Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

BELEIDSARTIKEL 3: VERSTERKTE EUROPESE SAMENWERKING

A. Algemene beleidsdoelstelling

Nederland wil een betrouwbare en solidaire partner zijn die blijft bijdragen aan de ontwikkeling van de Europese Unie en zich inzet voor verdere versterking van de Europese samenwerking en verdieping van de Europese integratie. Nederland zal zich daarbij constructief maar kritisch opstellen en steeds in het oog houden welke verwachtingen burgers hebben van Europa, welke zaken op Europees dan wel op nationaal niveau moeten worden aangepakt, welke concrete resultaten moeten worden geboekt en welke vernieuwingen en aanpassingen nodig zijn om Nederland en Europa in staat te stellen de uitdagingen van vandaag en morgen met vertrouwen tegemoet te treden.


Tijdens de periode waarin nagedacht wordt over het hervormingsproces van de Europese Unie, mogelijk resulterend in een verdragswijziging in 2008, dient de Unie geen afwachtende houding aan te nemen, integendeel. In deze periode dient beleidsmatig voortgang geboekt te worden op die terreinen waar de burger meer van de EU verwacht en moet adequaat ingesprongen worden op de uitdagingen waarmee de Unie geconfronteerd wordt. Voorts dient het debat over de toekomst van de EU – met burgers, met het maatschappelijk middenveld en met Europese partners – te worden voortgezet. Communicatie speelt hierbij een belangrijke rol.


Tijdige en effectieve interdepartementale coördinatie van het Nederlandse beleid in de Unie en adequate instructie voor onderhandelaars zijn onontbeerlijk voor de verwezenlijking van bovengenoemde doelstellingen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is daarvoor eerstverantwoordelijk en streeft steeds naar verbetering van de EU-coördinatie, bijvoorbeeld door het uitvoeren van de aanbevelingen uit het eindrapport «Sturing EU-aangelegenheden» (TK 29 362, nr. 61).4


Een overzicht van het Nederlands beleid ten aanzien van de Europese Unie wordt jaarlijks vastgelegd in de Staat van de Unie. Hierin wordt ook verslag gedaan van de uiteindelijke effecten van dit beleid.


Doelstellingen van de Europese Unie en de Raad van Europa

De Europese Unie (25 lidstaten) stelt zich ten doel de vrede, menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkwaardigheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten binnen haar lidstaten te bevorderen. De Unie zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige economische groei, van een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op groei, werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. De Unie biedt haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen, en een interne markt waarin de mededinging vrij en eerlijk is.

De genoemde doelen zijn in algemene termen in het EU verdrag verwoord. Daarnaast heeft de Europese Raad voor de periode 2000–2010 specifieke doelen gesteld, de zogenoemde Lissabon-agenda. Groei en werkgelegenheid zijn daarvan het hoofddoel. In haar externe betrekkingen draagt de Unie bij tot vrede, veiligheid, terrorismebestrijding, duurzame ontwikkeling, vrije en eerlijke handel, uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten.

De Europese Unie alsook de Raad van Europa willen de mensenrechten, een pluralistische democratie en rechtvaardigheid, alsmede de culturele identiteit en diversiteit van Europa bevorderen en aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken in de Europese samenleving en aan de democratische stabiliteit in Europa bijdragen.

B Budgettaire gevolgen van beleid (inclusief budgetflexibiliteit)

