Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Mantelzorg

30169 9 Verslag van een algemeen overleg

Vergaderjaar 2006-2007

Nr. 9 Vastgesteld 26 juli 2007

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 heeft op 28 juni 2007 overleg gevoerd met staatssecretaris Bussemaker van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:

– de brief van de staatssecretaris van VWS d.d. 7 mei 2007 inzake waardering van mantelzorgers (30 169/30 800-XVI, nr. 6).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van der Vlies (SGP) is positief gestemd over de voorliggende brief van de staatssecretaris. Het komt nu aan op de uitvoering. De eerste uitbetalingen van de uitkering aan de mantelzorgers is voorzien op de Dag van de mantelzorg in het komend najaar, terwijl 1 april met terugwerkende kracht als startdatum voor de landelijke regeling gebruikt zal worden. Het door de staatssecretaris gekozen traject om in afwachting van de finale behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel de betalingen in november te verrichten, spoort met het nog in de vorige kabinetsperiode Kamerbreed gedane verzoek om nog dit jaar tot uitbetaling over te gaan. Hoe verlopen op dit moment overigens de voorbereidingen door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)?

Toetsingskader voor de regeling zijn de indicaties per 1 april 2007, hetgeen de vraag oproept hoe er met de zogenaamde «oude gevallen», dus de mantelzorgers die voor deze datum als zodanig functioneerden, wordt omgegaan. Het zou jammer zijn als niet iedereen aan bod komt die dit zo gewaardeerde werk verricht. Een indicatie op langdurige zorg vanuit het verleden zou mogelijkerwijs aan het bestand kunnen worden gehecht.

Verder vraagt de heer Van der Vlies aandacht voor de mantelzorgers die de professionele hulp op nul uren stellen. Worden die betrokken bij de regeling en, zo ja, op welke manier?

Kan ervan worden uitgegaan dat zowel het persoonsgebonden budget als de zorg in natura worden beschouwd in het kader van de extramurale AWBZ-zorg?

Voorkomen moet worden dat de regeling leidt tot een te zware administratievelastendruk met alle bureaucratisering van dien. In dit verband verwijst de heer Van der Vlies naar de voorstellen ter vereenvoudiging die Mezzo hierover heeft gedaan.

Ten slotte vraagt hij de staatssecretaris om bij gelegenheid van de behandeling van het wetsvoorstel in het najaar een precieze inschatting te maken van het financiële volume van de regeling.


Mevrouw Willemse-van der Ploeg (CDA) benadrukt dat de zorg niet zonder mantelzorgers kan. Dankzij hen doen honderdduizenden mensen geen, minder of in een later stadium pas een beroep op professionele zorg. Uit het beleidsprogramma blijkt dat dit kabinet veel waarde hecht aan versterking van de mantelzorg. Het geeft daarin aan dat goede en voldoende ondersteuning en begeleiding nodig zijn om de huidige vrijwilligers en mantelzorgers te behouden en om nieuwe groepen voor dit uiterst belangrijke werk te winnen. De Kamer heeft bij de aanneming van het amendement-Van der Vlies c.s. (30 306, nr. 30) bij gelegenheid van het Belastingplan 2006 besloten om de mantelzorgers een waarderingsopsteker te geven van € 250. De staatssecretaris kiest terecht voor een regeling, vooruitlopend op de daarvoor benodigde wetswijziging, terwijl de Sociale Verzekeringsbank de uitvoering ter hand zal nemen. Hoe worden overigens de mantelzorgers gehonoreerd die een indicatie hebben voor een jaar of langer en die niet binnen de nu voorgestelde termijn voor een herindicatie in aanmerking komen? Krijgen zij bij toekenning later, met terugwerkende kracht het bedrag over 2007 nog uitgekeerd? Hoe worden de mantelzorgers gewaardeerd die met enorme inspanning de duurdere AWBZ-zorg buiten de deur houden en dus geen indicatiebesluit kunnen overleggen? Is er niet het risico dat ze in de verleiding komen om AWBZ-zorg aan te vragen om zodoende in aanmerking te komen voor de waarderingssubsidie?

