Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

BELEIDSARTIKEL 2: GROTERE VEILIGHEID EN STABILITEIT, EFFECTIEVE HUMANITAIRE HULPVERLENING EN GOED BESTUUR

A. Algemene beleidsdoelstelling

Deze doelstelling hangt nauw samen met de andere doelstellingen van het buitenlandbeleid. Veiligheid en stabiliteit zijn essentiële voorwaarden voor duurzame ontwikkeling met inbegrip van effectieve armoedebestrijding en de opbouw van rechtvaardige en democratische samenlevingen: zonder veiligheid geen duurzame ontwikkeling, zonder duurzame ontwikkeling geen veiligheid.


Het risico van een conventionele aanval tegen het Nederlandse of bondgenootschappelijke grondgebied is afgenomen. Daar zijn minder voorspelbare dreigingen voor in de plaats gekomen, onder andere als gevolg van de opkomst van internationaal terrorisme en de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor. Daar komt bij dat hedendaagse conflicten complex van karakter zijn. Ze spelen zich over het algemeen niet tussen, maar binnen staten af. Vaak is er een relatie met illegale internationale wapenhandel, smokkel van natuurlijke rijkdommen of drugshandel. Dergelijke conflicten kunnen een sterk destabiliserende invloed hebben op een hele regio en ook gevolgen hebben voor onze eigen veiligheidssituatie, bijvoorbeeld door het doen ontstaan van vluchtelingenstromen of het in gevaar brengen van onze energieveiligheid. Het onderscheid tussen interne en externe veiligheid is door dit alles komen te vervagen.


De negatieve humanitaire gevolgen van gewelddadige conflicten, maar ook van natuurrampen zijn een belangrijk punt van zorg. De regering blijft zich inzetten voor zo adequaat mogelijke leniging van levensbedreigende menselijke noden. Humanitaire uitgangspunten blijven de belangrijkste basis voor hulpverlening vormen. Behalve leniging van directe noden is gerichte steun voor goed bestuur en politieke hervormingen van belang om de stabiliteit in de wereld te vergroten. Met name in fragiele staten waar overheden niet bereid zijn of niet in staat kunnen worden geacht hun taken naar behoren uit te voeren, is het gevaar van destabilisatie acuut. Bevordering van een veilige en stabiele omgeving, bevordering van democratiseringsprocessen, versterking van lokaal bestuur, terugdringen van corruptie en goed beheer van de begroting zijn belangrijke voorwaarden voor en elementen van goed bestuur. Goed bestuur is bovendien een voorwaarde voor armoedebestrijding, duurzame ontwikkeling en rechtvaardige verdeling van de welvaart.


Tenslotte zal de regering de relevante instrumenten van het buitenland- en veiligheidsbeleid inzetten ter verwezenlijking van de energievoorzieningszekerheid. Immers, de veiligheid en stabiliteit van Nederland en de EU komen ook in het geding als de energievoorziening (met name olie en gas) voor langere tijd wordt, of dreigt te worden, ontwricht.

B. Budgettaire gevolgen van beleid (inclusief budgetflexibiliteit)

Beleidsartikel 2 Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur
Bedragen in EUR 10002005200620072008200920102011
Verplichtingen910 955791 922676 591640 104581 036559 966559 966
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal744 939831 475762 747680 501648 398617 328617 328
2.1 Nationale en bondgenootschappelijke veiligheid11 82913 00713 47714 95118 39317 32317 323
Juridisch verplicht  50%46%37%33%29%
Overig verplicht  31%31%35%31%26%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  19%23%28%36%45%
2.2 Bestrijding internationaal terrorisme0000000
2.3 Non-proliferatieen ontwapening8 1708 5388 5888 5388 5388 5388 538
Juridisch verplicht  100%100%100%100%100%
Overig verplicht  0%0%0%0%0%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  0%0%0%0%0%
2.4 Conventionele wapenbeheersing0000000
2.5 Regionale stabiliteit en crisisbeheersing284 999337 034330 145260 477227 525197 525197 525
Juridisch verplicht  26%19%12%10%8%
Overig verplicht  73%79%86%88%88%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  1%2%2%2%4%
2.6 Humanitaire hulpverlening313 746304 598244 481244 188243 788243 788243 788
Juridisch verplicht  9%5%2%1%1%
Overig verplicht  91%95%97%97%97%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  0%0%1%2%2%
2.7 Goed bestuur126 195168 298166 056152 347150 154150 154150 154
Juridisch verplicht  69%35%19%17%15%
Overig verplicht  26%51%64%64%64%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  5%14%17%19%21%
2.8 Het bevorderen van energievoorzieningszekerheid00000
2.9 Grotere veiligheid door strijd tegen milieudegradatie00000
        
Ontvangsten1 653224224224224224224
2.10 Nationale en bondgenootschappelijke veiligheid0135135135135135135
2.70 Humanitaire hulpverlening1 653898989898989

C. Operationele doelstellingen en instrumenten

Operationele doelstelling 1

Goede internationale samenwerking ter bevordering van de nationale en bondgenootschappelijke veiligheid.

De NAVO blijft de hoeksteen van het Nederlandse veiligheidsbeleid. Prioriteiten zijn versterking van de politieke rol van de verdragsorganisatie en de Trans-Atlantische band, verdere invulling van nieuwe bondgenootschappelijke taken zoals het optreden in de sfeer van crisisbeheersing buiten NAVO-gedragsgebied, en de relatie met partnerlanden. Nederland hecht verder aan versterking van het Europese Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB), met als uitgangspunt dat de EU en de NAVO elkaar wederzijds moeten versterken en onnodige duplicatie moet worden vermeden. De OVSE zou zich moeten herpositioneren als breed, inclusief veiligheidsplatform voor landen van Vancouver tot Vladivostok.

Na te streven resultaten

• Effectieve en breed geaccepteerde NAVO als politiek-strategisch, Trans-Atlantisch overlegforum.

• Implementatie van de afspraken van de NAVO-transformatietop in Riga (november 2006), in het bijzonder versterkte relatie met (nieuwe) partnerlanden en bijpassende overlegfora.

• Versterkt EVDB als instrument waarmee de Unie het volledige spectrum aan crisisbeheersingstaken uit het EU-verdrag en de EU-veiligheidsstrategie kan uitvoeren.

• Verbeterde samenwerking tussen NAVO en EU.

• Hervormde, effectievere OVSE, met vergroot draagvlak in de landen «oostelijk van Wenen» en met versterkt mandaat (met name in de menselijke dimensie).

• Toegenomen internationale aandacht voor bestrijding van piraterij.

