VROM d.d. 19 januari 2007 over de kabinetsreactie VROM-raadadvies 053 «Werklandschappen, een regionale strategie voor bedrijventerreinen» (30 800 XI, nr. 75);

– de antwoorden op vragen van het lid Duyvendak over de structuurvisie Hoeksche Waard;

– de antwoorden d.d. 16 mei 2007 op vragen van het lid Duyvendak over herstructurering van bedrijventerreinen (2060711920).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) is benieuwd naar de manier waarop de minister invulling zal geven aan het perspectief dat de VROM-raad in zijn advies presenteert. De raad ziet onder andere een grotere rol voor de markt weggelegd. Mevrouw Wiegman merkt op dat de overheid betrokken moet blijven bij de planning en uitvoering van projecten. Hierbij is een lange termijnvisie op de planning van herstructurering en aanleg van nieuwe bedrijventerreinen onontbeerlijk.

Beleidsprioriteiten kunnen op gespannen voet staan met de beoogde marktgerichte aanpak, omdat het hierbij meestal om kostenverhogende factoren gaat. Neemt de minister dergelijke mogelijke problemen mee in haar bezinning?

Mevrouw Wiegman is blij dat het kabinet serieus naar de gesignaleerde problemen kijkt. Zij gaat ervan uit dat de minister hierbij het recente briefadvies van de VROM-raad «Stuur op Mooi Nederland» zal betrekken en de kritische benadering van de natuur- en milieuorganisaties niet uit de weg zal gaan. Deze organisaties achten de huidige plannen voor aanleg van nieuwe bedrijventerreinen voorlopig voldoende. Ze pleiten voor een verhoging van de grondprijs van nieuwe terreinen. Dat geld zou dan kunnen worden besteed aan de herstructurering van bestaande terreinen. De minister dient ook bij haar visieontwikkeling over de snelwegpanorama’s de notities van de milieuorganisaties te betrekken.

Het gaat bij zowel de visie op herstructurering als bij de visuele kwaliteit van snelwegzones om het zoeken naar de invulling van het adagium «centraal wat moet». Het recente briefadvies van de VROM-raad «Stuur op mooi Nederland» bevat een aantal waardevolle opmerkingen over de vraag hoe de aantasting van de ruimtelijke kwaliteit tot staan kan worden gebracht zonder dat wordt teruggevallen in dirigistische centrale sturing. Wat vindt de minister van dit briefadvies? Hoe denkt zij de omslag naar herstructurering en visuele kwaliteit te stimuleren en te faciliteren?

Milieuorganisaties bepleiten de inzet van AMvB’s en moratoria en de inzet van een herstructureringsfonds. Hiermee lijken ze te sporen met het recente VROM-advies. Mevrouw Wiegman neemt aan dat de minister in de toegezegde rapportage en structuurvisie zal ingaan op het door de minister noodzakelijk geachte instrumentarium om de beoogde doelstellingen te bereiken.

De visie op herstructurering, zoals geformuleerd in de verschillende stukken, bevestigt de kritische houding van mevrouw Wiegman ten opzichte van bijvoorbeeld de Hoeksche Waard. Hoe past de minister deze algemene visie toe op de praktijk van concrete vraagstukken? Is zij bereid om alternatieven te zoeken? Heeft zij ideeën om structurele middelen vrij te spelen voor herstructureringsopgaven?


Mevrouw Vermeij (PvdA) herinnert de minister aan haar toezegging, nog voor het zomerreces in te gaan op haar visies op «Mooi Nederland» en op «decentraal wat kan, centraal wat moet». Zij verzoekt haar tevens de uitwerking van de motie-Lemstra en de motie-Depla/Van Bochove over het klimaat en de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, het onderzoek naar nut en noodzaak van een aan te leggen bovenregionaal bedrijventerrein in de Hoeksche Waard en de rapportage over het bedrijventerreinenvraagstuk aan de Kamer te sturen.

In het AO over grondbeleid heeft mevrouw Vermeij in navolging van de SER-ladder een ladder bedrijventerreinen bepleit. De minister heeft toegezegd de Kamer voor het zomerreces over de voortgang te informeren. Heeft zij al een opvatting over de manier waarop zij de herstructureringsopgave zal aanpakken? Hoe kan deze uitgebreidere SER-ladder juridisch worden verankerd?

