Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

B.2.2.2. BESTUUR EN DEMOCRATIE

1. Grondwet en democratie

Algemene beleidsdoelstelling 1

Een samenleving waarin de grondrechten van de burgers, zoals vrijwaring van discriminatie, de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, de privacy en de godsdienstvrijheid zijn verzekerd en het vertrouwen in en de deelname aan een goed functionerende democratische rechtsstaat, toenemen.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Het ministerie van BZK staat voor handhaving en bevordering van de democratische rechtsstaat. Hierin staat de Grondwet als een nationaal samenbindend document centraal, naast het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en internationale- en Europese verdragen. Het behoud van een goed functionerende democratische rechtsstaat vraagt, naast institutionele voorzieningen en een effectieve democratische bestuursvoering, een actieve civil society van geïnteresseerde en georganiseerde burgers. Nieuwe ontwikkelingen dienen te leiden tot het opnieuw overwegen van de grondwettelijke regeling van het bestel. Het verdedigen en handhaven van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat is een belangrijke thema dat steeds in ontwikkeling is. De dreiging van terrorisme, maar ook de steeds verdere digitalisering van de samenleving maken dit alleen nog maar noodzakelijker, zowel op nationaal, Europees als internationaal niveau. De klassieke en sociale grondrechten, de manier waarop de democratie via verkiezingen gestalte krijgt in de staatsinstellingen, de organisatie, de inrichting en het functioneren van bestuursorganen en de macht en invloed van de burger op de overheidsorganisatie staan hoog op de agenda van BZK.

Ook het vertrouwen tussen de burger en de overheid is essentieel. Het uitgangspunt is daarom herstel van vertrouwen waar dat ontbreekt, zodat burger en de politiek dichter bij elkaar worden gebracht. Dat vertrouwen wil het kabinet ook terugbrengen door ervoor te zorgen dat wet- en regelgeving in de praktische uitvoering zo min mogelijk administratieve lasten voor burger en bedrijfsleven meebrengen.

Verantwoordelijkheid van de minister(s)

Beide ministers zijn elk op hun eigen terrein verantwoordelijk voor:

• Het beleid en de wetgeving over de Grondwet en daarmee samenhangende wetgeving.

• Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

• De inrichting van het staatsbestel.

• Grondwettelijke aspecten van internationale en Europese verdragen.

• Deugdelijke BZK wetgeving.

Succesfactoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van een aantal factoren. In de eerste plaats is iedere burger zelf verantwoordelijk voor zijn bijdrage aan het functioneren van de democratische rechtsstaat. Hoewel de ministers kunnen bevorderen dat de burgers worden betrokken bij het goed functioneren van de democratische rechtsstaat en het constitutioneel bestel, kan dit niet worden afgedwongen. In de tweede plaats is met de instelling van het Burgerforum Kiesstelsel en de Nationale Conventie gekozen voor een innovatieve werkwijze. De positieve respons op de vernieuwende aanpak schept de verwachting dat over de adviezen die voortvloeien uit het Burgerforum Kiesstelsel en de Nationale Conventie breed gediscussieerd zal worden. Daarna is het aan het nieuwe kabinet om hieruit conclusies te trekken.

Meetbare gegevens/Kengetallen

Er zijn tal van gegevens en rapporten waarin informatie is terug te vinden over aspecten van het functioneren van de democratische rechtsstaat. Er is echter geen duidelijk meetbaar gegeven dat op dit moment als een specifieke indicator of kengetal kan worden opgenomen in relatie tot de algemene beleidsdoelstelling van dit begrotingsartikel.

BZK publiceert eind 2006 voor het eerst een trendrapport dat informatie geeft over de staat van de democratie. Het rapport is gebaseerd op een in internationaal verband ontwikkelde methode van het International Institute for Democracy and Electoral Assistance. Het beschrijft de actuele staat en ontwikkelingen van veertien onderwerpen, verdeeld over vier terreinen: rechtsstaat, overheid, maatschappelijk middenveld en internationale context.

Dit eerste rapport kan gezien worden als een nulmeting. Aan de hand van de eerste bevindingen moet bepaald worden met welke frequentie het onderzoek herhaald wordt.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 1: Grondwet en democratie2005200620072008200920102011
Verplichtingen15 64714 76011 8645 0746 7957 9667 639
        
Uitgaven14 81114 76011 8645 0746 7957 9667 639
1.1 apparaat14 81114 7603 7363 3803 7923 7903 463
        
Programma-uitgaven  8 1281 6943 0034 1764 176
waarvan juridisch verplicht  6 4051 3742 3563 2363 236
        
1.2 programma  6 8931 2792 5883 7613 761
waarvan juridisch verplicht  5 170    
        
1.3 kiesraad  1 235415415415415
waarvan juridisch verplicht  1 235    
        
Ontvangsten59000000

Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 1.2

Het zorgen voor een actueel constitutioneel bestel en daarmee samenhangende wetgeving en het verbeteren van de politieke participatie. Vertrouwen in en betrokkenheid bij onze democratische instituties en procedures, speelt hierbij een grote rol.

