Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

B.2.2.1. VEILIGHEID

2. Politie

Algemene beleidsdoelstelling 2

Een goed functionerende politieorganisatie ten behoeve van een veiligere samenleving.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Voor de consistentie en de continuïteit van beleid en de sturing ervan hebben de ministers van BZK en van Justitie voor het jaar 2007 op basis van het Veiligheidsprogramma «Naar een veiliger samenleving» de prestatieafspraken met de politiekorpsen voortgezet, verdiept en ook nieuwe afspraken gemaakt.


In de prestatieafspraken voor 2007 is extra aandacht voor de volgende thema’s:

• Opsporing. Hieronder valt de kwaliteit van de opsporing, de zware georganiseerde criminaliteit, het aantal aan het OM aangeleverde verdachten, rechtshulpverzoeken en veelplegers.

• Toezicht en handhaving. Overlast en gebiedsgebonden politiezorg hebben grote invloed op de veiligheidsbeleving van burgers. De oog- en oorfunctie van de politie in de wijk dient te worden verstevigd.

• Dienstverlening. Tevredenheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid blijven van groot belang voor de politie. De politie presteert redelijk op deze onderdelen, maar de aandacht mag niet verslappen op dit belangrijke thema.

• Kwaliteit politieorganisatie. Kwaliteit van het politiepersoneel, doelmatigheid en sterkte liggen aan de basis van goede prestaties. Voor het personeel moeten prestaties en zorg in balans zijn, alleen dan kan de politie optimaal functioneren.


Met het oog op verdere verhoging van de doelmatigheid en effectiviteit van de politieorganisatie is een nieuwe Politiewet in voorbereiding.

Het wetsvoorstel voorziet in de oprichting van een Nederlandse politieorganisatie met een publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid. De regionale korpsen en het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) blijven als korpsen binnen deze organisatie bestaan, maar de zelfstandige rechtspersoonlijkheid van de regio’s komt te vervallen. Aan het hoofd van deze organisatie komt een directieraad die, naast in de wet specifiek genoemde taken, in algemene zin wordt belast met de aansturing en het beheer van de politie. Onder de aansturing van de directieraad komt daarnaast een gemeenschappelijke beheerdienst die de «shared services» voor de korpsen gaat verzorgen. Na behandeling van de wet in de Kamer zal in 2007 gewerkt worden aan de daadwerkelijke opbouw van de nieuwe politieorganisatie.


Daarnaast is in 2006 een Voorziening tot samenwerking Politie Nederland (VtsPN) opgericht welke een opmaat vormt voor de definitieve organisatie van de politie tot de implementatie van de kabinetsplannen. De vorming van de VtsPN brengt meer eenheid in het beheer van de Nederlandse politie en bevordert daarmee het effectief en efficiënt functioneren van de politie.


In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden 2005–2007 zijn afspraken opgenomen die tevens ondersteunend zijn aan het tot stand komen van het nieuwe politiebestel:

• Opstellen landelijk organisatie- en sociaal plan waarmee reorganisaties uniform kunnen worden gerealiseerd.

• Ontwikkelen van een bij het nieuwe politiebestel passende medezeggenschapsstructuur, inclusief een landelijk functionerende ondernemingsraad.

• Harmoniseren van arbeidsvoorwaardelijke verschillen tussen de politiekorpsen.

Verantwoordelijkheid van de minister(s)

De minister van BZK is verantwoordelijk voor:

• Beheersmatige kaders voor de korpsen (financieel, juridisch, organisatorisch, beleidsmatig).


En samen met de minister van Justitie (voor de strafrechtelijke rechtshandhaving):

• Het doelmatig en doeltreffend functioneren van het politiebestel.

• Het, op basis van de Wet versterking rijksbevoegdheden (die naar verwachting op 1 januari 2007 in werking treedt), bepalen van de hoofdlijnen van beleid t.a.v. het beheer van en de taakuitvoering door vooraf in de beleids- en beheerscyclus aan te geven welke concrete prestaties en inspanningen het kabinet van iedere regio verlangt.


Daarnaast is de minister van BZK in het huidige politiebestel de beheerder van het Korps Landelijke Politiediensten.

Succesfactoren

Behalen van de algemene doelstelling hangt af van:

• De doorvertaling van beleid naar praktijk (korpsprestaties).

• Inspanningen van (keten)partners.


Om te beginnen moet de politie de beleidskaders van het kabinet goed doorvertalen in het dagelijkse werk. Succes is echter niet alleen afhankelijk van de inspanningen van de politie zelf. Om daadwerkelijk een reductie in de criminaliteit te bewerkstelligen, zijn de inspanningen die de (keten)partners leveren van groot belang. In het Veiligheidsprogramma 2007–2008 wordt dan ook extra aandacht besteed aan het betrekken van de (keten)partners.

Meetbare gegevens/kengetallen

Prestatie-indicatoren
BasiswaardeStreefwaardeStreefwaarde
 200520062007
1. Dienstverlening   
• LTP beantwoord binnen 20 sec. (%)898080
• LTP beantwoord binnen 30 sec. (%)979090
• LTP beantwoord binnen 45 sec. (%)1009595
Bron: Kerngegevens Nederlandse Politie 2005 en het landelijke kader Nederlandse Politie2007   
2. Tevredenheid over politieoptreden bij laatste politiecontact (% (zeer) tevreden)61,863,456
Bron: Kerngegevens Nederlandse Politie 2005 en het landelijke kader Nederlandse Politie 2007.   
3. Beschikbaarheid van de Politie4,95,04,8
Bron: Kerngegevens Nederlandse Politie 2005 en het landelijke kader Nederlandse Politie2007.   
4. Aantal verdachten naar OM (x 1000)243261261
Bron: Kerngegevens Nederlandse Politie 2005 en het landelijke kader Nederlandse Politie 2007   

Toelichting bij indicatoren 2 en 3: Realisatie en raming in resp. 2005 en 2006 op basis van Politiemonitor bevolking. Raming 2007 op basis van Veiligheidsmonitor Rijk. Vanwege de methodologische verschillen tussen de beide monitoren, zijn de absolute waarden van de percentages in 2007 lager (voor nadere uitleg zie: Tweede Kamer, Vergaderjaar 2005–2006, kamerstukken 28 684, nr. 85).

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 2: Politie2005200620072008200920102011
Verplichtingen4 677 8734 376 7824 589 3214 647 8264 685 3174 716 8804 720 650
* Garantieverplichtingen 539 775539 775539 775539 775539 775539 775
        
Uitgaven4 128 7354 173 7024 272 9414 331 4464 368 9374 400 5004 420 573
2.1 apparaat11 52011 01110 63111 06711 07111 07111 071
        
Programma-uitgaven  4 262 3104 320 3794 357 8664 389 4294 409 502
waarvan juridisch verplicht  4 165 42491 6632 830110113
        
2.2 politie op regionaal niveau3 208 8523 362 0083 468 1353 513 6293 544 5633 567 3003 583 020
waarvan juridisch verplicht  3 468 135    
        
2.3 politie op bovenregionaal en landelijk niveau477 604518 267529 561530 525529 341530 377531 967
waarvan juridisch verplicht  519 832    
* Bijdrage baten-lastendiensten KLPD (455 480)(472 597)(478 270)(478 291)(478 410)(478 410)
        
2.4 prestatievermogen van de politie64 17670 39471 79871 79871 79871 79871 798
waarvan juridisch verplicht  64 669    
        
2.5 adequaat niveau van politiepersoneel176 606190 022192 816204 427212 164219 954222 717
waarvan juridisch verplicht  112 788    
        
2.6 geneeskundige verzorging politie189 97722 00000000
waarvan juridisch verplicht  0    
        
Ontvangsten227 46825 2153 2153 2153 2153 2153 215

Toelichting: De garantieverplichtingen betreffen de garantstelling door het vakdepartement voor de politieregio’s voor het geïntegreerd middelenbeheer bij het ministerie van Financiën. Dit legt geen beslag op het beschikbare kasbudget. Tot 1 augustus 2006 is een bedrag aan garanties afgegeven van afgerond € 540 miljoen.


De politieregio’s kunnen in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer een lening of een rekening-courantkrediet afsluiten bij het ministerie van Financiën. Gebruik van deze kredietfaciliteiten is alleen mogelijk als het vakdepartement (BZK) een garantstelling afgeeft voor de rente en aflossing. De af te geven garanties dienen als verplichting te worden vastgelegd. Om dit meerjarig mogelijk te maken wordt het verplichtingenbudget structureel verhoogd met een bedrag van € 300 miljoen. Dit legt geen beslag op het beschikbare kasbudget.

Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 2.2

Voorzien in middelen die nodig zijn voor adequate politiezorg door de regionale politiekorpsen.

Motivering

De minister van BZK stelt algemene en bijzondere bijdragen beschikbaar voor de uitvoering van het politiewerk. Dit is een voorwaarde voor de regionale politiekorpsen om effectief en doelmatig te kunnen opereren. Met ingang van 1 januari 2007 wordt het politiebudget verdeeld volgens een herzien budgetverdeelsysteem (BVS). Bij de ontwikkeling van dit nieuwe systeem is uitgegaan van de feitelijke veiligheidssituatie in iedere regio, waardoor landelijk gezien de vraag naar en het aanbod van politiezorg beter op elkaar worden afgestemd. De relatieve veiligheidssituatie per korps is onder meer bepaald aan de hand van het aantal aangiften en misdrijven per 1000 inwoners per gemeente.

Instrumenten/activiteiten

Algemene bijdrage (BVS):Bijzondere bijdragen:Aanvullende bijdragen:
1. Basisbekostiging1. Bijdrage Artikel 3 BFRP (Politiewet)1. Bijdrage Artikel 4 BFRP (Politiewet)
2. Regiospecifiek2. Overig 
3. Asiel  

• Invoering BVS. Met ingang van 1 januari 2007 wordt een herzien budgetverdeelsysteem voor de politie ingevoerd1. De korpsen die op grond van het herziene BVS vanaf 2007 een groter aandeel van het politiebudget krijgen, zullen gefaseerd over het extra geld kunnen beschikken. De korpsen die op grond van het herziene BVS vanaf 2007 een kleiner aandeel van het politiebudget krijgen, ontvangen boven op hun aandeel volgens het herziene BVS een compensatie zodat zij niet in budget zullen dalen. IJkpunt voor deze compensatie vormt de omvang van het budget zoals dat in 2007 verdeeld zou zijn volgens het «oude» BVS. De sterkteafspraken zullen overeenkomstig worden aangepast.

