Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. HET BELEID

2.1 De Beleidsagenda

De bevolking van alle eilanden van de Nederlandse Antillen heeft gekozen deel te willen blijven uitmaken van het Koninkrijk. Ook bestaat er een breed gedragen wens om de staatkundige verhoudingen te wijzigen. Nederland heeft in de dialoog met het Land Nederlandse Antillen en de eilandgebieden steeds aangegeven, dat het belang van de burger voorop moet staan in het veranderingsproces. Op de gebieden van goed bestuur, overheidsfinanciën, waarborging van de rechtsorde en op sociaal-economisch gebied bestaan thans knelpunten die een bedreiging vormen voor het welzijn van de bevolking en de toekomst van de Antilliaanse eilanden. Het duurzaam oplossen van deze knelpunten is een noodzakelijke voorwaarde om te komen tot een gezonde startpositie voor de nieuw te vormen staatkundige entiteiten.


Op basis van het in 2005 afgesloten Hoofdlijnenakkoord is een proces van Rondetafelconferenties gestart, dat tot doel heeft om deze knelpunten gezamenlijk en parallel aan te pakken. Dit proces verloopt soms moeizaam, maar het is een absoluut winstpunt dat de dialoog tussen de Koninkrijkspartners sterk is geïntensiveerd. De aanhoudend hoge begrotingstekorten van de overheden en de stijgende overheidsschulden in combinatie met een onvoldoende hervormingsgezind en daadkrachtig sociaal-economisch beleid in de Nederlandse Antillen geven onverminderd aanleiding tot ernstige zorg. Het besef dat drastische ingrepen onontkoombaar zijn en de bereidheid tot een daadwerkelijke aanpak lijken nog steeds onvoldoende aanwezig. De handreikingen vanuit Nederland om het Koninkrijksverband voor de toekomst beter te positioneren en te wapenen tegen bestuurlijke ontsporingen hebben tot dusverre niet kunnen rekenen op een ruimhartige acceptatie door de Antilliaanse bestuurders. De aanpak van de problematiek op de Nederlandse Antillen duldt echter geen uitstel.

Het is de Nederlandse ambitie om in 2007 onverminderd door te gaan met het vastgelegde traject in de start-RondeTafel Conferentie. Een eerste stap is het overeenkomen van criteria waaraan de nieuwe entiteiten zullen moeten voldoen. De criteria hebben betrekking op openbare financiën en economie, rechtszekerheid, deugdelijkheid van bestuur en de vormgeving en inhoud van de nieuwe banden van Nederland met Bonaire, Saba en Sint Eustatius.


Nederland hecht aan het inhoud geven aan de waarden van het Koninkrijk – niet als doel op zich, maar om de bevolking van alle delen van het Koninkrijk garanties te bieden voor belangrijke elementen van goed bestuur, zoals rechtszekerheid, mensenrechten en integriteit. Deze situatie vraagt op de Nederlandse Antillen om fundamentele herbezinning op de wijze van invulling van de primaire bestuurstaken. Voor grote groepen in de samenleving ontbreekt perspectief. Hierbij kan ondermeer gewezen worden op aanzienlijke armoedeproblematiek en schooluitval. Met alleen symptoombestrijding zal de neerwaartse spiraal niet kunnen worden doorbroken. Dit vraagt om veranderingen in de bestuurscultuur en in de rolopvatting van de overheid.


Ondanks een voortvarende start in 2005 met het Hoofdlijnenakkoord en de start-RTC, zijn in 2006 verschillen van inzicht naar voren gekomen tussen de partners in het proces van staatkundige, bestuurlijke en financieel-economische herstructurering. Het kabinet blijft in het kader van het RTC-proces in gesprek met de Antilliaanse bestuurders over de nieuwe verhoudingen, maar houdt daarbij vast aan de met het parlement besproken inhoudelijke uitgangspunten en randvoorwaarden over economie, openbare financiën, rechtshandhaving en goed bestuur. Op basis van besprekingen in gezamenlijke werkgroepen en bilateraal politiek overleg heeft het Nederlandse kabinet in juni een aanbod gedaan aan de Nederlandse Antillen. Hierin geeft Nederland aan wat haar betreft nodig is om het proces van staatkundige hervorming tot een succes te maken. Nederland is bereid een bijdrage te leveren aan een oplossing van de schuldenproblematiek op voorwaarde dat er afspraken worden gemaakt over een deugdelijk begrotingsbeleid, het op orde brengen van het financiële beheer, een effectief financieel toezichtkader, het voorkomen van nieuwe schuldopbouw en het nakomen van internationale verplichtingen. Nederland heeft tevens een aantal essentiële punten benoemd op het terrein van goed bestuur en de justitiële keten. Zo is het voor de veiligheid en rechtszekerheid voor de burgers van belang dat een Openbaar Ministerie van voldoende omvang effectief kan opereren. Wanneer de Nederlandse Antillen positief op het aanbod reageren, kan er wat Nederland betreft een volgende RondeTafel Conferentie plaatsvinden en kan er onverminderd door worden gegaan met het vastgelegde traject in de start-Ronde Tafel Conferentie.


Ook de ontwikkeling van de Arubaanse overheidsfinanciën is ongunstig. Zorgwekkend is hier vooral dat de overheid ondanks een gunstige economische ontwikkeling nog onvoldoende in staat is de begrotingstekorten te beteugelen en de stijging van de schuldquote om te buigen. Verder zijn er met regelmaat indicaties van bestuurlijk suboptimaal presteren en onvoldoende afstand van bestuurders bij de uitvoering van bestuurstaken. Het kabinet zal terzake met Aruba een aanhoudende dialoog aangaan om verbeteringen te bewerkstelligen. Dit heeft al tot belangrijke resultaten geleid, bijvoorbeeld het sluiten en uitvoeren van het protocol over het toelatings-, vreemdelingen- en naturalisatiebeleid.


Kern van het Nederlandse beleid blijft het bevorderen van de zelfstandigheid van de Koninkrijkspartners. Daartoe zullen de samenwerkingsmiddelen ook in de komende periode ingezet blijven worden op terreinen als rechtshandhaving, bestuurlijke ontwikkeling, onderwijs en duurzame economische ontwikkeling. Nadrukkelijk is het niet de bedoeling om de eigen bestuursverantwoordelijkheid over te nemen, hoewel deze in Nederlandse ogen te kort schiet. Nederland heeft vooral het welzijn van de inwoners van de Nederlandse Antillen en Aruba voor ogen. Met Aruba is in 2006 het meerjarenprogramma voor de periode 2006 t/m 2009 overeengekomen. Volgens de in 2000 overeengekomen Arubadeal is 2009 het laatste jaar waarin Nederland een bijdrage stort in het Fondo Desaroyo Aruba (FDA) ten behoeve van de uitvoering van projecten in het kader van het samenwerkingsbeleid. In 2007 zal overleg plaatsvinden met de Arubaanse regering over de voortzetting en verdieping van de onderlinge betrekkingen na afloop van de huidige ontwikkelingsrelatie in 2009.


Zowel het Antilliaanse als het Arubaanse ontwikkelingsfonds – die de samenwerkingsmiddelen beheren – functioneren uitstekend. Naast de ontwikkelingsfondsen blijft Nederland via non-gouvernementele organisaties de sociaal-maatschappelijke ontwikkeling bevorderen. Er is in dat kader hard gewerkt aan het versterken van de structuur van de Antilliaanse Medefinancieringsorganisatie (AMFO). Als gevolg van een tekortschietend overheidsbeleid in de Nederlandse Antillen en Aruba en op basis van maatschappelijke ontwikkelingen, houdt Nederland nadrukkelijk de mogelijkheid open om de samenwerkingsmiddelen anders te besteden. Voorbeelden hiervan zijn thans al het inzetten van middelen voor directe armoedebestrijding en de sociale vormingsplicht. De invoering van de sociale vormingsplicht – een ambitieus Antilliaans initiatief – is door Nederland sterk ondersteund en biedt kansarme jongeren mogelijkheden zich in een meer kansrijke positie te manoeuvreren. Duidelijk is dat het gaat om zeer weerbarstige problematiek.