Volgens de regeling moet de zorgvrager in het aanvraagformulier aangeven wie de mantelzorger is die in aanmerking komt voor de waardering. Is het in redelijkheid te verwachten dat iedere zorgvrager daartoe lichamelijk of geestelijk in staat is? Hoe wordt er voor gezorgd dat alle uitgezette formulieren correct ingevuld worden geretourneerd aan de uitvoeringsorganisatie? In welke situatie wordt de zorgvrager gemanoeuvreerd als deze moet kiezen tussen twee gelijkwaardige mantelzorgers?

Mevrouw Willemse verzoekt de staatssecretaris om bij de verdere uitwerking van de desbetreffende wet- en regelgeving eenvoud en simpelheid voorop te stellen en de uitvoeringskosten en de administratieve lasten zo veel mogelijk te beperken.


Mevrouw Wolbert (PvdA) meent dat de uitvoeringsproblemen de sympathie voor het voorstel dat voortvloeit uit het ook door haar fractie destijds ondersteunde amendement-Van der Vlies c.s., dreigen te overschaduwen. Uitgangspunt dient te zijn en te blijven dat de mantelzorgers alle erkenning en waardering krijgen die ook maar enigszins te organiseren is. Probleem met de onderhavige regeling is dat wanneer een doelgroep wordt benoemd daardoor tevens de mantelzorgers die daartoe niet behoren, meteen buiten bij de boot vallen. Mezzo heeft zeer recent voorgesteld om de in de regeling voorgestelde verdeling op een zodanige manier in te richten dat allerlei herindicaties bij het CIZ worden voorkomen et cetera. Is de staatssecretaris bereid dit voorstel nader te onderzoeken en het bij gebleken haalbaarheid over te nemen?


Mevrouw Van Miltenburg (VVD) geeft aan dat haar fractie als een van de weinige destijds tegen het amendement-Van der Vlies c.s. heeft gestemd, omdat in haar visie de positie van mantelzorgers op een geheel andere manier ondersteund en versterkt zou moeten worden. Het zwaartepunt van de problematiek is er namelijk veeleer in gelegen dat de verantwoordelijkheid voor het regelen van de zorg buiten de instelling volledig rust op de schouders van de mantelzorgers zelf en dat niemand in de gehele zorgketen bereid is om een deel van die verantwoordelijkheid over te nemen. Hoewel het bedrag van € 250 gezien kan worden als een waardering voor het werk dat mantelzorgers doen, mag niet uit het oog worden verloren dat dit bedrag voor een belangrijk deel wordt gebruikt voor de zorg, terwijl de overbelasting van de mantelzorgers blijft bestaan. Is er op de recente Participatietop ook aandacht gevraagd voor het verschijnsel dat werknemers in toenemende mate geconfronteerd worden met het combineren van arbeid en mantelzorg? Is het niet nodig om op dat punt te komen tot structurele aanpassingen en verbeteringen ten behoeve van die groep?


Mevrouw Kant (SP) ziet de voorliggende regeling als een leuke meevaller voor de mensen die er aanspraak op kunnen maken, maar ook niet als meer dan dat. Overigens gaat zij ervan uit dat waar de regeling uitgaat van toekenning van de uitkering aan degenen die pas na 1 april een indicatie hebben gekregen, deze niet zodanig strikt zal worden toegepast dat degenen die vóór die datum langdurig mantelzorg hebben gegeven buiten de boot vallen. Hoe wordt in zijn algemeenheid overigens omgegaan met de indicatiestelling? Wat gebeurt er in het geval van mensen die geen professionele hulp toegewezen krijgen maar wel mantelzorg verlenen? Hebben kinderen die mantelzorg verlenen ook recht op de uitkering? Wat is de gang van zaken als meerdere mensen mantelzorgen voor één persoon?

In Trouw van hedenochtend wordt melding gemaakt van signalen dat het CIZ de nieuwe indicaties waarin mantelzorg wordt opgenomen, nog niet heeft verwerkt. Wat is de reactie van de staatssecretaris hierop?

Hoewel de uitkering van € 250 een aardig gebaar is, is het echte probleem gelegen in de ondersteuning van de mantelzorgers. Zij zijn overbelast en kunnen te weinig een beroep doen op professionele zorg, mede als gevolg van de invoering van het protocol Gebruikelijke zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Logeerzorg en respijtzorg zijn niet voldoende voorhanden, terwijl de mantelzorgsteunpunten onvoldoende zijn bemand.


Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) zegt dat het Kamerbreed aangenomen amendement-Van der Vlies c.s. een illustratie is van de brede waardering die er is voor het werk dat door mantelzorgers en vrijwilligers word verricht. Miljoenen mensen laten via de zorg aan hun naasten zien dat zij hun maatschappelijke en sociale verantwoordelijkheid verstaan. Die verantwoordelijkheid gaat soms zo ver dat mensen zelfs geen AWBZ-indicatie aanvragen en dus de soms heel zware zorg structureel zelf organiseren. Deze groep die eigenlijk al eerste voor de onderhavige regeling in aanmerking zou moeten komen, valt daar nu juist buiten. Dit raakt direct aan het feit dat elke regeling arbitraire kanten heeft. Waar legt men de grenzen en met welke criteria? De regeling dient naar het oordeel van mevrouw Wiegman in ieder geval zo uit te werken dat de beoogde waardering ook als zodanig wordt ervaren. Wanneer echter veel mensen die wel behoren tot de doelgroep, buiten de regeling vallen en zij het resultaat ervan als een diskwalificatie ervaren, schiet de regeling haar doel voorbij. Dit risico moet geminimaliseerd worden.

De staatssecretaris heeft met haar voorstel een goede basis gelegd. De uitvoering door de SVB is doelmatig. Het beschikbare geld komt vooral aan de mantelzorgers ten goede. Tevens is het positief dat de vergoeding voor mantelzorgers die van een bijstandsuitkering moeten leven niet in mindering wordt gebracht op of gevolgen heeft voor de desbetreffende uitkering. Gaat deze benadering overigens ook op voor andere uitkeringsregelingen?

Mezzo heeft teneinde de regeling zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de beoogde doelgroep, voorgesteld de € 250 toe te kennen aan alle mantelzorgers voor mensen met een AWBZ-indicatie voor extramurale zorg met een zekere minimale geldigheidsduur. Hierdoor vallen er meer mensen onder de regeling, verliest de als onrechtvaardig ervaren datum van 1 april zijn betekenis, neemt de bureaucratie af en wordt het CIZ minder belast. Wat is de visie van de staatssecretaris hierop?

Gezien het brede draagvlak in de Kamer voor deze regeling moet het naar de inschatting van mevrouw Wiegman mogelijk zijn om door middel van een spoedadvies van de Raad van State en zo mogelijk een blanco verslag van de Kamer de desbetreffende wetswijziging heel snel in het Staatsblad te krijgen. Zowel de staatssecretaris als de Kamer zou deze inspanningsverplichting op zich moeten nemen.


De heer Vendrik (GroenLinks) constateert dat waar ooit de gedachte uitging naar een mantelzorgtoeslag in de fiscaliteit, nu door het kabinet is gekozen voor een aparte toeslag, die eigenlijk niet meer dan een schrale erkenning is van het feit dat miljoenen mensen mantelzorg leveren en miljoenen mensen afhankelijk zijn van mantelzorg. In dit kader blijft hij het kabinet oproepen om structureel na te denken over de organisatie van zorg in dit land, onder meer in termen van zorgverloven. Wellicht verdient het in dit licht aanbeveling om naar analogie van de Participatietop nog dit najaar een zorgtop te organiseren.

Voorkomen moet worden dat mensen die wel behoren tot de doelgroep buiten de regeling vallen omdat ze bijvoorbeeld nog geen indicatieaanvraag hebben ingediend bij het CIZ.

De heer Vendrik hoort voorts graag de bevestiging van de staatssecretaris dat de toeslag van € 250 belastingvrij is.

Grote zorgen maakt hij zich over de gevolgen van het kabinetsvoorstel om op de tegemoetkoming voor buitengewone uitgaven voor specifieke ziektekosten een bedrag van 400 mln. te bezuinigen. De groep die in aanmerking komt voor deze tegemoetkoming is bijna één op één dezelfde groep die in aanmerking komt voor mantelzorgtoeslag. Het mag wat betreft de heer Vendrik niet zo zijn dat de mensen uitgaande van een budget van 65 mln. nu deze mantelzorgtoeslag wordt voorgehouden om bij hen vervolgens via de achterdeur het vijfvoudige van dat bedrag terug te halen via een maatregel ter zake van de buitengewone lasten.

Antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris benadrukt het grote belang van mantelzorg voor Nederland. Zoals blijkt uit het recente SCP-rapport «Beter in balans» zullen 1,6 miljoen mensen in 2020 mantelzorg verrichten. Veel mantelzorgers helpen hun naasten uit liefde en genegenheid, soms ook uit vanzelfsprekendheid. Dit is een positieve tendens, maar wel één met een keerzijde. Mantelzorgers cijferen zichzelf veelal weg, krijgen zelf vaak weinig ondersteuning en hebben te maken met overbelasting en een enorme verantwoordelijkheid. Het is dan ook belangrijk te komen tot een situatie waarin mantelzorgers hun naasten kunnen blijven helpen zonder overbelast te raken.

De afgelopen jaren is door de rijksoverheid reeds een aantal maatregelen genomen ten behoeve van mantelzorgondersteuning. Zo is het budget ter zake sinds 2001 vijf keer hoger geworden terwijl de mogelijkheden voor het bieden van respijtzorg fors zijn verruimd. Bij de indicatiestelling wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de noodzaak van respijtzorg. Gemeenten hebben middels de Wmo opdracht gekregen om mantelzorgondersteuning te bieden aan hun inwoners. De staatssecretaris is voornemens om in de Wmo-voortgangsrapportage die in september zal verschijnen, uitgebreid in te gaan op de rol van mantelzorgers en vrijwilligers.

Hoewel het in het amendement-Van der Vlies besloten uitgangspunt lovenswaardig was en is, is de uitvoering ervan weerbarstiger gebleken dan de praktijk. Niet alleen moest rekening worden gehouden met de intenties van het amendement maar ook met de juridische en praktische mogelijkheden om het uit te voeren. De uiteindelijke vorm van de voorliggende regeling wijkt dan ook iets af van wat de indieners van het amendement voor ogen stond. Het is geen fiscale korting geworden maar een subsidie. Ten opzichte van de oorspronkelijke bedoelingen is de regeling overigens verruimd, binnen de grenzen van het budget van 65 mln. Waar in het amendement de doelgroep waren de mensen die gedurende zes maanden minimaal acht uur per week noodzakelijke extramurale zorg verlenen aan een ernstig gehandicapte of zorgafhankelijke persoon, is in de regeling alleen het criterium van de zes maanden nog terug te vinden gekoppeld aan de voorwaarde van een indicatie.

Met deze regeling is het naar het oordeel van de staatssecretaris redelijk goed gelukt om mantelzorgers te bereiken en te waarderen, in het besef overigens dat het bedrag van € 250 nooit volledig kan uitdrukken wat de waarde is van de zorg die zij verlenen. Het verstrekken van deze uitkering aan alle ongeveer anderhalf miljoen mantelzorgers in Nederland zou een bedrag inhouden van plusminus 350 mln. terwijl 65 mln. beschikbaar is. Gepaste bescheidenheid is wat dat betreft dan ook op z’n plaats aangezien er keuzes gemaakt moeten worden die juridisch houdbaar en financieel deugdelijk zijn. Volgens de nu geldende criteria is op basis van voorzichtige ramingen de verwachting dat ongeveer 250 000 mantelzorgers een beroep op de regeling kunnen doen. Uitgaande van eerdergenoemde 65 mln. dient wat de staatssecretaris betreft vastgehouden te worden aan het bedrag van € 250. Voorkomen dient te worden dat de doelgroep zo groot wordt dat het erop volgende jaar de uitkering substantieel verlaagd moet worden.