• Politiesterkte. De doelstelling voor de eindsterkte in 2010 is verhoogd tot 52 525 fte’s2 (exclusief functionele inzetbaarheid aspiranten). Conform de wens van de Tweede Kamer zijn de extra middelen die op grond van de motie Verhagen3 beschikbaar zijn gekomen, ingezet voor extra sterkte in 2005, 2006 en 2007. De voor 2007 beoogde sterkte komt hiermee op 51 520 fte’s (exclusief functionele inzet). In overleg met de korpsen zullen aanvullende sterkteafspraken gemaakt worden voor de onderwerpen waarvoor het kabinet in 2007 extra budget beschikbaar stelt. De Tweede Kamer zal daar in de eerstvolgende sterktebrief over worden geïnformeerd.

• Versterking opsporing. Het kabinet heeft extra geld ter beschikking gesteld om uitvoering te geven aan het programma «versterking opsporing en vervolging». BZK coördineert de inzet van deze middelen voor de politie en maakt hierover prestatieafspraken met de regionale politiekorpsen. Het gaat hier om de totaalbedragen voor 2006 e.v. van € 23,9 mln., € 35,1 mln., € 37 mln., € 39,5 mln., € 39,5 mln. en vanaf 2011 structureel € 45,4 mln. Dit extra geld zal worden besteed aan de onderwerpen Tegenspraak en Review, Team grootschalige opsporing, Audiovisuele registratie, ICT, Opleidingen en hogere inschaling van opsporingsmedewerkers met HBO-niveau.

• Asielbekostiging. Om het proces instroom minder kwetsbaar te laten zijn heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) besloten het aanmeldcentrum Zevenaar in 2007 opnieuw open te stellen. Deze openstelling leidt tot herverdelingseffecten in de bekostiging van de politie. Daarnaast is bij Voorjaarsnota de asielbekostiging voor de jaren 2006 t/m 2010 aangepast, als gevolg van de laatste bekende ketenbrede prognoses voor instroom, bestandsomvang en aantallen verwijderingen.

• Aan de intensiveringen in het kader van de terrorismebestrijding wordt in 2007 verder uitwerking gegeven met de Regionale Inlichtingendiensten (RID), de regionale informatieknooppunten, en de bewakings- en beveiligingstaak op zowel regionaal als nationaal niveau. Op decentraal niveau is extra geld beschikbaar gesteld voor de regionale inlichtingendiensten (RID-en), de regionale informatieknooppunten (RIK’s) alsmede de decentrale objectbewaking. De Regionale Inlichtingendiensten en de Regionale Informatieknooppunten zijn elk met 75 fte versterkt. Voor het bewaken en beveiligen van objecten zijn in 2005 32 extra fte ter beschikking gesteld. Dit aantal zal in de periode tot 2007 geleidelijk toenemen tot in totaal 100 fte.

• Voor intensivering van de grensbewaking in de Rotterdamse haven wordt de zeehavenpolitie uitgebreid. Hiervoor is in 2007 € 3,6 mln. beschikbaar gesteld en € 5 mln. structureel vanaf 2008.

Meetbare gegevens en kengetallen

Realisatie (t/m 2005) en prognose 2006 e.v. Politiesterkte 2002 – 2010 (in fte’s)
 31-12-200231-12-200531-12-200631-12-200731-12-200831-12-200931-12-1010
1. Sterkte (exclusief functionele inzet)51 51650 81951 28251 52051 41452 08952 525
Basiswaarde: 51 516 fte (31-12-2002)       

Bron: Polbis.


De aantallen vanaf 2006 zijn overeenkomstig de sterktebrief (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, kamerstukken 28 824, nr. 26). Het genoemde aantal uit 2005 is daarbij gecorrigeerd voor de overgang van politiepersoneel naar CIP/ISC. De sterkte-effecten voor nieuwe ontwikkelingen zijn in deze raming nog niet verwerkt.

Operationele doelstelling 2.3

Voorzien in middelen die nodig zijn voor adequate politiezorg op het bovenregionaal en landelijk niveau.

Motivering

Vanuit het oogpunt van doelmatigheid is de politiezorg op een aantal terreinen op landelijke of bovenregionale wijze georganiseerd. Het gaat onder meer om onderdelen van het KLPD, het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme en het Financieel Expertisecentrum. Met de bekostiging hiervan stelt de minister van BZK deze onderdelen in staat om hun politietaken op een adequaat niveau uit te voeren.

Instrumenten/activiteiten

• Intensivering aanpak van cybercrime. De staatssecretaris van Economische Zaken kondigt aan dat bij het KLPD een nationale voorziening wordt gebouwd om op nationaal niveau de opsporing en vervolging een impuls te geven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, kamerstukken 26 671, nr. 24).

• Intensivering aanpak financieel-economische criminaliteit. De ministers van BZK en Justitie, OM en politie hebben besloten om in 2006 een programma op te stellen dat onderdeel gaat uitmaken van de prestatieafspraken. Hieraan zal uitvoering worden gegeven in 2007 en 2008.

• Shared services en Voorziening tot Samenwerking Politie Nederland (VtSPN). Op basis van uitgevoerde business cases wordt de haalbaarheid, inrichting en uitvoering van shared services (op interregionale en landelijke schaal) in kaart gebracht. Indien landelijke samenwerkingsinitiatieven tot doelmatig beheer van de politie leiden kan dit een taakuitbreiding van de VtSPN betekenen.

• Landelijke uitvoering van het pilotproject «Hooligans in beeld». De uitkomsten van dit project zullen worden geïmplementeerd in alle politiekorpsen.

• Verzamelen van DNA-materiaal voor het vullen van de DNA-databank vermiste personen die in 2006 van start is gegaan.

• Verbetering van de forensische aanpak van criminaliteit door samen met Justitie forensische systemen aan te schaffen als Havank en Drugfire.

• Terrorisme: op landelijk niveau heeft het kabinet in het kader van de intensivering van de bestrijding van het terrorisme geld beschikbaar gesteld voor de persoonsbeveiliging bij de DKDB, de Unit Terrorismebestrijding en Bijzondere Taken (UTBT) en de analysecapaciteit bij het NIK. In overleg met de minister van Justitie stelt de minister van BZK vast hoe dit jaarlijks wordt besteed.

Operationele doelstelling 2.4

Verhogen van het prestatievermogen van de politie.

Motivering

Het verhogen van het prestatievermogen van de politie (doelmatigheid en doeltreffendheid) vraagt om permanente aandacht. De minister ondersteunt dit door een aantal maatregelen en randvoorwaarden die bijdragen aan een hogere veiligheid in Nederland. Voor de jaren 2007–2008 worden nieuwe prestatieafspraken met de korpsen voorbereid.

Instrumenten/activiteiten

• Verbeteren van de kwaliteit van de informatievoorziening binnen de politie, onder meer door implementatie van de Wet politiegegevens.

• Uitbreiding van bevoegdheden van het lokaal bestuur en de politie bij de aanpak van overlast in de openbare ruimte en de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Het gaat hierbij om het introduceren van een gedragsaanwijzingsmogelijkheid voor de burgemeester (uitwerking motie Van Schijndel), het intensiveren van de drugsaanpak (thuisteelt en growshops), uitbreiding mogelijkheden tot preventief fouilleren, versterking aanpak huiselijk geweld en een verkenning naar de samenhang in de openbare ordebevoegdheden van de burgemeester.

• Intensiveren van de internationale en grensoverschrijdende politiesamenwerking, onder andere door de implementatie van verdragen met onze buurlanden.

• Bewapening en uitrusting politie, in relatie tot een proportioneel en subsidiair geweldsgebruik. Hierbinnen past de ontwikkeling van de zogenaamde «less lethal» wapens. Ook bestaande wapens, zoals het huidige dienstpistool, zullen vanaf 2007 worden vervangen. Het is de bedoeling dat hierbij wordt samengewerkt met het ministerie van Defensie.

• Plan van aanpak geweld tegen de overheidsdienaren. Juist voor politie, de beroepsgroep binnen de overheid die het meeste geconfronteerd wordt met geweld, worden maatregelen genomen. Er wordt een overheidsbrede afstemming en aanpak opgezet, inclusief een brede publiekscampagne.

• Uitwerking van de eerste concrete toepassingen die het innovatieplatform Technologie en Criminaliteitsbestrijding heeft opgeleverd voor onder meer het politieveld.

• Stimulering van de kwaliteitsontwikkeling van de Nederlandse Politie, ondermeer door verdere ontwikkeling van het INK-model.

Operationele doelstelling 2.5

Verhogen van professionaliteit door toepassing van gericht personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid en politieonderwijs.

Motivering

De minister van BZK zorgt ervoor dat de politie kan beschikken over voldoende inzetbaar en gekwalificeerd personeel. Instrumenten hiervoor zijn onder andere het HRM-beleidsplan 2005–2010 en het Akkoord Arbeidsvoorwaarden 2005–2007. Tevens zijn in het Akkoord Arbeidsvoorwaarden 2005–2007 afspraken opgenomen die ondersteunend zijn aan het tot stand komen van het nieuwe Politiebestel.

Instrumenten/activiteiten

• Optimaliseren van het werving- en selectieproces, gebaseerd op het HRM-beleidsplan.

• Opleiden en bijscholen politiepersoneel om kabinetsafspraken over de politiesterkte te realiseren, met het actuele aanbod van initieel- en postinitieel politieonderwijs.

• Optimaliseren en verder actualiseren van het politieonderwijs op basis van het programma «Evaluatie Politieonderwijs» (2006–2007), in het bijzonder daar waar het de aanbevelingen van de commissie Posthumus betreft.