De burgers op de Nederlandse Antillen vragen om meer veiligheid. In 2007 zal de samenwerking in het kader van het Plan Veiligheid Nederlandse Antillen (PVNA) krachtig worden voortgezet. In 2006 waren de resultaten van de samenwerking vooral zichtbaar door de successen van de gezamenlijke aanpak van de geweldscriminaliteit. In 2007 zullen ook de resultaten van de verbetering van de bedrijfsvoering van de organisaties in de rechtshandhavingsketen zichtbaar worden.


Het PVNA is begin 2005 gestart. Aanleiding voor de geïntensiveerde samenwerking met de Nederlandse Antillen was de hoge geweldscriminaliteit in 2004 op met name Curaçao en de noodzakelijke versterking van de bedrijfsvoering in de gehele Antilliaanse rechtshandhavingsketen. Het PVNA is een voorbeeld van effectieve samenwerking in Koninkrijksverband. Het welslagen van dergelijke projecten om ernstig maatschappelijke problemen in de Nederlandse Antillen op te lossen, kan alleen door intensieve, structurele en niet-vrijblijvende samenwerking tussen de landen. Voor het Nederlandse kabinet is dit een bevestiging van de inzet in het traject van staatkundige veranderingen binnen het Koninkrijk. Alleen door intensieve samenwerking tussen de landen en eilandgebieden kunnen nu en in de toekomst de bestuurlijke, financiële, sociale en economische problemen worden aangepakt. Dit moet voor de toekomst geborgd zijn, tegelijkertijd zal hieraan al op korte termijn, in 2007, invulling moeten worden gegeven. Resultaten van de daadwerkelijke aanpak van de huidige problemen op korte termijn zijn een voorwaarde voor de medewerking van Nederland aan de staatkundige veranderingen.

Overzichtstabel Beleidsagenda

Opbouw uitgaven (in € 1 000)
TOTAAL BEGROTINGart.nr.200620072008200920102011
Stand ontwerp-begroting 2006 172 973166 216165 229157 875142 436 
        
Belangrijkste beleidsmatige prioriteiten       
1) Plan Veiligheid Nederlandse Antillen2.2– 4 7004 700    
2) Sociale Vormingsplicht2.2– 1 300– 1 500– 2 2003 0002000 
3) Restant Liquiditeitssteun t.b.v. de Walradar1.113 200     
4) Kustverkenningsvliegtuig (overboeking naar Defensie)1.1 – 15 000    
5) Overige mutaties 20 3471 8161 8391 7561 686 
Stand ontwerp-begroting 2007 200 520156 232164 868162 631146 122144 102

2.2 De artikelen

1. Waarborgfunctie

Algemene beleidsdoelstelling 1

Bijdragen aan het waarborgen van de rechtszekerheid en de mensenrechten op de Nederlandse Antillen en Aruba.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Het waarborgen van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur is een aangelegenheid is van het Koninkrijk (artikel 43 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden).

Er zijn factoren die het moeilijker maken deze waarborgfunctie te vervullen.

Globalisering en internationalisering alsmede ontwikkelingen op het gebied van de ICT zorgen ervoor dat landsgrenzen steeds minder praktische betekenis hebben. De mogelijkheden en macht van nationale staten neemt hierdoor af. Dit verlies aan macht en sturing dient te worden gecompenseerd door het zoeken van structurele samenwerking binnen het Koninkrijk. Voor het waarborgen van de rechtszekerheid hebben de landen van het Koninkrijk elkaar steeds meer nodig.


Burgers verwachten dat de overheid zorgt voor een veilige samenleving. Gezien de toegenomen criminaliteit op de Nederlandse Antillen, is versterking van de rechtshandhaving een belangrijk beleidsdoel. Ten aanzien van de rechtshandhaving hebben vooral de thema’s grensoverschrijdende criminaliteit, terrorisme en grensbewaking een hoge prioriteit. Nederland levert uit oogpunt van de waarborgfunctie op het gebied van de rechtszekerheid een structurele bijdrage aan de meest urgente problemen, in het bijzonder op het gebied van de aan drugs gerelateerde criminaliteit. Daarmee voldoet het Koninkrijk tevens aan internationale verplichtingen (tegengaan witwassen en mensensmokkel). Hiertoe draagt de minister voor BVK bij aan de instandhouding van de Kustwacht en het RST en bevordert hij de samenwerking tussen de rechtshandhavingsinstituties op de Nederlandse Antillen en Aruba.


Naast deze, in het kader van de waarborgfunctie geïnstitutionaliseerde structurele samenwerkingsverbanden, waartoe ook de ondersteuning van de Rechterlijke Macht kan worden gerekend, draagt Nederland in het kader van het stimuleren van de zelfstandigheid van de Nederlandse Antillen en Aruba op het gebied van bestuur, rechtszekerheid en economie, bij aan samenwerkingsactiviteiten. Deze worden besproken bij het beleidsartikel «bevorderen autonomie koninkrijkspartners». De onder dat beleidsartikel vallende activiteiten met betrekking tot de rechtszekerheid hebben vooral ten doel de landen in hun eigen verantwoordelijkheid voor een veilige samenleving te ondersteunen.

Verantwoordelijkheid minister voor BVK

Op grond van zijn verantwoordelijkheid voor het Statuut is de minister voor BVK aanspreekbaar op de waarborgtaak van het Koninkrijk. Vanuit deze verantwoordelijkheid zullen de ontwikkelingen met betrekking tot het functioneren van het openbaar bestuur, mensenrechten en de rechtshandhaving, waarvoor de Nederlandse Antillen en Aruba op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn, ook in 2007 worden gevolgd. Als aan basisnormen niet wordt voldaan en de samenwerking niet leidt tot voldoende resultaten, kan de waarborgfunctie van het Koninkrijk in werking treden. Om hier concreet invulling aan te geven, is een besluit van de Rijksministerraad nodig en moet afdoende kunnen worden aangetoond dat de gewenste resultaten niet meer op eigen kracht en langs de weg van de samenwerking kunnen worden bereikt.

Verantwoordelijkheid voor rechtshandhaving en structurele samenwerking

Rechtshandhaving is een autonome aangelegenheid van de Nederlandse Antillen en Aruba. De Minister voor BVK is in Nederland aanspreekbaar op en beleidsinitiërend voor het instandhouden en versterken van de rechtshandhavingsinstituties op de Nederlandse Antillen en Aruba. Hij betrekt hierbij waar nodig de diverse vakministers, zoals de ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van Defensie en van Buitenlandse Zaken.

De werkzaamheden van de genoemde structurele samenwerkingsverbanden vallen onder de verantwoordelijkheid van het lokale gezag. De vaststelling van de begroting en beleidsplannen van deze samenwerkingsverbanden behoort mede tot de verantwoordelijkheid van de minister voor BVK, de minister van Justitie en de minister van Defensie (m.n. de Kustwacht NA&A).

Verantwoordelijkheid ministers van Justitie van de landen van het Koninkrijk

Afspraken inzake gemeenschappelijke justitiële aangelegenheden binnen het Koninkrijk – voor zover daarbij de belangen van meer dan één land gemoeid zijn – behoren tot de verantwoordelijkheid van de ministers van justitie van de drie landen. Vanuit zijn verantwoordelijkheid is de minister voor BVK hierbij vanzelfsprekend een belangrijke medespeler.

Succesfactoren

Wederzijdse afhankelijkheid van de Koninkrijkspartners

Zoals in iedere samenwerkingsrelatie is sprake van een wederzijdse afhankelijkheid. Aruba en de Nederlandse Antillen beschikken over een ruime mate van autonomie. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de Koninkrijkspartners zelf. Door middel van het ontwikkelen en uitvoeren van effectieve samenwerkingsinstrumenten, wordt door Nederland getracht om de regeringen van Aruba en de Nederlandse Antillen te ondersteunen bij het invulling geven aan de Statutair bepaalde autonomie. Het resultaat van deze samenwerking is afhankelijk van de mate waarin overeenstemming bestaat tussen de landen over de te volgen aanpak in het bereiken van de beleidsdoelstellingen. Samenwerking waarvoor het initiatief ligt bij de Nederlandse Antillen of Aruba leidt over het algemeen tot een goed resultaat.