Motivering

Het kabinet werkt aan het herstel van vertrouwen en vindt het van belang om burgers te betrekken bij democratische vernieuwing. Juist omdat het winnen en vasthouden van het vertrouwen van de burger onmisbaar is bij zowel het vormgeven van het democratische vernieuwingsproces, als de actualisering van het constitutionele bestel.

BZK onderneemt in dat verband diverse activiteiten, die hieronder in een viertal aandachtsgebieden zijn geclusterd.

Instrumenten/activiteiten

Staatsinrichting

Burgerforum

Het Burgerforum Kiesstelsel zal in het najaar van 2006 een advies geven over de inrichting van het kiesstelsel voor de verkiezingen van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Daarna kan het nieuwe kabinet daarover een standpunt innemen.

Nationale Conventie

De Nationale Conventie komt in het najaar van 2006 met een advies voor een actueel constitutioneel bestel, waarna het aan het nieuwe kabinet is om tot een standpunt te komen.

Staatkundige vernieuwingen in de Antillen

Naar aanleiding van de referenda die op de verschillende eilanden van de Nederlandse Antillen zijn gehouden is een proces ingezet dat moet leiden tot een nieuwe staatkundige structuur binnen het Koninkrijk. De drie kleine eilanden hebben aangegeven een nauwere band met Nederland na te streven. Curaçao en Sint Maarten streven naar een status vergelijkbaar met die van Aruba. Onderzocht zal worden of de huidige structuur van het Koninkrijk en de staatsinrichting van Nederland, zoals neergelegd in het Statuut, hiervoor passend is of dat hierin wijzigingen moeten worden aangebracht om nieuwe verhoudingen mogelijk te maken.

Grondrechten

Digitale samenleving

Het Comité van Ministers van de Raad van Europa heeft in 2005 een Politieke Verklaring aangenomen, die de verdragspartijen onder andere verplicht tot het treffen van maatregelen die de mensenrechten in een digitale samenleving effectief beschermen -waaronder het recht op vrijheid van meningsuiting, geheime communicatie en persoonlijke levenssfeer.

In 2006 heeft BZK verder onderzocht hoe we onze grondrechtartikelen aan kunnen laten sluiten bij de ontwikkelingen in de digitale maatschappij. In het bijzonder gaat het hierbij om artikel 7 (vrijheid van meningsuiting), artikel 10 (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en artikel 13 (briefgeheim). De vraag of het mogelijk is deze artikelen techniekonafhankelijk te formuleren, stond hierbij centraal. Het doel is om met concrete voorstellen te komen voor mogelijke grondwetswijzigingen voor deze artikelen.

Openbaarheid Overheidsinformatie

In de democratische rechtsstaat dient het functioneren van de overheid controleerbaar te zijn. Inzicht in de informatie waarover de overheid beschikt is daarvoor essentieel. In 2006 is naar aanleiding van diverse rapporten over de effecten van de digitale samenleving op openbaarheid en de in 2004 verschenen evaluatie van de Wet openbaarheid van bestuur een opdracht gegeven voor een voorontwerp van een algemene wet overheidsinformatie. In dit voorontwerp ligt de nadruk op het uit eigen beweging openbaar maken en wordt voorgesteld de reikwijdte te verbreden tot alle overheidsorganen. Daarnaast maakt het voorontwerp een beperkte vorm van selectieve informatieverstrekking mogelijk. Ook regelt het voorontwerp de informatie-uitwisseling tussen overheidsorganen. Het is aan het nieuwe kabinet om over het voorontwerp een standpunt in te nemen.

Politieke participatie

Voorlichtingscampagne verkiezingen in 2007

Verkiezingen vormen het hart van het democratische proces. In maart 2007 worden de verkiezingen voor Provinciale Staten gehouden. Om de belangstelling voor en opkomst bij de verkiezingen te bevorderen, organiseert BZK voorlichtingscampagnes. De opkomst is van veel factoren afhankelijk. De campagnes richten zich primair op het verhogen van de bekendheid onder de kiezers dat er verkiezingen worden gehouden. Het doel is daarmee bij te dragen aan een hogere opkomst dan bij de vorige verkiezingen. De inspanningen zijn erop gericht de trend van een licht stijgende opkomst van de kiezer vast te houden, nadat eind jaren negentig sprake was van een dieptepunt in de opkomst.

