Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

BELEIDSARTIKEL 5: TOEGENOMEN MENSELIJKE ONTPLOOIING EN SOCIALE ONTWIKKELING

Algemene beleidsdoelstelling

Ontwikkeling kan slechts duurzaam zijn als naast economische groei aandacht wordt besteed aan het milieu en aan de ontwikkeling van mens en maatschappij, met extra aandacht voor kwetsbare groepen als vrouwen en kinderen. Daarom zijn dit belangrijke aandachtspunten in het Nederlandse beleid.


Goed basisonderwijs in ontwikkelingslanden geeft kinderen perspectief. Het draagt bij aan een betere en gelijker verdeling van de kansen van armen en aan versterking van hun sociale, economische en politieke weerbaarheid, hetgeen een voorwaarde is voor duurzame ontwikkeling. In lijn met de motie-Hessing zal in deze kabinetsperiode 15% van het ontwikkelingsbudget worden besteed aan alfabetisering, basisonderwijs en lager beroepsonderwijs.


Nederland investeert niet alleen in basisonderwijs en beroepsonderwijs maar ook in hoger onderwijs en onderzoek. De ontwikkeling en toepassing van kennis kan immers de motor vormen voor de sociale en economische vooruitgang die nodig is voor het behalen van de MDG’s. Met het onderzoeksbeleid en de programma’s voor internationaal onderwijs levert Nederland een bijdrage aan het ontwikkelen en toepassen van kennis, en aan capaciteitsversterking in de partnerlanden op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek. Nederland heeft op deze terreinen veel te bieden. Extra intensiveringen van deze programma’s zijn in de komende jaren dan ook voorzien.


Ruim 40 miljoen mensen zijn geïnfecteerd met hiv/aids. Elke dag komen daar 14 000 mensen bij. Vrouwen, jongeren en kinderen zijn extra kwetsbaar en worden zwaar getroffen door de gevolgen van de pandemie. Het zwaartepunt van de pandemie ligt in Afrika. Doemscenario’s dreigen echter ook voor de Caraïben, Azië en de Kaukasische en Centraal-Aziatische republieken. Zonder grote extra inspanningen zullen in het jaar 2010 70 miljoen mensen met hiv geïnfecteerd zijn. Daarmee is aids niet alleen een gezondheidsprobleem; het heeft consequenties in alle sectoren. De pandemie bedreigt de duurzame economische ontwikkeling en daarmee de stabiliteit. De bestrijding van hiv/aids is dan ook een prioriteit voor Nederland.


Reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), eveneens een beleidsprioriteit, betreft het recht van ieder mens – jong of oud, man of vrouw – op adequate informatie en dienstverlening rondom seksualiteit en voortplanting. Er is een direct verband met aidsbestrijding, immers, alleen door mensen goed te informeren en ze te voorzien van de juiste middelen kan aidspreventie effectief zijn. Nederland is sinds de International Conference on Population and Development in Caïro (ICPD 1994) een voortrekker op het gebied van SRGR. De Nederlandse doelstellingen zijn het bewerkstelligen van politieke steun voor dit thema en een sterke focus op de uitvoering en financiering van de Caïro-agenda. Er is een duidelijk verband tussen deze agenda en armoedebestrijding, onderwijs, gezondheid en duurzame ontwikkeling. De voortgang op het gebied van aids-bestrijding en verbetering van reproductieve gezondheid is afhankelijk van het functioneren van de gezondheidssector. Met name in Sub-Sahara Afrika is het systeem van gezondheidszorg ernstig verzwakt door de beperkte middelen die overheden ter beschikking stellen voor de gezondheidssector en personeel. Lage salarissen en gebrekkige middelen om goed te werken leiden tot migratie en het wegtrekken uit deze sector. Daar bovenop is er ziekte en uitval van personeel ten gevolge van hiv/aids. Nederland draagt bij aan en bepleit internationaal aandacht voor versterking van de gezondheidszorg, onder andere door betere arbeidsomstandigheden voor gezondheidspersoneel.


Een krachtig maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden is een bouwsteen voor duurzame ontwikkeling. Daarom zet Nederland naast hulp via het bilaterale en multilaterale kanaal ook via het particuliere kanaal in op hulp aan maatschappelijke organisaties die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een sterk maatschappelijk middenveld.