Autonomie versus Koninkrijksverband

De Koninkrijkspartners hechten zeer aan hun autonomie, terwijl Nederland van mening is dat een aantal cruciale terreinen bij voorkeur in Koninkrijksverband zouden moeten worden georganiseerd, dan wel dat toezicht door het Koninkrijk zou moeten worden ingevoerd. Indien op de terreinen waarvoor de waarborgfunctie van toepassing is ontoelaatbaar bestuurlijk falen optreedt, kan de minister voor BVK het initiatief nemen om de situatie te redresseren door middel van bestuurlijk ingrijpen.

Meetbare gegevens Waarborgfunctie

Voor de meetbare gegevens van de Waarborgfunctie wordt verwezen naar de meetbare gegevens «samenwerking rechtsorde». De meetbare gegevens van samenwerking rechtsorde (operationele doelstelling 1) geven mede aan in hoeverre aan de beoogde prestaties van de algemene beleidsdoelstelling van de waarborgfunctie is voldaan.

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 1: Waarborgfunctie2005200620072008200920102011
Verplichtingen49 10144 50537 44650 16051 51552 08151 905
        
Uitgaven46 94844 50537 44650 16051 51552 08151 905
        
1.1 Rechterlijke macht en samenwerkingsmiddelen46 94844 50537 44650 16051 51552 08151 905
        
Ontvangsten2 97418 5854 4694 4684 4644 8574 857

Budgetflexibiliteit

Voor artikel 1 zijn de uitgaven volledig juridisch verplicht.

Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 1.1

Het versterken en waarborgen van de rechtszekerheid en de mensenrechten door het bevorderen en instandhouden van structurele samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk.

Motivering

Op de Nederlandse Antillen en Aruba is sprake van grensoverschrijdende (drugs)criminaliteit en terrorismedreiging. Deze problematiek gaat de bestuurskracht van de landen te boven. In het kader van de waarborgfunctie wordt daarom ingezet op duurzame ondersteuning van structurele samenwerkingsverbanden.

Deze operationele doelstelling leidt tot activiteiten m.b.t. de Kustwacht, het recherchesamenwerkingsteam (RST) en de zittende en staande magistratuur.

Kustwacht en RST spelen een belangrijke rol bij de internationale samenwerking op het terrein van de criminaliteitsbestrijding (tegengaan witwassen en mensensmokkel).

Een volledige bezetting van het Hof en het Openbaar Ministerie is cruciaal voor een goed niveau van rechtshandhaving en rechtspleging in de landen

Instrumenten/activiteiten

Bijdragen aan het functioneren van de Kustwacht

De Kustwacht is een belangrijke schakel in de maritieme rechtshandhavingketen. Daarnaast heeft de Kustwacht een belangrijke taak bij zoek- en reddingsoperaties.

De Kustwacht functioneert in overeenstemming met het door de Rijksministerraad (RMR) vastgestelde activiteiten- en beleidsplan. In dit plan zijn de prioriteiten en doelstellingen vastgelegd. De Kustwacht wordt (exclusief de inzet van Defensiemiddelen) voor 2/3 deel gefinancierd uit de begroting Koninkrijksrelaties. De Nederlandse Antillen en Aruba dragen hieraan voor respectievelijk 2/9 en 1/9 deel bij. In 2007 zal de uitvoering van de gemaakte afspraken over versterking van de Kustwacht en de intensivering van de samenwerking met de landsdiensten en internationale partners worden gecontinueerd. Verder zal de Kustwacht vanaf eind 2007 beschikken over eigen luchtverkenningscapaciteit. Hiervoor is op jaarbasis een structureel bedrag van € 15 miljoen gereserveerd.

Instandhouden van het Recherchesamenwerkingsteam

Het RST is een in de Nederlandse Antillen en Aruba functionerend rechercheteam. Het team wordt georganiseerd en beheerd door het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD). De hoofdtaak van het RST is de bestrijding van zware, georganiseerde en grensoverschrijdende criminaliteit. Het RST houdt zich ook bezig met de afhandeling van rechtshulpverzoeken en ondersteunt de recherchediensten van de lokale politiekorpsen. De minister voor BVK is verantwoordelijk voor het instandhouden van het RST. Hij bekostigt de exploitatielasten van het RST en de salarislasten van de 77 rechercheurs die vanuit Nederland worden gedetacheerd; 25 rechercheurs worden beschikbaar gesteld door de lokale korpsen, waarmee de totale formatie van het RST uitkomt op 102 FTE. De samenwerking van de landen in het RST is gebaseerd op het Protocol inzake gespecialiseerde recherchesamenwerking tussen de landen van het Koninkrijk van 30 november 2001. Ingevolge artikel 9 van dit Protocol is het RST in 2006 geëvalueerd. De evaluatie richt zich op de opsporingscapaciteit van de Nederlandse Antillen en Aruba in relatie tot de relevante criminaliteitsontwikkeling. Daarnaast is ook het functioneren van het RST onderwerp van evaluatie.

Leveren van ondersteuning aan Rechterlijke Macht

De Nederlandse Antillen en Aruba beschikken zelf niet over voldoende officieren van justitie en rechters. Daarnaast is het in kleine gemeenschappen als de Nederlandse Antillen en Aruba van belang dat rechters en officieren enige afstand hebben van de gemeenschap. Door Nederland worden daarom rechters en officieren van justitie ter beschikking gesteld, de minister voor BVK stelt hiervoor jaarlijks budget beschikbaar.

Samenwerking voor een veilige samenleving

De Kustwacht en het RST werken nauw samen met de opsporingsdiensten van de landen (politie en douane). Daarnaast onderhouden de Kustwacht en het RST relaties met relevante partners in de Caribische regio, de Verenigde Staten en Europa. Deze contacten hebben uiteindelijk tot doel een veilige samenleving voor de Antilliaanse en Arubaanse burgers te waarborgen. Een adequate bezetting van het Gemeenschappelijk Hof en van het OM van de beide landen dient evenzeer een veilige samenleving.

Prestatie-indicatoren

Meetbare gegevens samenwerking rechtsorde200520062007
1 Effectiviteit van het optreden Kustwacht1:   
Drugs/wapens100%100%100%
Illegale immigratie100%100%100%
    
– Basisjaar: 2004   
– Basis waarde:   
Drugs/wapens: 100%   
Illegale immigratie: 100%   
Bron: Activiteitenplan en begroting 2007–2011
2. Tactische opsporingsonderzoeken  Pas bekend
RST  bij jaarplan
   2007
– Basisjaar: 2004   
– Basis waarde: 155028 
Bron: RST Jaarplan 2006.
3. Financiële rechercheonderzoeken  Pas bekend
RST  bij jaarplan
   2007
– Basisjaar: 2004   
– Basis waarde: 103522 
Bron: RST jaarplan 20062.

1 Effectiviteit van kustwacht-optreden: in welk deel van de gevallen, waarbij ter plekke vermeend ongewenst gedrag of een noodsituatie werd vastgesteld, de Kustwacht succesvol optrad. Uitgedrukt in de verhouding: succesvol voorkomen, gepakt of gered/vastgesteld ongewenst gedrag of noodsituatie. De genoemde 100% betreft derhalve de afhandeling van die gevallen waarin daadwerkelijk is opgetreden.