Instrumenten/activiteiten

In de NAVO zal Nederland blijven pleiten voor inhoudelijker bespreking van politiek-strategische onderwerpen als Sudan, Afghanistan, het Midden-Oosten, China en energievoorzieningszekerheid. Ten aanzien van de uitbreiding van de NAVO zullen mogelijk vervolgstappen worden gezet. Nederland blijft Oekraïne en Georgië ondersteunen bij het proces van maatschappelijke en defensiehervormingen. Mede via het NAVO-kanaal zal druk blijven worden uitgeoefend op landen in de Balkan om volledig mee te werken met het ICTY. Nederland zal zich verder inzetten voor verdieping van de samenwerking in het kader van de Mediterrane Dialoog en het Istanbul Cooperation Initiative met concrete activiteiten. Ook in de NAVO-Rusland Raad streeft ons land naar concretere samenwerking, zoals implementatie van het pilot project «training van drugsbestrijders in Afghanistan en Centraal-Azië». Tot slot zal aandacht worden besteed aan de capaciteitsontwikkeling ten behoeve van de NATO Response Force.


De versterking van het EVDB zal worden voortgezet met verdere capaciteitsopbouw in de lidstaten onder de (militaire) Headline Goal 2010 en de Civiele Headline Goal 2008. Nederland zal bijdragen aan de EU-Battlegroups en de Civiele Responsteams die in 2007 operationeel worden. Nederland zal zich ook inzetten voor de kwalitatieve versterking van het EVDB, mede op basis van de toenemende ervaring met EU-missies. Nederland zal zich blijven inzetten voor verbreding van de EU-NAVO dialoog en een goede samenwerking in het veld. De Berlijn Plus-afspraken blijven een belangrijk kader voor de samenwerking.


Ten aanzien van de OVSE zal Nederland zal in 2007 ijveren voor implementatie van de eind 2006 overeen te komen hervorming, die moet leiden tot een effectiever en coherenter optreden van de organisatie. Nederlandse accenten zijn professionalisering van verkiezingswaarneming en aandacht voor tolerantie/non-discriminatie. Ook verbeterde afstemming tussen de EU, de Raad van Europa en de OVSE blijft een aandachtspunt.


Nederland zal zich tenslotte blijven inspannen om bestrijding van piraterij op de internationale agenda te plaatsen en met betrokken kuststaten samenwerken.

Operationele doelstelling 2

Bestrijding en terugdringing van het internationale terrorisme.

Terrorismebestrijding vergt een gedegen aanpak: nationaal en internationaal, binnen de Europese Unie en de NAVO en vis-à-vis derde landen. In EU-kader zal Nederland zich inzetten voor de implementatie van de strategie inzake terrorismebestrijding en het bijbehorende actieplan, waarin bescherming van burgers en infrastructuur, onderzoek naar vermeende terroristen en verbetering van de respons na aanslagen centraal staan. Strategie en actieplan zijn onder meer gericht op effectiever gebruik van het bestaande instrumentarium voor aanpak van financiering van terrorisme, het bevorderen van kennis en aandacht binnen de EU-instellingen voor terrorisme en intensivering van de anti-terrorismesamenwerking met derde landen. Van belang is verder het EU-actieplan ter bestrijding van radicalisering en rekrutering, dat voorziet in de aanpak van structurele, onderliggende factoren die mensen aanzetten tot terrorisme, zoals radicaliseringsactiviteiten in gevangenissen en op scholen en het gebruik van internet als medium voor haatzaaiende boodschappen. In VN-kader zal Nederland onder meer aanneming bevorderen van de VN-strategie terrorismebestrijding en de coördinerende activiteiten stimuleren van het Counter Terrorism Executive Directorate. De afstemming van activiteiten tussen de EU en de NAVO blijft een punt van aandacht. Uitgangspunt van Nederland blijft dat mensenrechten en het internationale humanitaire recht volledig geëerbiedigd moeten worden in de strijd tegen terrorisme.

Na te streven resultaten

• Succesvolle uitvoering van het EU-actieplan ter bestrijding van terrorisme en het EU-actieplan ter bestrijding van radicalisering en rekrutering.

• Effectiever gebruik van het EU-instrumentarium voor bevriezing van tegoeden.

• Structurele aandacht voor terrorisme in de politieke dialoog van de EU met derde landen en verdere opname van anti-terrorismeclausules in derde-landenakkoorden.

• Versterkte terrorismebestrijdingscapaciteit van derde landen, ondermeer door technische assistentie in EU-verband bij de implementatie van relevante VN-bepalingen.

• Implementatie van NAVO-activiteiten op het gebied van terrorismebestrijding.

• Aanneming van de VN-strategie terrorismebestrijding.

Instrumenten/activiteiten

Nederland zal in EU-, NAVO- en VN-kader een actieve bijdrage blijven leveren aan de bestrijding van terrorisme. Structurele aandacht voor de strijd tegen de financiering van terrorisme blijft nodig, waarbij de EU onder andere gebruik dient te maken van de bestaande dialoog met de landen van de Gulf Cooperation Council en in Euromed-kader. Nederland blijft tevens werken aan concrete voortgang in de EU-samenwerking met derde landen op het gebied van terrorismebestrijding. Specifieke aandacht gaat uit naar Marokko en Algerije. Nederland zal ook zelf assistentie aanbieden, bijvoorbeeld op specifieke terreinen als inlichtingen-, politie- en justitiecapaciteiten.

Door de inzet van middelen voor conflictpreventie en post-conflictwederopbouw draagt Nederland verder bij aan het voorkomen van omstandigheden die kunnen leiden tot radicalisering. Ook zet Nederland in op versterking van de dialoog tussen samenlevingen, onder meer in platforms als Euromed.

Het buitenlandbeleid in de strijd tegen terrorisme komt tot stand in nauwe samenwerking met de departementen Justitie/NCTb en Binnenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en Defensie.

Operationele doelstelling 3

Bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen en bevordering van ontwapening.

Nederland zet zich in voor betere naleving van en universele deelname aan de bestaande regimes ter voorkoming van proliferatie van massavernietigingswapens (MVW) en hun overbrengingsmiddelen en ter bevordering van wapenbeheersing en ontwapening. Daarbinnen past ook aanscherping van de internationale exportcontroleregimes. Dit is echter niet voldoende. Via multinationale en bilaterale kanalen zal tevens moeten worden bijgedragen aan het voorkomen of terugdringen van proliferatiegevaarlijke situaties.

De effectindicatoren zijn vermindering van het aantal niet-erkende kernwapenstaten, het aantal kernwapens en het aantal staten dat beschikt over chemische en biologische wapens.