• Standaardiseren van de functies binnen de korpsen op basis van het functiegebouw en functiewaardering Nederlandse politie.

• Het voeren van een integriteitbeleid door korpsen dat overeenkomt met de basisnormen uit de modelaanpak «Integriteitbeleid, openbaar bestuur en politie». Doel is de politie weerbaarder te maken tegen schendingen van de integriteit.

• Toezien op de met de korpsen gemaakte afspraken over het gebruik van het referentiekader Diversiteit om op dit terrein een verbeterslag te maken.

• Voor elke medewerker een persoonlijk ontwikkelingsplan opstellen om de loopbaan van het personeel te bevorderen en het aanbieden van een fitheidtest en gezondheidsmeting, conform het Akkoord Arbeidsvoorwaarden.

• Testen van de verschuivingtoelage om rust in roosters te realiseren. Het systeem zal per 1 januari 2008 worden ingevoerd.

• In kaart brengen en openbaar maken van het aantal overtredingen van de Arbeidstijdenwet.

• Evaluatie bekostigingsstelsel Politieacademie. Na voltooiing van de eerste volledige opleiding (zowel initieel als postinitieel) zal het bekostigingsstelsel en het niveau van bekostiging worden geëvalueerd.

Operationele doelstelling 2.6

Dienst Geneeskundige Verzorging Politie (DGVP)


Als gevolg van de nieuwe Zorgwet is de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie (DGVP) vanaf 1 januari 2006 niet meer de zorgverzekeraar voor de politiemedewerkers. In 2006 en 2007 worden nog zorgdeclaraties afgewikkeld. De DGVP wordt in 2007 opgeheven.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

OnderwerpDoelstellingStartAfgerond
Beleidsdoorlichting   
• Verhoging professionaliteit door toepassing van gericht personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid en politieonderwijs2.520072007
• Verhogen van het prestatievermogen van de politie2.420082008
• Voorzien in middelen die nodig zijn voor adequate politiezorg op het bovenregionaal en landelijk niveau2.320092009
• Voorzien in middelen die nodig zijn voor adequate politiezorg door de regionale politiekorpsen2.220102010
    
Effectenonderzoek ex-post   
Geen NvtNvt
    
Overige evaluatieonderzoeken   
Evaluatie bekostiging Politieacademie2.520072007

4. Partners in Veiligheid

Algemene beleidsdoelstelling 4Goed samenwerkende partners in veiligheid.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Politie, brandweer, ambulancediensten, marechaussee, centrale overheid, gemeenten en bedrijven hebben ieder hun verantwoordelijkheden in het handhaven van de openbare orde en veiligheid. Om de veiligheid van burgers te kunnen waarborgen is het noodzakelijk dat deze partners in veiligheid goed met elkaar samenwerken, zowel in lokaal, regionaal, nationaal en internationaal verband, zodat er minder slachtoffers en schade optreden en de veiligheid van hulpverleners beter gewaarborgd kan worden. Om goed te kunnen samenwerken moeten de partners in veiligheid kunnen beschikken over voldoende kennis en expertise.

Een integrale aanpak van het veiligheidsbeleid is noodzakelijk. Juist op lokaal niveau worden de veiligheid en het veiligheidsgevoel van de burger bepaald. Daarom is samenwerking cruciaal en vervullen de gemeenten hierbij een regierol. Deze rol moet bij middelgrote en kleine gemeenten worden versterkt.

Een samenhangende informatiehuishouding zorgt ervoor dat de partners in veiligheid, zowel individueel als gezamenlijk, beter kunnen presteren.

Verantwoordelijkheid van de minister(s)

De minister van BZK is verantwoordelijk voor samenhang in het veiligheidsbeleid. Daartoe:

• Geeft de minister van BZK richting aan de uitvoering van het veiligheidsbeleid op lokaal, regionaal en landelijk niveau als ook in Koninkrijks- en internationaal verband.

• Stimuleert en ondersteunt de minister van BZK de veiligheidspartners om samen te werken.

Succesfactoren

• De steun en inzet van (inter)nationale betrokken veiligheidspartners is noodzakelijk om de veiligheid van de samenleving te kunnen bevorderen.

• Actuele ontwikkelingen, zoals terrorisme, zijn van grote invloed op de veiligheid en het veiligheidsgevoel van burgers.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 4: Partners in veiligheid2005200620072008200920102011
        
Verplichtingen170 343115 023111 51455 39755 28755 08855 087
        
Uitgaven168 107115 023111 51455 39755 28755 08855 087
4.1 apparaat8 8879 6419 2539 4819 3709 1729 171
        
Programma-uitgaven  102 26145 91645 91745 91645 916
waarvan juridisch verplicht  12 9646 7535 5044 4754 219
        
4.2 veiligheidsbeleid op nationaal niveau2 0545 3865 2733 8193 8163 8153 815
waarvan juridisch verplicht  3 063    
        
4.3 ICT-infrastructuur151 66193 05690 26835 37635 38035 38035 380
waarvan juridisch verplicht  8 189    
        
4.6 veiligheidsbeleid op internationaal niveau5 5056 9406 7206 7216 7216 7216 721
waarvan juridisch verplicht  1 712    
        
Ontvangsten3 7506004 4000000

Toelichting: De ICT-uitgaven van € 90,3 mln. betreffen voor meer dan € 65,0 mln. beleidsmatige verplichtingen voor de instandhouding van C2000, GMS en landelijke informatiesystemen ten behoeve van de politie die door de VtsPN worden beheerd.

Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 4.2

De bestuurlijke veiligheidspartners ondersteunen met kennis, instrumenten en expertise.

Motivering

De partners in veiligheid hebben verschillende verantwoordelijkheden in het handhaven van de openbare orde en veiligheid. Een geïntegreerde aanpak van de veiligheidsproblematiek op alle bestuurlijke niveaus is van belang om de veiligheid in Nederland te verbeteren.

Goede samenwerking vereist dat veiligheidspartners goed zijn toegerust om adequaat te kunnen functioneren. Delen van kennis en expertise zorgt ervoor dat partijen beter presteren en van elkaars ervaringen kunnen leren. Juist op lokaal niveau worden de veiligheid en het veiligheidsgevoel van de burger bepaald. De gemeenten vervullen hierbij een regierol en worden daarin ondersteund, zoals uit de onderstaande instrumenten en activiteiten blijkt.

Instrumenten/activiteiten

Project Veilige Gemeenten

Een groot aantal gemeenten (63%) beschikt over een Integraal Veiligheidsplan of heeft een plan in ontwikkeling (25%). Voortbouwend op een behoefteonderzoek biedt het project in het bijzonder steun bij samenwerking op veiligheidsgebied tussen gemeenten. Hierbij kan worden gedacht aan het ter beschikking stellen van instrumenten (bijvoorbeeld organisatiemodellen), evalueren van regierol gemeenten en het doen van onderzoek en pilots.

Aanpak verloedering en overlast

Een beleidsverkenning met actieplan dat de samenhang tussen nationaal en lokaal beleid in kaart brengt en de inzet van bestuurlijke instrumenten (boetes) door gemeenten ondersteunt.

Lokale Aanpak Radicalisering

Gemeenten stimuleren een goede balans te vinden tussen de veiligheidskolom en het integratiebeleid. Gemeenten concentreren zich op preventie, signalering en vroegtijdige interventie en daarbij is expertisebevordering van eerstelijnwerkers (docenten e.d.) nodig.

Actieplan Veilig Ondernemen II

Activeren van burgers en bedrijfsleven door uitvoering van maatregelen kabinetsstandpunt «De Krachtige Buurt.»

Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV)

De jaarlijkse begroting van het CCV is vanaf 2006 thematisch opgebouwd. Per thema worden (preventieve) maatregelen gedefinieerd die gemeenten en/of private partners kunnen treffen.

Onderzoeken

Gericht onderzoeken naar de veiligheidsgevoelens van burgers, maatschappelijk onrust, op middellange en lange termijn op het gebied van veiligheid. De uitkomsten worden gebruikt bij het invullen van het veiligheidsbeleid.

Kennisarena maatschappelijke veiligheid

Opzetten van gemeenschappelijk onderzoek met departementen, kennisinstellingen en bedrijfsleven. De uitkomsten dienen als input voor het veiligheidsbeleid.

Ontwikkelen en implementeren van de Veiligheidsmonitor

Doel hiervan is dat departementen, gemeenten en de politie uiteindelijk gaan werken met dezelfde veiligheidscijfers.

Meetbare gegevens/Kengetallen

Prestatie-indicator
 01-01-200731-12-2007
Gemeenten met een integraal veiligheidsplan63%100%

Noot: Vanaf 2007 moet iedere gemeente een integraal veiligheidsplan hebben, waardoor het percentage vanaf 2007 elk jaar 100% is.

Operationele doelstelling 4.3

Een samenhangende informatiehuishouding van de partners in veiligheid.

Motivering

Het is cruciaal dat de juiste persoon op het juiste moment op de juiste plaats over de juiste informatie beschikt. De veiligheidspartners dienen hun informatie te kunnen uitwisselen door middel van een samenhangend geheel van basisinformatievoorzieningen. De afzonderlijke veiligheidspartners hebben hun eigen informatievoorziening zodanig op orde dat zij hun veiligheidstaken op een juiste wijze kunnen uitvoeren.

Instrumenten/activiteiten

Door middel van het bekostigen van onderzoek naar technologische ontwikkelingen, het verlenen van financiële steun aan projecten en het bijdragen aan wet- en regelgeving, wordt de samenhang in de informatiehuishouding van de veiligheidspartners bevorderd. De belangrijkste activiteiten die worden ontplooid:


Informatie Basisvoorziening veiligheid (IBV)

De IBV is een virtuele structuur voor een gemeenschappelijke informatiehuishouding van de veiligheidspartners. Hiermee kan onder andere een uniforme bevraging van registers worden bewerkstelligd en een gemeenschappelijk beveiligingsbeleid.