2 De opgenomen waarden voor 2005 betreffen realisaties uit het RST jaarverslag 2005.


Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid
OnderwerpDoelstellingStartAfgerond
Beleidsdoorlichting   
• Bijdragen aan het waarborgen van de rechtszekerheid en de mensenrechten op de Nederlandse Antillen en Aruba.1.120082008
    
Effecten van beleid• Geennvtnvt
    
Overige beleidsevaluatie• RecherchesamenwerkingsteamKustwacht 1.11.1 20062007 20062007

2. Bevorderen autonomie Koninkrijkspartners

Algemene beleidsdoelstelling 2

Het stimuleren van de zelfstandigheid van de Nederlandse Antillen en Aruba op het gebied van bestuur, economie, rechtszekerheid en veiligheid.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Goed bestuur vormt een speerpunt van het Nederlandse beleid. Gestreefd wordt naar een overheid die effectief functioneert en ten dienste staat van de burgers. Burgers moeten inspraak kunnen hebben en op verschillende bestuursniveaus vertegenwoordigd zijn. Het bestaan en handhaven van wetten, zoals het vastleggen van eigendomsrechten of het strafbaar stellen van misdrijven, is belangrijk, evenals het bestaan van een rechterlijke macht die niet discrimineert. Deze zaken zijn essentieel voor een goed economisch beleid, waaronder een gezond ondernemingsklimaat, en voor een doeltreffende organisatie van dienstverlening op terreinen die burgers belangrijk vinden, zoals gezondheidszorg en onderwijs. Bovendien is goed bestuur een voorwaarde om armoedebestrijding mogelijk te maken. De kleinschaligheid van zowel de Nederlandse Antillen als Aruba brengt met zich mee dat de overheid een minder uitgebreid arsenaal van beleidsopties heeft. In het licht van de schaalgrootte zouden de Antilliaanse en Arubaanse overheid zich vooral moeten richten op een aantal kerntaken, dat voor een voorspoedige sociaal-economische ontwikkeling cruciaal is. Een focus op kerntaken kan alleen als er duidelijke keuzes worden gemaakt, die gezien de financieel-economische situatie, vooral op de Nederlandse Antillen onontkoombaar zijn. De Nederlandse overheid zet derhalve in op de samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba bij de kerntaken bestuur, economie, rechtszekerheid, veiligheid en onderwijs.


Het begrotingsbeleid van zowel de Nederlandse Antillen als Aruba is verre van solide. In beide landen worden onvoldoende maatregelen genomen om de begrotingstekorten te verlagen, waardoor de schulden snel blijven stijgen. Daarnaast is op de Nederlandse Antillen ook al jarenlang sprake van een stagnerende economische groei. Recentelijk is er een lichte economische groei waarneembaar, in elk geval een groei van enkele procenten op Sint Maarten. Nochtans zijn structurele economische hervormingen nodig. Nederland heeft in het afgelopen decennium getracht om het financieel-economische beleid van de Antilliaanse regering in positieve zin bij te sturen, bijvoorbeeld door middel van de Commissie Van Lennep (1996), de inschakeling van het IMF en door middel van afspraken over schuldkwijtschelding bij een voortvarende uitvoering van het Urgentieakkoord van het tweede kabinet Ys. Geconcludeerd mag worden dat deze aanpak op basis van samenwerking niet de gewenste resultaten heeft opgeleverd. Er is sprake van een gebrek aan financiële discipline. Zowel de Antilliaanse als de Arubaanse regering tonen onvoldoende politiek commitment om de noodzakelijke maatregelen te nemen ter verlaging van de begrotingstekorten. Ten aanzien van de Nederlandse Antillen lijkt de dubbele bestuurslaag bij te dragen aan het uitstellen van noodzakelijke maatregelen. Daarom wordt getracht om de financiële en de bestuurlijke problemen mede aan te pakken binnen het traject van bestuurlijke hervormingen van de Nederlandse Antillen. Een solide begrotingsbeleid en het op orde brengen van (comptabele) wetgeving zijn hierbij belangrijke thema’s. Ook maatregelen gericht op het versterken van de economie zoals het Sociaal Economisch Initiatief (SEI; zie hieronder) vallen hieronder.


Naast een goed bestuur en duurzame economische ontwikkeling zijn rechtszekerheid en veiligheid essentieel voor het welbevinden van de burgers van de Nederlandse Antillen en Aruba. In dat kader spelen het Plan Veiligheid Nederlandse Antillen (PVNA) en de programma’s rechtshandhaving een belangrijke rol bij het bereiken van onderhavige beleidsdoelstelling.


Het Nederlandse beleid in het kader van het stimuleren van zelfstandigheid is primair gericht op samenwerking. De belangen van de burgers in de Nederlandse Antillen en Aruba staan hierin centraal. Gestreefd wordt naar een grotere effectiviteit van het eigen beleid van de Nederlandse Antillen en Aruba en naar goed functionerende «checks and balances». De burgers kunnen de overheid aanspreken op de beschikbaarheid van een aantal basistaken van de overheid: hierbij gaat het vooral om sociale basisvoorzieningen (inclusief onderwijs en volksgezondheid), bescherming van de zwakkeren in de samenleving en bescherming van het milieu. Armoedebestrijding en verbetering van het onderwijs hebben een directe relatie met de problemen op het gebied van de rechtshandhaving. Dit is de preventieve kant van de zaak, die door Nederland ook in hoge mate wordt ondersteund. Naarmate de situatie op Aruba en de Nederlandse Antillen verbetert, zal dit ook positieve gevolgen hebben voor de Nederlandse burgers. Er zal dan immers minder «export van problemen» naar Nederland plaatsvinden.

Verantwoordelijkheid van de ministers

Verantwoordelijkheid minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties

• De Koninkrijksregering is verantwoordelijk voor de naleving van de regels die het Statuut stelt, de uitvoering van het Statuut en voor het beleid inzake Statuutwijzigingen. De minister voor BVK heeft terzake een specifieke verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de algemene zorg voor het Statuut en de koninkrijksverhoudingen.

• De verantwoordelijkheid van de minister voor BVK betreft ook het stellen van randvoorwaarden voor het doelmatig en doeltreffend inzetten van de middelen uit hoofdstuk IV van de Rijksbegroting op de Nederlandse Antillen en Aruba.

Verantwoordelijkheid andere ministers

Op basis van het Statuut hebben de ministers van Defensie en van Buitenlandse Zaken een eigen specifieke verantwoordelijkheid op grond van artikel 3 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

Daarnaast zijn de minister van Justitie, voor Vreemdelingenzaken en Integratie en de minister van Verkeer en Waterstaat verantwoordelijk voor respectievelijk de volgende koninkrijksaangelegenheden:

• het Nederlanderschap en de uitlevering;

• de regeling van de nationaliteit van schepen en het stellen van eisen met betrekking tot de veiligheid en de navigatie van zeeschepen die de vlag van het Koninkrijk voeren.

Succesfactoren

Heldere afspraken over operationele doelstellingen

Aruba en de Nederlandse Antillen beschikken over een ruime mate van Statutair bepaalde autonomie. Zij zijn primair verantwoordelijk voor de sociaal-economische ontwikkeling. Nederland probeert door middel van samenwerkingsinstrumenten de regeringen van Aruba en de Nederlandse Antillen te ondersteunen bij het invulling geven aan de autonomie. Door middel van een programmatische benadering, waarbij vooraf heldere afspraken worden gemaakt over de doelstellingen en de concrete resultaten die met de besteding van de middelen uit hoofdstuk IV moeten worden bereikt en door een effectieve monitoring, wordt getracht de middelen zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten.

Autonomie versus Koninkrijksverband

De Koninkrijkspartners streven dezelfde beleidsdoelstelling na als Nederland, maar er bestaan verschillen van inzicht over de manier waarop deze doelstelling het beste kan worden bereikt. Er is sprake van een spanningsveld tussen de wens van grote autonomie zoals die bij de Koninkrijkspartners leeft en de wens van versterking van het Koninkrijk vanuit Nederland. Dit spanningsveld is kenmerkend voor de relatie tussen Nederland en de Koninkrijkspartners. Gezocht moet worden naar een voor alle partijen aanvaardbare balans tussen de mate van autonomie van de landen enerzijds en het deel uitmaken van het Koninkrijk anderzijds. Deze balans is niet altijd te vinden waardoor vaak niet de vooruitgang wordt geboekt die vooraf was gewenst.

