Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

BELEIDSARTIKEL 4: MEER WELVAART EN MINDER ARMOEDE

A. Algemene beleidsdoelstelling

Duurzame vergroting van welvaart in alle landen door vermindering van armoede, een open handels- en financieel systeem, alsmede het behartigen van de belangen van het Nederlands bedrijfsleven.


Mondialisering biedt kansen voor welvaartsgroei voor een toenemend aantal mensen in Nederland en de Europese Unie, voor armoedebestrijding in ontwikkelingslanden, voor internationale handel, voor meer veiligheid en een beter milieu. Kortom: kansen voor duurzame ontwikkeling. Nederland streeft naar het versterken van de internationale economische rechtsorde die bijdraagt aan het verbeteren van de internationale marktwerking. Hierdoor ontmoeten handel en investeringen minder belemmeringen en wordt de integratie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie bevorderd en kunnen ook zij profiteren van de kansen die liberalisering van de wereldhandel biedt. Door middel van een integrale benadering, gericht op duurzame ontwikkeling, streeft Nederland naar meer coherentie tussen het handelsbeleid en het ontwikkelingsbeleid.


Handelsliberalisatie is van groot belang voor de Nederlandse economie, maar er mag niet voetstoots worden aangenomen dat Nederland zijn handelspositie zal weten te handhaven als de wereldhandel verder groeit. De ministeries van LNV, Economische Zaken en Buitenlandse Zaken werken daarom gezamenlijk in Den Haag en op de Nederlandse vertegenwoordigingen aan het scheppen van gunstige voorwaarden voor en het geven van nieuwe impulsen aan de internationale economische activiteiten van Nederlandse burgers en bedrijven opdat deze kunnen bijdragen aan duurzame economische ontwikkeling.


Een sterke en concurrerende particuliere sector is onontbeerlijk voor economische ontwikkeling en armoedevermindering in ontwikkelingslanden. Een goed ondernemingsklimaat met oog voor de armen en ontwikkeling van capaciteit kan bijdragen aan toename van productieve bedrijvigheid.


Nederland sluit aan bij nationale armoedestrategieën en streeft naar samenwerking op sectoraal niveau onder erkenning van sectoroverstijgende belangen. De inzet is gericht op vergroting van kwaliteit en effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking door concentratie op landen en sectoren, coördinatie en harmonisatie en het zichtbaar maken van de resultaten van de Nederlandse inspanningen. De MDG’s vormen het kader voor de Nederlandse inzet. Nederland streeft naar het vergroten van actieve betrokkenheid van zoveel mogelijk landen en organisaties bij het bereiken van de MDG’s in 2015 langs het pad van duurzame ontwikkeling en het regelmatig afleggen van verantwoording over de resultaten.


Vrede, veiligheid en stabiliteit zijn noodzakelijke voorwaarden voor duurzame ontwikkeling. Een aantal partnerlanden vervult zijn rol op dit terrein echter in onvoldoende mate, bijvoorbeeld ten aanzien van publieke dienstverlening en het creëren van een gunstige omgeving voor welvaartsgroei en armoedevermindering.


Daarnaast wordt ook gewerkt aan institutionele- en capaciteitsontwikkeling, gericht op duurzame armoedevermindering. Bewustwording en versterking van de capaciteit van mensen en instituties is van belang opdat zij hun ontwikkeling in eigen hand kunnen nemen. In door Nederland gefinancierde programma’s wordt ingezet op ondersteuning van partnerlanden waarbij die landen zelf een leidende rol dienen te spelen bij capaciteitsontwikkeling. Dit betekent dat Nederland een minder proactieve rol speelt bij beleidsformulering, beheer en kennisoverdracht in partnerlanden en meer aandacht schenkt aan facilitering van politieke en institutionele omgevingsanalyse, identificatie en ondersteuning van veranderingsprocessen en het delen en leren van ervaringen op het gebied van capaciteitsontwikkeling. Dit sluit aan bij het DAC rapport The Challenge of Capacity Development: Working Towards Good Practice en de doelstellingen over capaciteitsontwikkeling in de Parijs Verklaring.


In september 2005 werd het Kennisforum religie en ontwikkelingsbeleid opgericht. Dit is een samenwerkingsverband tussen het ministerie en een groot aantal particuliere ontwikkelingsorganisaties. Voor 2006 heeft het Kennisforum een ambitieus werkplan aangenomen waarin getracht wordt de rol van religie en faith-based actoren in kaart te brengen met het oog op armoedebestrijding in het algemeen, en op de volgende gebieden in het bijzonder: hiv/aids, reproductieve rechten en gender; conflictpreventie en vredesopbouw; goed bestuur; wegnemen van de voedingsbodem voor terrorisme.

In 2007 zullen de resultaten van dit onderzoek (dat gebruik maakt van drivers of changeanalyses) gebundeld worden en worden opgenomen in een handreiking voor de ambassades en directies enerzijds en de particuliere organisaties anderzijds. Hiermee wordt o.a. de aandacht voor religie en faith-based actoren in de MJSP’s en jaarplannen van de ambassades bevorderd.