Beleidsartikel 3 Versterkte Europese samenwerking
Bedragen in EUR 10002005200620072008200920102011
Verplichtingen6 691 1657 597 7567 026 5917 694 8015 030 2916 637 9576 602 027
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal6 802 2726 649 9037 213 2617 854 9415 233 1396 840 8056 804 875
3.1 Nederlandse afdrachten aan de EU6 638 0836 485 2867 014 1987 639 4085 017 8986 625 5646 589 634
Juridisch verplicht  100%100%100%100%100%
Overig verplicht  0%0%0%0%0%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  0%0%0%0%0%
3.2 Ondersteuning bij pre- en post-accessie11 89911 80611 80011 00010 70810 70810 708
Juridisch verplicht  100%100%100%100%0%
Overig verplicht  0%0%0%0%100%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  0%0%0%0%0%
3.3 EOFEuropees ontwikkelingsfonds137 808140 418174 870192 140192 140192 140192 140
Juridisch verplicht  100%72%54%52%42%
Overig verplicht  0%28%46%48%58%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  0%0%0%0%0%
3.4 Nederlandse positie in de EU5 8913 3853 3853 3853 3853 3853 385
Juridisch verplicht  90%90%90%90%90%
Overig verplicht  6%6%6%6%6%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  4%4%4%4%4%
3.5 Raad van Europa8 5919 0089 0089 0089 0089 0089 008
Juridisch verplicht  100%100%100%100%100%
Overig verplicht  0%0%0%0%0%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  0%0%0%0%0%
        
Ontvangsten511 559518 267611 400623 628636 101648 823661 799
3.10 Perceptiekostenvergoedingen511 542518 267611 400623 628636 101648 823661 799
3.40 Restitutie Raad van Europa17000000

C. Operationele doelstellingen en instrumenten

Operationele doelstelling 1

Een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid, recht, veiligheid, welvaart en duurzame economische groei biedt.

Meer dan ooit zijn de lidstaten van de Europese Unie zich bewust dat het vertrouwen in het Europese project boven alles samenhangt met de concrete projecten en resultaten die lidstaten en EU-instellingen aan de burgers kunnen presenteren. De Europese Unie moet steeds in staat zijn in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en uitdagingen. Het besluit van de Europese Raad van juni 2006 om de periode waarin nagedacht wordt over het hervormingsproces van de Europese Unie voort te zetten, betekent wat dat betreft niet dat de Unie een afwachtende houding aan kan nemen. Integendeel, binnen de kaders van de bestaande verdragen dient voortgang geboekt te worden op terreinen als de verdere vervolmaking van de interne markt, versterking van de veiligheid, de bestrijding van terrorisme en de zorg voor milieu en klimaat. Ook thema’s als grensoverschrijdende criminaliteit, de versterking van de Europese economie en energie vragen om een actieve en resultaatgerichte Unie. Hierbij is het van het grootste belang dat steeds opnieuw de vraag wordt gesteld of beleid beter op het nationale dan wel op het Europese niveau gestalte dient te krijgen, alsook op welk niveau het beleid gefinancierd zou moeten worden.

Na te streven resulaten

• Bijdragen aan de verwezenlijking van de Lissabon-doelstellingen, mede gericht op de zogenaamde «Hampton Court»-doelstellingen (kennis en innovatie, ondernemingsklimaat, werkgelegenheid en energie). In dit kader zal tevens de implementatie zijn voortgezet van het Nationaal Hervormingsprogramma Lissabon 2005–2008.

• Constructieve Nederlandse bijdrage aan het debat over toekomstige ontwikkelingen van de EU op basis van het medio 2007 door het Duitse voorzitterschap te presenteren rapport over de stand van zaken met betrekking tot het Grondwettelijk Verdrag, waarin mogelijke verdere ontwikkelingen worden verkend. De Nederlandse bijdrage zal mede gebaseerd zijn op de uitkomsten van het opinieonderzoek naar de mening van de burger over Europese samenwerking, alsook op het uitgangspunt dat de Unie, ook in de toekomst, slagvaardig en democratisch kan functioneren om nieuwe beleidsuitdagingen aan te gaan.

• Zowel op Europees als nationaal niveau zal het toezicht op de goede toepassing van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit op voorgenomen EU-regelgeving aangescherpt zijn.

• Inzet voor een EU-uitbreidingsstrategie die gebaseerd is op het nakomen van toezeggingen, strikte toepassing van de criteria, waarborging van de kwaliteit van het proces, en aandacht voor absorptiecapaciteit en het publieke draagvlak.