Prestatie-indicatoren

Meetbare gegevens zelfstandigheid juni 200520062007
Schuldquote1 Antillen84,0%84,0%82,0%
Schuldquote Aruba44%46%42%

Bronnen: BNA (Bank Nederlandse Antillen) en CBA (Central Bank of Aruba.

1 De schuldenomvang gedeeld door het totale Bruto Binnenlandse Product.


In het kader van het bevorderen van de autonomie van de Koninkrijkspartners is het van groot belang dat de Landen financieel niet te afhankelijk zijn van derden. Dit komt tot uitdrukking in een verlaging van de schuldquote van beide landen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 2: Bevorderen autonomie Koninkrijkspartners2005200620072008200920102011
        
Verplichtingen91 718241 597103 580100 81799 91482 84681 032
(waarvan garantieverplichting)15 98615 98611 88010 8119 4739 4739 473
        
Uitgaven119 589154 652117 421113 358109 75592 68790 873
2.1 Apparaat5 1525 6015 0495 0505 0525 0495 053
        
Programma-uitgaven  112 372108 308104 70387 63885 820
waarvan juridisch verplicht  52 48243 09641 8806 0506 000
        
2.2 Bevorderen autonomie koninkrijkspartners114 437148 692111 863107 799104 19487 12985 311
waarvan juridisch verplicht  52 482    
        
2.3 Bevorderen staatskundige relaties0359509509509509509
waarvan juridisch verplicht  0    
        
Ontvangsten23 38912 9278 50310 80211 80711 23810 613

Operationele doelstellingen

In het kader van onderhavig beleidsartikel (stimuleren zelfstandigheid) zijn twee operationele doelstellingen geformuleerd. De eerste (nr. 2) betreft het versterken van de bestuurskracht, rechtsorde, economie en onderwijs van de Antillen en Aruba. De tweede betreft het bevorderen van werkbare staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk.

Operationele doelstelling 2.2

Het versterken van de bestuurskracht, de rechtsorde, de economie en het onderwijs van de Nederlandse Antillen en Aruba door middel van samenwerking en het waar nodig in aanvulling hierop ontwikkelen van initiatieven om urgente noden aan te pakken.

Motivering

Er bestaat een tekort aan bestuurskracht op de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit leidt tot problemen op beleidsterreinen die kerntaken van de Arubaanse en Antilliaanse overheid vormen. Door middel van samenwerking, waarbij op een effectieve en efficiënte manier geld, kennis en menskracht wordt ingezet, wordt getracht dit tekort te verminderen.

Door middel van het vergroten van de bestuurskracht wordt de zelfstandigheid van de Nederlandse Antillen en Aruba vergroot.

Samenwerking vereist politiek commitment van de Arubaanse en Antilliaanse regering.

Instrumenten/activiteiten

Het ondersteunen en stimuleren van de zelfstandigheid van de Antillen en Aruba op het gebied van het openbaar bestuur, de rechtszekerheid, de economie en het onderwijs vormt een speerpunt van het Nederlandse beleid. Gestreefd wordt naar een overheid die effectief functioneert en ten dienste staat van de burgers.

Daartoe worden activiteiten en programma’s op velerlei gebieden ontplooid teneinde:

– meer grip op de openbare financiën te krijgen;

– de integriteit van de overheid te bevorderen;

– de veiligheid te bevorderen;

– de criminaliteit te beperken;

– de rechtshandhavingketen te versterken;

– de vreemdelingenketen te versterken;

– bij te dragen aan de armoedevermindering;

– het onderwijs te verbeteren;

– een duurzame economische ontwikkeling te bevorderen.

Meer grip op de openbare financiën:

Financiële rapportages

Nog altijd geeft de snelle verslechtering van de overheidsfinanciën op de Nederlandse Antillen en in minder mate op Aruba aanleiding tot grote zorg. Om meer grip op deze situatie te krijgen zijn de regeringen van Aruba en de Nederlandse Antillen, maar ook die van Nederland, in het voorjaar van 2004 door de RMR opgeroepen mee te werken aan het aanbieden van halfjaarlijkse financiële rapportages aan de RMR. Momenteel rapporteren de drie Landen op halfjaarlijkse basis. De financiële rapportages leiden tot een grotere betrokkenheid van het Koninkrijk met de overheidsfinanciën van de Nederlandse Antillen en Aruba. Indien de inhoud van de rapportages daartoe aanleiding geeft, kan de RMR besluiten tot nadere stappen om het tij te keren. Deze nadere stappen kunnen uiteindelijk uitmonden in een versterkte regie van het Koninkrijk.

Onderzoeksteams financieel beheer

In het kader van het proces van staatkundige veranderingen richt de werkgroep Algemene Financiële Positie (AFP) zich op een verbetering van de financiële en economische positie van de eilanden en het Land. De werkgroep heeft opdracht gegeven aan een zestal onderzoeksteams om het financiële beheer van de entiteiten van de Nederlandse Antillen in kaart te brengen. Centraal staat dat het beheerstelsel zodanig moet zijn ingericht dat de financiële informatie betrouwbaar, volledig, controleerbaar en tijdig beschikbaar is. De rolverdeling tussen politiek en ambtelijk apparaat moet duidelijker zijn afgebakend. De onderzoeksteams hebben een ambitieus stappenplan geformuleerd om tot een deugdelijk begrotingsbeleid te komen. In samenwerking met Nederland zal het stappenplan per entiteit uitgewerkt en geïmplementeerd worden met het oog op een duurzame verbetering van de openbare financiën. Daarnaast worden voorzieningen getroffen om de inkomenspositie op korte en middellange termijn te verbeteren door m.b.v. samenwerking achterstanden in heffing en inning van belastingen weg te werken en een effectieve uitvoeringsstructuur vast te stellen voor de nieuwe belastingdiensten.

Sociaal economisch Initiatief (SEI)

Het SEI betreft een plan van aanpak voor het Land en de afzonderlijke eilandgebieden dat zich richt op een verbetering van de sociaal-economische positie en perspectieven van de bevolking. Het gezond maken van de overheidsfinanciën en de versterking van de economie zijn beide noodzakelijk om een duurzame groei van de welvaart te bewerkstelligen; het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ten behoeve van het SEI heeft de werkgroep AFP een raamwerk ontwikkeld. Het raamwerk zet de randvoorwaarden uiteen op basis waarvan het SEI per entiteit inhoudelijk kan worden uitgewerkt. In 2006 zullen gemengde teams met Nederlandse en Antilliaanse experts in opdracht van de werkgroep AFP die uitwerking op zich nemen. Maatwerk per entiteit is het uitgangspunt. In 2007 wordt verder gevolg gegeven aan de uitwerking van het SEI.

Integriteitsbeleid

In het kader van goed bestuur is ook de integriteit van het bestuur in de Nederlandse Antillen en Aruba een belangrijk aandachtspunt. Hoewel er activiteiten worden ondernomen om met name de integriteit van ambtenaren te versterken, blijft de kleinschaligheid van de eilanden grote risico’s op dit terrein met zich meebrengen. Deze risico’s worden nog groter wanneer de Nederlandse Antillen uiteenvallen in vijf nieuwe entiteiten. Stevige wetgeving, goede organisatorische maatregelen, bewustwording en voldoende checks en balances zijn onontbeerlijk. De basis hiervoor ligt onder meer in internationale afspraken. In een jaarlijks ministerieel tripartiet overleg en in de Rijksministerraad wordt de voortgang van het integriteitbeleid van de landen besproken. Ook in het RTC-proces is integriteit een belangrijk onderwerp. Maatregelen op het terrein van integriteit maken onderdeel uit van de criteria op het terrein van deugdelijk bestuur, waar de eilanden aan moeten voldoen alvorens ze een nieuwe status kunnen krijgen.