Beleidsartikel 4 Meer welvaart en minder armoede
Bedragen in EUR 10002005200620072008200920102011
Verplichtingen1 041 3941 172 003456 199709 920970 7771 054 9141 438 066
        
Uitgaven:       
        
Programma-uitgaven totaal827 539890 945690 297895 6011 156 7641 251 9011 587 353
4.1 Handels- en financieel systeem30 41562 22561 56961 28161 28161 28161 281
Juridisch verplicht  60%69%68%65%60%
Overig verplicht  40%31%32%30%28%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  0%0%0%5%12%
4.2 Armoedevermindering492 604443 841222 036486 722748 525832 6621 220 814
Juridisch verplicht  64%38%11%9%8%
Overig verplicht  34%59%75%75%74%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  2%3%14%16%18%
4.3 Ondernemingsklimaatontwikkelingslanden277 146360 633385 427326 333325 693336 693283 993
Juridisch verplicht  37%35%24%22%20%
Overig verplicht  62%64%75%76%77%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  1%1%1%2%3%
4.4 Kwaliteit en effectiviteit ontwikkelingssamenwerking23 53518 97116 00016 00016 00016 00016 000
Juridisch verplicht  100%100%100%100%100%
Overig verplicht  0%0%0%0%0%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  0%0%0%0%0%
4.5 Nederlandse handels- en investeringsbevordering3 8395 2755 2655 2655 2655 2655 265
Juridisch verplicht  0%0%0%0%0%
Overig verplicht  100%100%100%100%100%
Beleidsmatig nog niet ingevuld  0%0%0%0%0%
        
Ontvangsten15 23132 73734 77637 56540 29520 82320 823
4.10 Ontvangsten tijdelijke financiering NIO en restituties15 23132 73734 77637 56540 29520 82320 823

Operationele doelstelling 1

Een open, op regels gebaseerd en voorspelbaar, niet-discriminerend handels- en financieel systeem.

Een open handelssysteem kan niet zonder regels en disciplines die zwakkere landen beschermen tegen willekeurige handelsmaatregelen van sterke landen. De WTO vormt het multilaterale kader waarbinnen deze ordening gestalte krijgt. Nederland wil de ontwikkelingsdimensie van de WTO verder versterken binnen de Doha Development Agenda (zie ook de begroting van het eerstverantwoordelijke ministerie voor de handelspolitiek EZ). Nu de onderhandelingen eind juli 2006 voor onbepaalde tijd zijn opgeschort, is de afronding van deze WTO-ronde, die de handelskansen van ontwikkelingslanden aanzienlijk moet verbeteren, onzeker geworden. Nederland zal zich inzetten voor een spoedige hervatting van de onderhandelingen gericht op een ambitieus en evenwichtig eindresultaat dat recht doet aan de ontwikkelingsdimensie. Om te bevorderen dat ontwikkelingslanden profiteren van nieuwe handelskansen onder een dergelijk akkoord, wil Nederland een gerichte en gecoördineerde inzet van hulp bij de uitvoering van te maken WTO-afspraken in het bijzonder bij handelsfacilitatie en bij de opbouw van productiecapaciteit. Het handels- en ontwikkelingsinstrumentarium van de Europese Unie moet mede bijdragen aan de verbetering van handelskansen voor ontwikkelingslanden. In dat kader hecht Nederland belang aan de onderhandelingen van de EU met de ACS-landen (Afrika, Caraïben, Stille Oceaan) over de Economic Partnership Agreements (EPA’s), die eind 2007 moeten zijn afgerond en aan een gerichte programmering van de EU-hulp in de landenstrategieën.


De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) speelt een belangrijke rol bij het analyseren van maatschappelijke- en globaliseringsvraagstukken vanuit economisch perspectief. Door het inzetten van instrumenten als peer reviews, best practices en soft law tracht de OESO mondiaal duurzame economische ontwikkeling te bewerkstelligen. Het is van belang dat alle grote spelers in de wereldeconomie, zoals bijvoorbeeld India en China hierbij worden betrokken. Intensievere samenwerking met deze landen is gewenst. De OESO en de aan de organisatie gelieerde Consensusgroep en International Energy Agency (IEA) bieden daarnaast een platform om te spreken over respectievelijk verdere ontbinding van de hulp en energievraagstukken.


Het kader voor deze operationele doelstellling wordt met name gevormd door MDG 8:

Doelstelling 12: Verder ontwikkelen van een open en eerlijk, rule-based, voorspelbaar, niet-discriminerend handels-en financieel systeem
Indicatoren:19901996200020022004Doel 2015
% EU-importen (in waarde) met tariefvrije markttoegang, uitgezonderd wapens en olie, uit:      
Ontwikkelingslanden41,556,366,277,4Geen mondiale streef-
Minst ontwikkelde landen94,297,596,295,3waarde, toename
       
Gemiddelde EU-tarief op landbouwproducten uit:      
Ontwikkelingslanden      
– MFN16,513,314,214,4Geen mondiale streef-
– Preferentieel13,311,712,311,5waarde, toename
Minst ontwikkelde landen      
– Preferentieel3,63,14,72,8 
       
Gemiddelde EU-tarief op kleding uit:      
Ontwikkelingslanden      
– MFN12,712,112,011,7Geen mondiale streef-
– Preferentieel9,69,28,85,5waarde, toename
Minst ontwikkelde landen      
– Preferentieel0,00,01,01,0 
       
Steun aan agrarische producenten binnen de EU (PSE), in waarde (USD mld)1124,9133,997,5103,6136,1Geen mondiale streef- waarde, afname

1 Cijfer voor 2004 heeft betrekking op de EU25, eerdere cijfers op de EU15


Over het verwezenlijken van de MDG’s 1–7 wordt regelmatig gerapporteerd, zowel op wereldwijd niveau door de VN, als door individuele landen, maar een rapportageverplichting voor OESO-landen ontbreekt. Nederland rapporteert tweejaarlijks over MDG-8. De eerste rapportage kwam uit in 2004, de tweede werd gepresenteerd in 2006.