• Nederland zal door steun verleend te hebben aan concrete voorstellen voor vereenvoudiging en vermindering van regels hebben bijgedragen aan administratieve lastenverlichting en aan een beter begrip bij de burger van de werkwijze en activiteiten van de Unie. Nederland zal zich in dit verband tevens ingezet hebben voor vergrote openbaarheid van de Europese besluitvorming en ruimere toegankelijkheid van EU-documenten.

• Nederland zal op basis van eigen analyse en na verkenning van het Europese krachtenveld de inzet bepaald hebben voor de voorziene evaluatie van de Europese begroting (2008/2009) waartoe de Europese Raad van december 2005 heeft besloten. Het algemene uitgangspunt hierbij is dat de Europese begroting in de toekomst beter moet aansluiten bij de actuele beleidsagenda van de Unie.

• Stimulering van de implementatie en verdere uitbouw van een volwaardig Europees energiebeleid gericht op voorzieningszekerheid, concurrentievermogen en duurzaamheid. De Nederlandse inzet zal bijgedragen hebben aan de aanname van een ambitieus energie-actieplan tijdens de Europese Raad van maart 2007.

• Verbeterde en effectievere implementatie van het Haags Programma, met bijzondere aandacht voor de verdere ontwikkeling van een gemeenschappelijk asiel- en migratiebeleid en geïntensiveerde terrorismebestrijding, op basis van de tussentijdse evaluatie van het Haags Programma (voorzien voor najaar 2006).

• Aanname van nieuwe, kosteneffectieve maatregelen en implementatie van bestaande Europese regelgeving die bescherming bieden op het gebied van milieu en gezondheid, waarbij rekening wordt gehouden met de consequenties voor de economie en voor niet EU-landen en producenten, in het bijzonder op de gebieden van klimaatverandering, bescherming en duurzaam gebruik van het zeemilieu en het tegengaan van luchtverontreiniging.

Instrumenten/activiteiten

Om de resultaten te bereiken wordt gebruik gemaakt van de volgende instrumenten: intensivering van bilaterale betrekkingen, coalitievorming en gezamenlijke initiatieven met daarvoor in aanmerking komende lidstaten, intensivering van de contacten met de instellingen van de Unie, uitwisseling met denktanks en NGO’s, vergroting van de deskundigheid in (o.a. via de Interdepartementale Commissie Europees Recht – ICER) en de toegankelijkheid van en bekendheid met Europees recht en regelgeving (o.a. via het Expertise Centrum Europees Recht ECER), uitdragen van het Nederlandse standpunt in juridische procedures voor het Europese Hof van Justitie in Luxemburg, bijdragen aan het maatschappelijk debat en publieksvoorlichting.

Operationele doelstelling 2

Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de Unie ten opzichte van derde landen of regio’s.

De Unie dient op het wereldtoneel een speler te worden wier politieke invloed overeenkomt met haar economisch gewicht. Vergroting van de eensgezindheid, verbeterde coherentie op verschillende beleidsterreinen en een grotere slagvaardigheid van het Europees extern beleid is hiervoor een voorwaarde. Om effectief in te kunnen spelen op de uitdagingen van internationale interdependentie en nieuwe dreigingen op mondiaal niveau heeft de Unie daarnaast partners in de wereld nodig. Het gaat hierbij onder meer om de bestrijding van internationaal terrorisme en criminaliteit, naleving van non-proliferatie, bevordering van mensenrechten en democratie, bevordering van vrede, veiligheid en stabiliteit, het veiligstellen van de energievoorziening, liberalisering van de wereldhandel, bevordering van het internationale investeringsklimaat, bescherming van het milieu, beheer van migratiestromen en de bestrijding van armoede (zie operationele doelstelling 3).