Uitvoering van het plan Veiligheid Nederlandse Antillen (PVNA)

Het PVNA heeft een doorlooptijd tot eind 2007 en bestaat uit twee sporen: de korte termijn aanpak van de acute geweldscriminaliteit en de structurele verbetering van de bedrijfsvoering van de organisaties die bij de rechtshandhaving zijn betrokken. In 2007 zullen de resultaten van het in 2006 ingezette tweede spoor hun vruchten moeten gaan afwerpen. Het gaat hierbij met name om de verbetering van de bedrijfsvoering bij het Gemeenschappelijk Hof en Openbaar Ministerie, de politie en het gevangeniswezen. Daarnaast blijft het eerste spoor onverminderd van belang, per 1 juli 2007 dient het aantal gewelddadige roofovervallen met 50% te zijn gedaald ten opzichte van 2004.

Aanpak van drugskoeriers via gemeenschappelijke grenscontroleteams (GGCT’s)

Medio 2005 is gestart met de gemeenschappelijk grenscontroleteams op de luchthavens van de Nederlandse Antillen voor de duur van twee jaar. In deze teams werken de Nederlandse douane en de Koninklijke Marechaussee samen met de Antilliaanse diensten. Door middel van deze samenwerking wordt een effectieve en doelmatige controle bereikt op de luchthavens van de Antillen. Deze aanpak leidt tot een afname van het aantal drugskoeriers dat wordt aangehouden op Schiphol. De minister voor BVK heeft in totaal een bedrag van € 4 miljoen beschikbaar gesteld voor de gemeenschappelijke grenscontroleteams. Medio 2007 eindigt de voorziene Nederlandse inzet in de GGCT’s. Hierna zal uit periodieke onderzoeken moeten blijken of de grenscontroles effectief blijven.

Versterking vreemdelingenketen

De verbetering van de vreemdelingenketen is een expliciet onderdeel van zowel het programma Rechtshandhaving Aruba als van het PVNA. In 2006 wordt het protocol inzake de versterkte samenwerking van Aruba en Nederland ter verbetering van het functioneren van de vreemdelingenketen (d.d. 6 februari 2006) uitgevoerd. De in het protocol vastgelegde niet-vrijblijvende samenwerking is een verdergaande invulling van de beleidsdoelstelling uit het programma Rechtshandhaving en heeft als doel een verbeterde vreemdelingenorganisatie in 2007. In 2006 is de uitvoering van het protocol direct van start gegaan en heeft Nederland technische bijstand geleverd om de uitvoering van verschillende onderdelen van het protocol te ondersteunen en te begeleiden. In 2007 is nog € 1,9 miljoen beschikbaar via het programma Rechtshandhaving voor een verdere versteviging van de dan vernieuwde vreemdelingenorganisatie. Ook voor de Antillen wordt een soortgelijk traject gestart in het kader van het PVNA. Dit proces dat in 2006 van start is gegaan heeft een looptijd van 2 jaar. De optimalisering van de vreemdelingenketen voor de Antillen wordt gefinancierd uit de middelen voor het PVNA.

Bijdragen aan de armoedevermindering

Armoede uit zich op verschillende manieren en heeft verschillende oorzaken die eraan ten grondslag liggen. Armoedevermindering kan daarom het best door intersectoraal beleid (onderwijs, economie/werkgelegenheid, gezondheidszorg, volkshuisvesting, goed bestuur) bewerkstelligd worden. Nederland zet verschillende instrumenten (samenwerkingsprogramma’s, het traject van staatkundige vernieuwing) in om de armoede structureel aan te pakken.

Armoedebestrijding via NGO’s

Door het ondersteunen van niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) door middel van de daartoe speciaal opgezette Antilliaanse Medefinancieringsorganisatie (AMFO) en de financiering van NGO’s op Aruba door het Fondo Desaroyo Aruba (FDA), heeft Nederland naast de samenwerking met de Antilliaanse en Arubaanse overheden een aanvullend financieringskanaal gecreëerd.

Nederland draagt via de AMFO en het FDA bij aan NGO-projecten voor de meest kwetsbare groepen in de Antilliaanse en Arubaanse samenleving.

Programma armoedebestrijding

Gezien de urgentie van het armoedeprobleem heeft Nederland besloten om, naast de bijdrage aan de AMFO, in 2006 eenmalig een bedrag van € 4 miljoen (8,8 miljoen ANG) ter beschikking te stellen voor een kortlopend programma armoedebestrijding dat gericht is op acute armoedeverlichting. Dit programma vloeit voort uit het armoedeonderzoek (Quick Scan) dat in 2005 op alle eilandgebieden is gehouden. In overleg met de overheid, NGO’s en de private sector is bepaald welke armoedeproblemen spelen op de eilanden en welke extra aandacht behoeven. Uitvoering van het programma is ondergebracht bij USONA. Vanaf medio 2006 tot medio 2007 kunnen organisaties op de eilandgebieden, via de eilandelijke armoedecoördinator, projectvoorstellen indienen. Hiertoe zijn de benodigde criteria opgesteld.

Ondersteuning Antilliaans jeugdbeleid

Jongeren vervullen een spilfunctie in de toekomst van de eilanden. Het is van belang dat zij een zinvol bestaan kunnen opbouwen. Land en eilandgebieden zijn primair verantwoordelijk voor het jeugdbeleid, maar Nederland ondersteunt dit actief.

Sociale vormingsplicht

De sociale vormingsplicht op de Nederlandse Antillen biedt een kans op perspectief aan jongeren die extra ondersteuning nodig hebben. In 2006 is de vormingsplicht door de Antilliaanse regering ingevoerd voor alle jongeren van 16 tot en met 24 jaar die geen opleiding volgen of geen werk hebben. Zij moeten een leerwerktraject doorlopen, waarna ze door kunnen stromen naar vervolgonderwijs, naar werk of maatschappelijke participatie. Na de start met een pilotgroep in 2005, die door Nederland werd gefinancierd, is in 2006 gewerkt aan uitbreiding van het programma. Nederland heeft voor een periode van 5 jaar € 19 miljoen gereserveerd om hier substantieel aan bij te dragen. In het begin kunnen hiervan 85% van de kosten worden gedragen. De komende jaren moet het aantal jongeren dat deelneemt in de sociale vormingsplicht groeien. Maar ook de inhoud van de kanstrajecten en de mate van succesvolle doorstroom zijn belangrijke graadmeters. In 2007 zullen de resultaten van de eerste fase worden verwerkt in de opzet van het programma.

Toekomst Antilliaanse Militie

Een project met een iets andere opzet is de Toekomst Antilliaanse Militie (TAM). Hierin volgen per jaar 150 kansarme Antilliaanse jongeren een opleidingsprogramma dat bestaat uit een combinatie van militaire training en een civiele beroepsopleiding. Om de aansluiting op de arbeidsmarkt te vergroten heeft de minister voor BVK extra middelen ter beschikking gesteld voor een «stagehuis». In dit stagehuis krijgen de uitstromende miliciens gedurende een half jaar een stageplaats aangeboden om de benodigde werkervaring op te doen. Zo wordt hun positie op de arbeidsmarkt aanmerkelijk versterkt.

Aanvullende maatregelen kansarme Antilliaanse en Arubaanse jongeren

Opvang en aanpak van Antilliaanse jongeren op de Antillen en in Nederland zijn twee kanten van dezelfde medaille. Het sluitstuk van de maatregelen die aan Nederlandse zijde worden genomen om te voorkomen dat kansarme Antilliaanse en Arubaanse jongeren afglijden naar de zelfkant van de maatschappij, is een in 2006 aangekondigd wetsvoorstel. Het wetsvoorstel gaat ervan uit dat voor een kansrijke toekomst in Nederland, bij een verblijf langer dan drie maanden, een opleidingsniveau gewenst is dat kans biedt op werk. Indien dit opleidingsniveau ontbreekt, kan een jongere worden teruggeplaatst op de Nederlandse Antillen. Deze maatregel geldt voor Antilliaanse en Arubaanse jongeren in de leeftijd van 16 tot en met 24 jaar. Uitzonderingsgronden zijn het volgen van een opleiding, of gezinshereniging, of een arbeidscontract waarmee voorzien kan worden in de eigen levensbehoefte. Naast deze maatregel krijgt de rechter de mogelijkheid om veroordeelde Antilliaanse of Arubaanse Nederlanders terug te sturen. Voor minderjarigen bestond reeds de voogdijregeling. Sinds 2006 wordt de voogdij op de Antillen uitgesproken en wordt dit voor vertrek naar Nederland op de luchthavens gecontroleerd.