Sinds de datum van 1 april waarop de mantelzorg is opgenomen in de indicatie, is er meer inzicht in het aantal mensen om wie het gaat en hoeveel mantelzorg zij verlenen. Onder de regeling zullen vallen alleen de mensen die vanaf 1 april dit jaar een indicatie krijgen met een indicatiegeldigheidsduur van zes maanden, en de mensen die een herindicatie krijgen. Niet alleen het CIZ maar ook het bureau Jeugdzorg kan een dergelijke indicatie afgeven. Ten aanzien van de gevallen vóór die datum is namelijk niet te bewijzen dat het geld daadwerkelijk bij de mantelzorg terechtkomt. Zij deelt niet de opvatting van Mezzo dat indien mantelzorgers activiteiten overnemen van de professionele zorgverleners, het hebben van een indicatie voor AWBZ-zorg voldoende moet zijn om in aanmerking te komen voor de regeling. Mocht onverhoopt blijken dat de regeling minder mensen bereikt dan verwacht, zullen de onbenutte middelen binnen eerdergenoemde 65 mln. voor de mantelzorg gereserveerd blijven.

Hetgeen in de 2006 door de Kamer aanvaarde motie-Azough/Kraneveldt over de ondersteuning van mantelzorgers is gevraagd, is verwerkt in de Wmo, in welk kader gemeenten de wettelijke taak hebben mantelzorgers met een goed ondersteuningsaanbod te faciliteren. Bovendien zullen de beleidsplannen voor de Wmo doorgelicht worden op het onderdeel mantelzorg. Daarnaast hebben gemeenten via het compensatiebeginsel de plicht om mensen de weg te wijzen naar de zorg die zij eventueel nodig hebben. Via een quick scan zal nagegaan worden in hoeverre gemeenten daaraan uitvoering geven. Het amendement-Van der Vlies komt voor het overige deel tegemoet aan de motie-Azough/Kraneveldt waar het gaat om de individuele waardering. Het kan wat de staatssecretaris wat dat betreft dan ook niet en-en zijn, in de zin dat het bedrag dat is gemoeid met genoemde motie die reeds is uitgevoerd niet alsnog bovenop de 65 mln. komt.

Het streven is erop gericht de betalingen per 1 november aanstaande te verrichten. Met inachtneming van de criteria van juridische houdbaarheid en financiële deugdelijkheid wordt geprobeerd de procedure zo eenvoudig mogelijk te houden. Met betrekking tot het desbetreffende wetsvoorstel is reeds voorzien in een spoedprocedure bij de Raad van State.

Aan de formulieren zal in het kader van de wetstekst nader aandacht besteed worden. In het geval van cliënten met bijvoorbeeld dementie mag ervan worden uitgegaan dat bij de invulling van de formulieren zij ondersteuning krijgen van gemeenten.

Het CIZ voert vanaf 1 april jongstleden de indicatiestelling uit. Inmiddels blijkt dat alleen bij indicaties waarbij nader onderzoek noodzakelijk is, het CIZ de mantelzorg in kaart brengt. Er waren lichte complicaties maar die zijn inmiddels nagenoeg weggenomen.

In het geval iemand bijvoorbeeld voor acht uur per week geïndiceerd is er voor wordt gekozen dit in te vullen door mantelzorg waardoor er per saldo nul uren reguliere zorg wordt geleverd, kan de desbetreffende mantelzorger uiteraard in aanmerking komen voor de regeling.

Het risico dat mantelzorgers in de verleiding komen om AWBZ-zorg aan te vragen om zodoende in aanmerking te komen voor de waarderingssubsidie is niet uit te sluiten.

Voor mantelzorgers die door de hen verleende zorg de AWBZ-zorg buiten de deur houden en derhalve geen indicatiebesluit kunnen overleggen, geldt dat men moet kunnen aantonen dat er sprake is van langdurige en intensieve mantelzorg. De indicatie geldt als bewijs teneinde oneigenlijk gebruik van de regeling te voorkomen.

Ten aanzien van de combinatie arbeid en zorg verwijst de staatssecretaris naar het beleidsprogramma waarin een aantal voornemens ter zake zijn opgenomen. Daarnaast zal zij met haar collega’s van SZW intensief het gesprek aangaan over hoe mantelzorgers ook vanuit het perspectief van werkgevers ondersteund kunnen worden.

De tegemoetkoming buitengewone uitgaven valt onder de portefeuille van de staatssecretaris van Financiën.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van der Vlies (SGP) meent dat de regeling zich niet zou moeten beperken tot de mantelzorgers die per 1 april van dit jaar worden geïndiceerd maar dat deze zich tevens moet uitstrekken tot degenen die reeds langere tijd voor die datum mantelzorg bieden. Is op dit punt niet een creatieve oplossing denkbaar, bijvoorbeeld in de vorm van een administratieve herindicatie?