Na te streven resultaten

• Spoedige hervatting van de WTO onderhandelingen in het kader van de Doha Development Agenda.

• Bij de afronding van de Doha Development Agenda heeft Nederland bijgedragen aan het handhaven van het ambitieniveau en het uitwerken van de ontwikkelingsdimensie in de uiteindelijke afspraken. Dit houdt in minimaal ambitieuze resultaten op:

• Landbouw op alle drie pilaren: afbouw van exportsteun, vermindering van handelsverstorende binnenlandse steun en verruiming van markttoegang met specifieke resultaten voor katoen en disciplinering van gebonden voedselhulp.

• Industrieproducten door ambitieuze verruiming van de markttoegang voor producten uit ontwikkelingslanden in rijke landen en een evenwichtige marktopening in ontwikkelingslanden.

• Volledig vrije markttoegang voor alle producten van de MOLs in alle OESO-landen en rijke ontwikkelingslanden.

• Nederland heeft bijgedragen aan het tot stand komen van een akkoord over handelsfacilitatie en van effectieve Aid for Trade programma’s, waarin wordt gewerkt aan de aanpak van problemen die het gevolg zijn van liberalisering, aan steun bij implementatie van WTO-akkoorden en aan de opbouw van aanbods- en handelscapaciteit.

• De Nederlandse inzet tijdens de afronding van de onderhandelingen over de EPA’s heeft bijgedragen aan akkoorden die regionale integratie bevorderen, meer marktkansen bieden voor ACS-landen, oplossingen aandragen voor verminderde tariefinkomsten van overheden en ruimte bieden voor de ontwikkeling van hun productiepotentieel.

• Nederland heeft er ook in 2007 aan bijgedragen dat bij het ontwerpen van sanitaire en fyto-sanitaire maatregelen (SPS) en technische voorschriften (Technical Barriers to Trade, TBT) in de EU de effecten op ontwikkelingslanden expliciet worden meegewogen, zodat nieuwe productnormen zo min mogelijk handelsbelemmerend werken.

• Het bevorderen van de samenwerking tussen de OESO en een aantal opkomende economieën en gelijkgezinde landen, waaronder de zes EU lidstaten die nog geen lid zijn van de OESO (Cyprus, Estland, Letland, Litouwen, Malta en Slovenië). Deze samenwerking moet uiteindelijk leiden tot een weloverwogen toekomstige uitbreiding.

• Het in toenemende mate agenderen van globaliseringsvraagstukken in de OESO, dit mede met het oog op de bestaande wisselwerking tussen de OESO en de G8.

• Realisatie van Nederlandse betrokkenheid bij opvolging en – waar nodig en mogelijk – beinvloeding van G8 besluiten via bilaterale relaties en multilaterale fora.

Instrumenten/Activiteiten

Met andere ministeries (EZ, LNV en VROM) wordt gewerkt aan coalitievorming en gezamenlijke initiatieven met gelijkgezinde landen en het maatschappelijk middenveld. In de beleidsdialoog met partnerlanden, multilaterale en internationale organisaties worden de Nederlandse prioriteiten naar voren gebracht. Er wordt bijgedragen aan onderzoek waarbij de effecten van liberaliseringsopties op armen bestudeerd worden. Resultaten worden actief verspreid en bediscussiëerd. Handelsgerelateerde bilaterale en multilaterale technische assistentie wordt geboden. Het ambasadenetwerk wordt ingezet voor beter inzicht in opstelling en positie van (met name Afrikaanse) landen in internationale onderhandelingen voor beter begrip van de Nederlandse en EU-positie aan Afrikaanse zijde. Er wordt bijgedragen aan de IFI’s (zie de begroting van het ministerie van Financiën).

Operationele doelstelling 2Een significante vermindering van het percentage mensen dat moet rondkomen van minder dan een dollar per dag.

Armoedebestrijding is de hoofddoelstelling van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Deze doelstelling sluit direct aan bij MDG 1. VN-organisaties en internationale financiële instellingen spelen een rol in het realiseren daarvan. Nederland volgt de wijze waarop zij de MDG’s operationaliseren en afstemmen met PRSP’s. Wereldbank en IMF houden zich ook bezig met de schuldenproblematiek. Nederland zet in op verfijning van de criteria die in het raamwerk voor schuldhoudbaarheid worden gehanteerd en op brede toepassing van dat raamwerk, opdat nieuwe onhoudbare schulden en daarbij behorende schuldverlichting voorkomen kunnen worden.


Ook in de bilaterale samenwerking staan de MDG’s en de koppeling aan de PRSP’s centraal, met sectorale en sectoroverstijgende hulp als organiserend principe, bij voorkeur in combinatie met hulpmodaliteiten die volledig in harmonie zijn met nationale plannen.