Opstellen van nieuwe meerjarige samenwerkingsprogramma’s

In 2007 zullen de meerjarige samenwerkingsprogramma’s tussen Nederland en de Antillen worden voorbereid. Leidraad hiervoor zijn, naast de evaluaties van de huidige programma’s die in 2006 en 2007 worden afgerond, de Nederlandse beleidsprioriteiten en -inzet op het terrein van goed bestuur, financieel-economisch beleid, rechtshandhaving en onderwijs. De samenwerkingsprogramma’s zijn te beschouwen als belangrijke instrumenten om aan de prioriteiten uitvoering te geven, maar dienen in nauwe samenhang te worden gezien met de inzet van Nederland in het proces van staatkundige vernieuwing, en andere beleidsinstrumenten zoals de samenwerking met de NGO’s. De Nederlandse inzet in het proces van staatkundige vernieuwing kan leiden tot nieuwe inzichten met betrekking tot doelstelling en inhoud van de samenwerkingsprogramma’s. In 2006 is een begin gemaakt met het overleg met de entiteiten over de aanpak van de volgende meerjarenprogramma’s (programmadialoog), ook zijn middelen beschikbaar om de opstelling van de programma’s, binnen bovengenoemde randvoorwaarden, te faciliteren.


Bestuurlijke ontwikkeling

De programma’s op het terrein van bestuurlijke ontwikkeling hebben betrekking op diverse aspecten van het openbaar bestuur. Zo worden de Belastingdiensten ondersteund door de Nederlandse Belastingdienst, vindt er samenwerking plaats tussen de Rekenkamers van de drie landen, en draagt de Raad van State bij aan de uitvoering van de bestuursrechtspraak. Vooruitlopend op de evaluatie van het huidige samenwerkingsprogramma voor de Nederlandse Antillen kan worden vastgesteld dat dit programma te breed is opgezet en selectief is. Dat wil zeggen dat het niet in alle volledigheid wordt uitgevoerd. Hierdoor blijven voor Nederland belangrijke onderdelen van het programma onuitgevoerd. De nieuwe programma’s zullen zich toespitsen op de terreinen waar zich de belangrijkste knelpunten voordoen: openbare financiën, checks and balances en integriteit. Daarnaast zijn wetgeving en bestuursrechtspraak twee belangrijke terreinen waarop ondersteuning wordt voortgezet.

Onderwijsprogramma

Het onderwijsprogramma op de Nederlandse Antillen richt zich op de invoering van het funderend onderwijs en de vernieuwing van het beroepsonderwijs. Ook wordt door middel van het onderwijsprogramma de institutionele capaciteit van het onderwijs versterkt. Het onderwijssamenwerkingsprogramma levert een bijdrage aan de hoofddoelstelling van het Antilliaanse onderwijssysteem, namelijk het verzekeren dat alle kinderen op een gelijke en efficiënte wijze toegang hebben tot en kunnen profiteren van kwalitatief goed onderwijs. Begin 2006 is de midterm-evaluatie van het onderwijsprogramma uitgevoerd. De resultaten van de evaluatie zijn niet bemoedigend. Geconstateerd is dat in het onderwijsprogramma de aandacht met reden op het beroepsonderwijs en het funderend onderwijs is gelegd. We doen de goede dingen; de uitvoering laat echter te wensen over en het ontbreekt aan voldoende draagvlak voor de onderwijsvernieuwingen. Zo is met de ouders slecht gecommuniceerd over nut en noodzaak van de vernieuwingen. Hierdoor kan een kloof ontstaan tussen de school- en de thuiscultuur, die de schooljeugd in verwarring brengt. Een ander knelpunt dat in de midterm-evaluatie is gesignaleerd, is de instructietaal. Gevreesd wordt voor een tekort aan kennis van essentiële talen (Nederlands, Engels, Spaans). De nieuwe minister van Onderwijs van de Nederlandse Antillen heeft inmiddels een start gemaakt met het terugbuigen van het taalonderwijsbeleid naar een meertalige aanpak. In 2007 zal duidelijk zijn hoe de regie op het onderwijs kan worden versterkt en wat de inhoud zal zijn van een nieuw onderwijsprogramma. Hiertoe zal nauw worden samengewerkt met het Nederlandse ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het meerjarenprogramma onderwijs Aruba richt zich op het middelbaar beroepsonderwijs, dat wordt uitgebreid en beter wordt afgestemd op de arbeidsmarkt. Daarnaast wordt geïnvesteerd in onderwijsvoorzieningen voor kansarmen.

Programma duurzame economische ontwikkeling

Op het terrein van duurzame economische ontwikkeling zal de nadruk de komende periode steeds meer komen te liggen op de faciliterende rol van de overheid bij het stimuleren van economische ontwikkeling. Eind 2006/begin 2007 vindt de evaluatie plaats van het programma DEO. De voortzetting van het programma DEO zal worden gekoppeld aan het reeds eerder genoemde SEI, waarin verbetering van het investeringsklimaat voorop staat. Dit kan worden bewerkstelligd door ondermeer het ontwikkelen van een deugdelijk concurrentie- en arbeidsmarktbeleid, betere werking van de kapitaalmarkt en het starten van een privatiseringstraject voor bepaalde overheidsvennootschappen.

Programma rechtshandhaving Aruba

Het programma rechtshandhaving Aruba, dat in 2007 het derde en laatste jaar ingaat, beoogt een versterking van de rechtshandhavingsketen. Een belangrijk deel daarvan is de hierboven beschreven verbetering van de vreemdelingenketen.

Prestatie-indicatoren

Meetbare gegevens bestuur200520062007
1. Aantal op tijd ingediende, evenwichtige en realistische begrotingen   
– Basisjaar: 2003 (jaar waarin baselinestudie is uitgevoerd)077
– Basiswaarde: 0   
    
Aantal op tijd ingediende jaarrekeningen   
– Basisjaar: 2003077
– Basiswaarde: 0   
Bron: Uit te voeren 1-meting van samenwerkingsprogramma Bestuurlijke Ontwikkeling.
2. Vertrouwen van burgers in de overheid, onder meer door uitvoering van de aanbevelingen uit de rapporten Konfiansa (ook in de Nederlands-Antilliaanse eilandgebieden) en Calidad– Basisjaar: 2003– Basiswaarde: Onbekend, uit onderzoek in 2003 blijkt dat alle Nederlands-Antilliaanse entiteiten een lage waardering voor en weinig vertrouwen van burgers in het bestuur vermoedenOnbekendInwerkingtreding van wetgeving; verdere uitvoering bewustwordings-programma’s; verbeterde dienstverlening aan burgers; verbeterde personeels- en financieel administratieve processenVoldoende vertrouwen van burgers in de overheid*
Bron: Uit te voeren 1-meting van samenwerkingsprogramma Bestuurlijke Ontwikkeling.

* Voor Aruba wordt dit eind 2006 gemeten via een enquête. Voor de Nederlandse Antillen wordt dit gemeten in de evaluatie van het programma Bestuurlijke Ontwikkelingen.

Meetbare gegevens Veiligheid NA200520062007
1. Diefstal met geweld:   
Percentage in totaal van delictenOnbekend1212
– Basisjaar 2004   
– Basiswaarde: 24   
    
Oplossingspercentage22,522,5 
– Basisjaar 2004   
– Basiswaarde: 19   
Bron: Bron: rapportage’s PVNA.
2. Woninginbraken:   
Op te lossen inbraken   
– Basisjaar 2004   
– Basiswaarde: 210183183 
Bron: Bron: rapportage’s PVNA.