Mevrouw Willemse-van der Ploeg (CDA) sluit zich van harte aan bij dit verzoek van de heer Van der Vlies.


Mevrouw Wolbert (PvdA) vraagt de staatssecretaris op korte termijn de regeling te evalueren teneinde na te gaan of deze beantwoordt aan de uitgangspunten van het amendement-Van der Vlies.


Mevrouw Van Miltenburg (VVD) zou graag zien dat de staatssecretaris de Kamer schriftelijk informeert over het resultaat van het overleg dat zij zal voeren met de bewindslieden van SZW. Is zij tevens bereid om in dat overleg de gedachte van ondersteuning van de mantelzorgmakelaar in te brengen?


Mevrouw Kant (SP) krijgt graag alsnog de nadrukkelijke bevestiging van de staatssecretaris dat de uitvoeringsproblemen bij het CIZ inmiddels daadwerkelijk zijn opgelost.


Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) verzoekt de staatssecretaris een overzicht te verstrekken van de verschillende opties inclusief de daarbij horende bedragen.


De heer Vendrik (GroenLinks) meent dat indien de 65 mln. daadwerkelijk uitgangspunt blijft voor de staatssecretaris, het aanbeveling verdient om in het kader van de suppletoire begroting van VWS extra geld te verkrijgen bij de minister van Financiën, zodat de regeling wat ruimer in haar jasje komt te zitten.


De staatssecretaris acht een administratieve herindicatie, zoals door de heer Van der Vlies beoogt, niet haalbaar, hetgeen onverlet laat dat mensen zich wel kunnen melden. Uitgangspunt is en blijft dat men per 1 april een indicatie dan wel een herindicatie dient te verkrijgen.

De staatssecretaris is graag bereid om de regeling snel te evalueren en hoopt nog december van dit jaar de eerste resultaten ervan tegemoet te zien. Spoedig daarna zal de Kamer hierover schriftelijk worden geïnformeerd op basis waarvan vervolgens bezien kan worden of bijstelling nodig is.

In september zal verslag aan de Kamer worden gedaan van het overleg met de bewindslieden van SZW.

De problemen bij het CIZ zijn nagenoeg opgelost. Naar verwachting zullen de nog wel resterende problemen op zeer korte termijn weggenomen zijn.

De rekenmodellen waarom mevrouw Wiegman verzocht, zullen de Kamer zo snel mogelijk bereiken.

Toezeggingen

De voorzitter heeft de volgende toezeggingen genoteerd:

– in september zal de Kamer schriftelijk worden geïnformeerd over de koppeling arbeid en zorg;

– de Kamer zal zo spoedig mogelijk rekenmodellen ontvangen;

– in de september te verschijnen Wmo-voortgangsrapportage zal ingegaan worden op de positie van de mantelzorger;

– de eerste evaluatieresultaten over 2007 zullen zo snel mogelijk na december aan de Kamer worden gepresenteerd.


De voorzitter van de vaste commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Sport,
Smeets

De griffier van de vaste commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Sport,
Teunissen

1  Samenstelling:Leden: Van der Vlies (SGP), Vendrik (GroenLinks), Kant (SP), Blok (VVD), Ferrier (CDA), ondervoorzitter, Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Smeets (PvdA), voorzitter, Van Miltenburg (VVD), Schippers (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Willemse-van der Ploeg (CDA), Van der Veen (PvdA), Schermers (CDA), Van Gerven (SP), Wolbert (PvdA), Heerts (PvdA), Zijlstra (VVD), Van Gijlswijk (SP), Ouwehand (PvdD), Agema (PVV), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA) en Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie).Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Azough (GroenLinks), Van Velzen (SP), Neppérus (VVD), Vietsch (CDA), Sterk (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Verdonk (VVD), Griffith (VVD), Atsma (CDA), Van der Ham (D66), Çörüz (CDA), Gill’ard (PvdA), Jonker (CDA), Langkamp (SP), Jacobi (PvdA), Arib (PvdA), Kamp (VVD), De Wit (SP), Thieme (PvdD), Bosma (PVV), Luijben (SP), Hamer (PvdA) en Ortega-Martijn (ChristenUnie).