Gezien de aard van het beleidsterrein zijn veel kwantitatieve gegevens echter niet bekend of vertrouwelijk. De cijfers over vernietiging van voorraden chemische wapens van landen, die het Chemisch Wapenverdrag hebben ondertekend, zijn voor het overgrote deel wel openbaar. In totaal is bij de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) 69 553 ton chemische wapens (categorie I) aangemeld. Deze moeten volgens het CW-verdrag uiterlijk op 29 april 2007 zijn vernietigd. De mogelijkheid bestaat om maximaal vijf jaar uitstel te verkrijgen voor het voldoen aan deze verplichting (dat wil zeggen uiterlijk tot 29 april 2012). De verantwoordelijkheid voor de vernietiging van de voorraden chemische wapens ligt primair bij de bezitterstaten. De Nederlandse invloed op het bereiken van de doelstellingen voor de vernietiging van chemische wapens is zeer beperkt.

Vernietigde voorraden chemische wapens en planning voor 2007
 Gedeclareerde hoeveelheid CW in ton. Status CW-vernie-tiging per 30-4-2006 in %Status CW-vernie-tiging per 30-4-2006 in tonPrognose status CW-vernietiging per 29-04-2007 in %Prognose eindjaar CW-vernietiging.
India1 053 ton55%565 ton70%2009
Verenigde Staten27 771 ton36%10 103 ton40%2012
Russische Federatie40 086 ton3%1 168 ton20%2012
Albanië15 ton0%0 ton100%2007
Libië24 ton0%0 ton0%2010

Na te streven resultaten

• Verbeterde naleving van de ontwapenings- en non-proliferatieregimes en relevante resoluties van de VN-veiligheidsraad, verbeterde internationale controle op de splijtstofcyclus en stringentere regels binnen de exportcontroleregimes.

• Bijdrage aan oplossingen voor de nucleaire proliferatiedossiers die de internationale gemeenschap zorgen baren, in het bijzonder Iran.

• Bijdrage aan de vernietiging van chemische wapenvoorraden en splijtstof in de Russische Federatie en andere voormalige Sovjetrepublieken.

• Implementatie van de EU non-proliferatiestrategie, onder meer door de opname van non-proliferatieclausules in samenwerkingsakkoorden met derde landen.

• Verdiepte nationale betrokkenheid bij de internationale samenwerking in het kader van het Proliferation Security Initiative (PSI), onder andere door bij te dragen aan een draaiboek met procedures voor nationale betrokkenheid bij PSI-interventies.

• Bijdrage aan verdere versterking van het Biologische Wapensverdrag, onder andere door implementatie van een gemeenschappelijk EU-beleid ter versterking van dit verdrag.

Instrumenten/activiteiten

Nederland zal zich door initiatieven in EU-, VN- en NAVO-kader en in exportcontroleregimes blijven inzetten voor de bevordering van non-proliferatie, kernontwapening en vreedzaam gebruik van kernenergie. Nederland zal internationaal wijzen op het belang van de start van onderhandelingen over een verdrag ter stopzetting van de productie van splijtstoffen voor explosiedoeleinden (Fissile Material Cut-off Treaty). Datzelfde geldt voor besprekingen over inwerkingtreding van het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBT) en het Additioneel Protocol als nieuwe standaard voor verificatie en juridisch bindende negatieve veiligheidsgaranties. Nederland zal ook in 2007 een personele en financiële bijdrage leveren aan het Voorlopige Technische Secretariaat van de Organisatie van het CTBT. Nederland zal zich voorts inzetten voor het beter onder controle brengen van de nucleaire brandstofcyclus, onder meer in besprekingen over mogelijkheden voor een systeem van verzekerde toegang tot brandstof binnen en buiten IAEA-kader. Aan de bevordering van universaliteit en implementatie van het Biologisch Wapensverdrag zal wederom financieel worden bijgedragen. Nederland continueert (mede)-financiering van projecten in de Russische Federatie en Oekraïne gericht op vernietiging van splijtstof en, in het geval van Rusland, chemische wapens. Nederland zal in PSI-verband blijven deelnemen aan internationale oefeningen en overleg.

Operationele doelstelling 4

Goede internationale afspraken op het gebied van conventionele wapenbeheersing en een restrictief en transparant wapenexportbeleid.

De regering stelt zich ten doel het bestaande instrumentarium voor conventionele wapenbeheersing te versterken en de voortrekkersrol die Nederland internationaal op deelgebieden speelt, te handhaven. Nederland zal zijn restrictieve wapenexportbeleid voortzetten en een verantwoord en effectief beleid terzake in derde landen bevorderen. Effectindicator is het jaarlijkse aantal meldingen onder de EU-gedragscode van besluiten van lidstaten om vergunningen af te geven voor transacties die gelijk te stellen zijn aan eerder door andere lidstaten geweigerde vergunningen voor in essentie identieke transacties («undercuts»). De regering streeft voorts naar verbetering van de wereldwijde controle op de tussenhandel in kleine en lichte wapens. Daarnaast wil Nederland de verdere integratie en harmonisatie bevorderen van kleine-wapensproblematiek en ontwikkeling.

Na te streven resultaten

• Verdere implementatie van het VN-actieprogramma inzake kleine en lichte wapens door verankering van ontwikkelingsaspecten van de kleine en lichte wapensproblematiek in bilateraal en internationaal veiligheids- en ontwikkelingsbeleid.

• Acceptatie en implementatie door zoveel mogelijk landen van Protocol V bij het Conventionele Wapensverdrag inzake ontplofbare oorlogsresten.

• Universeler Ottawa-verdrag inzake anti-personeelmijnen. Nieuw protocol bij het Conventionele Wapensverdrag inzake anti-voertuigmijnen.

• Bestendigd Verdrag inzake Conventionele Strijdkrachten in Europa (CSE-verdrag).

• Restrictief en transparant nationaal wapenexportbeleid, verdere harmonisatie van het wapenexportbeleid van EU-lidstaten, bevordering van regionale en internationale afspraken over wapenexport en een voortrekkersrol richting de totstandkoming van een internationaal wapenhandelsverdrag (ATT).