Eenheid in de informatievoorziening

Voor het grootschalig gezamenlijk optreden van de veiligheidspartners bij de rampenbestrijding en crisisbeheersing.

C2000 en Geïntegreerd Meldkamersysteem (GMS)

Instandhouden van het netwerk C2000 (uniform communicatiesysteem voor de hulpverleningsdiensten) en het daaraan gekoppelde GMS.

Stimuleren van uniforme ICT-infrastructuur en informatiehuishouding voor de politie

Deze is bestemd voor de primaire en ondersteunende bedrijfsprocessen bij de politie.

Samenhangende informatievoorziening voor de brandweer.

De informatievoorziening is gebaseerd op landelijk gestandaardiseerde processen.

Versterken van de samenhang en standaardisatie binnen de informatievoorziening van de GHOR.

De keten van acute zorg en openbaar bestuur gaat meer dan voorheen als eenheid werken.

Het actieprogramma maatschappelijke sectoren en ICT, en dan met name het onderdeel veiligheid en ICT, is een aanvulling op de reeds in gang gezette acties op dit terrein. BZK is een van de zes participerende departementen in het actieprogramma dat zich richt op het doorbreken van knelpunten bij het opschalen van kleinschalige, succesvolle ICT-toepassingen en -diensten in de sectoren mobiliteit, onderwijs, veiligheid en zorg, zodat de kwaliteit en dienstverlening voor de gebruiker wordt verbeterd.

Meetbare gegevens/Kengetallen

Kengetallen
 2006
C2000 (uniform communicatiesysteem voor hulpverleningsdiensten)*Norm
1) Tijdigheid afhandeling incidenten binnen C2000 infrastructuur95–99% op tijd
2) Beschikbaarheid systeem98%
3) Radiodekking95%
Bron: cijfers Voorziening tot Samenwerking Politie Nederland(VtsPN)
1–1–2 netwerkNorm
Beschikbaarheid 1–1–2 netwerk99,8%
Bron: cijfers Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) 

* Noot: De eisen van het netwerk moeten op dit moment elk jaar voldoen aan de bovenstaande normen.

Operationele doelstelling 4.6

Onderhouden en uitbreiden van internationale veiligheidsrelaties.

Motivering

Internationale samenwerking op het gebied van veiligheid wordt steeds belangrijker. Veiligheid is niet grensgebonden. Daarom moet er in internationaal verband meer worden samengewerkt. Dit wordt verwezenlijkt door te participeren in de diverse Europese en internationale gremia, het ontplooien van samenwerkingsinitiatieven, alsmede door het uitvoeren van internationale afspraken en Europese besluiten.

Instrumenten/activiteiten

Bi- en multilaterale samenwerking

Via het onderhandelen, implementeren en evalueren van verdragen en beleidsmatige en politieke afspraken (Memorandum of Understanding); het (doen) uitvoeren van landenprogramma’s; het plaatsen van ambassaderaden en het faciliteren en organiseren van terzake relevante activiteiten en bijeenkomsten.

Haags programma

Opzetten, uitvoeren en implementeren van besluiten, programma’s en projecten in het kader van de samenwerking binnen de Europese Unie en met de NATO, zoals het «Haags Programma» ten aanzien van de informatie-uitwisseling, de politiële samenwerking, Europol, crisisbeheersing en drugs.

Ondersteunen van het plan Veiligheid Nederlandse Antillen

Het programma Rechtshandhaving Aruba alsmede het ondersteunen van samenwerkingsprojecten in het kader van het Sectorplan Rechtsbescherming en Veiligheid Suriname.

Internationale vredesmissies

het voorbereiden en effectueren van de inzet van politiefunctionarissen.

Europese ministerraad

Coördinatie/voorbereiding van de JBZ-raad (Justitie en Binnenlandse Zaken) en ondersteuning minister; coördinatie internationale bezoeken en ontvangsten.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

OnderwerpDoelstellingStartAfgerond
Beleidsdoorlichting   
• ICT- voorzieningen bij OOV- diensten en overige veiligheidspartners4.320062006
• De bestuurlijke veiligheidspartners ondersteunen met kennis, instrumenten en expertise4.220072007
• Onderhouden en uitbreiden van internationale veiligheidsrelaties4.620082008
    
Effectenonderzoek ex-post   
Geen Nvtnvt
    
Overig evaluatieonderzoeken   
Evaluatie cameratoezicht4.220062010

5. Nationale Veiligheid

Algemene beleidsdoelstelling 5

Een bijdrage leveren aan een veilige samenleving door op het gebied van de Nationale Veiligheid tijdig dreigingen en risico’s te onderkennen die niet direct zichtbaar zijn4.

Verantwoordelijkheid van de minister(s)

De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) vervult zijn eigen rol in een netwerk van overheidsorganisaties die de veiligheid nationaal en internationaal beschermen. De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de aansturing van de AIVD en voor de vaststelling van de prioriteiten binnen het operationele beleid van de AIVD. Deze prioriteiten worden bepaald na afstemming met de samenwerkingspartners en belangendragers en opgenomen in het Jaarplan AIVD 2007.

Succesfactoren

De kwaliteit van de uitvoering van de taken door de AIVD is vooral afhankelijk van de afstemming tussen prioriteiten en beschikbare middelen. De minister van BZK beïnvloedt de afstemming door verantwoordelijkheid te nemen, indien daartoe aanleiding bestaat, voor aanpassing van prioriteiten en/of middelen.

De samenwerking met partners waaronder de MIVD, belangendragers en buitenlandse diensten is een tweede factor waarvan de kwaliteit van de uitvoering van de taken door de AIVD mede afhankelijk is. De dienst voert daarom een actief beleid om wederzijdse behoeften en verwachtingen en informatie in alle stadia van de taakuitoefening uit te wisselen (planning, uitvoering, verantwoording).

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 5: Nationale veiligheid2005200620072008200920102011
Verplichtingen121 090133 089176 541149 547153 331153 372153 372
        
Uitgaven107 993133 089176 541149 547153 331153 372153 372
5.1 apparaat102 392128 933172 466145 424149 222149 218149 218
5.2 geheime uitgaven5 6014 1564 0754 1234 1094 1544 154
        
Ontvangsten5692912 991391919191

Toelichting: De uitgaven zijn volledig juridisch verplicht.

Operationele doelstellingen

a. Algemeen

Ter uitvoering van de algemene beleidsdoelstelling doet de dienst onderzoek in binnen- en buitenland, deelt de dienst gericht kennis en informatie die samenwerkingspartners en belangendragers in staat stelt gepaste maatregelen te nemen, signaleert, adviseert en mobiliseert de dienst anderen en reduceert de dienst zelfstandig risico’s. Nadere operationalisering van de algemene beleidsdoelstelling vindt plaats in het Jaarplan AIVD 2007 en heeft betrekking op de uitvoering van de wettelijke taken:

• Verantwoordelijken en belanghebbenden adequaat en tijdig informeren over (potentiële) bedreigingen van de democratische rechtsorde, de staatsveiligheid of andere gewichtige belangen van de staat, teneinde hen in staat te stellen maatregelen te treffen om de gesignaleerde dreigingen en risico’s tegen te gaan, alsmede het eventueel zelfstandig reduceren van deze bedreigingen en risico’s, op het gebied van terrorisme en radicalisering, proliferatie van massavernietigingswapens, rechts en links extremisme en ongewenste inmenging van vreemde mogendheden.

• Bevorderen dat vertrouwensfuncties worden vervuld door personen waartegen uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bedenkingen bestaan.

• Door middel van het aanleveren van concrete en potentiële dreiginginformatie bevorderen dat degenen die daar direct verantwoordelijk voor zijn, zorgdragen voor een goede invulling van beveiligingsmaatregelen op met name de aandachtsgebieden: personen, objecten en diensten (in het kader van het Stelsel Bewaken en Beveiligen), bijzondere informatie en vitale sectoren.

• Zo tijdig mogelijk alerteren en informeren van de Nederlandse regering inzake uit het buitenland afkomstige latente en actuele dreigingen voor de nationale veiligheid en de Nederlandse regering in staat stellen bij het bepalen van standpunten over buitenlands beleid en bij het voeren van internationale onderhandelingen te beschikken over informatie terzake die via andere kanalen niet of moeilijk te verkrijgen is.

b. Prestatiegegevens

De genoemde doelstellingen worden in de rijksbegroting niet verder uitgewerkt in operationele doelstellingen zoals bedoeld in de rijksbegrotingvoorschriften; hiervoor wordt verwezen naar het Jaarplan AIVD 2007, dat in november o.a. aan de leden van de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten wordt gezonden. Wel worden prestatiegegevens verstrekt over een twee activiteiten:

1. De mate waarin de AIVD er in slaagt het apparaat te versterken.

2. Het aantal uitgevoerde veiligheidsonderzoeken.

Ad 1: Versterken van het apparaat

Motivering

Bereiken van een beter evenwicht tussen prioriteiten in de taakuitvoering en beschikbare middelen.

Instrumenten/activiteiten

Uitbreiden van het apparaat in de periode 2005–2009 met circa 585 fte. Voor 2007 is een uitbreiding met ca. 150 fte gepland. De uitbreiding heeft betrekking op:

• Een kwalitatieve en kwantitatieve versterking van de AIVD, conform de kabinetsreactie op de bevindingen van de commissie bestuurlijke evaluatie AIVD.

• Capaciteit voor de intensivering van het onderzoek naar fenomenen en risicovolle personen, organisaties en netwerken in het domein van terrorismebestrijding en radicalisering.

• Capaciteit ter versterking van het Stelsel Bewaken en Beveiligen.

• Capaciteit ter versterking van de inlichtingentaak Buitenland, waaronder het onderzoek naar de verspreiding van massavernietigingswapens.

Meetbare gegevens/Kengetallen

Prestatie-indicatoren
 20072008
FTE’s1 3731 500
Basiswaarde (2007): 1 223  

Ad 2: Verrichten van veiligheidsonderzoeken

Motivering

Het uitvoeren van de Wet veiligheidsonderzoeken met als doel dat vertrouwensfuncties worden vervuld door personen waartegen uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bedenkingen bestaan.

