Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2007

30800 VII 63H Brief van de minister van binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties

Vergaderjaar 2006-2007

Nr. 63 Herdruk1

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 12 juli 2007


Bijgaand zend ik u – ter kennisneming – het rapport van het in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitgevoerde onderzoek «Jonge burgers en democratie».2 Het rapport kondigde ik reeds aan in mijn antwoorden op de vragen van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het jaarverslag 20063.


Het onderzoek was gericht op kennis, houding en vaardigheden van jonge burgers van 18 tot en met 25 jaar ten aanzien van de democratie.


Naar mijn oordeel blijkt uit het onderzoek dat de kennis van jongeren op bepaalde punten tekort schiet. Ik noem:

– Het kiesrecht: een op de vier jongeren weet niet dat de gemeenteraad en provinciale staten rechtstreeks worden gekozen. Een op de acht weet dat niet van de Tweede Kamer.

– Een op de drie jongeren kent niet de vertrouwensregel, de centrale notie van onze parlementaire democratie.

– De machtenscheiding: Een substantiële minderheid heeft onvoldoende begrip van de ratio en essentialia van de scheiding van machten.

– Een op de vijf jongeren heeft onvoldoende besef van het beginsel van scheiding van kerk en staat.

– Bijna de helft van de jongeren weet niet dat Europese regels voorrang hebben op nationale voorschriften.


Daarnaast vindt een meerderheid dat rekening houden met anderen niet ten koste mag gaan van je eigen vrijheid en ruim de helft is het eens met de stelling dat ’niemand het recht heeft mij voor te schrijven wat ik moet doen of laten’. Ik beschouw dat als een zorgelijke uitkomst, een houding die blijk geeft van doorgeslagen individualisme, niet passend bij democratisch burgerschap.


Zowel op het punt van kennis van de democratie als de ontwikkeling van een democratische houding, spelen diverse organisaties een rol. Om die reden heb ik hen nadrukkelijk de vraag gesteld op welke wijze zij een bijdrage zouden kunnen leveren om zichtbaar vooruitgang te boeken op bovenstaande punten. Met name ten aanzien van de door mij bekostigde instellingen zal ik binnen de grenzen van mijn bevoegdheden hun inzet op deze punten verlangen. Van andere instellingen hoop ik op hun steun om in elk geval op het punt van de kennis van de democratie op korte termijn vooruitgang te boeken.


Ten slotte heb ik het rapport ter kennisneming toegezonden aan o.a. de Commissie uitdragen kernwaarden van de rechtsstaat en de Raad voor de maatschappelijke ontwikkeling.


De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst

1  I.v.m. correctie in kamerstuknummer, hiermee komt kamerstuk 31 031 VII, nr. 15 te vervallen.

2  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

3  Kamerstukken 2006/2007, 31 031 VII, nr. 7, blz. 4 (antwoord op vraag 16).