Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2007

30800 VII 64 Verslag van de conferentie van voorzitters van de commissies voor binnenlandse zaken van de parlementen van de landen van de europese unie op 6 en 7 mei 2007 te berlijn

Vergaderjaar 2006-2007

Nr. 64 Vastgesteld 29 augustus 2007

Op 6 en 7 mei 2007 heeft in Berlijn de periodieke conferentie van voorzitters van de commissies voor Binnenlandse Zaken van de parlementen van de lidstaten van de Europese Unie plaatsgevonden. Het Duitse voorzitterschap heeft de organisatie van de conferentie op zich genomen.

Als voorzitter van de vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft de heer Leerdam aan de conferentie deelgenomen.

De conferentie werd voorgezeten door de voorzitter van de commissie voor Binnenlandse Zaken uit de Duitse Bondsdag, de heer Sebastian Edathy. Het onderstaande bevat een verslag van de conferentie.


De voorzitter van de commissie voor Binnenlandse Zaken van de Duitse Bondsdag, de heer Sebastian Edathy, opent de conferentie met een woord van welkom aan alle deelnemers en een korte uiteenzetting van het taakveld van zijn commissie.


De heer dr. Wolfgang Schäuble, minister voor Binnenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland houdt een inleiding over de bestrijding van het terrorisme en de politiële samenwerking.

De heer Schäuble memoreert dat hij, in vergelijking met het begin van de jaren ’90, toen hij eveneens minister voor Binnenlandse zaken was, nu veel meer tijd besteedt aan zaken met een Europese dimensie. Ook binnenlandse taken zijn steeds minder strikt nationaal van karakter en zeker de onderwerpen immigratie, politiële samenwerking en terrorismebestrijding kunnen slechts in Europees verband doeltreffend worden behartigd. Sinds de Wende in 1989 is deze ontwikkeling versterkt.

Terrorisme noemt de heer Schäuble de nieuwe uitingsvorm van internationale conflicten. Kleine groepen die in vele landen opereren en die, indien nodig, een intensieve communicatie onderhouden, vormen de drijvende krachten. De nationale staten dienen daarop binnenslands adequaat en evenwichtig te reageren waarbij aspecten van bescherming van de burgerlijke vrijheden en de bepalingen in het kader van Schengen en ten aanzien van visaverordeningen in onderling verband moeten worden beschouwd. De wetgevende en uitvoerende macht hebben hierin een belangrijke taak en mogen zich niet verlaten op datgene wat de rechterlijke macht nog acceptabel acht. De dagelijkse praktijk in de grensregio’s is daarbij voor regering en parlement een goed ijkpunt. De afschaffing van de grenscontroles op basis van Schengen heeft bijvoorbeeld in de grensregio’s met Frankrijk en de Benelux-landen tot onzekerheid geleid. Die onzekerheid is inmiddels echter weer goeddeels overwonnen en er zijn vooral gedurende de wereldkampioenschappen voetbal in 2006 in Duitsland buitengewoon goede ervaringen opgedaan met de politiële samenwerking. Daaruit blijkt maar weer dat preventieve samenwerking vruchten afwerpt.

Vanuit die optiek pleit de heer Schäuble er voor om het Verdrag van Prüm te aanvaarden en uit te breiden en gelijktijdig de databescherming goed te regelen. Op het punt van de data-uitwisseling heeft Duitsland goede ervaringen opgedaan met Oostenrijk. Zo goed, dat een centrale databank voor de EU volgens de heer Schäuble zonder meer wenselijk en realiseerbaar is. Gedurende het huidige Duitse voorzitterschap zouden op dat punt nog echte stappen voorwaarts gezet moeten kunnen worden. Ook internet zou daarbij moeten worden betrokken. De informatie-uitwisseling en samenwerking is na de aanslagen in Madrid gelukkig al verstrekt. Maar de rechtsbasis van Europol zou verbreed moeten worden zodat er ook sprake kan zijn van een operatieve versterking. Daarbij zijn niet zozeer nieuwe initiatieven vereist; het zou beter zijn zich te concentreren op de uitwerking van de al bestaande initiatieven. Nog gedurende het Duitse voorzitterschap zou de verbinding tussen de eerste en derde zuil verder gestalte moeten krijgen.