Ten aanzien van landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU, aan wie toetredingsperspectief is geboden, of landen die tot de buren van de zich uitbreidende Unie behoren, voert de Unie een actief beleid. Nederland zal zich strikt opstellen bij de beoordeling van de mate waaraan (potentiële) kandidaat-lidstaten aan de politieke en economische criteria voldoen en in hoeverre zij in staat zullen zijn de lidmaatschaps-verplichtingen aan te gaan. Gemaakte afspraken en gedane beloftes met betrekking tot uitbreiding van de Unie moeten worden nagekomen, maar Nederland zal in dit kader de kwaliteit van het uitbreidingsproces centraal stellen, niet tijdschema’s of data. De absorptiecapaciteit van de Unie zal daarbij een belangrijke rol spelen. Voor verdere uitbreiding is publiek draagvlak van groot belang. De EU dient voorlopig geen toetredingsperspectief aan te bieden aan buurlanden die dat thans niet hebben en waarmee de relatie wordt vormgegeven in het nabuurschapsbeleid.

Na te streven resultaten

• Versterkt extern EU-beleid, vooral dankzij een verbeterde samenhang tussen het GBVB en het externe beleid van de Gemeenschap. De noodzaak tot meer coherentie speelt met name op beleidsterreinen als migratie en werkgelegenheid, vrede en veiligheid, energie, landbouw, handel, ontwikkelingssamenwerking en milieu.

• Verhoogde beleidseffectiviteit, efficiëntie en transparantie in het externe beleid, onder meer door de inzet van het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument, het nieuwe externe financieringsinstrument dat TACIS en MEDA vanaf 1 januari 2007 zal vervangen. Nederland zal zich tevens ingezet hebben om inhoudelijke prioriteiten ook in de jaarlijkse EU-begrotingscyclus herkenbaar terug te laten komen.

• Versterkte bijdrage van de externe beleidsinstrumenten van de Unie, in het bijzonder het GBVB en het Europees Nabuurschapsbeleid, aan de Nederlandse en Europese energievoorzieningszekerheid, zowel direct via bevordering van het Europese energiebeleid als indirect via vergroting van veiligheid en stabiliteit in belangrijke productie- en doorvoerlanden.

• Beslissende stappen op weg naar succesvolle afronding van de Doha-ontwikkelingsronde met een ambitieuze en evenwichtige uitkomst die recht doet aan de ontwikkelingsdimensie.

• Verbeterd gebruik van de instrumenten die de Unie ter beschikking staan per land/regio waarbij prioriteit is gegeven aan de volgende regio’s:

– Westelijke Balkan: verdere voortgang van het Stabilisatie en Associatie Proces onder handhaving van de gestelde voorwaarden, met name versterking van de rechtsstaat, samenwerking met het Joegoslavië-Tribunaal, bestrijding georganiseerde misdaad en bevordering van regionale samenwerking en van economische hervormingen.

– De landen aan de Oostgrens van de EU: verbeterde implementatie van de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomsten (PSO) door uitvoering van nationale actieplannen in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid in Moldavië, Oekraïne, Georgië, Armenië en Azerbeidzjan. Speciale aandacht gaat uit naar democratische en economische hervormingen en de sluiting van terug- en overnameovereenkomsten. Onderhandelingen zijn gestart met Rusland over een nieuwe PSO en met Oekraïne over een nieuwe verdragsrelatie, onder meer op het terrein van energie.

– Mediterrane regio: voortzetting bilaterale en regionale samenwerking met betrokken landen gericht op mensenrechten, democratisering, veiligheid/terrorisme, migratie, (economische) hervormingen en dialoog met de Arabisch/Islamitische wereld, onder meer door implementatie en monitoring van de nationale Actieplannen in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid. Tevens geïntensiveerde ondersteuning van hervormingsprocessen via het Matra-programma, in het bijzonder in het geval van Marokko.

– VS: nauwere samenwerking en meer afstemming op terreinen als vrede en veiligheid (inclusief terrorismebestrijding), mensenrechten en democratie, handel (inclusief de beheersing van handelsconflicten) en energie.

– Azië: geïntensiveerde relaties met aandacht voor onder andere regionale stabiliteit, mensenrechten, democratisering, handel, energie-efficiëntie en een goed werkende internationale energiemarkt. Voortgang is geboekt in de onderhandelingen met China (raamwerkakkoord) en met een aantal landen in Zuid-Oost-Azië (partnerschaps- en samenwerkingakkkoorden).