Klopt het dat de minister zal zoeken naar andere locaties in de regio en verder liggende locaties in plaats van de Hoeksche Waard? Kan ervan worden uitgegaan dat de FES-claim voor infrastructuur niet in behandeling wordt genomen zolang de Kamer vragen blijft houden over dit bedrijventerrein?

In de Nota Ruimte wordt naar binnenstedelijk bouwen gestreefd. De Hoeksche Waard voldoet ongetwijfeld aan de FES-criteria, maar de wat ingewikkelde binnenstedelijke opgaven blijken niet aan die criteria te voldoen. Wat is de reactie van de minister op dit punt?

Staat de minister open voor experimenten gericht op het behouden en creëren van snelwegpanorama’s?

Is de woningbouwopgave in de Zuidplaspolder teruggebracht van 30 000 naar 12 000 woningen tot 2020? Wat betekent dit voor de blauwgroene afspraken? Klopt het dat Rotterdam er alleen villa’s wil bouwen op al dan niet te annexeren grond? Is men hiervan op de hoogte gebracht?


De heer Van Leeuwen (SP) vraagt zich af of de Nota Ruimte nog steeds uitgangspunt is voor het ruimtelijkeordeningsbeleid van het Rijk. De kritiek is algemeen: het Rijk moet duidelijk maken waar het de regie neemt. De Raad van State signaleert vier tendensen voor de sluipende karakterverandering van de overheid: uitvoerende organisaties zijn op afstand gezet, inhoudelijke deskundigheid binnen de overheid is teruggelopen, eigen interventiemogelijkheden zijn beperkt en politieke oordelen worden op kwantitatieve gegevens gebaseerd. Het adviesorgaan velt geen positief oordeel over de manier waarop met de inrichting van Nederland wordt omgegaan. Deelt de minister deze analyse? Hoe denkt zij deze tendensen te keren?

Is de minister voortvarend gestart met de structuurvisie over de ruimtelijke ontwikkeling van de snelwegzone? De studie «Snelwegpanorama’s in Nederland» van het Ruimtelijk Planbureau kan een belangrijke input leveren voor deze structuurvisie. Komt het kabinet nog met een reactie op die studie? Kan de Kamer nog aangeven wat zij als prioriteiten stelt, bijvoorbeeld over de taakverdeling tussen Rijk en andere overheden? Wat is de reikwijdte van die structuurvisie?

De taakverdeling en de verantwoordelijkheden lopen als een rode draad door de discussie over de verrommeling en de strijd tegen de ongebreidelde groei van bedrijventerreinen. In de brief staan tal van voorbeelden hoe de minister de taakverdeling ziet: decentrale overheden zijn aan zet om te zorgen voor een adequate uitvoering van herstructurering van bestaande en planning van nieuwe bedrijventerreinen, inclusief de landschappelijke inpassing. Hebben de 100 dagen van het kabinet geleid tot andere inzichten daarover? Is die verhouding in het afbakenen van die verantwoordelijkheden aan het verschuiven? Wat bedoelt de minister met de faciliterende rol van het Rijk?

Uit tal van studies blijkt dat er een overmaat is aan nieuwe bedrijventerreinen, dat de herstructurering niet loopt, dat er geen sprake is van regionale samenwerking en dat de provincies hun regierol niet (kunnen) waarmaken. De door de minister op korte termijn aangekondigde concrete acties staan in schril contrast met de urgentie van het probleem. Hij is voorstander van meer rigoureuze maatregelen, zoals voorafgaande aan de structuurvisie een stop op nieuwe bedrijventerreinen en een verplichte structuurvisie van provincies.

Het amendement-Irrgang kan een mooie bron van inkomsten zijn voor een herstructureringsfonds, naast opgeld op de grondprijs. Het is de hoogste tijd om de koppeling tussen het grondeigendom en het ontwikkelingsrecht ten principale aan de orde te stellen.