Terrorismebestrijding is beslist geen zaak van de EU alleen; er is ook samenwerking met Rusland en de VS noodzakelijk. Gelukkig vindt er inmiddels trilateraal overleg plaats. De verschillende percepties van dreigingsfactoren, die vooral ten opzichte van de VS verschillen, dienen te worden geharmoniseerd. Daar wordt aan gewerkt maar de heer Schäuble waarschuwt dat er geen te hoge verwachtingen mogen worden gekoesterd.


In de daarop volgende discussie stelt Lord Marlesford(GB) dat het Prüm-verdrag niet gelijkelijk voor de gehele EU hoeft te gelden maar wel via het voorzitterschap in de EU zou moeten worden geëffectueerd. Het voorzitterschap zou t.a.v. de effectuering van het Verdrag inzicht moeten geven in de initiatieven tot effectuering, het tijdschema er van, en de kosten die het met zich brengt, want daarover bestaan misverstanden. De heer Bianco(Italië) stelt de gebrekkige effectuering aan de kaak die vooral wordt veroorzaakt doordat slechts bilaterale initiatieven worden genomen en de lidstaten te weinig bereid zijn nationale competenties aan de EU over te dragen. Veiligheidsbeleid wordt nog te veel als een nationale aangelegenheid beschouwd. De Spaanse afgevaardigde mevr. Bono sluit zich hierbij aan: het gaat hier om een wereldomvattend probleem. Zij vraagt daarbinnen aandacht voor de invloed van financieringsstromen en voor de bescherming van de vitale infrastructuur.

De Nederlandse afgevaardigde de heer Witteveen wil er wel op wijzen dat het doel van het Verdrag van Prüm bij dit alles niet uit het oog mag worden verloren. De handhaving en zo mogelijk versterking van burgerrechten dient prioriteit te hebben, met name ten opzichte van de wensen van Rusland en de VS bij de bestrijding van het terrorisme. Het zou goed zijn de basisbeginselen vast te stellen die het uitgangspunt vormen bij de bescherming van de burgerrechten. In de nationale parlementen zou daarover een discussie moeten plaatsvinden.

De heer Parnigoni (Oostenrijk) bepleit niet slechts de instelling van nationale colleges voor de bescherming van algemene databestanden en van gegevens over de persoonlijke levenssfeer maar ook van colleges op europees niveau. De vertegenwoordiger van Cyprus, de heer Chrysostomides, acht in dat kader zekerheid over de constitutionele positie en taak van de EU onontbeerlijk.


De heer Max-Peter Ratzel, directeur van Europol, houdt een inleiding over de rol van Europol bij de versterking van de interne veiligheid van de landen van de EU. Hij geeft een overzicht van het huidige functioneren van Europol en van de toekomstige ontwikkelingen daarin waartoe recentelijk is besloten. Deze toekomstige ontwikkelingen betreffen vooral onderzoek naar het witwassen van geld, de opzet van multinationale teams voor de verdere ontwikkeling van gezamenlijke recherche en de mogelijkheid om ook aan derde partijen de gelegenheid te geven aan onderzoeksactiviteiten deel te nemen. De heer Ratzel pleit voor een grotere bewustwording in de EU-landen van het coördinerende functioneren van Europol. Data moeten zo mogelijk vroegtijdig en uniform worden aangeleverd.


Mevr. Navarro (Spanje) steunt het betoog van de heer Ratzel maar wijst wel op de noodzaak van een goede juridische basis voor het optreden van Europol en voor een deugdelijke bescherming van de gegevens die bij Europol worden opgeslagen.

De heer Leerdam (Nederland) vraagt aandacht voor de relatie met drugsbestrijding. Dit is voor verscheidene EU-landen van belang. Een belangrijke aanvoerroute van drugs loopt via de Nederlandse en Franse Antillen waardoor niet alleen West-Europese landen direct bij deze problematiek betrokken raken maar ook de Zuid-Europese landen, zoals Spanje, die nauwe betrekkingen onderhouden met Zuid-Amerika. Europol zou hier aandacht aan moeten besteden. Dit punt wordt door verscheidene sprekers ondersteund waarbij er op wordt gewezen dat het Europol op veel punten aan doorzettingsmacht ontbreekt en dat het mandaat van Europol ten aanzien van meer aandachtsgebieden zou moeten worden uitgebreid. Genoemd worden daarbij de bestrijding van kinderporno, het hooliganisme; door de introductie van de euro is ook een centrale beveiliging van het geldstelsel actueel geworden.