Beleidsartikel 5 Toegenomen menselijke en sociale ontwikkeling
Bedragen in EUR 10002005200620072008200920102011
Verplichtingen713 8954 613 520572 196943 173667 2712 897 271682 271
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal1 190 1211 551 5491 634 3161 709 3161 706 5701 739 1841 629 184
5.1 Onderwijs218 573435 143521 035542 422542 422542 422542 422
Juridisch verplicht  53%21%19%16%14%
Overig verplicht  47%79%81%83%84%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  0%0%0%1%2%
5.2 Kennisontwikkeling103 425122 258130 126145 126160 126175 126175 126
Juridisch verplicht  86%14%6%4%3%
Overig verplicht  9%77%77%78%79%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  5%9%17%18%18%
5.3 Gender3 2663 7204 7223 720410410410
Juridisch verplicht  66%98%0%0%0%
Overig verplicht  0%0%0%0%0%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  34%2%100%100%100%
5.4 Hiv/aids200 621257 921272 244265 942253 958251 572251 572
Juridisch verplicht  70%18%15%13%11%
Overig verplicht  30%55%60%60%60%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  0%27%25%27%29%
5.5 Reproductieve gezondheid97 457101 90793 71597 86584 10584 10584 105
Juridisch verplicht  96%37%59%40%35%
Overig verplicht  0%0%0%5%3%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  4%63%41%55%62%
5.6 Participatie civil society566 779630 600612 474654 474665 549685 549575 549
Juridisch verplicht  7%6%2%1%0%
Overig verplicht  20%20%20%20%20%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  73%74%78%79%80%

Operationele doelstelling 1

Alle kinderen, zowel jongens als meisjes, hebben de mogelijkheid om volledig basisonderwijs te doorlopen, en alle jongeren en volwassenen hebben de mogelijkheid om te komen tot een hogere alfabetiseringsgraad en om beter lager beroepsonderwijs te volgen.

Onderwijs is een belangrijk instrument in de strijd tegen armoede en in het belang van duurzame ontwikkeling. Nederland heeft zich daarom gecommitteerd aan de MDG’s voor onderwijs. Speciale aandacht is er voor het uitbannen van sekseverschillen in het onderwijs, aandacht voor SRGR en hiv/aids en verbetering van de kwaliteit en relevantie van het onderwijs.


Voor het bereiken van MDG’s 2 en 3 is echter meer nodig dan investeren in formeel primair onderwijs. Het Nederlandse beleid beperkt zich dan ook niet tot verbetering van kwaliteit van en toegang tot het primair onderwijs, maar gaat uit van een breder begrip van basisonderwijs. Daartoe behoren ook alternatieve onderwijsvormen gericht op kwetsbare en moeilijk te bereiken groepen, voorschoolse vorming, alfabetisering, volwassenenonderwijs, lager beroepsonderwijs en beroepstrainingen. Dit sluit aan bij de internationaal afgesproken doelstellingen voor Education for All, waaraan Nederland zich op internationale conferenties eveneens heeft gecommitteerd. Het behalen van de internationale onderwijsdoelstellingen draagt ook bij aan de verwezenlijking van andere MDG’s, zoals het terugdringen van armoede, honger, moederen kindersterfte, hiv/aids en andere ziekten.


MDG 2, basisonderwijs voor alle kinderen, kent een aantal indicatoren:

Doelstelling 3: In 2015 moeten alle kinderen in alle landen, zowel jongens als meisjes, de mogelijkheid hebben volledig basisonderwijs te doorlopen
IndicatorenSituatie 1990TussenstandDoel 2015Categorie
% kinderennaar basisschool van totaal aantal kinderen79,5%83,2% (2002–2003)100%Ontwikkelingslanden
% kinderendat basisschool afmaakt80,7%81,2% (2002)100%Ontwikkelingslanden

De VN en de Wereldbank rapporteren over deze indicatoren.

Na te streven resultaten

• In 2007 besteedt Nederland 15% van zijn ODA-uitgaven aan basisonderwijs

• Verbeterd beroepsonderwijs en -trainingen, lager voortgezet onderwijs, volwassenenonderwijs, non-formeel onderwijs en voorschoolse vormen in minimaal tien onderwijspartnerlanden door verdere uitbreiding van de Nederlandse steun.

• Mede dankzij Nederlandse ondersteuning zal in 2007 in de partnerlanden de kwaliteit van het onderwijs verbeteren en/of het aantal kinderen dat toegang heeft tot basisonderwijs toenemen. Onder andere in Jemen groeit het aantal leerlingen van 5,65 naar 5,85 miljoen; in Ethiopie van 11,5 naar 13,5 miljoen; in Burkina Faso van 1,47 naar 1,59 miljoen; in Tanzania van 7,5 naar 7,7 miljoen. Bangladesh traint en recruteert 52000 onderwijzers, bouwt 7 500 nieuwe schoollokalen en verspreidt 65 miljoen schoolboeken; Bolivia start een campagne om in 30 maanden het analfabetisme uit te roeien.

• De rol van het lokale maatschappelijk middenveld als dialoogpartner met overheden op het gebied van basisonderwijs in de onderwijspartnerlanden wordt in 2007 verder versterkt. Ook daarna wordt hieraan gewerkt, opdat hun belangen en visie in het beleid vorm krijgen.

• Verbeterde integratie van hiv/aids, srgr en gender in nationale onderwijsplannen van tien partnerlanden dmv de beleidsdialoog.

• De steun aan rehabilitatie van het onderwijs in (post)conflictlanden wordt uitgebreid.