• Verantwoorde voortzetting van het uitbreidingsproces met de volgende resultaten:

– Toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU per 1 januari 2007 indien aan alle toetredingsvoorwaarden is voldaan. In aanloop naar de toetreding heeft Nederland, met de Commissie, toegezien op uitvoering door beide landen van de aanbevelingen uit de voortgangsrapportage van september 2006.

– Toetredingsonderhandelingen zijn voortgezet met kandidaat-lidstaten Kroatië en Turkije met inachtneming van de van toepassing zijnde onderhandelingskaders, waarbij scherp is toegezien op de daadwerkelijke implementatie van gemaakte afspraken en het strikt nakomen van de door de EU gestelde criteria.

– Monitoring van de mate waaraan kandidaat-lidstaat Macedonië heeft voldaan aan de politieke criteria heeft plaatsgevonden op basis van een aantal referentiepunten (uit Macedonië’s nationale actieplan).

– In bilateraal en in Europees verband is ondersteuning verleend aan toetredende en (potentiële) kandidaat-lidstaten bij de pre-accessie en transformatie.

– Actieve Nederlandse bijdrage aan discussies op EU-niveau over de strategie ten aanzien van verdere uitbreiding van de Unie.

Instrumenten/activiteiten

Om de resultaten te bereiken wordt gebruik gemaakt van de volgende instrumenten: tijdige contacten met de instellingen van de Unie, coalitievorming en gezamenlijke initiatieven met andere lidstaten en een speciaal accent op samenwerking met de (nieuwe) buren van de Unie, uitwisseling met denktanks en NGO’s, bijdragen aan het maatschappelijk debat en publieksvoorlichting, gezamenlijke analyses en dialoog met partners buiten de EU, optimaal gebruik van bilaterale en EU pre-accessieprogramma’s, en partnerschaps- en nabuurschapsfaciliteiten (onder andere door «Twinning»-activiteiten). De contacten die in het verleden zijn opgebouwd door middel van Matra voor Europese Samenwerking bevorderen nu coalitievorming met de nieuwe EU-lidstaten. Dit zal in de toekomst ook moeten gelden voor de kandidaat-lidstaten en de ooster- en zuiderburen van de Europese Unie door het ontwikkelen van bilaterale activiteiten zoals het aangaan van ambtelijke samenwerking, het aanbieden van korte en lange opleidingen en het opzetten van pre-accessieprojecten. Voor het bevorderen van energievoorzieningszekerheid worden naast de genoemde instrumenten van extern beleid ook de dialogen van de EU met belangrijke producenten (Rusland, OPEC, GCC) en consumenten (VS, China, India, Japan) benut.

Operationele doelstelling 3

Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de EU ten opzichte van ontwikkelingslanden of -regio’s.

De centrale doelstelling van het EU-beleid voor ontwikkelingssamenwerking is, evenals het Nederlandse beleid, de duurzame vermindering van armoede. Daarnaast staan de bevordering van duurzame integratie van hulpontvangende landen in de wereldeconomie en het bevorderen van rechtsstaat en democratie centraal.

De ontwikkelingssamenwerking van de Europese Unie is de laatste jaren aanzienlijk veranderd. Door het in 2000 in gang gezette hervormingsproces van de Commissie-diensten zijn de kwaliteit van de hulp en de snelheid waarmee deze wordt geleverd, toegenomen. Daarnaast zijn in EU-verband afspraken gemaakt op basis van internationale conferenties. Ter voorbereiding van de VN-Top in september 2005, hebben de lidstaten afspraken gemaakt over interim-doelstellingen voor 2010 met betrekking tot de omvang van de official development assistance (ODA). Afgesproken werd dat het EU-gemiddelde in 2010 op 0,56 procent van het BNP dient te liggen, dat voor de EU-15 in datzelfde jaar een individuele doelstelling van 0,51 procent geldt en voor de tien recent toegetreden lidstaten een doelstelling van 0,17 procent. Ook werden nieuwe afspraken gemaakt over effectiviteit van de hulp, harmonisatie en coördinatie, en coherentiebeleid. Alle veranderingen hebben hun beslag gekregen in het onlangs herziene Verdrag van Cotonou en in de EU/EG-Beleidsverklaring Ontwikkelingssamenwerking (december 2005).