De minister wil Zuid-Holland vragen of de benodigde ruimte in de Hoeksche Waard kan worden gevonden op bedrijventerreinen in de regio Rotterdam en Drechtsteden. Dit lijkt hem een uitgelezen kans om, gesteund door het advies van het College van Rijksadviseurs, een daad te stellen. Hij adviseert de minister een streep door haar plannen voor een bedrijventerrein in de Hoeksche Waard te zetten.


De heer Duyvendak (GroenLinks) vreest dat het woord «verrommeling» ingeburgerd begint te raken. Hij merkt op dat de laatste decennia de strijd om de ruimte in Nederland harder en scherper is geworden. Dit heeft alles te maken met de schaarste. Over het algemeen verliezen dan de groene functies, de functies zonder geld. Het bedrijventerrein in de Hoeksche Waard staat symbool voor deze strijd. Gelukkig heeft de Kamer in december 2006 de motie aangenomen die de ontwikkeling daar heeft gestopt en de opname van het bedrijventerrein in het streekplan heeft geblokkeerd. Wat hem betreft wordt er voor eens en altijd mee gestopt en wordt van de Hoeksche Waard een nationaal landschap gemaakt.

De provincie start geen onderzoek naar nut en noodzaak, zoals de Kamer heeft gevraagd, maar start een onderzoek naar hoe het bedrijventerrein kan worden ingepast. Zijn zorg over de rol van de provincie is toegenomen nadat de gedeputeerde van Zuid-Holland heeft gezegd dat die 120 hectaren zeker zullen worden gerealiseerd. De minister wekt de indruk dat zij het provinciebestuur opnieuw de opdracht geeft een onderzoek te doen naar nut en noodzaak. Wie gaat dat onderzoek doen? Kan zij garanderen dat het een open en objectief onderzoek zal zijn?

Van het feit dat veel bedrijventerreinen verloederen, valt helaas weinig terug te zien in de nieuwe provinciale akkoorden. Ook in de bedrijfslocatiemonitor van het ministerie van EZ, de provinciale ramingen en de gemeentelijke ramingen staan nog enorme aantallen bedrijventerreinen. Het is echter tijd voor een stop op de aanleg van deze terreinen. In de tussentijd dient de minister drie dingen te doen, als onderdeel van het project «Mooi Nederland»: 1. Er moet een structuurvisie bedrijventerreinen komen waarin het Rijk een aantal eisen stelt aan bedrijventerreinen. 2. Er moet een vereveningsfonds worden ingesteld. 3. Er moet een bestuursakkoord komen tussen Rijk en provincies over de aanpak van een aantal overblijvende bedrijventerreinen. De structuurvisie moet de minister de kans bieden om regels te maken waarin zij «centraal wat kan» body geeft.


De heer Van Heugten (CDA) vindt dat de studie van het Ruimtelijk Planbureau over snelwegpanorama’s het dilemma goed weergeeft. Enerzijds zijn er de voordelen van goede bereikbaarheid, afscherming van het achterliggende landschap en het wegnemen van geluidsoverlast. Anderzijds wordt het zicht ontnomen op het landschap. Het Rijk moet geen structuurvisie opstellen, maar een richtlijn die provincies kunnen gebruiken bij het opstellen van structuurvisies.

De reactie van het kabinet op het advies van de VROM-raad over werklandschappen is nogal mager. De herstructurering van oude bedrijventerreinen moet prioriteit hebben boven de aanleg van nieuwe. Op provinciaal niveau moet een plan worden gemaakt waarin de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen wordt geïnventariseerd. Zo wordt aan de ene kant aan de regionale economieën de noodzakelijke groei beschikbaar gesteld en aan de andere kant worden de vele herstructureringsopgaven aangepakt.

Hij verzoekt de minister, aan drie knelpunten bij de herstructureringsopgave te werken.

1. Het juridische instrumentarium van gemeenten moet worden aangepast om een stok achter de deur te hebben.

2. Veel terreinen zijn belast met een bodemvervuiling. Deze hindernis, waardoor sommige herstructureringen niet vooruitkomen, moet worden weggenomen.

3. Er moet worden gezocht naar andere mogelijkheden dan opslag of verhoging van de ozb om de financiering rond te krijgen.