Instrumenten/activiteiten

Het verrichten van veiligheidsonderzoeken door de AIVD.

Meetbare gegevens/Kengetallen

Prestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaardeRealisatie
 2007*20072007
Aantal uitgevoerde onderzoeken12 43312 00012 000
 (aantal onderzoeken in behandeling genomen in 2006)(voornamelijk afhankelijk van arbeidsmarktontwikkelingen)(gelijk aan streefwaarde)

* Meerjarige prognose van het aantal veiligheidsonderzoeken is niet betrouwbaar.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

De AIVD onderzoekt haar activiteiten op periodieke basis, conform de Regeling periodiek evaluatieonderzoek en beleidsinformatie. Rapportages worden vertrouwelijk aangeboden aan de Commissie van Toezicht en de president van de Algemene Rekenkamer. Politiek relevante bevindingen worden aangeboden aan de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten.

14. Toezicht en onderzoek openbare orde en veiligheid

Algemene beleidsdoelstelling 14

Een bijdrage leveren aan een veilige samenleving en het vertrouwen van de burger in de overheid vergroten.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Toezicht is een onderdeel van de beleidscyclus. Het is een schakel tussen het beleid en regelgeving enerzijds en de uitvoering anderzijds. Op basis van de informatie die het toezicht levert over de uitvoering, kan bestaand beleid worden aangepast of nieuw beleid worden geïnitieerd. Daarnaast kan de uitvoering worden verbeterd met de informatie die een toezichthouder beschikbaar stelt. Het toezicht op het OOV-domein wordt uitgevoerd door de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV).


De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) verricht onafhankelijk, integraal en thematisch onderzoek en stelt op grond daarvan aanbevelingen op om de veiligheid structureel te vergroten en herhalingen te voorkomen. De OvV besluit op eigen gezag en in volledige onafhankelijkheid tot onderzoek naar de oorzaak van (ernstige) ongevallen en rampen of een dreiging daartoe. Uitzondering hierop zijn de bij wet of internationaal voorgeschreven onderzoeken (waaronder luchtvaart en scheepvaart).

Verantwoordelijkheid van de minister(s)

Inspectie Openbare Orde en Veiligheid:

De minister van BZK is, waar nodig in overeenstemming met de minister van Justitie, verantwoordelijk voor het rijkstoezicht ten aanzien van openbare orde en veiligheid (op grond van de artikelen 53 a van de Politiewet 1993 en 19 en 19 a van de Brandweerwet 1985). De minister van BZK vult zijn verantwoordelijkheid voor het toezicht in door onderzoek te laten verrichten naar en te rapporteren over de kwaliteit waarmee politie, brandweer, GHOR, rampenbestrijdings- en crisisbeheersingsorganisatie hun publieke taken invullen.


De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV):

De minister van BZK draagt geen verantwoordelijkheid voor de individuele onderzoeken en aanbevelingen die de onderzoeken mogelijk vergezellen. De Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid bevat op dit punt ook geen bevoegdheden. De minister heeft wel een toezichthoudende rol bij voorvallen die bij algemene maatregel van rijksbestuur of algemene maatregel van bestuur verplicht moeten worden onderzocht. De minister van BZK vult zijn ministeriële verantwoordelijkheid in door verantwoording af te leggen aan de Staten-Generaal. In de Rijkswet Onderzoeksraad voor Veiligheid is een aantal bevoegdheden opgenomen die het mogelijk maken invulling te geven aan de ministeriële verantwoordelijkheid voor de raad. De wet bevat met het oog op het toezicht op de raad nagenoeg gelijke bepalingen als het ingediende voorstel voor de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

Succesfactoren:

Het behalen van de doelstelling voor de IOOV hangt af van:

• (Brede) opvolging van de aanbevelingen van de Inspectie OOV door de eerstverantwoordelijke bestuurders en betrokken organisaties.

• De mate waarin de Inspectie OOV er in slaagt het politiek-bestuurlijke debat te voeden.


Het behalen van de doelstelling voor de OvV hangt af van:

• De aanbevelingen, als gevolg van een concreet voorval, die moeten suggesties bevatten om verbeteringen aan te brengen om een dergelijk voorval in de toekomst te voorkomen of de omvang van de gevolgen te beperken.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 14: Toezicht en onderzoek openbare orde en veiligheid2005200620072008200920102011
Verplichtingen11 32013 98414 06114 44014 44914 41914 359
        
Uitgaven11 03713 98414 06114 44014 44914 41914 359
14.1 Inspectie Openbare Orde en Veiligheid4 0454 4424 5394 5114 5204 4904 430
14.2 Onderzoeksraad voor veiligheid6 9929 5429 5229 9299 9299 9299 929
        
Ontvangsten38000000

Toelichting: De uitgaven zijn volledig juridisch verplicht.

Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 14.1

Het vergroten van de kwaliteit waarmee politie, brandweer, rampenbestrijdings- en crisisbeheersingsorganisaties hun taken uitvoeren.

Motivering

De Inspectie OOV levert een bijdrage aan de veiligheid van de samenleving. Zij oefent daartoe toezicht uit op de besturen en organisaties die verantwoordelijk zijn voor de openbare orde en veiligheid. De Inspectie OOV toetst of wet- en regelgeving en geformuleerd beleid in de praktijk daadwerkelijk tot het gewenste resultaat leiden. Op basis van professioneel en onafhankelijk uitgevoerde inspecties stelt de Inspectie OOV de verantwoordelijken in staat de veiligheid te verbeteren.

Instrumenten/activiteiten

De Inspectie OOV verricht:

• Systematisch toezicht op het niveau van de regio op de voorbereiding van de rampenbestrijding.

• Thematisch onderzoek binnen de verschillende domeinen van openbare orde en veiligheid.

• Incidenteel onderzoek naar aanleiding van politieke of maatschappelijke actualiteiten of incidenten.


Daarnaast adviseert de Inspectie OOV, als sluitstuk van de beleidscyclus, over de mate waarin beleidsdoelen toetsbaar en publieke taken uitvoerbaar zijn.


Er is voorzien om het toezicht op de voorbereiding van de rampenbestrijding/crisisbeheersing op regionaal niveau zodanig in te richten dat alle regio’s eind 2007 deel 1 van de Algemene Doorlichting Rampenbestrijding (ADR) hebben afgerond. Dat heeft tot effect dat de simulaties (deel 2 van de ADR: een praktijktest) zo mogelijk versneld zullen worden uitgevoerd.


De Inspectie OOV heeft te maken met een relatief groot, complex veld en moet keuzes maken gegeven de bedrijfsvoeringcapaciteit. De Inspectie OOV hanteert een risicoanalyse als instrument om de keuzes te maken, binnen de kaders van de vigerende wet- en regelgeving en de te realiseren beleidsdoelen. Het Werkplan 2007 zal op deze wijze tot stand komen en zal eind 2006 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Operationele doelstelling 14.2

Onderzoeksraad voor de Veiligheid

Motivering

De Onderzoeksraad voor de Veiligheid fungeert als onafhankelijk onderzoeksorgaan, dat op eigen gezag kan besluiten tot onderzoek naar de oorzaak van (ernstige) ongevallen en rampen of een dreiging daartoe. Uit het onderzoek dient lering te worden getrokken en aanbevelingen te worden gedaan om de structurele veiligheid te vergroten. De aanbevelingen van de OvV zijn gericht aan overheden en bedrijfsleven om een bijdrage te leveren aan het vergroten van de structurele veiligheid binnen het Koninkrijk.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

OnderwerpDoelstellingStartAfgerond
Beleidsdoorlichting   
• Inspectie Openbare orde en veiligheid14.120082008
    
Effectenonderzoek ex-post   
Geen NvtNvt
    
Overige evaluatieonderzoeken   
Geen NvtNvt

* OD 14.2 wordt niet doorgelicht.

15. Crisisbeheersing

Algemene beleidsdoelstelling 15

Een samenleving die goed voorbereid is op crises.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Goed voorbereid zijn op mogelijke crises is de doelstelling van het kabinet op het terrein van crisisbeheersing. Crisisbeheersing is een belangrijk en complex aandachtsgebied dat vraagt om een duidelijke verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de betrokken partijen. Centraal daarbij staan het probleemoplossend vermogen van de veiligheidspartners, heldere afspraken en een eenduidige aansturing. Ook van de burgers en het bedrijfsleven wordt verwacht dat zij zich bewust zijn van risico’s en dat zij beschikken over het vermogen tot zelfredzaamheid. Tegelijk moeten zij er op kunnen vertrouwen dat de overheid goed voorbereid is en snel en adequaat opereert bij een dreigende of uitgebroken crisis. De minister van BZK is door het Kabinet aangewezen als coördinerend minister voor crisisbeheersing.

Verantwoordelijkheid van de minister(s)

Als coördinerend minister voor crisisbeheersing is de minister van BZK verantwoordelijk voor:

• De kwaliteit en effectiviteit van het stelsel van crisisbeheersing.

• De bestuurlijke en operationele coördinatie van crises op nationaal niveau.

• De noodzakelijke randvoorwaarden van de decentrale voorbereiding op crisisbeheersing.

• De kwaliteit van de informatievoorziening vóór, ten tijde van en ná crises of de dreiging ervan, mede ter versterking van het veiligheidsbewustzijn en zelfredzaamheid.

Succesfactoren

Het bereiken van een samenleving die goed voorbereid is op crises hangt af van:

• De feitelijke totstandkoming van de veiligheidsregio’s.

• Goed functionerende (inter-)nationale organisaties die bereid zijn tot samenwerking (veiligheidsstructuur).

• Structurele en actieve betrokkenheid van de bestuurlijke partners.

• De bereidheid tot veiligheidsbewust gedrag door en het vermogen tot zelfredzaamheid van de bevolking.

• Het treffen van adequate veiligheidsmaatregelen door het bedrijfsleven.