De regering meent dat voortgang ten aanzien van de gemaakte afspraken, met name op het gebied van interim-ODA-doelstellingen, de effectiviteit van hulp en beleidscoherentie, noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de MDG’s in 2015 (zie ook beleidsartikel 4.2).

Na te streven resultaten

• Verbeterde effectiviteit van de Europese ontwikkelingssamenwerking door een zo effectief mogelijke besteding van de toenemende middelen en de implementatie van beleidsafspraken die de afgelopen jaren zijn gemaakt (zoals vastgelegd in de afspraken ter voorbereiding van de VN-Top van september 2005 en in de nieuwe Beleidsverklaring Ontwikkelingssamenwerking van december 2005).

• Operationaliseren van de afspraken die in EU-verband zijn gemaakt over harmonisatie en coördinatie en – in het verlengde daarvan – complementariteit.

• Uitvoering van de in 2005 gemaakte afspraken over verdere hervormingen van de Commissie-diensten, met name waar het gaat om stroomlijning van procedures, adequate expertise op veldniveau, en aandacht voor complementariteit en monitoring en evaluatie.

• Concrete vertaling van de in 2005 vastgestelde doelstellingen voor het ontwikkelingsbeleid van de EU (armoedebestrijding en Millenniumontwikkelingsdoelen) in de verdere invulling van het financiële kader voor 2007–2013. Ook de afspraak dat de EU haar inspanningen ten aanzien van de armste ontwikkelingslanden, vooral in Afrika, zal intensiveren, behoeft uitvoering; één en ander kan mogelijk gemaakt worden door een herschikking van de hulpprogramma’s van de Gemeenschap.

• Implementatie van de afspraken van mei 2005 over ODA-doelstellingen, te verifiëren aan de hand van de jaarlijkse voorjaarsrapportage van de Commissie.

• Verbeterd gebruik van de instrumenten die de Unie ter beschikking staan voor de regio Sub-Sahara Afrika, waaronder de Afrikaanse Vredesfaciliteit, de EU-Waterfaciliteit en de EU-Energiefaciliteit. Verbetering van de uitvoering van de hulp met middelen uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) door middel van beoordeling van het Jaarverslag Ontwikkelingssamenwerking van de Commissie en door controle op hoofdlijnen via het EOF-Comité.

• Een geïntensiveerde EU-Afrika dialoog en ondersteuning van regionale organisaties door nadere invulling van de EU-Afrika strategie, met speciale aandacht voor ondersteuning van de Afrikaanse Unie en regionale organisaties op het gebied van vrede en veiligheid, goed bestuur, migratiemanagement en de continuering van steun in de strijd tegen hiv/aids.

• Jaarlijkse rapportage over de behaalde resultaten van de Rabatverklaring over migratie en ontwikkeling.

• Grotere OS-beleidscoherentie in het beleid van de Commissie en de lidstaten, in het bijzonder op de gebieden landbouw, vrede en veiligheid, migratie, milieu en handel (WTO-Doha Development Agenda en Economic Partnership Agreements), onder andere door middel van opstelling van een EU-actieplan.

Instrumenten/activiteiten

Om de resultaten te bereiken wordt gebruik gemaakt van de volgende instrumenten: coalitievorming en gezamenlijke initiatieven met andere lidstaten (onder andere gelijkgezinde lidstaten en lidstaten waarmee wordt samengewerkt in het kader van het EU-coherentie netwerk), tijdige contacten met de instellingen van de Unie, blijvende agendering van OS-coherentiedossiers op de agenda van de RAZEB en andere relevante Raden, uitwisseling met denktanks en NGO’s, bijdragen aan het maatschappelijk debat en publieksvoorlichting.

De Nederlandse afdrachten aan de Eigen Middelen van de Unie worden ook ingezet ter financiering van het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap. Het EOF wordt buiten de Unie-begroting gefinancierd.