De samenwerking met particuliere organisaties en het bedrijfsleven draagt eveneens bij aan de realisatie van deze doelstelling. In het nieuwe MFS en in de afspraken met andere organisaties staat complementariteit centraal. Hiermee vindt wederzijdse versterking plaats tussen de interventies via het bilaterale (vooral op het macro-niveau gericht) en het particuliere kanaal (vooral op het micro-niveau gericht).


MDG1, het uitroeien van extreme armoede en honger, kent de volgende indicatoren:

Doelstelling 1: Het percentage mensen dat moet rondkomen van minder dan een dollar per dag moet in 2015 tot de helft zijn teruggebracht ten opzichte van 1990
IndicatorenSituatie 1990TussenstandDoel 2015Categorie
% van de bevolking dat minder dan $ 1 per dag te besteden heeft27,9%21,3% (2001)13,95%Ontwikkelingslanden
Armoedekloof-ratio (omvang x omvang van armoede)19,5%20,5% (2001)9,75%Sub Sahara Afrika

Doelstelling 2: Het percentage mensen dat honger lijdt, moet in 2015 tot de helft zijn teruggebracht ten opzichte van 1990
IndicatorenSituatie 1990TussenstandDoel 2015Categorie
% kinderenmet ondergewicht (jonger dan 5 jaar)33%28% (2003)16,5%Ontwikkelingslanden
% van de bevolking onder minimumniveau van energie-inname uit voedselconsumptie20%17% (2000–2002)10%Ontwikkelingslanden

De VN en de Wereldbank rapporteren over deze indicatoren.

Na te streven resultaten

• Nederland heeft 0,8% van zijn Bruto Nationaal Inkomen beschikbaar gesteld voor Officiële Ontwikkelingshulp (ODA).

• Alle partnerlanden beschikken over een nationale ontwikkelingsstrategie (PRSP’s) met meetbare armoede indicatoren en strategische prioriteiten, gekoppeld aan een Medium Term Expenditure Framework (MTEF).

• In het streven armoedebeleid meer te baseren op feiten en de betrokkenheid van de partnerlanden te vergroten, is de nationale en lokale capaciteit om armoede impact analyses uit te voeren toegenomen.

• Het raamwerk voor schuldhoudbaarheid als belangrijk punt op de multilaterale agenda wordt breed toegepast bij multilaterale en bilaterale donoren en bij ontvangende landen en commerciële kredieteninstellingen (export kredietverzekering).

Instrumenten/activiteiten

Het armoedebeleid richt zich op het ontwikkelen en toepassen van instrumenten die er zorg voor moeten dragen dat in programma’s voldoende aandacht wordt geschonken aan de positie van de armen en op processen die armoede beïnvloeden. Zo houdt het ministerie zich bezig met de kwaliteit van de Poverty Reduction Strategy Papers (PRSP), het stimuleren van Poverty and Social Impact Analysis (PSIA), de verantwoording van dienstverlenende instellingen aan de armen en met de positie van chronisch armen.


Door middel van capaciteitsontwikkeling bij overheidsinstellingen en maatschappelijke organisaties richt Nederland zich op het vergroten van het probleemoplossend vermogen en het versterken van lokale verantwoordingssystemen en stemt zijn hulpmodaliteiten op deze uitdaging af.


Nederland levert financiële bijdragen aan een aantal multilaterale organisaties dat zich inzet voor armoedebestrijding. De beleidsbeïnvloeding door Nederland in de beheersorganen van de VN-organisaties en in de Boards van de multilaterale ontwikkelingsbanken en het IMF is gericht op vergroting van effectiviteit en samenhang van deze organisaties. Ook worden zij financieel ondersteund om de beleidsmatige (MDG’s) en operationele (VN-coördinatie, aansluiting bij PRSP’s, PSIA’s, schuldhoudbaarheid) randvoorwaarden voor armoedebestrijding te verbeteren. Dit heeft ook in het bilaterale beleid prioriteit. VN-programma’s en fondsen waarvan het functioneren, door middel van per organisatie opgestelde scorecards, als goed wordt beoordeeld, ontvangen sinds 2006 meerjarige financiering. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan meer stabiele en voorspelbare financiering van de VN.


De Nederlandse benadering van de schuldenproblematiek richt zich op het voorkomen van nieuwe schuldencrises door ondersteuning van een zorgvuldiger leningenbeleid. Dit beleid wordt primair vormgegeven door de Wereldbank en het IMF en richt zich op leningverstrekkende instanties en overheden en leningontvangende overheden. Wereldbank en IMF maken in het kader van het raamwerk voor schuldhoudbaarheid gezamenlijke analyses van schuldhoudbaarheid, op grond waarvan per land wordt bepaald of, en in welke mate nieuwe schulden kunnen worden aangegaan. De uitvoering van het Multilateral Debt Relief Initiative (MDRI) zal de schuldhoudbaarheid in de nabije toekomst vergroten.

Operationele doelstelling 3

Een beter ondernemingsklimaat in de 36 partnerlanden en versterking van hun concurrentievermogen, zowel nationaal als internationaal.