Instrumenten/activiteiten

In lijn met de door Nederland geïnitieerde AVVN-resolutie terzake zal de regering ontwikkelingslanden en donoren wijzen op het belang om in wederopbouw- en ontwikkelingsstrategieën aandacht te besteden aan de problematiek van kleine en lichte wapens. Nederland zal hiervoor gebruik maken van de relevante internationale fora (OESO, internationale financiële instellingen) en bilaterale contacten. Prioritaire regio’s voor Nederland hierbij zijn het Afrikaanse Grote-Merengebied, de Hoorn van Afrika, de Westelijke Balkan en Afghanistan. Nederland zal zich verder inzetten voor de implementatie van het VN-actieprogramma inzake kleine en lichte wapens en voor de totstandkoming van een internationaal juridisch bindend instrument met betrekking tot de tussenhandel in dergelijke wapens. De recentelijk opgerichte VN-expertgroep zou het forum kunnen zijn waarin een dergelijk instrument zijn beslag zou kunnen krijgen. Nederland zal een coördinerende rol spelen bij de promotie van Protocol V bij het Conventionele Wapensverdrag en in diverse fora en bilaterale contacten de totstandkoming van een Protocol inzake anti-voertuigmijnen en een verbeterd nalevingsmechanisme voor het verdrag bepleiten. Ook zal Nederland actief betrokken blijven bij initiatieven om toetreding tot het Ottawa-verdrag en de naleving ervan te bevorderen. In 2007 continueert Nederland de ondersteuning van projecten op het gebied van wapen- en munitievernietiging en voorraadbeheer en zet het de inhoudelijke ondersteuning van derde landen en regio’s bij de verbetering van hun wapenexportbeleid voort.

Operationele doelstelling 5

Regionale stabiliteit door effectieve inzet op conflictpreventie, crisisbeheersing, conflictoplossing en post-conflict wederopbouw.

Als actief lid van de EU, de NAVO, de OVSE en de VN draagt Nederland bij aan de internationale vrede en stabiliteit door deel te nemen aan crisisbeheersingsoperaties, civiele missies en waarnemersmissies. Vrede, veiligheid en stabiliteit zijn voorwaarden voor duurzame ontwikkeling. De interdepartementale notitie Wederopbouw na gewapend conflict (2004–2005; Kamerstuk 30 075, nr. 1) geeft de beleidskaders aan voor het geïntegreerde Nederlandse beleid op dit gebied. Bijzondere aandacht gaat uit naar de hervorming van leger en politie. Effectindicatoren zijn positieve stabiliteits- en wederopbouwbeoordelingen, hetgeen tot uiting komt in landen- en regiorapportages aan de Tweede Kamer, met gebruikmaking van gegevens van onder andere VN, IFI’s, EU, NAVO, OVSE, regionale organisaties als de AU, coalities waarvan Nederland deel uitmaakt en andere donoren.

Na te streven resultaten

• Succesvolle bijdrage aan internationale militaire en civiele operaties en missies, zoals onder meer ISAF in Afghanistan, operatie Althea in Bosnië, de NAVO trainingsmissie in Irak en UNMIS in Sudan.

• Bevorderde vrede, stabiliteit en veiligheid in voor Nederland prioritaire landen en regio’s (onder andere Afghanistan, de Hoorn van Afrika, het Grote-Merengebied, de Palestijnse Gebieden en de Westelijke Balkan), onder meer door bij te dragen aan wederopbouw, hervormingen van de veiligheidssector, demobilisatie, ontwapenings- en reïntegratieprogramma’s en ondersteuning van regionale organisaties zoals de AU.

• Geïntegreerde aanpak in de Afghaanse provincie Uruzgan, door goed op elkaar afgestemd optreden van de civiele en militaire component van het Nederlands/Australische PRT.

• Als trekker van de Coregroup Noord-Uganda actief bijgedragen aan duurzame oplossing voor gewelddadig conflict tussen de Lord’s Resistance Army en de Oegandese overheid.

• Als co-chair van de Group of Friends van de Grote-Meren Conferentie de totstandkoming en implementatie van een Stabiliteitspact bevorderd hebben.

• Als voorzitter van de Core Coordination Group Darfur succesvolle aansturing van vredes- en wederopbouw.

Instrumenten/activiteiten

Nederland zet zich ervoor in om de geïntegreerde benadering ten aanzien van conflictpreventie, conflictoplossing, fragiele staten en wederopbouw na conflict ook internationaal breder ingang te doen vinden door optimale afstemming met andere donoren en actieve beleidsbeïnvloeding van bilaterale donoren en multilaterale organisaties zoals de VN, de EU en OESO/DAC. Een voorbeeld van samenwerking met andere donoren is Zuid Sudan, waar Nederland, Zweden, Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Noorwegen gezamenlijk werken aan de wederopbouw via een Joint Donor Team dat functioneert vanuit een Joint Donor Office in Juba, de hoofdstad van Zuid Sudan.


De Nederlandse inspanningen zullen zoveel mogelijk in EU-, NAVO-, VN- en OVSE-kader plaatsvinden. Versterking van regionale veiligheidsstructuren met het oog op conflictpreventie en -oplossing zal geschieden door bilaterale ondersteuning uit het Stabiliteitsfonds, financiële en technische ondersteuning in EU-kader (onder meer uit het African Peace Facility) voor crisisbeheersingscapaciteit in Afrika en door training in NAVO-kader. Implementatie van VR-resolutie 1325 over de rol van vrouwen bij conflictpreventie en -beheersing wordt hierin meegenomen.


Samen met het ministerie van Defensie worden landenbeleidskaders ontwikkeld op basis waarvan activiteiten worden ontplooid gericht op hervormingen van de veiligheidssector (SSR), demobilisatie, ontwapening en reïntegratie (DDR), civiel-militaire samenwerking en wederopbouw in onder meer Afghanistan, Burundi, de Democratische Republiek Congo (DRC), Sudan en Kosovo. Eén van de instrumenten binnen het geïntegreerde beleid is de inzet van militaire en civiele adviseurs. Sinds kort is een team van Buitenlandse Zaken en Defensie beschikbaar ten behoeve van SSRen DDR-activiteiten. Het team kan een beroep doen op een pool van zestig militaire adviseurs. In Afghanistan, Sudan en Burundi zal inzet uit deze pool deel uitmaken van de bredere steun aan het wederopbouwproces. In Noord-Uganda werkt Nederland met enkele andere donoren aan een bredere aanpak van humanitaire hulp, verzoening, rechtspraak, wederopbouw en economische ontwikkeling. Nederland ondersteunt de AU bij het versterken van activiteiten gericht op stabiliteit in de Hoorn van Afrika en de Grote-Merenregio. Verder ondersteunt Nederland de AU/VN Grote-Meren Conferentie, de door de VS geïnitieerde Tripartiete Commissie, de East African Community, de mede door België gestimuleerde Communauté Economique des Pays des Grands Lacs (CEPGL) en de Europese SSR-missie EUSEC in de DRC.

Operationele doelstelling 6

Effectieve humanitaire hulpverlening

Nederland zet zich in voor de leniging van humanitaire noden die voortvloeien uit crises of natuurrampen. Uitgangspunten daarbij zijn het zogenoemde «humanitair imperatief» (hulp wordt daar verleend waar het het meest noodzakelijk is) en de principes van onpartijdigheid, onafhankelijkheid en neutraliteit. Daarnaast onderschrijft de regering de uitgangspunten van «goed humanitair donorschap» (GHD). Humanitaire hulpverlening vindt in beginsel wereldwijd plaats, maar bijzondere aandacht gaat uit naar een beperkt aantal crisisgebieden in ontwikkelingslanden.1 Humanitair ontmijnen is budgettair ondergebracht in het Stabiliteitsfonds, maar maakt beleidsmatig onderdeel uit van de humanitaire hulpverlening.