Instrumenten/Activiteiten

In de bilaterale samenwerking met vijftien onderwijspartnerlanden steunt Nederland de uitvoering van nationale onderwijssectorplannen. Andere landen worden gesteund via zogenoemde stille partnerschappen (silent partnerships) en via het Catalytic Fund van het Fast Track Initiative (FTI), een internationaal partnerschap voor intensivering van de inspanningen in onderwijs, waarin Nederland een voortrekkersrol speelt. Binnen het FTI wordt het Catalytic Fund omgevormd tot een lange termijn en meer voorspelbaar financieringsmechanisme. Op multilateraal niveau ondersteunt Nederland onderwijsactiviteiten van diverse VN-organisaties en de Wereldbank. Het belang dat Nederland hecht aan de rol van het maatschappelijk middenveld op onderwijsgebied komt tot uitdrukking in de samenwerking en beleidsafstemming met NGO’s in Nederland en in de partnerlanden. Daarnaast wordt samengewerkt met relevante internationale NGO’s, zoals Education International/Global Campaign for Education ter versterking van de rol van het lokale maatschappelijk middenveld en onderwijsbonden in de onderwijssector.

Operationele doelstelling 2

Versterking van het gebruik van kennis en onderzoek in beleid en praktijk van ontwikkelingssamenwerking en versterking van tertiair onderwijs- en onderzoekscapaciteit in partnerlanden. Vermindering van kwalitatieve en kwantitatieve tekorten aan geschoold middenkader.

Voor het bereiken van de MDG’s is het noodzakelijk dat ontwikkelingslanden beschikken over een goed functionerend midden- en hoger kader. Daarom gaat Nederland meer investeren in het vergroten van de capaciteit voor hoger onderwijs en onderzoek in deze landen. De nadruk in het beleid ligt op de bijdrage van kennis en onderzoek aan maatschappelijke en technologische innovatie, reden waarom de samenwerking tussen beleid, praktijk, onderwijs en wetenschap veel nadruk krijgt.

Om de rol van kennis en onderzoek in ontwikkelingssamenwerking te versterken, gaat het ministerie door met de inhaalslag die in 2005 is gestart op het gebied van kennisontwikkeling en -toepassing, teneinde de kwaliteit van ontwikkelingssamenwerking te verbeteren.

Na te streven resultaten

• Integratie van kennis en onderzoek in bilaterale, thematische en regionale programma’s van het ministerie op basis van kennis- en onderzoeksstrategieën.

• Versterking van strategische kennis- en onderzoeksorganisaties die bijdragen aan het lerend en innoverend vermogen van beleidsmakers, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

• Intensievere samenwerking tussen wetenschappers, beleidsmakers, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties met als doel de kwaliteit en relevantie van onderzoek en kennis te vergroten.

• Vermindering van het tekort aan geschoold middenkader in 57 landen

• Versterking van de capaciteit van het tertiair onderwijs in vijftien landen in 2010.

Instrumenten/activiteiten

Onderzoek vormt een integraal onderdeel van de thematische en bilaterale programma’s van het ministerie. Ambassades dragen bij aan lokale capaciteitsversterking op het gebied van kennis en onderzoek op basis van hun meerjarig strategisch plan. Thematische en regionale directies bevorderen onderzoek binnen hun eigen beleidsterrein op basis van kennis- en onderzoeksstrategieën. Het programma«Onderzoek en Innovatie» richt zich op intermediaire organisaties en netwerken met een thema-, sector- of landenoverstijgend karakter.


Versterking van de relatie tussen beleidsmakers en wetenschappers is een van de manieren om bij te dragen aan het bereiken van de MDG’s. Behalve via meerjarige overeenkomsten tussen ministerie en kennisinstituten in het kader van de IS-academie gebeurt dat via financiering van strategisch onderzoek, workshops, uitwisselingen en netwerken in Nederland en ontwikkelingslanden. Om de effectiviteit van de steun aan hoger onderwijs, beroepsonderwijs en onderzoek te vergroten, werkt het ministerie samen met deskundige Nederlandse onderwijs- en onderzoeksorganisaties, zoals de VSNU, de HBO-Raad, de NWO/WOTRO en de NUFFIC.


Het Nederlandse internationaal onderwijsprogramma vergroot de capaciteit van het tertiair onderwijs en vermindert de tekorten aan geschoold middenkader. De vraag uit ontwikkelingslanden is daarbij richtinggevend. Het Netherlands Programme for Institutional Strenghtening of Post-Secondary Education and Training Capacity (NPT) richt zich met name op het versterken van het hoger onderwijs in ontwikkelingslanden. Het Netherlands Fellowship Programme (NFP) verleent beurzen aan professioneel middenkader. Beide programma’s worden beheerd door de NUFFIC. Het NFP is in 57 landen operationeel, het NPT in vijftien landen. Daarnaast houdt het programma Samenwerking Internationale Instituten (SII) zich bezig met capaciteitsversterking en training binnen het hoger onderwijs in ontwikkelingslanden waarbij instituten worden ondersteund die een regionale betekenis hebben.