• De ontwikkeling van technologie die van invloed is op crisisbeheersing.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 15: Crisis- en Rampenbeheersing2005200620072008200920102011
Verplichtingen39 45641 04634 53335 44534 14533 44333 473
        
Uitgaven34 77343 41035 89736 80935 50934 80734 807
15.1 apparaat7 5148 1107 9278 2038 2008 1988 198
        
Programma-uitgaven  27 97028 60627 30926 60926 609
waarvan juridisch verplicht  5 5140000
        
15.2 programma uitgaven4 0582 4805 0005 7004 4003 7003 700
waarvan juridisch verplicht  2 300    
        
15.3 functioneren crisisbeheersingsorganisatie14 54214 92512 27012 27012 27012 27012 270
waarvan juridisch verplicht  2 068    
        
15.4 aansturen crisisbeheersing8 65917 8958 9008 8368 8398 8398 839
waarvan juridisch verplicht  646    
        
15.5 crisiscommunicatie 01 8001 8001 8001 8001 800
waarvan juridisch verplicht  500    
        
Ontvangsten813002 0002 00070000

Toelichting: Met ingang van 2007 is operationeel doel 5 crisiscommunicatie aan het artikel toegevoegd. Voor dit operationele doel is budget beschikbaar gekomen door middel van reallocatie binnen het begrotingsartikel. Daarnaast is de omschrijving van de operationele doelen 2, 3 en 4 aangepast.

Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 15.2

Het beperken van de kans op en de gevolgen van crises.

Motivering

Voorkomen is beter dan genezen: na een crisis wordt vaak de vraag gesteld of en hoe deze had kunnen worden voorkomen of worden beperkt in de gevolgen. Bij het voorkomen en beheersbaar maken van crises ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de eigen sector bij de vakdepartementen, medeoverheden en bedrijfssectoren. De minister van BZK spreekt hen op deze verantwoordelijkheid aan vanuit zijn coördinerende verantwoordelijkheid op het gebied van veiligheid (naast de eigen rol als vakdepartement). Het doel is het bewustzijn bij bestuurders en bedrijfsleven te vergroten om in de planfase van nieuwe activiteiten of bij de beleidsvorming rekening te houden met de kans op een crisis op het betreffende terrein.

Instrumenten/activiteiten

Bescherming vitale infrastructuur

Dit beleid omvat het voorkomen van uitval van vitale sectoren om de maatschappelijke ontwrichting uit te sluiten. Er zijn 12 vitale sectoren, waarvoor 8 ministeries verantwoordelijk zijn. De minister van BZK heeft een coördinerende rol om de bovensectorale maatregelen die in het kader van de vitale infrastructuur worden genomen tot uitvoering te brengen en de vierjaarlijkse update met betrekking tot de 12 sectoren te laten geschieden. Het beleid is gericht op het formuleren van extra beschermende maatregelen, waar nodig.

Crisisbestendigheidtoets

Deze toets omvat criteria voor de (zelf-)beoordeling van de mate waarin in beleidsvoornemens en plannen rekening is gehouden met de kans op en de gevolgen van een crisis of ramp op het betreffende beleidsterrein. De toets zal in 2007 beschikbaar zijn.

Nationale Risicobalans

Deze brengt systematisch de risico’s en dreigingen van crises in kaart, waarmee Nederland kan worden geconfronteerd. Het kabinet krijgt hiermee inzicht in de verhouding tussen risico’s en de mogelijkheid om op basis hiervan gericht risicobeleid te voeren. In 2006 is gestart met de ontwikkeling van een prototype van de Nationale Risicobalans. In 2007 zal dit worden voortgezet.

Veiligheidsbewustzijn

Ondersteuning van activiteiten die het veiligheidsbewustzijn van burgers en bedrijven versterken. Doel is dat beleidsinterventies (zoals veiligheidscampagnes) effectiever worden. Om de ontwikkeling van het veiligheidsbewustzijn (de effectiviteit) te kunnen volgen, worden met de hiervoor ontwikkelde monitor metingen uitgevoerd.

Operationele doelstelling 15.3

Een goed functionerende crisisbeheersingsorganisatie.

Motivering

Om slagvaardig een crisis te kunnen beheersen, is het belangrijk dat de crisisbeheersingsorganisatie goed functioneert en dat alle betrokken partijen aan kwaliteitseisen voldoen. Als coördinerend minister voor crisisbeheersing heeft de minister van BZK de taak om organisatorische randvoorwaarden te scheppen, kwaliteitseisen te stellen en te monitoren of daaraan wordt voldaan. Door regelmatig te oefenen wordt het duidelijk of aan de randvoorwaarden en kwaliteitseisen wordt voldaan, of deze het gewenste effect hebben en waar verbeteringen doorgevoerd moeten worden.

Instrumenten/activiteiten

• Besluitvormingsstructuur en informatievoorziening: in 2007 zijn het Handboek Crisisbesluitvorming en Handboek Voorbereiding Rampenbestrijding geactualiseerd.

• Decentrale kwaliteitseisen: het vaststellen en implementeren van de decentrale kwaliteitseisen op het gebied van crisisbeheersing.

• Centrale kwaliteitseisen: monitoren of betrokken partijen voldoen aan de kwaliteitseisen voor interdepartementale crisisbeheersing.

• In 2007 zal een tweede landelijke, multidisciplinaire oefening worden gehouden.

• Nationale wetgeving op het terrein van crisisbeheersing.

• In 2007 zal in samenwerking met het ministerie van Defensie de mogelijkheid van de inzet van Defensie als partner bij crisisbeheersing en rampenbestrijding worden vergroot.

• Het bevorderen van het multidisciplinair oefenen, de regionale planvorming, de informatievoorziening en de eenduidigheid in kwaliteitsborging.

• In 2007 zal het alerteringsstelsel ten behoeve van terrorismebestrijding voor andere typen van crises worden uitgebreid.

Meetbare gegevens/kengetallen

Prestatie-indicatoren
 200620072008200920102011
1. Beleidsplan veiligheidDe veiligheidsregio heeft het beheersplan rampenbestrijding omgevormd naar een meerjarig beleidsplan veiligheid.Meeteenheid: % regio’s105080100100100
Bron: jaarverslag regio      
2. Regionaal crisisplanDe regio beschikt over een actueel operationeel crisisplan ter vervanging van de gemeentelijke rampenplannen.Meeteenheid: % regio’s105080100100100
Bron: jaarverslag regio      
3. Basisvereisten melding en opschalingDe regio heeft de basisvereisten melding en opschaling geïmplementeerd.Meeteenheid: % regio’s040100100100100
Bron: jaarverslag regio      
4. KwaliteitseisendepartementaalDe departementen voldoen aan de kwaliteitseisen t.a.v. de departementale crisisbeheersing.Meeteenheid: % departementen0100100100100100
Bron: Informatie departementen, dit komt later ter beschikking.      

Operationele doelstelling 15.4

Aansturen en coördineren crisisbeheersing.

Motivering

Coördinatie is cruciaal tijdens een crisis waarbij vele diensten zijn betrokken. Dit betreft zowel afstemming met bestuurlijke partners (vakministeries, provincies, gemeenten) als operationele afstemming tussen de hulpdiensten (brandweer, ambulance, politie, defensie). Voor de crisisbesluitvorming verzorgt BZK tijdens en voorafgaand aan een crisis de informatievoorziening en advisering aan leden van het interdepartementale en ministeriële beleidsteam.

Instrumenten/activiteiten

• Nationale overeenstemming over een generieke crisisbesluitvormingsstructuur.

• Implementatie van de in 2006 vastgestelde werkafspraken over informatievoorziening met de bestuurlijke partners (rijksoverheid, provincies, gemeenten) en operationele partners.

• Ontwikkeling van scenario’s voor ramptypen om toekomstige crises te kunnen beheersen.

• Aanbieden van ICT en logistieke faciliteiten en ondersteuning voorafgaand en tijdens crisisbesluitvorming.

• Door middel van het Nationaal Crisis Centrum (NCC) aanbieden van inhoudelijk en bestuurlijk afgestemde adviezen aan het interdepartementaal en ministerieel beleidsteam voorafgaand of tijdens een crisis.

• Gevulde database met een totaaloverzicht van de beschikbare capaciteit en middelen van alle hulpdiensten.

• Operationele afstemming door middel van het Landelijk Operationeel Crisis Centrum (LOCC) over de inzet van de hulpdiensten en het beschikbaar stellen van rijksmateriaal en expertise.

• Opleveren van (inter)departementale diensten en producten door Shared Services Crisisbeheersing voor het stimuleren van samenwerking, kwaliteitsverbetering en efficiencywinst bij de departementen.

Operationele doelstelling 15.5

Het bieden van open en realistische informatie aan burgers, bedrijven en andere instellingen vóór, tijdens en ná crises.

Motivering

Juist in crisissituaties verwachten burgers van de overheid dat zij goed en snel geïnformeerd worden. Dat vereist een overheid die voorbereid is op en in staat is om aan de verwachtingen en beleving van burgers te voldoen in de voorbereiding en de reactie van de overheid op crises. Een pro-actieve houding tegenover de burger en de media is daarbij van wezenlijk belang. Een gedegen crisiscommunicatieplan en een planmatig oefenbeleid op bestuurlijk niveau zijn belangrijke randvoorwaarden voor tijdige bijstelling van het beleid.

Verder dient er rekening mee te worden gehouden dat burgers moeilijker vanuit één centraal punt te bereiken zijn. Door de toename van media en integratie van moderne communicatietechnologieën (internet, SMS, MSN etc.) bepalen burgers in toenemende mate zelf van wie en wanneer zij welke informatie tot zich nemen.

Instrumenten/activiteiten

• Het verzamelen van kennis en expertise op het terrein van crisis- en risicocommunicatie voor het verhogen van de eigen deskundigheid. De kennis beschikbaar stellen aan andere overheden en bedrijfsleven en ondersteunen van gemeenten en veiligheidsregio’s bij het opstellen en uitvoeren van plannen voor risico- en crisiscommunicatie.

• VORAMP-campagne. Deze campagne richt zich op de bewustwording van de bevolking over de risico’s in de samenleving, hun eigen rol en verantwoordelijkheid daarbij. De campagne biedt ook handelingsperspectieven voor de verschillende risicotypes. In 2006 is de campagne opnieuw vormgegeven. De komende jaren zal de campagne worden voortgezet.