Mevr. Zypries, de Duitse Bondsminister voor Justitie, houdt een inleiding over de harmonisatie van de wetgeving van de EU-landen tot bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat. Zij stelt daartoe het Luxemburgse «Rahmenbeschluß» ten voorbeeld. Dit is vooral zo effectief omdat daarin wordt afgezien van het noemen van concrete voorbeelden maar in plaats daarvan voortbouwt op rechterlijke uitspraken. Naar haar mening moet op korte termijn binnen de EU ontkenning van en opruiing tot volkerenmoord strafbaar worden gesteld, evenals het aanzetten tot racisme en vreemdelingenhaat. Politie en Justitie dienen zo mogelijk proactief op te treden. Een goede afbakening ten opzichte van de vrijheid van meningsuiting is voor mevr. Zypries bij dit onderwerp essentieel.


De heer Leerdam (Nederland) spreekt in de aansluitende discussieronde zijn steun uit voor de opvattingen van mevr. Zypries en pleit er voor dit onderwerp regelmatig op de agenda te houden. Portugal en de daaropvolgende voorzitters zouden daaraan inhoud moeten geven door de aandacht voor racismebestrijding en bestrijding van vreemdelingenhaat levendig te houden en bij deze aandacht de minderheden in de diverse landen en de kansarme autochtonen in de steden te betrekken. De benadering van de jongeren en de inzet van de media is hierbij van cruciaal belang. Onder andere de herenDenham (Groot Brittannië) en Chrysostomides (Cyprus) sluiten zich hierbij aan en roepen op om toch altijd plaats in te ruimen voor een benadering van de problematiek vanuit een multiculturele invalshoek. De toekomstig voorzitter, Portugal, geeft bij monde van de heer Castro, te kennen zeker oog voor dit probleem te hebben al is het zo dat het binnen de Portugese maatschappij een minder prominente rol speelt dan in vele andere EU-landen. De bewaking van de handhaving van de vrijheid van meningsuiting zal bij dit onderwerp ook altijd een belangrijke rol moeten spelen. Vertegenwoordigers van een groot aantal landen spreken steun uit om deze problematiek op de agenda te handhaven. Zij wijzen er ook op dat het hier niet gaat om een eendimensionaal probleem maar dat het vele verbindingen kent. Het is een breed maatschappelijk probleem waarbij ook aspecten van onderwijs, cultuur, sportieve ontwikkeling en justitiële structuur een zeer belangrijke rol spelen.


De inleiding van de heer Cavada, voorzitter van de Commissie voor burgerrechten, Justitie en Binnenlandse Zaken van het Europees Parlement, over de toekomst van een Europees binnenlands beleid, sluit hier nauw op aan. Hij pleit voor multilaterale oplossingen die tot voor kort weliswaar ongebruikelijk zijn geweest binnen de EU, maar waarvan het succes is bewezen door de ervaringen die inmiddels zijn opgedaan met het Schengen-verdrag. De uitvoering van dat verdrag heeft de druk om samen te werken en de belemmerende werking van binnengrenzen te verkleinen vanuit verschillende belangengroepen sterk doen toenemen. Vooral de economische druk is toegenomen. Ook de gebeurtenissen van 11 september 2001 hebben een enorme invloed gehad op de bereidheid en noodzaak tot samenwerking. In dit kader is de definitie en afgrenzing van grondrechten en burgerrechten problematisch maar ook essentieel. De heer Cavada heeft de indruk dat op dit moment de burgerrechten onvoldoende worden beschermd en dat er een te grote nadruk wordt gelegd op het veiligheidsaspect. Transparantie en een intensieve dialoog tussen de nationale parlementen en het Europees parlement is hier noodzakelijk om een goed evenwicht te vinden en te handhaven. Die dialoog vindt naar de mening van de heer Cavada ondanks verscheidene initiatieven nog altijd te weinig plaats. Om ook op dit punt de democratische kwaliteit te waarborgen dienen de vakcommissies uit de nationale parlementen intensievere contacten te onderhouden. Deze bijeenkomst van commissie voor Binnenlandse Zaken vindt de heer Cavada een goed voorbeeld van het intensieve contact dat hem voor ogen staat.


De voorzitter van de commissie,
Leerdam

De adjunct-griffier van de commissie,
Hendrickx