Op deze manier moet het beleid van de Nota Ruimte (herstructurering van bedrijventerreinen en zuinig omgaan met de aanleg van nieuwe terreinen) handen en voeten worden gegeven.

Functiemenging is prima, maar de praktijk leert dat dit geen alibi mag zijn om leegstaande panden of percelen met functies te vervullen die daar niet thuishoren. Er moet ruimte komen voor nieuwe bedrijvigheid of bedrijvigheid die op het bedrijventerrein hoort.

Momenteel dienen projecten aan twee criteria te voldoen: de ruimtelijke kwaliteitsaspecten van de Nota Ruimte en de economische structuuraspecten, zoals in de criteria voor de FES-waardigheid staan. Deze twee criteria botsen vaak met elkaar. De minister van VROM zou in deze projecten doorslaggevend moeten zijn. Zij dient ervoor te zorgen dat deze projecten van de grond komen en dat aanvragers hiermee uit de voeten kunnen.


Mevrouw Neppérus (VVD) is van mening dat de Kamer eerder met de zogenaamde verrommeling van Nederland heeft ingestemd om nieuwe woningen en werklocaties te realiseren. Andere criteria, zoals het inpassen in het landschap, zijn echter ook belangrijk. Er zijn nog best mooie panorama’s, maar wat dit betreft zijn er problemen bij de snelwegen. Het is de provincie die hier een belangenafweging dient te maken.

Zij vindt dat terecht wordt bezien of de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen nodig is, maar een stop vindt zij onzin. Vermeden moet worden dat er in een regio gelijktijdig aan meerdere bedrijventerreinen wordt gewerkt. De provincie dient hierop toezicht te houden. Verder moet worden nagegaan of oude terreinen kunnen worden verbeterd.

Mevrouw Neppérus heeft vertrouwen in de studie naar nut en noodzaak van de Hoeksche Waard. Zij staat positief tegenover het bovenregionale bedrijventerrein in dit gebied en betreurt dan ook de aanneming van de motie-Duyvendak. Zij vindt het jammer dat na vaststelling van de Nota Ruimte weer allerlei zaken ter discussie worden gesteld.

Op democratische wijze is besloten dat de Zuidplaspolder bebouwd mag worden. Onderzoek wijst uit dat de veiligheid niet in het geding is.


De heer Van der Staaij (SGP) stelt vast dat de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen soms moeizaam verloopt en dat niet altijd de juiste ruimtelijke prioriteiten worden gesteld. Terecht wijst de regering op de verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies. Dat laat onverlet dat de huidige resultaten van beleid onbevredigend zijn. Nadrukkelijk moet worden bezien of het beschikbare rijksinstrumentarium toereikend is om deze ontwikkeling te keren. De regering dient de decentrale overheden te prikkelen om beter met de beschikbare ruimte om te gaan. De gedachte van een herstructureringsfonds vindt de heer Van der Staaij interessant.

Er ligt nog steeds niet een rapport voor dat nut en noodzaak van een bedrijventerrein in de Hoeksche Waard overtuigend aantoont. Er moeten heel goede redenen zijn om een bedrijventerrein aan te leggen in een groene long in een stedelijk gebied. Regionale bedrijvigheid moet mogelijk zijn, maar er zijn voldoende alternatieven voor de Hoeksche Waard. Gaat de minister Zuid-Holland vragen extra onderzoek te doen naar alternatieven?


De heer Van der Ham (D66) illustreert de noodzaak van regie van de centrale overheid aan de hand van de Bloemenveiling Aalsmeer. De gemeente heeft besloten drie kilometer verderop een bedrijventerrein te ontwikkelen. Nu heeft Bloemenveiling Aalsmeer nog steeds een probleem ondanks de opoffering van het groen. Bedrijvigheid moet plaatsvinden op de plek waar het nodig is. Hij bepleit daarom afstemming door de provincie. Sturing van ruimte hoeft niet haaks te staan op bedrijvigheid; sterker nog, het kan het bevorderen. De provincies moeten een belangrijke rol hebben. Ze moeten sanctiemogelijkheden hebben als gemeenten niet voldoende werk maken van het benutten van bestaande bedrijventerreinen. De minister is blijkbaar bereid de provincies deze bevoegdheden te geven, maar dit moet meer accent krijgen.