• Bieden van operationele ondersteuning in de vormgeving van crisiscommunicatie door medeoverheden bij crises en rampen.

Meetbare gegevens/kengetallen

Prestatie-indicatoren
 200620072008200920102011
1. Plannen voor crisiscommunicatieDe veiligheidsregio heeft een operationeel plan voor crisiscommunicatieMeeteenheid: % regio’s0100100100100100
Bron: jaarverslag regio’s.      

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

OnderwerpDoelstellingStartAfgerond
Beleidsdoorlichting   
• Het beperken van de kans op en de gevolgen van crises15.220072007
• Een goed functionerende crisisbeheersingsorganisatie15.320082008
• Aansturen crisisbeheersing15.420092009
• Open en realistische informatie aan burgers, bedrijven en andere instellingen vóór, tijdens en ná crises15.520102010
    
Effectenonderzoek ex-post   
Geen NvtNvt
    
Overige evaluatieonderzoeken   
Geen NvtNvt

16. Brandweer en Geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (GHOR)

Algemene beleidsdoelstelling 16

Een goed georganiseerde hulpverlening die bestuurlijk en operationeel klaar staat voor de veiligheid in de samenleving.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Iedere Nederlander heeft recht op een basis hulpverleningsniveau. De risicobronnen in de leefomgeving van de burger bepalen de inspanningen van brandweer en geneeskundige organisaties binnen de door het bestuur vastgestelde beleidskaders.

De brandweer en GHOR leveren een belangrijke bijdrage aan een fysiek veilige samenleving en aan versterking van het gevoel van veiligheid bij burgers door al in een zo vroeg mogelijk stadium mee te denken en te adviseren over veiligheidsbeleid of de wijze waarop hulpverlening het beste een plaats kan krijgen.

Door voorbereidingen te treffen voor in te zetten hulpverlening, door te weten hoe te handelen bij de inzet van de hulpverlening en door na afloop van incidenten of calamiteiten te zorgen voor de noodzakelijke nazorg.

BZK wil ervoor zorgdragen dat deze bijdrage door de brandweer en GHOR op een adequate wijze wordt geleverd. Zowel op bestuurlijk, operationeel als op regionaal niveau wordt de samenhang bezien met de bijdrage door de politie.

Verantwoordelijkheid van de minister(s)

Om ervoor te zorgen dat de inspanningen van de brandweer en GHOR op adequate wijze worden uitgevoerd, zowel op bestuurlijk als op operationeel niveau, vervult BZK een sturende, coördinerende, initiërende en faciliterende rol.

De minister van BZK is verantwoordelijk voor:

• Het onder een bestuurlijke regionale aansturing (de veiligheidsregio) brengen van de zorg voor fysieke veiligheid en samenhang te waarborgen met de zorg voor sociale veiligheid.

• Het borgen van een kwalitatief hoogwaardige brandweerzorg en GHOR.

• Het via wet- en regelgeving zorgen voor beleidsuitvoering en standaardisering/normering in de hulpverlening.

• Het borgen en ontwikkelen van kennis en expertise.

• Een zoveel mogelijk op risico’s toegesneden financiering van de kosten.

• zonodig aanvullende voorzieningen voor bijzonder optreden.

• Normering en standaardisering van de informatie- en communicatievoorziening.

• Internationale samenwerking op het terrein van de hulpverlening.

Succesfactoren

Het bereiken van een sterke hulpverlening voor een veilige samenleving is afhankelijk van:

Bestuurders andere overheden:

• Voor het welslagen van de totstandkoming van de veiligheidsregio’s.

• Voor het welslagen van de integratie van het regionaal veiligheidsbestuur en het bestuur van de politieregio.

• Voor draagvlak voor het wetsvoorstel Wet op de Brandweer, Rampenbestrijding en Crisisbeheersing (BRC).

• Voor de ontwikkeling en inbedding van meer op prestaties en kwaliteit gerichte bestuurlijke verhoudingen.

• De mate van samenwerking tussen de betrokken overheden.

De brandweer-, GHOR- en politie-organisaties:

• Voor hun bereidheid tot medewerking en onderlinge samenwerking om te komen tot krachtige veiligheidsregio’s.

• Voor de wijze waarop zij inspelen op technologische ontwikkelingen op het gebied van veiligheid.

Burgers en bedrijven:

• Voor de bereidheid mee te werken aan adviezen op het terrein van brandveiligheid en zelfredzaamheid.

Meetbare gegevens/Kengetallen

Kengetallen
 20032004
1.a. Meldingen brand53 90043 100
1.b. Meldingen hulpverlening36 30040 200
1.c. Meldingen loos alarm56 20058 600
Bron: CBS Brandweerstatistiek  
2. Opkomsttijd < 8 min. 35,2 %33,9 %
Bron: CBS Brandweerstatistiek  
3.a. Doden bij brand8574
3.b. Gewonden bij brand1 1391 085
3.c. Reddingen bij brand1 107920
Bron: CBS Brandweerstatistiek  
4.a. Vrijwillig operationeel personeel(w.v. vrouwen)22 061(1 024)22 039(1 107)
4.b. Beroeps operationeel personeel(w.v. vrouwen)5 352(222)5 260(251)
4.c. Niet operationeel personeeln.v.t.3 325
Bron: CBS Brandweerstatistiek.  

Toelichting algemeen: de cijfers voor 2005 komen in november ter beschikking.

Toelichting 4c: Niet operationeel personeel is personeel met een functie op het terrein van pro-actie en/of preventie en personeel in een ondersteunende functie.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 16: Brandweer en GHOR2005200620072008200920102011
        
Verplichtingen150 836156 445148 352153 527153 522153 521153 518
        
Uitgaven134 212156 473148 379153 554153 549153 548153 545
16.1 apparaat6 8755 6125 5665 7225 7225 7225 721
        
Programma-uitgaven  142 813147 832147 827147 826147 824
waarvan juridisch verplicht  111 56514 00113 10013 10013 100
        
16.2 bestuurlijke organisatie93 512116 984111 521116 528116 539116 538116 538
waarvan juridisch verplicht  95 080    
        
16.3 taken4 4664 1434 1224 1294 1104 1094 108
waarvan juridisch verplicht  1 095    
        
16.4 kwaliteit29 35929 73427 17027 17527 17827 17927 178
waarvan juridisch verplicht  15 390    
* Bijdrage baten-lastendienst LFR  (10 504)(10 792)(10 904)(10 863)(10 659)
        
Ontvangsten559250250250250250250

Aan gemeenten wordt conform het Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1999, het BKRE (Staatsblad 1999, nr. 402), een bijdrage verstrekt in de kosten ter grootte van ca € 31 miljoen. Aan de partners in de rampenbestrijding (brandweer- en GHOR-regio’s) wordt conform het Besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen, het BDUR ( Staatsblad 2001, nr. 113), een financiële bijdrage verstrekt in de kosten van de organisatie van de rampenbestrijding en hulpverlening ter grootte van ca € 63 miljoen.

Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 16.2

Een goede bestuurlijke organisatie voor een slagvaardige brandweer en GHOR.

Motivering

Om de brandweer en GHOR operationeel slagvaardiger te maken en beter voorbereid te laten zijn op hun taak voor rampen en crisisbeheersing is een goede bestuurlijke organisatie een cruciale voorwaarde. Het kabinet gaf de richting voor ontwikkeling daarvan aan in het kabinetsstandpunt veiligheidsregio’s (Tweede Kamer, vergaderjaar, 2003–2004, kamerstukken 29 517, nr. 1) en het beleidsplan crisisbeheersing (Tweede Kamer, vergaderjaar, 2003–2004, kamerstukken 29 668, nr. 1). De veiligheidsregio is een multidisciplinaire bovenlokale bestuurs- en organisatievorm voor de rampenbestrijding en crisisbeheersing. In het proces van bestuurlijke realisatie van de veiligheidsregio’s wordt in 2007 wetgeving voorbereid, een nieuwe financiering vormgegeven, wordt er verder gebouwd aan de informatie- en communicatievoorziening en wordt de positie van het veiligheidsbestuur in de geneeskundige sector verstevigd. Daarmee is de structuur geschapen en zijn randvoorwaarden ingevuld. Na de bestuurlijke en organisatorische implementatie zal in een continu proces de goede werking in de praktijk voortdurend worden geëvalueerd en verbeterd.

Instrumenten/activiteiten

• De rampenbestrijding en crisisbeheersing zijn in Nederland opgedragen aan organisaties die met dagelijkse zorg belast zijn. Door het instellen van veiligheidsregio’s wordt bewerkstelligd dat deze organisaties verder naar elkaar toegroeien in hun multidisciplinaire en integrale taakuitvoering. Met name door platforms voor kennisuitwisseling en via financiële stimulering wordt dit proces gefaciliteerd.

• De nieuwe wet op de Brandweer, Rampenbestrijding en Crisibeheersing (BRC) als formalisering van de vernieuwde bestuurlijke organisatie en inhoudelijke vormgeving van de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Het jaar 2007 staat in het teken van de behandeling van dit wetsvoorstel.

• Voorbereiding van een aantal algemene maatregelen van bestuur die het brede terrein van de wet BRC bestrijken. Daarin wordt het kabinetsstandpunt Interbestuurlijk Toezicht betrokken.

• Het Besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen (BDUR). Op grond hiervan worden financiële bijdragen verstrekt aan de brandweer- en GHOR-regio’s ter grootte van ca. € 63 mln. Op basis van extern onderzoek wordt de verdeling meer geënt op risico’s.

• Het ontwikkelen van prestatie-indicatoren en het maken van afspraken met de regio’s in convenanten in een gezamenlijk traject van meer zicht op en inzicht in de prestaties en effectiviteit van de geleverde inspanningen.