Operationele doelstelling 3

Gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. Daartoe is de zeggenschap van vrouwen vergroot.

Ook in 2007 blijft het verminderen van ongelijkheid tussen vrouwen en mannen en emancipatie van vrouwen expliciete actie vergen binnen het buitenlandbeleid. Om gender systematisch te verankeren in het buitenlandbeleid zijn specifieke werkterreinen geïdentificeerd waar Nederland een verschil kan maken: bij de naleving van mensenrechtenafspraken, armoedebestrijding voor duurzame ontwikkeling en rondom conflictsituaties.


Het vergroten van zeggenschap van vrouwen draagt bij aan het oplossen van conflicten en aan een veilige, stabiele en leefbare wereld. Veiligheid is een voorwaarde voor vrouwen om kansen te kunnen benutten. Er is geen ontwikkeling zonder veiligheid en er is geen ontwikkeling zonder de ontwikkeling van vrouwen. Nederland staat voor de participatie van vrouwen aan de onderhandelingstafel, het betrekken van vrouwen en kinderen bij demobilisatieprocessen en aandacht voor man/vrouw verhoudingen bij de verlening van humanitaire hulp en tijdens wederopbouwprocessen. VN Veiligheidsraad resolutie 1325 vormt het formele kader voor de activiteiten op dit terrein.


Tijdens de evaluatie van de voortgang van de MDG’s in september 2005, bleek dat de realisatie van MDG 3 achterblijft, terwijl deze een voorwaarde is voor het bereiken van armoedebestrijding en duurzame economische ontwikkeling. Om de doelstellingen in 2015 te bereiken zijn krachtige extra impulsen nodig, zowel politiek als financieel. De strategieën die gehanteerd worden om gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bewerkstelligen blijven stroomlijnen en positieversterking van vrouwen. Onderzoek in 2005 heeft uitgewezen dat de laatste tien jaar vrouwenrechtenorganisaties steeds minder financiering krijgen. In het bijzonder geldt dit voor organisaties die zich met de bevordering van seksuele en reproductieve rechten bezighouden. Tegelijk weten we dat het stroomlijnen van gender in de praktijk moet worden afgedwongen. Dat kan alleen als organisaties die zich inzetten voor gelijke rechten voor vrouwen en gelijke toegang van vrouwen tot dienstverlening krachtig genoeg zijn om overheden ter verantwoording te roepen.


MDG 3, stimuleren van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen en vergroten van de zeggenschap van vrouwen, kent een aantal indicatoren:

Doelstelling 4: Wegwerken van genderongelijkheid in het basis- en voortgezet onderwijs, bij voorkeur al te realiseren in 2005, en uiterlijk in 2015 op alle onderwijsniveaus.
IndicatorenSituatie 1990TussenstandDoel 2015Categorie
Verhouding van het aantal meisjes t.o.v. jongens in het basis- en middelbaar onderwijs87%92% (2001–2002)100% (in 2005)Ontwikkelingslanden
Verhouding van het aantal meisjes t.o.v. jongens in het hoger onderwijsNiet bekend89% (2001–2002)100%Ontwikkelingslanden
Verhouding van het aantal geletterde vrouwen t.o.v. mannen tussen 15 en 24 jaar88%91% (2002–2004)100%Ontwikkelingslanden

De VN en de Wereldbank rapporteren over deze indicatoren.

Na te streven resultaten

• Het actieplan van de Wereldbank om via de leningenportefeuille en door middel van quick impact initiatives de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, wordt uitgevoerd.

• UNDP’s corporate gender strategy is conform plan uitgevoerd; adequate follow-up is gegarandeerd.

• De evaluatie van UNHCR heeft duidelijke aanbevelingen opgeleverd voor verdere implementatie van het UNHCR-plan om gender te stroomlijnen; UNHCR heeft zich eraan verbonden deze uit te voeren.

Genderaspecten zijn geïntegreerd in de beleidskaders van post-conflictlanden Sudan, Congo, Afghanistan en Burundi. In het kader van vredesoperaties is, in samenwerking met het Ministerie van Defensie, de aandacht voor vrouwen en meisjes in DDR-(Demobilisation, Disarmament and Reintegration) en SSR-beleid (Security Sector Reform) vergroot; er wordt gewerkt aan bestrijding van seksueel geweld en aan aidspreventie.

• In tien partnerlanden worden de sectorale en armoedestrategieën uitgevoerd op een zodanige wijze dat vrouwen en meisjes meer kansen krijgen voor ontwikkeling.

• Het door Nederland gefinancierde maatschappelijk middenveld wordt systematisch gemonitord voor wat betreft de inzet op het bijdragen aan gelijkheid van mannen en vrouwen en aan vrouwenemancipatie.