De Stichting Natuur en Milieu heeft een aantal behartigenswaardige adviezen gegeven, zoals een restrictief bedrijventerreinenbeleid, een tijdelijk moratorium voor nieuwe bedrijventerreinen en een herstructureringsfonds. In een eerder overleg heeft hij al de in Vlaanderen bestaande leegstandsheffing voorgesteld. Volgens de minister kleven er bezwaren aan de Vlaamse regeling. Hij verzoekt haar ook naar de voordelen van deze regeling te kijken.

Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar de Franse aanpak waarbij de Kamers van Koophandel een actieve rol vervullen? Welke interessante aspecten kleven er aan? Hoe wil de minister deze aanpak vertalen naar de Nederlandse situatie?


De heer Madlener (PVV) hoort veel kritiek op het beleid van gemeenten bij bedrijventerreinen, maar kennelijk is de herstructurering van bedrijventerreinen wel mogelijk, want bijvoorbeeld de gemeente Rotterdam is er op een goede manier mee bezig.

De herstructurering van bedrijventerreinen kan ook het omvormen tot woongebieden inhouden. In dat geval zijn juist nieuwe bedrijventerreinen nodig. Bovendien valt het met de leegstand van bedrijventerreinen wel mee. Het probleem van de woningnood is veel groter dan dat van de bedrijventerreinen. Woningbouwkavels zijn schaars en duur in vergelijking met de prijzen van bedrijventerreinen. Hij hoort graag van de minister hoe zij denkt de groeiende Nederlandse bevolking te huisvesten.

Hij ziet in de Hoeksche Waard niet het aantrekkelijke landschap dat anderen erin zien. Het is gewoon een groot leeg gebied en geen aantrekkelijk park waar de Randstedeling zijn vertier zoekt.

Mensen vinden de volgende punten belangrijk: de aanwezigheid van werk, een aantrekkelijke woonomgeving met (sport)scholen, recreatievoorzieningen en groen en comfortabele woningen. Hij vraagt de minister haar energie in deze punten te steken, want daar ligt in zijn ogen wel een probleem.

Antwoord van de minister

De minister stelt dat de Nota Ruimte uitgangspunt blijft. Dat geldt ook voor het adagium «Centraal wat moet, decentraal wat kan», alleen zal het eerste deel, «Centraal wat moet», gerichter worden uitgewerkt. De manier waarop nu met de ruimtelijke ontwikkeling wordt omgegaan en de ongewenste nevenverschijnselen vragen om een aanscherping. De verrommeling is hiervan symbool geworden.

De minister zal alle stukken zoals toegezegd voor de zomer aan de Kamer sturen. Toegezegd is, de motie van de motie-Depla/Van Bochove na de zomer uit te werken.

De ontwikkeling van bedrijventerreinen verloopt niet naar wens. De ruimte wordt blijkbaar op een manier gebruikt die weliswaar uit kostenoverweging de beste oplossing is, maar die niet uitgaat van de kwaliteit van het landschap en de leefomgeving. De visie van de minister luidt dat zo spaarzaam, zorgvuldig en efficiënt mogelijk met de ruimte moeten worden omgegaan met inachtneming van de esthetische eisen.

In het advies van de VROM-raad wordt gewezen op de verandering van werken in de 21ste eeuw. Functiemenging van werken en wonen kan soms heel interessant zijn. Steeds meer dienstenbedrijven hoeven niet meer naar een apart bedrijventerrein. Ook door het toenemende gebruik van ICT en digitale communicatie veranderen de patronen van werken. Met deze verandering moet bij de inrichting van toekomstige bedrijventerreinen rekening worden gehouden. Het is van belang om deze denkbeelden, in samenspraak met provincies en gemeenten, vast te leggen in een visie.