• Het Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog. Op grond van dit besluit worden aan gemeenten bijdragen in de kosten voor opsporing van explosieven verstrekt ter grootte van ca. € 31 mln. Dit besluit wordt in 2007 vernieuwd. Sinds medio 2006 is de Dienst Regelingen van het ministerie van LNV verantwoordelijk voor de uitvoering van het bijdragebesluit. Hiermee is de continuïteit van de uitvoering gewaarborgd. In 2007 wordt de uitvoering geëvalueerd.

• De implementatie van genomen besluiten op het gebied van territoriale congruentie wordt in 2007 afgerond. Daaronder is ook het kabinetsbesluit over Haarlemmermeer (incl. Schiphol), dat in nauwe samenwerking met de betrokken veiligheidsregio’s Kennemerland en Amsterdam-Amstelland wordt uitgewerkt. Verder zal besluitvorming worden voorbereid ten aanzien van de laatst resterende incongruenties.

• BZK zal in interdepartementaal verband, in overlegstructuren rondom de veiligheidsregio’s en in wet- en regelgeving de positie van het veiligheidsbestuur ten opzichte van de zorginstellingen verstevigen resp. verankeren.

• Voor de implementatie van het kabinetsstandpunt ACIR (Advies Commissie ICT Rampenbestrijding) wordt gebruik gemaakt van initiatieven en vragen uit vooral de veiligheidsregio’s. Deze bronnen voor nieuw ICT-beleid worden beoordeeld op mogelijkheden van ontwikkeling tot landelijk beleid via normering en standaardisering (zie voor dit onderwerp ook beleidsartikel 4 Partners in veiligheid).

• Implementatie van een kwaliteitszorgmodel voor zowel brandweer als de GHOR waarbij voor deze sectoren wordt aangesloten bij het INK model (Instituut Nederlandse Kwaliteit) resp. de HKZ-certificering (Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector).

Operationele doelstelling 16.3

Operationeel slagvaardige brandweer en geneeskundige diensten voor een sterke hulpverlening.

Motivering

Risicobronnen en de bijbehorende zorgvraag hebben invloed op de inzet van de brandweer- en geneeskundige organisaties. Voor de veiligheid van de burger is het van groot belang dat de brandweer en de geneeskundige diensten optimaal en efficiënt hun taken kunnen uitvoeren.

Steeds vaker worden de brandweer en GHOR vroegtijdig als adviseur betrokken bij veiligheidsvraagstukken op de terreinen ruimtelijke ordening, infrastructuur, transport en milieu. Deze adviezen hebben zowel betrekking op hulpverlening als op (zelf)redzaamheid van burgers.

Naast deze preventietaak blijft de kern van de activiteiten van de brandweer en geneeskundige diensten de repressieve inzet en de voorbereiding daarop. Dit geldt zowel voor kleinschalige incidenten (dagelijkse spoedeisende hulpverlening) tot en met rampen en crises (grootschalige en multidisciplinaire inzet).

De nazorgfase in de hulpverlening wordt steeds belangrijker. Dat geldt voor psychosociale nazorg voor de geneeskundige hulpverlening, maar ook voor herstelwerkzaamheden, terugkeer naar de oude situatie en onderzoek en evaluatie van de inzet.

Instrumenten/activiteiten

• In beleidsmatige en financiële zin en via netwerkcontacten ondersteunen van de rol van de (regionale) brandweer op de terreinen externe veiligheid en brandveiligheid en zorgen voor brede kennisontwikkeling en uitbreiding van de kwaliteit en capaciteit van de brandweer op deze terreinen.

• Anticiperen op de rol van de veiligheidsregio op de terreinen van pro-actie en preventie.

• Belangrijke wet- en regelgeving hierbij is: het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen, de programmafinanciering externe veiligheid, de nota transport gevaarlijke stoffen, de nota tunnelveiligheid, het vuurwerkbesluit en het Besluit risico’s zware ongevallen.

• Versterken van de spoedeisende geneeskundige hulpverlening wat betreft de preparatie, daadwerkelijke inzet bij grootschalige incidenten en in de nazorgfase.

• Door middel van subsidies, projectondersteuning, onderhandelingen en het maken van werkafspraken met de GHOR de volgende doelen bereiken:

1. Versterken van de informatievoorziening.

2. Stimuleren bovenregionale samenwerking.

3. Kennisbevordering.

4. Aansluiting Land-zee regeling.

5. Intensivering contacten koepels ketenpartners/imago GHOR.

6. Versterken van de operationele slagkracht.

• Goede implementatie van de in 2006 ontwikkelde en geactualiseerde:

– Leidraad repressieve basisbrandweerzorg,

– Leidraad grootschalig optreden en

– het Besluit bedrijfsbrandweren.

• Nader uitwerken van de thema’s brandweerspecialisaties, brede dienstverlening en zelfredzaamheid binnen de hulpverlening. Zorgen voor de samenhang van deze diverse thema’s.

• Communicatie, met in het bijzonder aandacht voor het versterken van het veiligheidsbewustzijn. Aandacht voor:

De activiteiten die de hulpverleningsdiensten verrichten om te zorgen voor een goede beeldvorming. Dit komt tot uitdrukking in de brandpreventievoorlichting, in activiteiten voor kinderen op het gebiedvan veiligheid en in financiële bijdragen aan activiteiten die leiden tot het versterken van het imago van de brandweer en de GHOR. Het Europese samenwerkingproject Equal, gericht op uitvoering van beleid op het gebied van op de aspecten beeldvorming, imago en cultuur van de brandweerorganisatie.

Operationele doelstelling 16.4

Het zekerstellen van de kwaliteit van het personeel en het materieel binnen de organisatie van de brandweer en de GHOR.

Motivering

Door het grote aantal betrokken instanties zijn er verschillen in schaal, kwaliteit en kwantiteit tussen de hulpverleningsorganisaties. Om het basis hulpverleningsniveau voor iedere Nederlander te kunnen bieden en om efficiënt om te gaan met noodzakelijke bovenregionaal te organiseren structuren (b.v. bijstand, kennis en expertise, internationale samenwerking), wordt door het stellen van landelijke kwaliteitseisen aan personeel en materieel, een extra impuls gegeven aan het gelijkwaardig presterend vermogen van de hulpverleningsorganisaties. In de toekomst zal de organisatie van de veiligheidsregio, waarin de schaalvergroting van de brandweer is voorzien, een belangrijke bijdrage leveren aan het zekerstellen van de kwaliteit van personeel en materieel van de brandweer.

Instrumenten/activiteiten

• Invoeren van het functie- en competentiegericht opleiden voor bevelvoerders en manschappen bij de brandweer. In navolging van het vergelijkbare proces in 2006 en verder ten behoeve van de brandweerofficieren.

• Het scheppen van een kader voor en invulling geven aan het vakbekwaam worden en blijven op basis van competenties gedefinieerd ten behoeve van de operationele GHOR-rollen in aansluiting met de opleidings- en oefenbehoefte van de witte sector, zoals benoemd in het kabinetsstandpunt GHOR.

• Het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (NIBRA) ontwikkelen tot een instituut voor fysieke veiligheid, gericht op de brandweer, de GHOR, de crisisbeheersing en de rampenbestrijding. In 2006 is een start gemaakt met de invulling van deze ontwikkeling (verbreding op het gebied van opleidingen, oefenen, onderzoek, lectoraten, deskundigenhelpdesk en documentenbeheer).

• Aan de hand van geschetste scenario’s worden verkenningen gedaan naar de rol en positie van het zelfstandige bestuursorgaan Nederlands Bureau voor Brandweerexamens (NBBe). Door de wijziging van het Besluit brandweerpersoneel en de gewijzigde functie- en competentiegerichte opleidingen vindt mogelijk een taakuitbreiding dan wel een wijziging van de taken plaats. Een wijziging van de Brandweerwet 1985 is hierbij niet uit te sluiten.

• Modernisering van de arbeidsverhoudingen. De uitkomsten van het onderzoek naar motivatie en beschikbaarheid van vrijwilligers, nu en in de toekomst, de problematiek van de arbeidstijdenwet en het geweld tegen de brandweer zullen in samenhang met elkaar de basis vormen voor deze activiteiten.

• Samen met Europa projecten begeleiden en subsidiëren.

1. «De brandweer van Binnen naar Buiten»: een cultuuromslag bewerkstelligen binnen de brandweerorganisaties opdat vrouwen en minderheden een vast onderdeel vormen van de beroepspopulatie.

2. «Firecomp»: in samenwerking met Europese partners, competenties opstellen voor brandweerpersoneel.

• Een herijking van de verantwoordelijkheidsverdeling inzake het rampenbestrijdingsmaterieel tussen Rijk en Regio (o.a. als gevolg van de komst van de veiligheidsregio).

• Het initiëren, ondersteunen en faciliteren van organisatiestructuren en netwerken die leiden tot technologische ontwikkelingen in relatie tot fysieke veiligheid.

• Implementeren van de beleidswijzigingen voortkomend uit de visie grootschalig optreden Brandweer en GHOR.

• Het opdrachtgeverschap voor het per 1 januari 2007 op te richten agentschap Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding (LFR) vormgeven.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

OnderwerpDoelstellingStartAfgerond
Beleidsdoorlichting   
• Goede bestuurlijke organisatie voor een slagvaardige brandweer en GHOR16.220072007
• Operationele slagvaardige brandweer en geneeskundige diensten voor een sterke hulpverlening16.320082008
• Kwaliteitvan het personeel en materieel binnen de organisatie van brandweer en GHOR16.420092009
    
Effectenonderzoek ex-post   
Geen Nvtnvt
    
Overige evaluatieonderzoeken   
• Totstandkoming van veiligheidsregio’s16.220072008
• Bekostigingssystematiek van de veiligheidsregio’s16.220062007

1  Rapport Budgetverdeling Nederlandse Politie.

2  Ten opzichte van OW2006 is hierbij ondermeer rekening gehouden met een daling van de benodigde capaciteit vanwege asieleffecten en extra capaciteit voor terrorismebestrijding.

3  Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, kamerstukken 29 800, nr. 4.

4  E.e.a. binnen de bepalingen van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, Wiv 2002, en de Wet veiligheidsonderzoeken, Wvo.