Een gezond en concurrerend bedrijfsleven genereert inkomen en werkgelegenheid en draagt bij aan duurzame economische ontwikkeling en armoedebestrijding. Het beleid is daarom gericht op het stimuleren van de private sector als motor voor economische ontwikkeling in de partnerlanden. Daarbij staat de bijdrage aan armoedevermindering centraal (pro poor growth). Het beleid richt zich op de verbetering van het ondernemingsklimaat en op specifieke problemen van het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden. Het Nederlandse beleid concentreert zich vooral op het opheffen van knelpunten voor ondernemers op de volgende terreinen.


Knelpunten in de wet- en regelgeving komen onder meer tot uitdrukking in een gebrekkige rechtszekerheid en lange procedures voor ondernemers. Daarnaast heeft het betrekking op de regulering van en toezicht op financiële instellingen. Op het terrein van de markttoegang en -ontwikkeling spelen problemen die bedrijven hebben met het voldoen aan internationale producteisen, oorsprongregels en gebrek aan handelscapaciteit. Problemen in de financiële sector betreffen belemmeringen in de toegang tot krediet en andere financiële diensten. Voor infrastructuur zijn er onder meer tekortkomingen op het gebied van transport, energie, water en telecommunicatie. Ook zijn er knelpunten op het terrein van de bedrijfs- en organisatiecapaciteit en beroepsonderwijs. Dit gaat over gebrek aan kennis en capaciteit bij bedrijven over ondernemen en de veelal gebrekkige organisatiegraad van de private sector zelf. Tot slot richt het Nederlandse beleid zich ook op het verbeteren van het investeringsklimaat voor moderne energiediensten voor de armen.

Doelstelling: Een beter ondernemingsklimaat
Indicatoren20042015Categorie
De tijd die moet worden doorlopen om een bedrijf op te starten65,8 dagenAfnameLage inkomenslanden
De tijd die moet worden doorlopen om eigendom te registreren99,6 dagenAfnameLage inkomenslanden
De tijd die moet worden doorlopen om een contract te laten nakomen416 dagenAfnameLage inkomenslanden

Bron: Wereldbank.

Na te streven resultaten

• In twaalf partnerlanden zijn door ambassades bilaterale activiteiten ondersteund die specifieke knelpunten in de wet- en regelgeving aanpakken, waarbij rekening gehouden is met de activiteiten zoals uitgevoerd door de International Finance Corporation (IFC) en andere donoren. Dit heeft geleid tot een toename van de economische bedrijvigheid.

• Toegang tot markten: bilaterale investeringen in de opbouw van handelscapaciteit, in het bijzonder handelsfacilitatie, marktketenontwikkeling en het kunnen voldoen aan voedselveiligheid- en andere producteisen zijn toegenomen. De samenwerking met andere donoren en actoren op dit gebied is versterkt.

• Financiële sectorontwikkeling: de ontwikkelingsimpact van FMO neemt toe met 10%, onder andere door een toename van het financieringsvolume, maar ook door een verschuiving naar investeringen met een hogere impact5.

• Infrastructuur: verbeterde financieringsmodaliteiten voor infrastructuur op basis van de conclusies van de in 2006 gehouden evaluatie van het ORET en het MOL-fonds.

• Bedrijfs- en organisatiecapaciteit en beroepsonderwijs:

– De investeringsprojecten in het kader van het Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM) leiden al in 2007 tot een lokale banengroei met 2500 fte.

– Het CBI zal 270 bedrijven opleveren die tot handel met de Europese markten zijn gekomen. Daarnaast zullen in onder andere Oost-Afrika en Vietnam een achttal capaciteitsopbouw activiteiten bij intermediaire handelsorganisaties worden voltooid. Cliënten van het CBI zullen ruim 180 000 keer informatie over de Europese markten ontvangen en naar verwachting zullen daarenboven ruim 1250 personen worden getraind in handel drijven met de Europese markten.

– De programma’s voor de brancheorganisaties van werkgevers, werknemers en boeren zijn operationeel en ondersteunen ongeveer 120 lokale organisaties (2,5 miljoen boeren).

• Publiekprivate partnerschappen in minstens vijftien landen produceren meetbare resultaten op het gebied van het ondernemersklimaat.

• Toegang tot energie beter verankerd in internationaal beleid en instrumenten: Investment Framework for Clean Energy dat door de Wereldbank wordt voorbereid en het Actieprogramma van de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling.

• PSOM is uitgebreid naar meer dan 41 ontwikkelingslanden.

Instrumenten/activiteiten

Om de verschillende knelpunten in het ondernemingsklimaat te helpen oplossen en capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden te bevorderen, ondersteunt Nederland bilateraal hervormingsprogramma’s in de diverse partnerlanden. Daarnaast draagt Nederland bij aan multilaterale initiatieven, onder meer van IFC en de Wereldbank. Ook participeert Nederland in een aantal publiekprivate partnerschappen en worden programma’s ondersteund waarin productenorganisaties in ontwikkelingslanden worden geholpen door branche- en beroepsgenoten zelf. Tot slot financiert Nederland programma’s die direct lokale bedrijven en financiële instellingen in ontwikkelingslanden helpen versterken, onder andere via de ontwikkelingsbank FMO, het agentschap CBI en de programma’s PSOM en PUM.