Effectindicatoren zijn snelle en doelmatige financiering van gespecialiseerde internationale en non-gouvernementele organisaties (NGO’s) en, meer in het algemeen, uitvoering van het nationale GHD-implementatieplan, dat medio 2005 is opgesteld.

Na te streven resultaten

• Effectieve hulpverlening aan slachtoffers van natuurrampen en conflicten, door snelle en doelmatige financiering van gespecialiseerde internationale en non-gouvernementele organisaties en zonodig inzet van mensen en middelen voor directe rampenrespons in het buitenland.

• Volledige afbouw van de humanitaire hulpverlening aan Angola en Irak. Inzet van de afbouw van humanitaire hulpverlening in Afghanistan, Burundi, Liberia en de Noordelijke Kaukasus als de omstandigheden het toelaten. Zo nodig opstarten van nieuwe activiteiten in Nepal en (tijdelijke) intensivering in Noord-Uganda, Palestijnse Gebieden en Darfur/Tsjaad.

• Na bekrachtiging door OESO/DAC van het Good Humanitarian Donorship proces in 2006, wordt 2007 het jaar waarin verbreding van het aantal humanitaire donoren, harmonisatie van donor-vereisten, en verdere flexibilisering van humanitaire financiering (mede door Nederland) internationaal geagendeerd zullen worden.

• Implementatie van de aanbevelingen van het IOB-onderzoek naar de Nederlandse humanitaire hulp in de periode 2000–2004, dat in 2006 werd afgerond.

• In het kader van GHD: positieve evaluatie van de pilots op het gebied van gezamenlijke financiering in DRC en Sudan, alsmede positieve evaluatie van het Central Emergency Response Fund (CERF) van de VN.

• Succesvolle afronding en follow-up van de introductie van de zogeheten «clusterbenadering» in de humanitaire hulpverlening.

Instrumenten/activiteiten

Het budget voor humanitaire hulpverlening voor 2007 bedraagt EUR 160 miljoen. Afname van de omvang van mondiale humanitaire noden is ook in 2007 niet verwachtbaar. Nederland zal in Brussel de oprichting van een Raadsformatie voor humanitaire aangelegenheden bepleiten, om humanitaire belangen en uitgangspunten in Brussel een eigen platform te geven waarmee de Raad kan worden bediend. Tot op heden is dit onvoldoende het geval, getuige onder meer de discussie over internationale rampenrespons. Met betrekking tot rampenrespons blijft Nederland zich inzetten voor ondersteuning door de EU van de leidende rol van de VN/OCHA.


Nederland zal verder een actievere rol van «niet traditionele donoren» in de verschillende adviesraden van humanitaire (VN-)organisaties bepleiten, om de donorbasis te verbreden. Via deze adviesraden, in GHD-verband en via het OESO/DAC-kanaal zal Nederland met gelijkgezinde donoren tevens verdere harmonisatie van donoreisen bepleiten, en dus vermindering van administratieve belasting.


Op basis van de resultaten van de pilots met gezamenlijke financiering in DRC en Sudan en de evaluatie van het CERF zal de regering breder gebruik van deze nieuwe instrumenten nastreven met het oog op verdere flexibilisering van de humanitaire financiering. Vooralsnog wordt de Nederlandse bijdagen aan het CERF vastgesteld op EUR 20 miljoen.


De regering ondersteunt het initiatief van OCHA voor de cluster-benadering, een nieuw humanitair coördinatiemechanisme. De eerste ervaringen hiermee in Pakistan zijn positief. De regering verwelkomt verdere experimenten en is in beginsel bereid bij te dragen aan bijvoorbeeld opleiding van VN-personeel. Op basis van ervaringen in 2005–2006 zullen in 2007 lessen worden getrokken voor toekomstige toepassing.


De meest geëigende kanalen voor humanitaire hulp zijn de VN, het Rode Kruis, alsmede diverse NGO’s. Voorts kunnen er mankracht en middelen van andere departementen worden ingezet, zoals bijvoorbeeld Defensie.


De resultaten van de evaluaties uit 2006 van humanitaire ontmijnings-NGO’s zullen worden geïntegreerd in de beleidsuitvoering.

Operationele doelstelling 7

Goed bestuur in prioritaire landen

Ontwikkelings- en transitieprocessen zijn onlosmakelijk verbonden met de kwaliteit van bestuur. Daarom wordt in alle partnerlanden goed bestuur betrokken bij de ontwikkelingsinspanning. Een uitgangspunt hierbij is de mensenrechtenbenadering van ontwikkeling: burgers hebben recht op participatie en medezeggenschap in het bestuur van hun land, regeringen zijn gehouden de mensenrechten van hun onderdanen te eerbiedigen, niet alleen de economische en sociale, maar ook de burger- en politieke rechten. Een tweede uitgangspunt is dat verbetering van bestuur de effectiviteit van de hulp vergroot. Hervormingsprocessen in overheid en samenleving worden ondersteund, met bijzondere aandacht voor democratisering en politieke participatie, ook van vrouwen en jongeren, versterking van de rechtsstaat, corruptiebestrijding, bevordering van een goed ondernemingsklimaat en gezonde openbare financiën. Nederland streeft hierbij naar vormen van hulp die aansluiten bij de beleids- en beheerssystemen van het ontvangende land.

Het Matra-programma voorziet in de ondersteuning van het maatschappelijke transformatieproces in vijftien Midden-, Zuid-Oost- en Oost-Europese landen gericht op de vestiging van democratisch geregeerde rechtsstaten. De bevordering van goed bestuur staat hierbij centraal. Prioriteit krijgen de opbouw en versterking van het maatschappelijk middenveld en de versterking van lokaal bestuur. In EU-kandidaatlidstaten ondersteunt Nederland via Matra tevens de voorbereiding op de toetreding. Daarnaast beoogt Matra het draagvlak in Nederland voor bilaterale samenwerking te versterken, onder andere door subsidiëring van samenwerkingsinitiatieven van Nederlandse organisaties met partners in de betrokken landen («twinning»). Matra zal mogelijk eveneens worden opengesteld voor een aantal landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten waar een positieve bijdrage aan de transformatie mogelijk is, bijvoorbeeld Marokko en Jordanië.