Meetbare gegevens Economie NA en AUA200520062007
1. Gemiddelde jaarlijkse toename van het Bruto Binnenlands Product NA;   
– Basisjaar 2004   
– Basiswaarde: 1,4%1,4%1,6%1,8%
Bron: Gegevens CBS NA en Centrale Bank vd NA.
2. Werkloosheidsheidpercentage;   
– Basisjaar 2004   
– Basiswaarde: 14,7%14,7%14,0%12,5%
Bron: Gegevens CBS NA en Centrale Bank vd NA
3. Gemiddelde jaarlijkse toename van het Bruto Binnenlands Product Aruba;   
– Basisjaar 2004   
– Basiswaarde: 2,5%   
 2,5%2,5%3%

Bron: Centrale Bank van Aruba.


De groei van het BBP en het verloop van de Werkloosheidspercentage geven een goede indicatie van de economische ontwikkeling op de NA en Aruba.

Meetbare gegevens Onderwijs NA200520062007
1. Aantal leerlingen dat wordt doorverwezen naar het speciaal onderwijs   
– Basisjaar 2001   
– Basiswaarde: 1%ReductieReductieReductie
Bron: Baseline studie Onderwijs en Evaluatie onderwijs
2. Zittenblijvers;   
– Basisjaar 2001   
– Basiswaarde: 13,7%ReductieReductieReductie
Bron: Baseline studie Onderwijs en Evaluatie onderwijs
3. Drop outs   
– Basisjaar 2001   
– Basiswaarde: 13,7%ReductieReductieReductie
Bron: Baseline studie Onderwijs en Evaluatie onderwijs
4. BVO/MAVO gediplomeerden die binnen 6 maanden werk vinden op lokale arbeidsmarkt   
– Basisjaar 2001   
– Basiswaarde: 10,3%StijgingStijgingStijging
Bron: Baseline studie Onderwijs en Evaluatie onderwijs
5. MBO gediplomeerden die werk vinden op lokale arbeidsmarkt Basiswaarde:   
– Basisjaar 2001   
– Basiswaarde: 28,9%StijgingStijgingStijging
Bron: Baseline studie Onderwijs en Evaluatie onderwijs

Bij de eindevaluatie van het programma Onderwijs in 2007 worden de prestatie-indicatoren gemeten.

Operationele doelstelling 2.3

Het bevorderen van werkbare staatkundige relaties binnen het Koninkrijk.

Motivering

Al jarenlang is de huidige staatkundige structuur van de Nederlandse Antillen een bron van discussie. Er is geen sterke band tussen de eilandgebieden onderling, wat leidt tot een gebrekkige samenwerking. De vier kleinere eilanden ervaren de positie van Curaçao te dominant terwijl Curaçao op haar beurt de andere eilanden als een ongewenste kostenpost ziet. Het Statuut van het Koninkrijk uit 1954 wordt als ontoereikend beschouwd. De Koninkrijkstaken zouden zo moeten worden ingevuld dat door toezicht of andere instrumenten de openbare financiën, economie, goed bestuur en rechtsorde kunnen worden verbeterd, wat aan de zelfstandigheid van de Antillen en Aruba bijdraagt. Nieuwe staatkundige relaties zijn een belangrijk speerpunt voor alle eilandgebieden en de Antilliaanse Landsregering, die daarin gesteund worden door recente referenda onder de bevolking van alle eilandgebieden.


Bovenstaande heeft geleid tot een proces van staatkundige veranderingen, dat formeel van start is gegaan met de start-Ronde Tafel Conferentie van november 2005. De betrokken entiteiten zijn overeengekomen om een traject in te gaan waarbij de streefdatum van 1 juli 2007 wordt gehanteerd om de staatkundige veranderingen door te voeren.

Instrumenten/activiteiten

Kernactiviteit voor 2007 is het uitvoeren van de afspraken die zijn gemaakt in de slotconclusies van de start-Ronde Tafel Conferentie en de in 2006 te houden Ronde Tafel Conferenties. Volgens het vastgelegde traject in de start-Ronde Tafel Conferentie betekent dit dat in 2006 criteria worden opgesteld over openbare financiën en economie, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur en directe/nieuwe banden met Nederland voor Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Naar verwachting worden deze criteria in de tweede helft van 2006 en de eerste helft van 2007 geïmplementeerd om 1 juli 2007 te kunnen vaststellen of de criteria gehaald zijn. Dit zal veel ambtelijke voorbereiding en politiek overleg vergen. Het is afhankelijk van politieke ontwikkelingen of deze ambitieuze planning wordt gehaald. Het traject brengt een niet te onderschatten hoeveelheid werk en onderhandelingen met zich mee.


Nederland zal de Nederlandse Antillen bijstaan met mensen en middelen om de uitvoering van het traject van staatkundige veranderingen tot een goed resultaat te brengen, met name in de implementatiefase.

Doelgroep

Dit zijn de Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse burgers. De structuur van het Koninkrijk moet zo zijn ingericht dat de Antilliaanse en Arubaanse overheid efficiënt optreedt en op een goede manier haar taken uitvoert met oog voor het belang van haar burgers.

Prestatie-indicatoren

Meetbare gegevens Werkbare staatkundige relaties binnen het Koninkrijk200520062007
1. Uitvoeren van de afspraken die gemaakt zijn in de slotverklaring RTC in november 2005  – Basisjaar: 2005  – Basiswaarde: het maken van de afspraken in de RTC van november 2005 Afspraak om criteria te bepalen voor verster- king open- bare finan- ciën, rechts- orde en economieOvereenstemming criteriaImplementatie criteria
Bron: Slotverklaring RTC november 2005; afspraken en voortgangsrapportage bij de tussentijdse RTC

Deze prestatie indicatoren geven aan of voldaan wordt aan het vastgelegde traject dat in de Start-Ronde Tafel is afgesproken.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid
OnderwerpDoelstellingStartAfgerond
Beleidsdoorlichting   
• Het stimuleren van de zelfstandigheid van de Nederlandse Antillen en Aruba op het gebied van bestuur, economie, rechtszekerheid en veiligheid. 2.220082008
    
Effecten van beleid    
Programma’s rechtshandhaving en PVNA 20072007
Mid-term evaluatie programma Onderwijs 20062006
Eindevaluatie programma Onderwijs 20072007
Eindevaluatie programma Bestuurlijke Ontwikkeling 20062006
Eindevaluatie programma Duurzame Economische Ontwikkeling 2006/20072007
Urgentieprogramma Jeugd en Jongeren (UJJ) 20062006
    
Overige beleidsevaluatie• Werkwijze SONA 2006/20072007

Beheer, monitoring en evaluatie

De samenwerkingsmiddelen worden beheerd door zelfstandige organisaties: het FDA en de SONA. Deze organisaties zijn verantwoordelijk voor de goedkeuring en monitoring van projecten, die worden ingediend binnen de samenwerkingsprogramma’s. In het geval van SONA is de minister voor BVK verantwoordelijk voor het meten en evalueren van de beleidsdoelstellingen en aldus voor de effectmeting van het gevoerde beleid. Ten aanzien van het FDA is er sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid aangezien de landen gezamenlijk beleidsafspraken maken en hiervoor gezamenlijk middelen ter beschikking stellen. Aan SONA is ook het beheer toevertrouwd van de middelen die Nederland beschikbaar stelt voor het PVNA en de sociale vormingsplicht. In de beheersovereenkomst met SONA is opgenomen dat vóór 1 januari 2007 de doeltreffendheid en de effecten van deze overeenkomst en van de managementovereenkomst tussen SONA en USONA/Berenschot Groep B.V. zal worden geëvalueerd. De evaluatie van het FDA heeft in 2005 zijn beslag gekregen. De uitkomsten van de evaluatie hebben onder meer geleid tot aanpassing van werkprocessen bij het FDA en het Land en zullen naar verwachting ook leiden tot meer effectieve vormen van monitoring van de effecten van de programma’s.

3. Niet-beleidsartikel Nominaal en onvoorzien

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 3: Nominaal en onvoorzien2005200620072008200920102011
        
Verplichtingen01 3631 3651 3501 3611 3541 324
        
Uitgaven01 3631 3651 3501 3611 3541 324
3.1 Loonbijstelling0271262244252245209
3.2 Prijsbijstelling0485505499498501501
3.3 Onvoorzien0607598607611608614