Operationele doelstelling 4

Versterkte Nederlandse positie in de Unie van 25.

Een sterke Nederlandse positie in de EU is essentieel om de belangen en prioriteiten van Nederland verdisconteerd te krijgen in de EU-besluitvorming. In de Unie van 25 is een actieve maar ook versterkt bilaterale inzet geboden. Er bestaat nu immers minder tijd voor inhoudelijke discussie binnen de Raad, het Coreper, de PSC en de diverse werkgroepen. Daarom moet de Nederlandse inzet voorafgaand aan officiële en informele vergaderingen meer dan voorheen in de verschillende hoofdsteden overtuigend over het voetlicht worden gebracht om medestanders te winnen. Dit betekent tevens dat Nederland in een vroeger stadium zijn belangen moet identificeren en zijn standpunten moet formuleren. Er zal sprake zijn van coalities op basis van de belangen in kwestie. Gezien de invloed van de grote landen (Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Italië, Polen en Spanje) is blijvend intensief contact met deze landen noodzakelijk. Daarnaast verdient de samenwerking met middelgrote en kleinere landen binnen de EU constante aandacht, al dan niet binnen bestaande kaders voor regionale samenwerking (Benelux, Visegrad, Noordelijke landen). Het spreekt vanzelf dat met (inkomende) EU-voorzitterschappen nauw contact wordt onderhouden (in de eerste helft van 2007 zal dit Duitsland zijn, in de tweede Portugal). Het ministerie van Buitenlandse Zaken zal zich ervoor inspannen dat ook andere departementen zoveel mogelijk bijdragen aan de intensivering van de bilaterale betrekkingen en dat die intensivering, behalve via ambtelijk overleg, ook op andere manieren vorm wordt gegeven (bijvoorbeeld door betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld).

Na te streven resultaten

• Effectieve Nederlandse inzet in de EU-besluitvorming door intensief bilateraal contact met EU-lidstaten (en toekomstige EU-lidstaten), met name de grote lidstaten en (inkomende) EU-voorzitterschappen.

• Bestendiging van bestaande en realisering van wisselende coalities van EU-lidstaten, op basis van de belangen die op het spel staan.

• Versterkte bilaterale samenwerking ten aanzien van grensoverschrijdende vraagstukken.

• Grotere betrokkenheid van de andere departementen en het maatschappelijk middenveld bij de bilaterale betrekkingen van Nederland.

Instrumenten/activiteiten

De regering zal gebruik maken van alle instrumenten die haar ter beschikking staan, waaronder intensief bilateraal overleg – zowel op politiek als op ambtelijk niveau –, inzet en uitwisseling van ambtelijke expertise, financiële bijdragen aan projecten gericht op de intensivering van de bilaterale betrekkingen met een aantal landen (waaronder conferenties met Duitsland, Frankrijk, België, het Verenigd Koninkrijk, Polen en Turkije) en inzet van Matra-middelen voor nieuwe en kandidaat-lidstaten en aan de EU grenzende landen. Tevens wordt gebruik gemaakt van het instrument van detachering van diplomaten bij belangrijke EU-lidstaten.

Operationele doelstelling 5

Een hechtere Europese waardengemeenschap.