Wet- en regelgeving: Nederland draagt bij aan hervormingsprogramma’s ter verbetering van het ondernemingsklimaat in diverse partnerlanden, zowel bilateraal via de ambassades als multilateraal (IFC, Wereldbank, Investment Climate Facility).

Toegang tot markten: Nederland draagt via bilaterale programma’s bij aan de opbouw van handelscapaciteit en marktketenontwikkeling in diverse partnerlanden. Daarnaast participeert Nederland in een aantal publiekprivate partnerschappen.

Financiële sectorontwikkeling: de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO vergroot de investeringscapaciteit van bedrijven in ontwikkelingslanden door middel van financieringen, waarvan het MASSIF fonds en het Capacity Development programma nieuw zijn. Daarnaast draagt Nederland bij aan multilaterale initiatieven en een aantal publiekprivate partnerschappen.

Infrastructuur: bilateraal worden investeringen in infrastructuur ondersteund via ORET en het MOL-fonds van de FMO.

Bedrijfs- en organisatiecapaciteit en beroepsonderwijs: Nederland ondersteunt lokale bedrijvigheid en de opbouw van exportcapaciteit in ontwikkelingslanden via programma’s als PSOM, PUM en de activiteiten van het agentschap CBI. Daarnaast vindt samenwerking plaats met maatschappelijke organisaties en zijn er publiekprivate partnerschappen actief ter versterking van lokale branche- en beroepsorganisaties.


Zowel via de bilaterale programma’s als de internationale financiële instellingen en donoren, FMO, NGO’s en het bedrijfsleven, wordt ingezet om het ondernemingsklimaat voor moderne en duurzame energievoorzieningen voor de armen te versterken.

Operationele doelstelling 4

Verhoogde kwaliteit en effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking.

Verhoogde kwaliteit en effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking zijn essentieel voor het verwezenlijken van de MDG’s. Kwaliteit betreft de manier waarop donorlanden uitvoering geven aan het hulpbeleid en effectiviteit refereert aan de manier waarmee de partnerlanden de armoedeproblematiek aanpakken. Kwaliteit en effectiviteit zijn voorwaardescheppend voor het realiseren van armoedevermindering. Nederland spant zich in om bij de bilaterale en multilaterale samenwerking de kwaliteit en de effectiviteit te verhogen.


Nederland zal zijn positie als belangrijke donor handhaven in relevante en goed presterende VN-organisaties en internationale financiële instellingen, onder andere door een voortrekkersrol te vervullen in de door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking opgerichte informele groep van gelijkgezinde landen, de zogeheten G-13. Nederland zet bij de VN in op het beginsel van «Four Ones»: één VN-kantoor, één VN-vertegenwoordiger, één VN-programma en -begroting en één VN-financieringsmechanisme. Het belang van betere en meer voorspelbare financiering wordt eveneens benadrukt. Daarnaast ondersteunt Nederland het hervormingsproces binnen de VN. De verwachtingen ten aanzien van het in februari 2006 door de SGVN ingestelde High-level Panelon system wide coherence zijn hooggespannen. De voorstellen van dit panel moeten leiden tot ingrijpende hervorming van de manier waarop de VN-organisaties op landenniveau samenwerken en tot betere resultaten voor de ontwikkelingslanden, met het oog op een efficiëntere en effectievere VN.


In de bilaterale samenwerking wordt zoveel mogelijk samengewerkt met andere donoren en ontvangende landen, waar mogelijk via begrotingssteun. Hierdoor wordt het mogelijk om inhoud te geven aan de verantwoordelijkheid van het ontvangende land, de voorspelbaarheid van donorbijdragen en coördinatie en harmonisatie van donorinspanningen.


In de meerjarige strategische planning is voor een aantal landen ook de de bestendiging van een bilaterale ontwikkelingssamenwerkingsrelatie aan de orde geweest. Ten aanzien van Kaapverdië, Sri Lanka en Vietnam is een brede relatie in termen van economische samenwerking, veiligheid en cultuur expliciet tot oriëntatiepunt genomen. In Suriname vormt de afronding van verdragsverplichtingen het oriëntatiepunt voor de toekomstige relaties. Bij de volgende generatie van meerjarige strategische plannen zullen meer operationele gevolgen moeten worden vastgelegd van mogelijke uitstroom uit de bilaterale ontwikkelingssamenwerking.


De Parijs Verklaring over Effectiviteit van de Hulp biedt het kader waarbinnen gewerkt kan worden aan verbetering van kwaliteit en effectiviteit van de hulp. Deze verklaring is door partnerlanden en donoren ondertekend en bevat doelstellingen waaraan in 2010 moet worden voldaan. Indicatoren zijn de doelstellingen uit de Parijs Verklaring.