Effectindicatoren zijn de Kaufmann-indicatoren: inspraak/afleggen van rekenschap, politieke stabiliteit/afwezigheid geweld, effectiviteit van de overheid, kwaliteit van de regelgeving, suprematie van de wet en corruptiebeheersing. Een beperking van de Kaufmann-meting is dat deze een relatieve score geeft van landen ten opzichte van elkaar, en dus geen inzicht geeft in de trendontwikkeling per land. Ook is de toerekening van effecten aan Nederlandse activiteiten lastig. Voor de beoordeling wordt gebruik gemaakt van rapportages door de posten, Transparency International en studies van de Wereldbank.


De Nederlandse inzet op het terrein van goed bestuur richt zich op zowel de effectiviteit als de legitimiteit van bestuur. Er bestaan momenteel geen indicatoren die én de volle breedte van het Nederlandse goed bestuursbeleid bestrijken én het toelaten landen in de tijd onderling te vergelijken. In deze situatie is dus slechts een gedeeltelijke inschatting van de ontwikkelingen op het gebied van goed bestuur mogelijk. De Corruptie Perceptie Index (CPI) van Transparency International (TI) geeft scores op een specifiek onderdeel van goed bestuur, namelijk corruptie. De scores zijn gebaseerd op de perceptie van de mate van corruptie met waarden van 10 («uiterst schoon») tot 0 («uiterst corrupt»). Voor verantwoorde oordeelsvorming over de kwaliteit van het bestuur in een partnerland zullen ook rapportages van ambassades, studies van andere donoren en indicatoren zoals de Kaufmann indicatoren en de IRAI scores gebruikt moeten worden. Bij de interpretatie van de tabel moet worden aangetekend dat het aantal landen in de index is gestegen van 102 in 2002 tot 159 in 2005.

Land’Ranking’Score
 20052004200320022005200420032002
Afghanistan1172.5
Albanië12610892812.42.52.52.5
Armenië8882782.93.13.0
Bangladesh1581451331021.71.51.31.2
Benin88772.93.2
Bolivia117122106892.52.22.32.2
Bosnië-H.8882702.93.13.3
Burkina Faso703.4
Colombia556059574.03.83.73.6
Egypte707770623.43.23.33.4
Eritrea1071022.62.6
Ethiopië13711492592.22.32.53.5
Georgië130133124852.32.01.82.4
Ghana656470503.53.63.33.9
Guatemala117122100812.52.22.42.5
Indonesië137133122962.22.01.91.9
Jemen103112882.72.42.6
Kaap Verdië
Kenia144129122962.12.11.91.9
Macedonië103971062.72.72.3
Mali8877782.93.23.0
Moldavië88114100932.92.32.42.1
Mongolië85853.03.0
Mozambique9790862.82.82.7
Nicaragua1079788812.62.72.62.5
Uganda117102113932.52.62.22.1
Pakistan14412992772.12.12.52.6
Palestijnse Autoriteit107108782.62.53.0
Rwanda833.1
Senegal788576663.23.03.23.1
Sri Lanka786766523.23.53.43.7
Suriname78493.24.3
Tanzania889092712.92.82.52.7
Vietnam107102100852.62.62.42.4
Zambia10710292772.62.62.52.6
Zuid-Afrika464448364.54.64.44.8

Na te streven resultaten

• Op middellange termijn het verbeteren van de kwaliteit van het bestuur in de 36 partnerlanden op het gebied van democratie, rechtsstaat, economisch bestuur, het beheer van openbare financiën, anti-corruptiebeleid, accountability, transparantie en tevredenheid bij klanten van de publieke dienstverlening.

• Preventie en bestrijding van corruptie in partnerlanden en binnen de Nederlandse OS-programma’s door capaciteitsversterking van controlerende en rapporterende instellingen ten aanzien van de prestaties van publieke sector instituties.

• Opstellen van sectorspecifieke profielen teneinde de voor corruptie gevoelige bestuurlijke ketens en processen te identificeren. Dit geldt de sectoren Onderwijs, Gezondheidszorg, Milieu en Water in die landen, waar in deze sectoren Nederlandse OS-programma’s worden uitgevoerd.

• In ieder partnerland in de regio is tenminste één NGO’s in staat om actieve bijdragen te leveren – door middel van capaciteitsversterking, lobby of monitoring – aan verbetering van lokale bestuursorganisaties in Midden-, Zuid-Oost- en Oost-Europa en versterkt democratische bestel in de Matra-landen.

• Vergroot draagvlak in Nederland voor de samenwerking met Midden-, Zuid-Oost- en Oost-Europa en Noord-Afrika.

• Verdere stimulering van transformatiegerichte maatschappelijke initiatieven in zes landen van Noord-Afrika en het Midden-Oosten (Marokko, Algerije, Tunesië, Jordanië, Syrië en Libanon) en bevordering van de bilaterale dialoog met deze landen.

Instrumenten/activiteiten

De ontwikkelingsinspanning in de partnerlanden zal worden ondersteund door politieke dialoog met de overheid, institutionele en capaciteitsopbouw, contacten met het bedrijfsleven en ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. De strategieën van de ambassades zullen worden gebaseerd op een grondige analyse van de bestuurssituatie (inclusief analyse van de corruptiesituatie). Verder zal een intensieve uitwisseling van kennis en expertise plaatsvinden tussen de 36 partnerlanden onderling en met het departement, met kenniscentra, met multilaterale instellingen als UNDP, Wereldbank en OESO/DAC, en met NGO’s. Op landenoverstijgend niveau ondersteunt Nederland relevante internationale organisaties.

De komende jaren zal in Matra-kader in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) worden gewerkt aan versterking van lokaal bestuur via de ondersteuning van verenigingen van gemeenten, stedenbanden en gemeentelijke netwerken. De uitfasering van de samenwerking met de in mei 2004 toegetreden lidstaten zal medio 2007 zijn afgerond. EU-kandidaatlidstaten Bulgarije, Roemenië, Kroatië en Turkije zullen de komende jaren nog de nodige ondersteuning krijgen uit Matra. Rusland blijft binnen Matra een speciale plaats innemen. Bijzondere aandacht zal ook worden besteed aan uitbouw van de samenwerking met Oekraïne, waarbij het accent blijft liggen op versterking van het maatschappelijk middenveld. In de relatie met Belarus wordt vooral ingezet op mogelijke transformatie. De Matra-subsidieregeling is sinds kort ook opengesteld voor Moldavië. Op voorwaarde van nauwe aansluiting bij het kiesgroepbeleid zullen Georgië en Armenië volgen. De mogelijkheden voor verdere samenwerking met de potentiële kandidaatlidstaten op de Westelijke Balkan zullen worden geëxploreerd. Daarnaast zal mogelijk geleidelijke uitbouw van Matra plaatsvinden naar geselecteerde landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Operationele doelstelling 8

Het bevorderen van energievoorzieningszekerheid.