Instrumenten/activiteiten

Nederland heeft samen met enkele andere donoren een katalyserende rol gespeeld bij de totstandkoming van een «gender actieplan» van de Wereldbank. Samen met andere donoren zal Nederland in goed lopende sectoren/landen een extra inspanning plegen om MDG 3 te bereiken.


De principes van de Parijs Declaratie worden gebruikt om op geharmoniseerde wijze gelijkheid tussen mannen en vrouwen en vrouwenemancipatie te bevorderen. In Joint Assistance Strategies, de overeenkomsten tussen donoren om de nationale armoedestrategieën van de partnerlanden te ondersteunen, streeft Nederland expliciete afspraken na over de bevordering van gelijkheid van mannen en vrouwen. In DAC verband zijn ervaringen terzake in de nieuwe hulpcontext gedocumenteerd en vertaald in nieuwe richtlijnen voor donoren.


Via beleidsdialoog met het maatschappelijk middenveld en MFS partners wordt hun bijdrage aan het bevorderen van vrouwenemancipatie gevolgd. Via allianties met MFS partners en andere donoren wordt ernaar gestreefd de afname van de financiering voor vrouwenrechten een halt toegeroepen.

Operationele doelstelling 4

Een halt aan de verspreiding van hiv/aids, malaria en andere levensbedreigende ziekten.

Ook in 2007 blijven preventie en het opvangen van de gevolgen van de aids epidemie de uitdaging. Hiv/aids brengt niet alleen hoge medische kosten met zich mee maar leidt ook tot uitholling van het arbeidspotentieel en zet zo een rem op duurzame economische ontwikkeling. Aidspreventie werkt, maar programma’s zijn te kleinschalig en bereiken daardoor te weinig mensen. Integratie van interventies met seksuele en reproductieve gezondheid en -rechten en met positieversterking van vrouwen leidt tot betere en meer duurzame resultaten.


De aidsnotitie (TK 2003/2004, 29 648, nr. 1) blijft richtinggevend voor de uitvoering van het Nederlands hiv/aids buitenlandbeleid. Nederland zet in op drie thema’s: 1) versterking van draagvlak voor de wereldwijde strijd tegen aids, 2) verbetering van coördinatie van de Aids Response, zowel in ontwikkelingslanden als internationaal en 3) vergroting van de capaciteit in ontwikkelingslanden. Deze doelstellingen raken nagenoeg alle terreinen van het buitenlandbeleid. Het programma concentreert zich op Afrika waar de prevalentiecijfers het hoogst zijn.

Het kader voor het Nederlandse hiv/aids beleid wordt gevormd door de MDG’s (met name 3, 4, 5 en 6) in samenhang met de internationale afspraken over hiv/aids en seksuele en reproductieve gezondheid en -rechten, zoals het Programme for Action van de International Conference on Population and Development (ICPD, Caïro 1994), de vervolgconferentie in 1999 (ICPD + 5) en de Declaration of Commitment uit 2001 (UNGASS inzake hiv/aids) en de Comprehensive Review and High Level Meeting on hiv/aids (juni 2006). Dit kader bepaalt ook de nauwe samenhang tussen Operationale doelstellingen 5.4 en 5.5.


In de partnerlanden wordt ook de versterking van basisgezondheidsstelsels ondersteund. Effectief functionerende gezondheidsstelsels zijn mede bepalend voor de voortgang van aidsbestrijding en andere levensbedreigende ziektes.


MDG 6, een halt toeroepen aan hiv/aids, malaria en andere ziekten, kent een aantal indicatoren:

Doelstelling 7: Voor 2015 een halt toeroepen aan de verspreiding van hiv/aids, en beginnen met de terugdringing ervan
IndicatorenSituatie 1990TussenstandDoel 2015Categorie
% hiv infecties2,5%7,0% (2004)Minder dan 7,0%Sub Sahara Afrika
Aantal aids doden in miljoenen0,25 miljoen3,1 miljoen (2004)Minder dan 3,1Sub Sahara Afrika
% vrouwen (15–25 jaar) dat voorbehoedsmiddel (condoom) gebruiktNiet bekend25% (1999–2003)Meer dan 25%Sub Sahara Afrika
% mannen (15–25 jaar) dat voorbehoedsmiddel (condoom) gebruiktNiet bekend43%Meer dan 43%Sub Sahara Afrika

Doelstelling 8: Voor 2015 een halt toeroepen aan de verspreiding van malaria en andere levensbedreigende ziekten, en beginnen met de terugdringing ervan
IndicatorenSituatie 1990TussenstandDoel 2015Categorie
Aantal doden per 100 000 t.g.v. malariaNiet bekend166 (2003)Minder dan 166Ontwikkelingslanden
Aantal doden per 100 000 t.g.v. tuberculose145153 (2003)Minder dan 153Ontwikkelingslanden
% tuberculose gediagnostiseerd met de DOTS-methode29% (2000)46% (2003)Meer dan 46%Ontwikkelingslanden
% tuberculose genezen met de DOTS-methode81% (1999)82% (2002)Meer dan 82%Ontwikkelingslanden

De VN en de Wereldbank rapporteren over deze indicatoren.