Ook in 2007 staat de Nederlandse inzet in de Raad van Europa in het teken van de uitvoering van de besluiten van de Derde Top van de Raad van Europa (mei 2005 te Warschau). Zo blijft Nederland pleiten voor een concentratie van de activiteiten van de Raad van Europa in de vorm van bevordering van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat. Dat zijn de beleidsterreinen waarop de Raad van Europa zichzelf heeft bewezen en waarop hij de meeste toegevoegde waarde heeft. Waar nodig kan dit worden aangevuld met activiteiten die bijdragen aan de bevordering van de maatschappelijke omstandigheden waarin de bevordering van mensenrechten, democratie en rechtsstaat tot hun recht komen (bijv. sociale cohesie, onderwijs en cultuur). De komende jaren zullen activiteiten op het gebied van de interculturele dialoog naar verwachting om extra aandacht vragen. De activiteiten van de Raad zullen worden getoetst aan de relatie met de kernterreinen mensenrechten, democratie en rechtsstaat opdat de schaarse financiële middelen effectiever worden gebruikt voor toezicht op en naleving van de in de conventies neergelegde verplichtingen. Uitgangspunt is het behoud en versterking van het Europees mensenrechtenacquis en in het bijzonder van het Europees Hof van de Rechten van de Mens en andere toezichthoudende instellingen van de Raad van Europa. Nederland hoopt dat de eind 2006 verwachte aanbevelingen van de Groep van Wijzen een waarborg zullen zijn voor een effectief functionerend Hof waaraan Nederland het grootste belang hecht.

Het in april 2006 gepubliceerde Rapport-Juncker over samenwerking tussen de Raad van Europa en de Europese Unie pleit voor een nauwe institutionele en operationele samenwerking op alle niveaus tussen de Raad van Europa en de Europese Unie, opdat deze organisaties werkelijk complementair worden. Nederland steunt dit pleidooi.

Uiteindelijk wordt gestreefd naar een beter gestroomlijnde Raad van Europa met een eigen plek in de Europese «architectuur», op basis van een duidelijk profiel dat bijdraagt aan een effectief toezicht op grondrechten in Europa. Nederland zal in het verlengde van de institutionele ontwikkelingen die voortvloeien uit de Derde Top dan ook meer aandacht willen besteden aan taken van de Raad van Europa die betrekking hebben op het toezicht houden op en het bevorderen van het respect voor grondrechten.

Na te streven resultaten

• Concentratie van de activiteiten van de Raad van Europa op democratie, mensenrechten en rechtsstaat;

• Versterkte institutionele en operationele samenwerking tussen de Raad van Europa en de EU en de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE);

• Terugdringing van de werklast van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens door middel van de afronding van de in 2004 genomen maatregelen en het in werking treden van Protocol 14 bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens;

• Concrete voortgang in de besluitvorming over een meer solide financiële basis van het Hof op grond van het rapport van de Groep van Wijzen en andere toezichthoudende instellingen van de Raad van Europa.

Instrumenten/activiteiten

De regering zal zoveel mogelijk gebruik maken van alle instrumenten die haar ter beschikking staan, zoals Nederlandse deelname aan de discussies in stuurgroepen, rapporteurgroepen en het Comité van Ministers op de individuele beleidsterreinen; interdepartementale afstemming van het Nederlands beleid ten aanzien van de Raad van Europa; afstemming van de Nederlandse inzet in Europees verband via met name de EU Raadswerkgroep COSCE (OVSE en Raad van Europa) en waar mogelijk coalitievorming en gezamenlijke initiatieven met andere lidstaten, onder meer in EU-coördinatie overleg in Straatsburg en afstemming met het Secretariaat van de Raad van Europa.

D. Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Operationele doelstellingTitel van de evaluatieJaar van afronding 
  200420052006200720082009
 Beleidsdoorlichtingen      
3.2Extern beleid onder de nieuwe Financiële    X 
 Perspectieven      
3.4Versterkte Nederlandse positie in de Unie van 25  X   
 Effectenonderzoek ex post en overig      
 Evaluatieonderzoek      
3.1Tampere agendaX     
3.1Tussentijdse evaluatie Haags Programma    X 
3.2Gemeentelijke internationale samenwerking en pre-accessiebeleid (zie ook beleidsart. 2)X     
3.2Een uitgebreid Europabeleid X    
3.3Coördinatie, complementariteit en coherentie (de drie C’s) van het verdrag van Maastricht  X   
3.3Governance for effective EU external actionX     
3.4Kabinetsnotitie resultaten Nederlandse EU voorzitterschap X    
3.4Evaluatieeffectiviteit Nederlandse EU voorzitterschap  X   
3.5Terugblik op het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van EuropaX     

4  Zie ook de kabinetsreactie op het nader rapport van de Raad van State.