Verrommeling is een ontwikkeling waarbij de spaarzame ruimte in Nederland niet op een zuinige en efficiënte manier wordt gebruikt en de kwaliteit van het geheel niet voldoet aan wat men breed gedragen verwacht van een kwalitatief mooie leefomgeving. De oorzaken zijn verschillend, maar de financiering van de herstructurering is een prominent knelpunt. Verder is het gebrek aan regionale samenwerking een belangrijk punt. Een regionaal bedrijventerrein zou zowel uit het oogpunt van aantrekkingskracht voor het bedrijfsleven als ook uit het oogpunt van gezamenlijk optrekken een veel beter alternatief kunnen zijn. Samen met provincies en gemeenten wil zij tot een betere aanpak komen.

Er wordt hard gewerkt aan het juridische instrumentarium. Zij noemt de WRO, die waarschijnlijk drie maanden later dan de geplande 1 januari 2008 in werking zal treden doordat eerst het BRO in de Eerste Kamer moet worden behandeld. Bij de behandeling van de grondexploitatiewet in de Eerste Kamer heeft zij toegezegd te zullen onderzoeken of de mogelijkheden voor verevening kunnen worden verruimd zodat er misschien meer mogelijkheden, ook via het juridische instrumentarium, kunnen worden gecreëerd voor herstructurering. De minister zegt toe de aanpassing van het juridische instrumentarium van gemeenten te zullen betrekken in de analyse die naar aanleiding van de uitwerking van de motie-Irrgang wordt gemaakt. Daarin zal ook het idee van de leegstandsheffing worden meegenomen. Daarnaast zal zij met de minister van EZ bekijken hoe de bestaande saneringsfondsen voor de bodem hierbij kunnen worden betrokken. Zij zal eerst alle mogelijkheden bekijken en op grond daarvan de combinatie van instrumenten kiezen waarmee de herstructurering financierbaar kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of er een herstructureringsfonds zal worden opgezet, kan zij niet voor de zomer geven.

De minister is voornemens door het RPB een bedrijfslocatiemonitor te laten uitvoeren om de behoeften in kaart te brengen. Zij is geen voorstander van een moratorium op bedrijventerreinen. Wel wil zij een duidelijke discussie over nut en noodzaak van nieuwe bedrijventerreinen. De minister zal de Kamer schriftelijk informeren over het tijdstip waarop de bedrijfslocatiemonitor van het RPB gereed zal zijn.

Het kabinet acht het thema wonen van groot belang. Het is de kunst om de kwantitatieve opgave zo optimaal mogelijk af te stemmen op de kwalitatieve opgave. Daarover is zij in nauw gesprek met minister Vogelaar zodat de planning van de woningbouw past in de visie op lange termijn. Ook hierbij speelt de herstructurering een rol.

De provincie Zuid-Holland gaat door met het opstellen van een gebiedsvisie voor de Hoeksche Waard. Parallel hieraan zal de minister door een onafhankelijke derde een onderzoek laten uitvoeren naar mogelijke alternatieven. Deze studie naar alternatieven moet zo snel mogelijk in gang worden gezet om vertraging te voorkomen. Zij zal er bij de provincie Zuid-Holland op aandringen de gebiedsvisie globaal te houden om een objectieve vergelijking met de alternatieven mogelijk te maken. Voor de zomer zal zij de Kamer informeren over de te volgen route ten aanzien van de studies en visies over de Hoeksche Waard.

De visie van het RPB over snelwegpanorama’s zal de basis vormen van een structuurvisie snelwegpanorama’s die in samenspraak met het IPO, de VNG en gemeenten zal worden opgesteld. Eind van dit jaar zal deze structuurvisie gereed zijn.

De FES-criteria zijn verruimd. Een maatschappelijke kosten-batenanalyse is echter wel verplicht. Door de gezamenlijke planbureaus wordt bekeken hoe er meer recht kan worden gedaan aan het type projecten waarom het in de Nota Ruimte gaat.

Er zijn duidelijke afspraken gemaakt met de mensen in de Zuidplaspolder over de wijze waarop dit gebied wordt geherstructureerd. De minister heeft er vertrouwen in dat de verrommeling hier tot staan kan worden gebracht. Als de plannen tot uitvoering worden gebracht, kan de Zuidplaspolder een voorbeeld zijn van wat er mogelijk is.