Na te streven resultaten

• De aids-problematiek is geagendeerd op belangrijke internationale bijeenkomsten over onderwijs, handel, mensenrechten, goed bestuur, migratie, landbouw, conflictpreventie en humanitaire hulpverlening.

• Activiteiten van de private sector in aids-preventie en behandeling breiden zich uit, waarbij de input van Nederland zich vooral richt op garanderen van toegang van armen en consistentie van nationaal beleid. Tevens wordt het eerste programma op het gebied van publiek-private financiering van ziektekosten (Health Insurance Fund) uitgevoerd, waardoor circa 100 000 gezinnen toegang krijgen tot betrouwbare en goede gezondheidszorg.

• De samenwerking met de VS is op onderdelen van hiv/aids en SRGR verder geoperationaliseerd.

• Minstens zes Nederlandse ambassades spelen een actieve rol bij donorcoördinatie en harmonisatie van de nationale aids respons (overheid, NGO’s, private sector, donoren en VN-organisaties), de toepassing van het «Three Ones» principe en de uitvoering van de aanbevelingen van de Global Task Team.

• Mede dankzij Nederlandse ondersteuning verschaft het Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria (GFATM) toegang tot aids-remmers voor minimaal 875 000 mensen, toegang tot behandeling voor tuberculose voor minimaal 1,8 miljoen mensen en worden minimaal 30 miljoen bednetten voor malaria preventie gedistribueerd.

• In het regionale hiv/aids programma in Zuidelijk Afrika bundelen gelijkgezinde donoren hun krachten op het gebied van politieke dialoog, preventie (condoomverspreiding, bewustmaking), onderzoek en behandeling (thuiszorg).

Instrumenten/activiteiten

Overheden in partnerlanden worden gesteund in een multisectorale aanpak van de aids-problematiek. De sectoren gezondheid en onderwijs spelen een centrale rol bij aidsbestrijding, terwijl zij tegelijkertijd bij uitstek lijden onder gebrek aan gekwalificeerd personeel.


In het mensenrechtenbeleid, humanitaire hulpverlening en goed bestuur komen schending van de rechten van de mens en stigma en discriminatie als gevolg van hiv/aids aan de orde. Het belang van de integratie van hiv/aids interventies met seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en van positieverbetering van vrouwen komt terug in operationele doelstellingen 5.3 en 5.5.


Om tot een meer effectieve, coherente en consistente aanpak van de aidsproblematiek te komen wordt met multilaterale partners samengewerkt, onder andere UNAIDS, de WHO, UNICEF en de Wereldbank). Voor de ontwikkeling van nieuwe preventieve technologieën ondersteunt Nederland mondiale partnerschappen (deels publiek-privaat (PPP’s), zoals het International Aids Vaccin Initiative (IAVI) en het International Partnership on Microbiocides (IPM). De steun aan het GFATM, een belangrijke bron van additionele middelen voor ontwikkelingslanden, wordt voortgezet. De Nederlandse inzet met betrekking tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) is gericht op optimale toegang tot goede en goedkope medicijnen voor ontwikkelingslanden.


De aidsambassadeur geeft profiel aan het Nederlandse aidsbeleid als integraal onderdeel van het buitenlandbeleid. Tijdens de beleidsdialoog met VN-organisaties en internationale organisaties worden de Nederlandse prioriteiten naar voren gebracht. In partnerlanden wordt de dialoog geïntensiveerd met maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en belangenorganisaties om complementariteit te vergroten en betere resultaten te boeken in de strijd tegen aids. Ook in de dialoog met de VS speelt de aidsambassadeur een rol.

Operationele doelstelling 5

Een wereldwijde betrokkenheid voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en het onverkort uitvoeren van de Caïro-agenda.

Verbetering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) is cruciaal voor de gezondheid en de ontplooiing van vrouwen en mannen, voor effectieve aids-bestrijding en voor de oplossing van de bevolkingsproblematiek. Daarmee draagt het bij aan duurzame armoedevermindering. Reproductieve en seksuele gezondheid is een basisrecht, ingebed in internationale verdragen en overeenkomsten.


Het kader voor deze doelstelling wordt gevormd door internationale afspraken (Caïro, 1994, Beijing, 1995 en diverse andere fora). Tijdens de Millennium Top in 2005 werd de agenda voor armoedebestrijding opnieuw vastgesteld, die net als de Caïro agenda in 2015 behaald moet zijn. Tijdens de Millennium review in 2005 is het cruciale belang van SRGR voor het behalen van alle MDG’s erkend, met name MDG’s 4, 5 en 6. De monitoring van de voortgang wordt versterkt en de druk op landen om serieus werk te maken van SRGR wordt vergroot. Dit is mede in het belang van effectieve aidsbestrijding. Verbetering van SRGR en effectieve aidsbestrijding zijn afhankelijk van goed functionerende gezondheidsstelsels. Mede om die reden ondersteunt Nederland de versterking van basisgezondheidszorg.


