Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2007

30800 VII 65 Brief van de minister van binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties

Vergaderjaar 2006-2007

Nr. 65

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 30 augustus 2007


De «Adviescommissie Informatiestromen Veiligheid» heeft onderzoek gedaan naar de systematiek van informatiestromen vanuit grote geautomatiseerde gegevensbestanden in de publieke en private sector ten behoeve van het veiligheidsdomein. De voorzitter van de Commissie was de heer Bosma, voormalig voorzitter van de concerndirectie van PinkRoccade.

Verder maakten van de commissie deel uit :

– prof. dr. M.G.W. den Boer, wetenschappelijk decaan Politieacademie

– mr . Th.C. de Graaf, burgemeester van Nijmegen

– mr. J.N. van Lunteren, voorheen directeur-generaal Belastingdienst

– drs. W.J.B. Stolwijk RA, voorheen algemeen directeur Interpay


De Commissie is geen adviescollege in de zin van de gelijknamige Kaderwet.


Hierbij bied ik uw Kamer, mede namens de ministers van Defensie en Justitie, het rapport van de Commissie aan1.


Als er de afgelopen decennia op het gebied van informatie voor het veiligheidsdomein iets fundamenteel veranderd is, is het wel de groei in het aantal databases, in het aantal gegevens dat daarin is opgeslagen en in de mogelijkheden om die databases te bevragen, aldus de Commissie. Ik ben dat met de Commissie eens.


De hoofdconclusie van de Commissie is dat het totaal aan verschillende systemen om gegevens uit externe gegevensbestanden in te winnen niet voldoet aan de criteria inzake grondslag, maatschappelijke zorgvuldigheid, effectiviteit en doelmatigheid. De Commissie beveelt een systematiek aan waarin de inwinning en uitwisseling van informatie worden gecentraliseerd. De hoofdconclusie neem ik in z’n integraliteit niet over. Sommige deelaanbevelingen sluiten aan op een aantal lopende trajecten.

Centralisatie of ketenbenadering

Ik wil er op wijzen dat de bestaande wettelijke systematiek in het veiligheidsdomein is gebaseerd op de bewuste keuze voor een ketenbenadering. Die benadering houdt in dat de inlichtingen- en opsporingsdiensten, naar gelang van het proces waarin zij werkzaam zijn (inlichtingen, opsporing, calamiteitenbestrijding, ordehandhaving, etc.), onderscheiden taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden hebben en elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheden informatie inwinnen en uitwisselen. Dit stelsel is bewust niet gecentraliseerd maar gesegmenteerd zodat verschillende informatiesoorten zorgvuldig worden behandeld en er recht wordt gedaan aan de verschillende taken en verantwoordelijkheden van de betrokken partijen. Er is sprake van een samenhangend stelsel aan technische en organisatorische voorzieningen waarbinnen er niet alleen wordt samengewerkt, maar er ook uitgaande van de verschillende verantwoordelijkheden en taken van organisaties ruimte is voor maatwerk.

Wet- en regelgeving

De Commissie stelt voor een publieke discussie over de balans tussen privacy en veiligheid voor te bereiden. Het doel van deze discussie is, volgens de Commissie, het herijken van het evenwicht tussen de bevordering van veiligheid enerzijds en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer anderzijds.


Deze aanbeveling spreekt mij aan. Ik kan meedelen dat de ministeries van BZK en Justitie eerder al besloten hadden de visie op privacy en veiligheid opnieuw vast te stellen. Ondermeer het spanningsveld en de balans tussen veiligheid en privacy zullen onderwerp van onderzoek zijn, evenals de rol van technologie en internationale aspecten. De opzet van dit traject wordt momenteel uitgewerkt.