Doelen Parijs VerklaringTarget NL 2007Paris Target 2010
1. Aantal landen waar hulp wordt gekanaliseerd via tussen partnerland en donoren overeengekomen Performance Assessment Frameworks.18%36%
2. Percentage hulp verstrekt in de vorm van programmahulp.50%66%
3. Percentage hulp voor overheidssector verstrekt via lokale systeem van openbare financiën en/of procurement van het partnerland.12%50% reductie van «gap»1
4. Percentage hulp voor overheidssector gerapporteerd aan ministerie van Financiën ten behoeve van nationale begroting van partnerland.80%95%
5. Percentage hulp betaald conform met andere donoren en partnerland overeengekomen tijdspaden in jaarlijkse en meerjarige raamwerken (voorspelbaarheid).75%90%
6. Percentage hulp voor capaciteitsopbouw via gecoördineerde programma’s en consistent met nationale ontwikkelingsstrategie.30%50%
7. Aantal parallelle Project Implementation Units (PIU’s)Geen nieuwe PIU’s66%
  absolute reductie
8. Percentage van veld- en review-misies, die donoren gezamenlijk uitvoeren.25%40%
9. Percentage van analytische studies, die donoren gezamenlijk uitvoeren.50%66%
10. Aantal landen waar partnerland en donoren een wederzijdse beoordeling uitvoeren met betrekking tot de implementatie van de afspraken van de Parijs Verklaring.14%100%

1 Deze target is geformuleerd als een gemiddelde reductie van 50% van het aandeel van de hulp dat niet via de systemen van de partnerlanden wordt verstrekt (de «gap»).

Na te streven resultaten

• Nederland heeft bijgedragen aan besluitvorming over en implementatie van de aanbevelingen van het High-level Panel on system wide coherence die moeten leiden tot betere coördinatie en samenhang van de VN-activiteiten op het terrein van ontwikkelingssamenwerking.

• Afspraken gemaakt in de Parijs Verklaring zijn door Nederland uitgevoerd

• Nederland blijft voorop lopen op het gebied van effectiviteit van hulp en beleidscoherentie, en streeft naar het behouden van de koppositie op de onafhankelijke index voor ontwikkelingsvriendelijkheid van hulp van rijke aan arme landen (Commitment tot development index).

• Resultaatbereiking en resultaatmeting in de 36 partnerlanden van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking zijn versterkt.

• De in 2006 bereikte resultaten in de prioritaire sectoren en thema’s en de relevantie van de Nederlandse inzet daarbij in de 36 partnerlanden zijn in kaart gebracht.

• Het Support Programme on Institutional and Capacity Development (SPICAD) is in 2007 in twaalf partnerlanden de uitvoering van het armoedebeleid versterkt op het gebied van institutionele en politieke veranderingskrachten, capaciteitsontwikkeling in sectoren en publieke sector hervormingen

Instrumenten/activiteiten

Om inzicht te verwerven in de effectiviteit van VN-organisaties op landenniveau vindt regelmatige monitoring plaats door gelijkgezinde landen via het Multilateral Organisations Performance Assessment Network (MOPAN)-instrument. MOPAN is te vergelijken met een klantenonderzoek betreffende ervaringen en percepties op landenniveau. Tevens wordt aan Nederlandse ambassades in de partnerlanden regelmatig gevraagd naar hun bevindingen met de organisaties. De verzamelde bevindingen worden gebruikt bij interne oordeelsvorming over de effectiviteit van de organisaties en gebruikt bij het overleg tussen Nederland en de VN-organisaties. De resultaten bepalen mede de hoogte van de bijdrage. Nederland stimuleert samen met EU-partners het hervormingsproces van de VN door politieke steun voor de hervormingen en druk op individuele VN-organisaties.


Ten behoeve van de uitvoering van de Parijs Verklaring wordt in 2007 speciale aandacht geschonken aan versterking van de effectiviteitsagenda binnen de EU. Met minder gelijkgezinde donoren wordt de dialoog gezocht om ook hun betrokkenheid daarbij te versterken. Aan de implementatie van de Parijs Verklaring binnen het ministerie wordt door hoofdkantoor en ambassades samengewerkt. Track record analyses en jaarplannen van de ambassades leveren onder meer informatie over harmonisatie activiteiten. Monitoring van de Parijs Verklaring vindt plaats in het kader van de OESO/DAC Working Party on Aid Effectiveness.


In de partnerlanden zal Nederland uitvoering geven aan de gezamenlijk overeengekomen aanbevelingen van de derde Roundtable on Managing for Development Results die begin 2007 in Vietnam zal worden gehouden en die vooral gericht zal zijn op de versterking van lokale capaciteit op het gebied van het verzamelen en analyseren van ontwikkelingsrelevante informatie.


In mei 2007 ontvangt het Parlement het BZ-jaarverslag en een rapportage van de in 2006 bereikte resultaten in de 36 partnerlanden op de prioritaire thema’s. In de rapportage zal worden aangegeven welke rol de financiële en niet-financiële inzet daarbij heeft gespeeld, gespecificeerd naar het multilaterale en bilaterale kanaal.


In 2007 worden voorbereidingen getroffen voor het opstellen van de Meerjarige Strategische Plannen voor de periode 2009–2013. Het betreft voornamelijk analyse van behaalde resultaten en toekomstige trends. Aandacht zal geschonken worden aan de kwaliteit van de armoedeanalyse, de mogelijke gevolgen van schaalvergroting van de hulp en aan de eisen die dit stelt aan de hulparchitectuur en de absorptiecapaciteit in de ontvangende landen.

Operationele doelstelling 5

Verhoogde kwaliteit en effectiviteit van de Nederlandse handelsen investeringsbevordering.