De uitvoering van de Caïro agenda staat in verband met een groot aantal terreinen van het buitenlandbeleid (zie beleidsartkelen 1 en 2), zoals vrede en veiligheid, mensenrechten en bestuurlijke ontwikkeling. Politieke agendering van de bescherming en bevordering van seksuele en reproductieve rechten is daarom van belang. Resultaten moeten zijn de verbetering van informatie en dienstverlening omtrent seksuele en reproductieve gezondheid, en de vergroting van de toegang daartoe zonder discriminatie. Nederland besteedt speciale aandacht aan kwetsbare groepen. Hiervoor zijn nodig investeringen in de gezondheidssector, in onderwijs en in verbetering van wet- en regelgeving. Strategisch en gezamenlijk optreden met partners, ook in Europees verband, tegen ondermijning van de Cairo-agenda blijft nodig om de verworvenheden van Caïro te behouden.

Na te streven resultaten

• Nederland heeft samen met enkele andere bilaterale donoren, multilaterale organisaties en mondiale gezondheidsinitiatieven een proces geïnitieerd om in minimaal vijf landen een gecoördineerde inspanning te leveren om de ontvangende landen te ondersteunen om de gezondheidssystemen te versterken en voortgang richting MDG’s te versnellen.

• In vijf landen is de capaciteit op het terrein van Reproductive health security versterkt.

• In acht landen zijn concrete stappen genomen om verbetering van de SRGR van jongeren te bereiken, waaronder seksuele voorlichting en dienstverlening, inclusief reproductive health commodities.

• Nederland heeft beleid ontwikkeld ter ondersteuning van adequate gegevensverzameling op landenniveau ten behoeve van betere monitoring.

• In vijf post-conflict landen zijn maatregelen genomen om sekse-gerelateerd geweld aan te pakken, zoals demobilisatie en ontwapening, hervorming van de veiligheidssector (Democratische republiek Congo) en maatregelen tegen zoutzuurgeweld (Bangladesh).

• Drie niet-partner landen in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en de Golfregio hebben activiteiten ontwikkeld ter bevordering van SRGR van meisjes en vrouwen. (betreft geen post-conflict landen)

Instrumenten/activiteiten

Publieke diplomatie als centraal element van de Nederlandse strategie is cruciaal om beleidsmakers, politici en burgers op het belang van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te wijzen. NGO’s, internationale (VN-)organisaties en bedrijfsleven zijn onmisbare partners. Alleen gezamenlijk optrekken kan leiden tot betere resultaten.


De resultaten zullen worden bereikt via de verschillende kanalen. Het bilaterale kanaal richt zich op de gezondheidssector, de onderwijssector en op bevordering van seksuele en reproductieve rechten. De dialoog over integratie van SRGR en gezondheid in PRSPs en nationale budgetten is eveneens een belangrijk instrument. Bijna 60% van de uitvoering van de Cairo-agenda in de praktijk vindt plaats door NGO’s. Daarom worden ook het maatschappelijk middenveld en (I)NGO’s gesteund.


Multilaterale partners (waaronder UNFPA, WHO, UNICEF, UNAIDS en de Wereldbank) en internationale partnerschappen (waaronder de Reproductive Health Supplies Coalition en het WHO Human Reproduction Programme) worden gesteund om tot een meer effectieve en consistente aanpak van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te komen. Daarbij onderstreept Nederland het belang van samenhang met de aanpak van hiv en het belang van adequate stroomlijning van de genderdimensie. Intern wordt het traject van kennisverbreding en opleiding verder opgebouwd en uitgevoerd.

Operationele doelstelling 6

Een grote participatie van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingsactiviteiten.

Sinds 2005 is het bewerkstelligen van meer complementariteit tussen de activiteiten van het bilaterale kanaal en die van het Nederlandse maatschappelijk middenveld een belangrijk aandachtspunt. Onderling afgestemde ontwikkelingsinspanningen zijn noodzakelijk mede in het kader van de realisatie van MDG’s. Dit geldt ook voor de samenwerking tussen Nederlandse NGO’s en de ambassades. Dit resulteerde onder meer in regulier werkafsprakenoverleg in 23 van de 36 partnerlanden. Samenwerking en complementariteit, ook met niet-traditionele partners, zijn doelen in de nieuwe subsidiekaders voor IMD, PSO, SNV en het nieuwe MFS. Bij de nieuwe subsidierelaties met SNV en PSO ligt het accent op capaciteitsversterking. Grotere complementariteit tussen SNV en het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking in partnerlanden wordt nagestreefd en SNV zal zich meer toeleggen op het ondersteunen en helpen ontwikkelen van lokale aanbieders van capaciteitsversterking. Daardoor zullen de eigen directe advisererende rol en de daarvoor benodigde staf van SNV in omvang afnemen. Bij PSO zullen zuidelijke actoren een belangrijker rol krijgen. In het jongerenprogramma zal 50% van de plaatsen beschikbaar zijn voor gekwalificeerde jongeren uit het zuiden. PSO zal ook een grotendeels zuidelijke adviesraad krijgen die gevraagd en ongevraagd advies zal geven aan bestuur en directie.