Energievoorzieningszekerheid heeft als dwarsdoorsnijdend thema raakvlakken met verschillende aspecten van het buitenlandbeleid: met veiligheid en stabiliteit, Europese samenwerking, ontwikkelingssamenwerking en milieu- en klimaatbeleid2. De regeringsreactie op het advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken en de Algemene Energieraad over energievoorzieningszekerheid en buitenlandbeleid, die in mei 2006 naar het parlement is gestuurd, geeft weer welke aanpak de regering ter zake voorstaat en op welke wijze de ministeries van EZ en BZ samenwerken.3

De veiligheid van een land vereist een gegarandeerde toelevering van energie tegen betaalbare en stabiele prijzen. De komende decennia, zolang innovatie nog niet heeft geleid tot een duurzame energiehuishouding, betekent dit sterke afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Een aanzienlijke verstoring van de olieen gastoevoer kan grote gevolgen hebben voor de economische stabiliteit en de orde en veiligheid. Het is daarom noodzakelijk dat de olie- en gasproductie wereldwijd gelijke tred houdt met de verwachte mondiale stijging van de behoefte aan deze brandstoffen en dat deze worden aangeboden op een goed functionerende wereldmarkt. Daartoe dient wereldwijd voldoende in nieuwe productie-, transport-, opslag- en verwerkingscapaciteit geïnvesteerd te worden. Markttoegang voor internationaal opererende energiebedrijven kan hieraan bijdragen. Gezien de toegenomen afhankelijkheid tussen consumenten, producenten en doorvoerlanden is het van essentieel belang om te investeren in de internationale dialoog. Dit draagt bij aan wederzijds vertrouwen, helpt stabielere marktverhoudingen te bevorderen en helpt voorkomen dat in een situatie van relatieve schaarste een strijd om energie ontstaat. Adequate internationale bemiddelingsen arbitrageprocedures moeten worden ontwikkeld om te voorkomen dat energiestromen worden onderbroken. Daarnaast is stabiele ontwikkeling in productie- en doorvoerlanden cruciaal. Daartoe bevordert Nederland veiligheid, evenwichtige politieke, sociale en economische ontwikkeling, goed bestuur en een transparant en non-discriminatoir investeringsklimaat in deze landen.


Nederland wil een actieve rol spelen bij het wereldwijde initiatief Energy for All, gericht op een verbeterde toegang tot energie voor de armen in ontwikkelingslanden en op de bevordering van hun energievoorzieningszekerheid (zie ook artikel 6.1).


Het Clingendael instituut en het Energieonderzoek Centrum Nederland doen een gezamenlijk onderzoek naar de mogelijkheden om de doelstellingen voor energievoorzieningszekerheid in kwantitatieve termen te vatten. Op basis van dit rapport, dat in het voorjaar van 2007 wordt verwacht, zal bezien worden of één of meer kwantitatieve effectindicatoren voor deze doelstellingen kunnen worden geformuleerd.

Na te streven resultaten

In het kader van de uitwerking van de notitie «Energievoorzieningszekerheid en Buitenlands Beleid» worden de volgende resultaten nagestreefd:

• Opstellen van een lijst met voor onze energievoorziening prioritaire landen en opzetten van een structurele bilaterale energiedialoog met een selectie van deze landen.

• Vergrote wederzijdse afhankelijkheid van Nederland/Europa en belangrijke energieproducenten, waaronder Rusland, door bevordering van investeringen over en weer en van politieke, commerciële en culturele betrekkingen. De Russische ratificatie van het Energiehandvestverdrag en afronding van de onderhandelingen over het Transitprotocol zijn prioriteit.

• Inbedding van energie als prioritair thema in de strategische relaties van de EU met consumentenlanden als China, India, de VS en Japan, met bijzondere aandacht voor energiebesparing, goed functionerende energiemarkten en stabiliteit in producerende landen. Zo mogelijk betrekken van China en India bij het IEA-oliecrisismechanisme.

• Opstarten dan wel verdiepen van de dialoog met energie-exporterende ontwikkelingslanden over onder andere verdeling van de opbrengsten en transparantie in financiële transacties, met het oog op bevordering van ontwikkeling en stabiliteit.

• Bevordering door de posten van de mogelijkheden voor Nederlandse bedrijven in de energiesector om handel te drijven en investeringen te doen die bijdragen aan Nederlandse en wereldwijde energievoorzieningszekerheid.

• In multilateraal kader: inzet van het Gemeenschappelijk Buitenland- en Veiligheidsbeleid voor het veiligstellen van de Europese energievoorziening; actieve participatie in politieke consultatie in de NAVO over energievoorzieningszekerheid en in beleidsontwikkeling in de EU en de NAVO over de bescherming van transportroutes van energie.

Instrumenten/activiteiten

Ter bevordering van de energievoorzieningszekerheid benut Nederland Europese en multilaterale kanalen, evenals de bilaterale betrekkingen. Een krachtig en geïntegreerd Europees energiebeleid is nodig om een concurrerende en duurzame interne energiemarkt te realiseren en draagt er eveneens toe bij dat op voet van gelijkwaardigheid wordt onderhandeld met grote derde landen of machtsblokken. Binnen de EU heeft de RAZEB, naast de Energieraad, hier een belangrijke rol te spelen. Multilaterale fora die voor de dialoog met consumenten- en/of producentenlanden worden benut zijn, naast de EU-dialogen met belangrijke producenten- en consumentenlanden zoals Rusland en OPEC, het Internationaal Energie Agentschap en het Internationaal Energie Forum. Daarnaast zijn de WTO en bilaterale investeringsovereenkomsten van belang om transparantie van markten, vrije handel en wederzijdse investeringen te bevorderen.

In de bilaterale betrekkingen versterkt Nederland de aandacht voor energievoorzieningszekerheid, onder meer door de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland intensiever te betrekken, door bezoeken op ministerieel niveau aan belangrijke energielanden en via bilaterale afspraken zoals memoranda of understanding (MoU).

Operationele doelstelling 9

Grotere veiligheid en stabiliteit door strijd tegen aantasting van het milieu en vernietiging van ecosystemen.

Voor de geïndustrialiseerde wereld zijn de aantasting van het milieu, vernietiging van ecosystemen en misbruik van natuurlijke hulpbronnen belangrijke bedreigingen voor veiligheid en welzijn op de langere termijn. In ontwikkelingslanden daarentegen vormt dit nu al vaak een bron van gewelddadige conflicten en armoede. In beide gevallen staat verdere aantasting van het milieu en vernietiging van ecosystemen het proces van duurzame ontwikkeling in de weg.