Toezeggingen

– De minister zal een analyse opstellen van instrumentarium (financieel én juridisch) voor de herstructurering van bedrijventerreinen;

– De Kamer wordt schriftelijk geïnformeerd over het tijdstip waarop de bedrijfslocatiemonitor van het RPB gereed zal zijn;

– De Kamer ontvangt voor de zomer de eerste resultaten van de gesprekken met provincies en gemeenten en het plan van aanpak over «verrommeling». De SER-ladder en kwaliteitsteams zijn onderdeel van de gesprekken waarover de Kamer zal worden geïnformeerd;

– De Kamer ontvangt voor de zomer informatie over de te volgen route ten aanzien van de studies en visies over de Hoeksche Waard.


De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Koopmans

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Kraneveldt-van der Veen

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Schreijer-Pierik

De voorzitter van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat,
Roland Kortenhorst

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Van Halen

1  Samenstelling:Leden: Van Gent (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Poppe (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), ondervoorzitter, Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Koopmans (CDA), voorzitter, Spies (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Haverkamp (CDA), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Roefs (PvdA), Neppérus (VVD), Van Leeuwen (SP), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener (PVV), Ouwehand (PvdD), Bilder (CDA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie)Plv. leden: Duyvendak (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Polderman (SP), Remkes (VVD), Crone (PvdA), Hessels (CDA), Koppejan (CDA), Ormel (CDA), Koşer Kaya (D66), Leijten (SP), Willemse-van der Ploeg (CDA), Kamp (VVD), Wolfsen (PvdA), Vos (PvdA), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Gerkens (SP), Waalkens (PvdA), Van Beek (VVD), Schermers (CDA), Besselink (PvdA), Agema (PVV), Thieme (PvdD), Vietsch (CDA) en Ortega-Martijn (ChristenUnie).

2  Samenstelling:Leden: Van der Vlies (SGP), Crone (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Vendrik (GroenLinks), Ten Hoopen (CDA), Roland Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), ondervoorzitter, Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), voorzitter, Irrgang (SP), Jansen (SP), Biskop (CDA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Graus (PVV), Zijlstra (VVD), Besselink (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD) en Vos (PvdA).Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Kalma (PvdA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Kortenhorst (CDA), Rouwe (CDA), Koşer Kaya (D66), Ulenbelt (SP), Blok (VVD), Samsom (PvdA), Weekers (VVD), Van Dam (PvdA), Karabulut (SP), Luijben (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Cramer (ChristenUnie), Atsma (CDA), Schippers (VVD), Madlener (PVV), Neppérus (VVD), Blom (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Heerts (PvdA).

3  Samenstelling:Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), voorzitter, Atsma (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jager (CDA), Ormel (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Neppérus (VVD), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Cramer (ChristenUnie), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Vermeij (PvdA), Zijlstra (VVD), Thieme (PvdD) en Polderman (SP).Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Luijben (SP), Tang (PvdA), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Biskop (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Leeuwen (SP), Dezentjé Hamming (VVD), Eijsink (PvdA), Depla (PvdA), Van Baalen (VVD), Kant (SP), Blom (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Heugten (CDA), Brinkman (PVV), Kuiken (PvdA), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD) en Lempens (SP).

4  Samenstelling:Leden: Van der Staaij (SGP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Mastwijk (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Roland Kortenhorst (CDA), voorzitter, Koopmans (CDA), Gerkens (SP), Van der Ham (D66), Nicolaï (VVD), Haverkamp (CDA), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), ondervoorzitter, Roefs (PvdA), Jansen (SP), Cramer (ChristenUnie), Roemer (SP), Koppejan (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener (PVV), Besselink (PvdA), Ouwehand (PvdD), Polderman (SP), Tang (PvdA) en De Rouwe (CDA).Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Van Gent (GroenLinks), Hessels (CDA), Jager (CDA), Van Bommel (SP), Koşer Kaya (D66), Neppérus (VVD), Van Gennip (CDA), Aptroot (VVD), Crone (PvdA), Van Baalen (VVD), Smeets (PvdA), Van Gijlswijk (SP), Anker (ChristenUnie), Van Leeuwen (SP), Knops (CDA), Depla (PvdA), Agema (PVV), Jacobi (PvdA), Thieme (PvdD), Lempens (SP), Waalkens (PvdA) en Van Heugten (CDA).