Het nieuwe MFS, waarin het Medefinancieringsprogramma (MFP) en het Thematische Medefinancieringsprogramma (TMF) zullen opgaan, wordt per 1 januari 2007 van kracht en omvat de jaren 2007–2010. Het MFS zet in op het belang van complementariteit met de bilaterale samenwerking; de recent uitgevoerde TMF evaluatie geeft aan dat het particuliere kanaal een duidelijk toegevoegde waarde heeft binnen de Nederlandse Ontwikkelingssamenwerking. Mede op basis van de aanbevelingen van deze evaluatie zal de beleidsdialoog met de maatschappelijke organisaties worden geïntensiveerd en een sterker inhoudelijk karakter krijgen. Dit geldt zowel voor de te voeren brede beleidsdialogen, de te houden individuele en reguliere beleidsoverleggen als ten aanzien van specifieke thematische dialogen. Bij de beleidsdialogen zal een vast stramien worden gevolgd waar bepaalde onderwerpen zoals gendermainstreaming, planning-, monitoring- en evaluatiesystemen aan de orde komen en door middel waarvan verbetering van kwaliteit en effectiviteit wordt gestimuleerd.


Een krachtig maatschappelijk middenveld is van belang voor duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Dit vraagt om een lange termijn visie op onderwerpen als maatschappijopbouw en capaciteits- en institutionele ontwikkeling en op de rol van het Nederlands maatschappelijk middenveld daarin.

De WRR zal worden verzocht een studie uit te voeren naar de rol van het maatschappelijk middenveld binnen ontwikkelingssamenwerking.

Na te streven resultaten

• In 2007 worden werkafspraken gemaakt in alle 36 partnerlanden ten behoeve van meer complementariteit, in elk geval daar waar men actief is in dezelfde sectoren.

• Aantoonbare bijdrage door NGO’s aan het bereiken van de MDG’s en vertaling hiervan in de door het ministerie jaarlijks uit te brengen MDG-rapportage.

• Introductie van het systeem Maatgesneden Monitoring voor alle MFS-organisaties en hierop te baseren resultaatmetingen.

• Visie ontwikkeld ten behoeve van maatschappijopbouw, capaciteits- en institutionele ontwikkeling voor zuidelijke lokale NGO’s.

• Aanbevelingen van de TMF evaluatie zijn geïmplementeerd.

• Beleidsdialogen zijn gestructureerd, zowel t.a.v. brede beleidsdialoog, de individuele beleidsoverleggen als de thematische dialogen.

Instrumenten/activiteiten

Intensieve beleidsdialogen met NGO’s op verschillende niveaus. Maatgesneden monitoring, te verrichten door directies en ambassades; een monitoringsprotocol zal tussen ministerie en individuele subsidieontvangende organisaties worden afgesloten. Bijeenkomsten ten behoeve van capaciteitsontwikkeling en lerend vermogen.

D. Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Operationele doelstellingTitel van de evaluatieJaar van afronding 
  200420052006200720082009
 Beleidsdoorlichtingen      
5.1Meta-evaluatieo.b.v. onderwijssector reviews in de onderwijspartnerlanden    X 
5.2Onderzoeksbeleidvanaf 2005     X
5.3Man-vrouw gelijkheid in nieuwe hulpmodaliteiten    X 
5.4Effectiviteit van Nederlandse ondersteuning aan hiv/aids beleid op landenniveau   X  
5.5Bijdrage (inter)nationale NGO’s als dienstverlener reproductieve gezondheid op nationaal niveau   X  
 Effectenonderzoekex post en overig      
 Evaluatieonderzoek      
5.1Impactevaluatieonderwijs in geselecteerde landen   X  
5.2Programma Samenwerking Internationale Instellingen (SII)X     
5.2Tussentijdse evaluatieprogramma’s internationaal onderwijs (NFP en NPT)  X   
5.2Onderzoeksbeleid1991–2001  X   
5.4Evaluatiehiv/aids beleid in Sub-Sahara Afrika  X   
5.5Gezondheidssector Tanzania  X   
5.5UNFPA/IPPFX     
5.6Evaluaties TMF (8 deelstudies) XX   
5.6IOB-evaluaties MFP-breed  X   
5.6VakbondsMedefinancieringsProgramma (VMP)   X  
5.6SNV  X   
5.6MFS     X
5.6SALIN     X