Terecht merkt de Commissie op dat informatie-uitwisseling tussen opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten altijd een wettelijke grondslag moet hebben. Ik ben echter, anders dan de Commissie, van mening dat de beoordeling van proportionaliteit en subsidiariteit van informatie-uitwisseling reeds voldoende is geborgd in de relevante wet- en regelgeving. Het afleggen van verantwoording en het toezicht zijn geborgd in de wet- en regelgeving. Juist een systeem waarin inwinning en uitwisseling van informatie zou zijn gecentraliseerd, zou grote druk op een zorgvuldige toepassing van deze principes zetten. Ook bij de parlementaire behandeling van wetsvoorstellen op dit gebied vindt de discussie plaats over de balans tussen privacy en veiligheid in relatie tot voorstellen.


Het Rijk dient, volgens de Commissie, een overzicht op te stellen van alle wet- en regelgeving die van toepassing is op het inwinnen van gegevens uit externe databestanden. De Commissie wil nagaan of het wenselijk is een stelselwet tot stand te brengen voor de bevraging van externe databestanden met een daarop afgestemd toetsingskader. Ook stelt de Commissie voor om de voor- en nadelen te verkennen van een onafhankelijke toezichthouder op het inwinnen van gegevens uit externe databases door opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten.


Ik deel de mening van de commissie dat er sprake moet zijn van een samenhangend wetsstelsel en van gedegen toezicht op de naleving daarvan. Mijns inziens is hiervan echter reeds sprake. De Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002, de Politiewet 1993 , het Wetboek van Strafvordering, de Telecommunicatiewet en de Wet Politiegegevens vormen wel degelijk een samenhangend wettelijk stelsel. Ook zijn er reeds onafhankelijke toezichthouders op het inwinnen van informatie, zoals het College Bescherming Persoonsgegevens en de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Ik verwacht dat een en ander in de opnieuw vast te stellen visie op privacy en veiligheid nader aan de orde zal komen.

Shared Services en strategische samenwerking

De Commissie stelt voor om het nut en de haalbaarheid van mogelijke shared services in het veiligheidsdomein te onderzoeken.


Ik ben het met de Commissie eens dat samengevoegde en gestroomlijnde voorzieningen vanuit efficiëntie- en effectiviteitsoverwegingen in het veiligheidsdomein van nut zouden kunnen zijn. De opsporingsdiensten, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de betrokken ministeries hebben om die reden de afgelopen jaren ook diverse voorzieningen ontwikkeld om de informatie-uitwisseling en samenwerking te verbeteren. Het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie CIOT, de justiële Informatiedienst en het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit LIV zijn daar slechts drie voorbeelden van.


Landelijke en regionale informatieknooppunten van politie en justitie leveren hun bijdrage aan de verbetering van de informatie-uitwisseling. Verder zijn en worden standaarden en informatiesystemen ontwikkeld en worden bestaande netwerken gekoppeld. De implementatie van deze voorzieningen vergt een grote inspanning van de verschillende diensten. Ook dit thema zal naar verwachting in de op te stellen visie inzake privacy en veiligheid aan de orde komen.


Verbetering van de informatie-uitwisseling en samenwerking vraagt om een niet-aflatende inspanning. Het is een proces van kleine maar zekere stappen op basis van een heldere visie. Besluitvorming over verdere verbeteringen in de samenwerking en de informatie-uitwisseling zal plaatsvinden tijdens een bijeenkomst van topfunctionarissen van de departementen en de opsporings- en inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die al gepland staat voor het najaar. De onderlinge samenhang staat daarbij voorop.

Kostenvergoeding

De Commissie gaat tot slot in haar rapport in op de vergoeding van de kosten van de levering van gegevens door het bedrijfsleven. Dit onderwerp staat momenteel bijzonder in de belangstelling van de telecomsector. De betrokken directeuren-generaal van EZ, Justitie en BZK. zijn hierover in gesprek met topfunctionarissen uit die sector.

Slotopmerkingen

De aanbevelingen van de Commissie sluiten naar mijn mening voor het overgrote deel aan bij de bestaande initiatieven van de departementen, de opsporingsdiensten en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Ik beschouw het rapport van de Commissie dan ook als een stimulans om de bestaande initiatieven krachtig door te zetten en zie, vanwege de reeds genomen initiatieven, geen aanleiding om de Commissie opdracht te geven voor vervolgonderzoek.


De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst

1  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.