Uitputting van natuurlijke hulpbronnen, onvoldoende toegang tot water en voedsel, gebrek aan duidelijkheid over eigendomsrechten en illegale handel in hout en mineralen zijn mede oorzaak van conflicten in onder andere de Hoorn van Afrika, het Grote-Merengebied, het Congo-bekken, Darfur en het Midden-Oosten. Om veiligheid in deze gebieden te bevorderen als basis voor duurzame ontwikkeling, dienen oplossingen te worden gevonden en acties te worden ondernomen om de onderliggende oorzaken van de conflicten op effectieve wijze aan te pakken. Bij grensoverschrijdende milieuproblemen liggen deze op regionaal niveau. Stimuleren van samenwerking op basis van een regionale benadering ligt dan voor de hand. Te denken valt aan grensoverschrijdend beheer van stroomgebieden, regionale ecologische netwerken of natuurparken en duurzame en legale exploitatie van hout en mineralen.


Indicatoren die de voortgang op dit terrein kunnen bepalen zijn: een verbeterde samenwerking bij het beheer en de bescherming van parken, meren en rivieren, een afname van illegale exploitatie en handel in hout en mineralen, een verbeterde water-, energie- en voedselvoorziening en een verhoogde zekerheid ten aanzien van eigendoms- en gebruiksrechten op land en water.

Na te streven resultaten:

• Toegenomen bestuurlijke capaciteit om milieudegradatie te stoppen, zodat een veilige en duurzame leefomgeving voor de bevolking wordt gewaarborgd. Aanbevelingen van het Millennium Ecosystem Assessment zullen in dit kader zijn opgevolgd.

• In de Hoorn van Afrika, het Grote-Merengebied en het Congo-bekken zijn regionale programma’s ondersteund gericht op duurzaam beheer van (grensoverschrijdende) parken, meren en rivieren om samenwerking te bevorderen en conflicten rond water en grondstoffen te vermijden. In de Hoorn is tevens de productie en gebruik van duurzame energie bevorderd. In het Congo-bekken zijn programma’s ondersteund gericht op duurzaam bos- en waterbeheer. In het Grote-Merengebied is de druk op ecosystemen afgenomen door duurzame landbouw en regionale handelsbevordering. Duurzame en legale handel wordt bevorderd onder andere door samenwerking met de private sector.

• In Indonesië is een bijdrage geleverd aan het behoud van de veenbossen en aan het vergroten van veiligheid en stabiliteit in Kalimantan; in de stroomgebieden van de Nijl en de Niger wordt een bijdrage geleverd aan stabiliteit onder andere door het opzetten van monitoringssystemen ten behoeve van een verbeterd stroomgebiedbeheer.

• In Eritrea, Ethiopië, Rwanda, Sudan en Uganda is het beheer van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van veiligheid en stabiliteit geïntegreerd in de programma’s voor goed bestuur.

• In het kader van conflictpreventie zijn eigendomsen gebruiksrechten van land en water in vijf landen verzekerd.

• Nederland zal er als grootste bilaterale donor van het Nile Basin Initiative (NBI), een multi donor partnerschap onder leiding van de Wereldbank, naar streven dat de NBI-samenwerking in 2007 tot formele regionale structuren zal hebben geleid en dat concrete en zichtbare resultaten zijn bereikt op het gebied van waterbeheer, milieu, landbouwproductiviteit en energie-opwekking

Instrumenten/activiteiten

Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor coördinatie van de Nederlandse inzet op het gebied van internationaal milieubeleid. Het buitenlandbeleid zal op coherente wijze worden ingezet ter bevordering van de bovenstaande resultaten. In internationale fora zal Nederland de aandacht vestigen op ecologische veiligheid, waaronder de gevolgen van klimaatverandering voor mensen en natuurlijke hulpbronnen. Het duurzaam gebruik en beheer van natuurlijke hulpbronnen door middel van verbeterd stroomgebiedbeheer, ecologische netwerken en duurzame handel in natuurlijke hulpbronnen zal in het bilateraal buitenlandbeleid worden geïntegreerd en in regionale programma’s worden opgenomen.

D. Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Operationele doelstellingTitel van de evaluatieJaar van afronding 
  200420052006200720082009
 Beleidsdoorlichtingen1      
2.1De Nederlandse inzet t.b.v. een effectiever en meer politiek functioneren van de NAVO    X 
2.3Evaluatieexportcontrolebeleid    X 
2.5Bevordering regionale stabiliteit    X 
2.9Grotere veiligheid en stabiliteit door strijd tegen aantasting van het milieu en vernietiging van ecosystemen   X  
 Effectenonderzoekex post en overig      
 Evaluatieonderzoek      
2.2Operatie Enduring Freedom (OEF)X     
2.4Conventionele wapenbeheersing  X   
2.5Stabiliteitsfonds  X   
2.5VredesfondsX     
2.5International Security Assistance Force (ISAF) in Afghanistan/eindevaluatieX     
2.5AfghanistanReconstruction Trust Fund (ARTF) evaluatie X    
2.5Stabilisation Force Iraq (SFIR) X    
2.6Humanitaire hulp X    
2.6Financiering van ontmijningsprogramma’s via NGO’s X    
2.6Internationale evaluatie tsunamihulp X    
2.7Gemeentelijke internationale samenwerking en pre-accessie beleid (zie ook beleidsart. 3)X     
2.7EvaluatieMATRAprojectenX     
2.7Verkiezingsondersteuning X    
2.7Institutional Evaluation of the Netherlands Institute for Multiparty Democracy X    
2.7Goed bestuur (incl. corruptiebestrijding)    X 
2.9Effectiviteit internationale ontwikkelingssamenwerking t.b.v. duurzame ontwikkeling   X  

1 Het beleid ten aanzien van energievoorzieningszekerheid zal naar verwachting in 2010 worden geëvalueerd in de vorm van een beleidsdoorlichting (operationele doelstelling 2.8).

1  Afghanistan, Grote-Meren regio (DRC, Burundi), Uganda, Hoorn van Afrika (Ethiopie, Eritrea, Somalië), Sudan, West Afrika (Liberia, Ivoorkust), Zuidelijk Afrika (hongercrisis, gevolgen van aids), Palestijnse gebieden, non-ODA: Noordelijke Kaukasus. Indien nodig, wordt deze lijst aangepast.

2  Energievoorzieningszekerheid komt derhalve terug in respectievelijk de beleidsartikelen 2, 3, 4 en 6.

3  Bij brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en van Economische Zaken (d.d. 24 mei 2006) is de regeringsreactie «Energievoorzieningszekerheid en Buitenlands Beleid» aan de kamer aangeboden (TK 29 023, nr. 26).