In het Nederlandse buitenlandbeleid komt de nadruk steeds meer te liggen op het economische belang van Nederland in het buitenland. De buitenlandse handel is van groot belang voor een evenwichtige groei van de Nederlandse economie. De ministeries van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken en het EZ-agentschap «EVD, Internationaal ondernemen en samenwerken» werken gezamenlijk aan het scheppen van gunstige voorwaarden voor en het geven van nieuwe impulsen aan de internationale economische activiteiten van burgers en bedrijven. Daar waar buitenlandse handel en investeringen een agrarische component hebben, maakt ook LNV deel uit van de «economische driehoek». Het Nederlands postennet in het buitenland is een belangrijke schakel in de dienstverlening en informatievoorziening aan het bedrijfsleven. Deze inspanningen hebben tot doel concreet bij te dragen aan duurzame groei van de Nederlandse economie.

Na te streven resultaten

• Herkenbare en vraaggerichte overheidsdienstverlening door in te spelen op de behoefte van het bedrijfsleven door de flexibele inzet van mensen en instrumenten.

• Met behulp van regiovergelijkingen nieuwe markten in kaart brengen.

• Het instrument «individuele marktbewerking» is breder ingezet.

• Verbeterde communicatie en uitwisseling van informatie tussen het ministerie en het internationaal opererend en georganiseerd bedrijfsleven op verschillende niveaus in Den Haag en op de ambassades.

• Een aanvang is gemaakt met de introductie van een geavanceerd klantenbeheersysteem om de dienstverlening van het ambassadenet en de EVD te optimaliseren.

• Efficiëntere en effectievere visumverlening aan bonafide zakenmensen.

Instrumenten/activiteiten

EZ, BZ en EVD hebben een categorisering ingesteld met betrekking tot de economische dienstverlening door de ambassades. Om de duidelijkheid te vergroten wordt uniforme dienstverlening aangeboden in alle landen binnen dezelfde categorie. Dankzij geautomatiseerde rapportagesystemen en klanttevredenheidsonderzoeken worden dienstverlening en samenwerking geoptimaliseerd. Daarnaast wordt geïnvesteerd in opleidingen van (lokale) handelsmedewerkers op de ambassades om de vraag van het Nederlandse bedrijfsleven en in het bijzonder het MKB beter te kennen en te kunnen beantwoorden. Ter bevordering van de onderlinge samenwerking en uitwisseling van kennis en ervaring tussen BZ, EZ en EVD worden over en weer medewerkers geplaatst.


Het postennet is in een aantal landen aangevuld met Netherlands Business Support Offices (NBSO’s). Met NBSO’s kan snel worden ingespeeld op ontwikkelingen in de markt en op de behoeften van het bedrijfsleven. NBSO’s ondersteunen individuele bedrijven bij het betreden van moeilijk toegankelijke markten. Kernactiviteiten van de NBSO’s zijn het opzetten van een netwerk van lokale overheden en bedrijfsleven, het maken van marktscans voor het bedrijfsleven en het ondersteunen van handelsmissies vanuit Nederland en Holland promotie.


Om specifiek in te spelen op de vraag naar Nederlandse technologieën en kennis in de agribusiness sector worden Netherlands Agricultural Business Support Offices (NABSO’s) en Centra voor Kennis- en Technologie-overdracht (CKT) ingezet. Zij ondersteunen de Nederlandse Agribusiness bij de markttoegang en de marktbewerking.

D. Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Operationele doelstellingTitel van de evaluatieJaar van afronding 
  200420052006200720082009
 Beleidsdoorlichtingen      
4.2Effectiviteit armoedebestrijding bilaterale ontwikkelingssamenwerking   X  
4.3Ondernemingsklimaaten concurrentievermogen in ontwikkelingslanden, zowel nationaal als internationaal    X 
 Effectenonderzoekex post en overige evaluatieonderzoek      
4.1Afrikabeleid   X  
4.1MDG8 rapport (monitoringsysteem)X X   
4.2Locatie-specifieke armoedevermindering (Tanzania)X     
4.2Stedelijke armoedebestrijding   X  
4.2Gezamenlijke evaluatie enabling development policy WFP X    
4.2Onafhankelijke evaluatieIFAD X    
4.2Onafhankelijke evaluatieFAO   X  
4.3Handelsgerelateerde technische assistentie X    
4.3Opbouw handelscapaciteit op het gebied van Sanitary en Phytosanitary Standards   X  
4.3Thematische evaluaties rurale ontwikkeling en sectoralebenadering X    
4.3FMO(verschillende evaluaties: A-financieringen, MASSIF, NIMF, MOL-fonds, CD)X X XX
4.3ORET/MILIEVprogrammabreed 1999–2004  X   
4.3ORET/MILIEVin China  X   
4.4Sectoralebenadering X    
4.4Begrotingssteun X    
4.4Harmonisatieen alignment Zambia    X 
4.4Exitstrategieën (in Nordic+ verband)   X  
4.4Bijdragen aan UN Development Group Country Coordination Fund (met DFID)  X   
4.4Resultaten in ontwikkeling (monitoringsysteem) X X X
4.5Netherlands Business Support Offices (NBSO) netwerk in samenhang met met het Netherlands Agricultural Business Support Offices (NABSO) netwerk   X  

5  De berekening van de ontwikkelingsimpact is toegelicht in het jaarverslag 2005 op www.fmo.nl.