Modernisering Kieswet

Afgezien van een mogelijke wijziging van het kiesstelsel die kan voortvloeien uit het advies van het Burgerforum, is het noodzakelijk dat de Kieswet op een groot aantal punten gemoderniseerd wordt. Voor de uitoefening van het kiesrecht is het essentieel dat de wetgeving helder en eenduidig is. Door alle afzonderlijke wijzigingen van de Kieswet in de afgelopen jaren, is de Kieswet al geruime tijd niet meer in zijn geheel bezien. Dit heeft er onder andere toe geleid dat de procedures rondom de registratie van politieke partijen en die rondom kandidaatstelling in de praktijk tot veel vragen leiden. Daarnaast is het wenselijk om de Kieswet meer techniekonafhankelijk op te stellen. Deze en andere kwesties zullen worden meegenomen in een wetsvoorstel tot modernisering van de Kieswet.

Project Kiezen op Afstand

Bij de vervroegde verkiezingen voor de Tweede Kamer zal een experiment worden gehouden met internetstemmen voor de Nederlandse kiezers die in het buitenland wonen. Doel van het experiment is het verminderen van de plaatsafhankelijkheid van het uitbrengen van de stem en het beproeven van de inzet van ICT daartoe. De kiezers in het buitenland mogen van tevoren aangeven hoe zij willen stemmen: via internet of per brief.

Naar aanleiding van het succesvolle verloop van het experiment «Stemmen in een willekeurig stemlokaal» binnen de eigen gemeente bij de gemeenteraadsverkiezingen 2006, zal de Kieswet worden gewijzigd om dit landelijk in te voeren. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer, en mogelijk ook voor de Provinciale Staten-verkiezingen in 2007, zal stemmen in een willekeurig stemlokaal op experimentbasis opnieuw mogelijk zijn.

Financiering politieke partijen

Politieke partijen vervullen een cruciale rol in onze democratie. Voor hun inkomsten zijn zij onder meer afhankelijk van overheidssubsidie en ledencontributies. Daarnaast ontvangen partijen giften van particulieren en bedrijven. Om de integriteit en onafhankelijkheid van politieke partijen te waarborgen, is het noodzakelijk dat er regels zijn gesteld over de openbaarheid en de maximering van deze giften. Voorkomen dient te worden dat donateurs op oneigenlijke wijze invloed kunnen uitoefenen op de standpuntbepaling van politieke partijen. Zo mogelijk wordt bij de Tweede Kamer het Wetsvoorstel Financiering Politieke Partijen (WFPP) ingediend. Dit wetsvoorstel strekt er niet alleen toe de giften aan politieke partijen transparant te maken en te maximeren, maar voorziet er ook in dat de Kiesraad wordt belast met de verlening van de overheidssubsidie aan politieke partijen en het toezicht op de giften aan politieke partijen.

Verlenen van financiële bijdragen aan intermediaire instituties

BZK stimuleert het instandhouden en bevorderen van de werking van het democratisch bestel door o.a. het verlenen van financiële bijdragen aan intermediaire instituties. Thans zijn dat:

– Het Instituut voor Publiek en Politiek (IPP).

– Het Forum voor Democratische Ontwikkeling (FDO).

– Het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

IPP en FDO verrichten tal van stimulerende activiteiten op het terrein van politiek-maatschappelijke participatie alsmede op het terrein van het bevorderen van de belangstelling voor en de betrokkenheid bij de democratie.

De financiële bijdrage aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei is bedoeld voor het realiseren van debatten over democratie en rechtsstaat op alle bevrijdingsfestivals. Daarnaast wordt onderzoek uitgevoerd naar het functioneren van de democratische rechtsstaat en wordt een kenniscentrum in stand gehouden. Op basis daarvan worden maatregelen geïnitieerd om onze democratie te waarborgen of te bevorderen.

Wetgevingskwaliteit

Goede wetgeving is een noodzakelijke randvoorwaarde voor het goed functioneren van de democratische rechtsstaat en het constitutioneel bestel. Onder goede wetgeving wordt verstaan kwalitatief hoogwaardige en actuele wetgeving die binnen de gestelde tijd wordt vervaardigd. Het verzorgen van goede wetgeving is een continu proces. In 2007 zal de nadruk liggen op harmonisering en actualisering van de BZK wetgeving. De tweede fase van het project Minder Regeldrukte is afgesloten. Dit heeft geleid tot concrete dereguleringsafspraken voor een aantal regelgevingscomplexen. Deze afspraken worden uitgevoerd in de periode tot en met 2008, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij lopende en voorgenomen wetgevingstrajecten. De aandacht voor vermindering van regeldruk is daarnaast ingebed in een aantal bijzondere projecten en daarnaast vormt het onderdeel van het wetgevingskwaliteitsbeleid binnen het ministerie.

Naast de hiervoor genoemde actualisering van de Kieswet ligt daarbij de nadruk op de rechtspositie van de Hoge Colleges van Staat en de opschoning van het overgangsrecht. Verder vormen de vernieuwing van de veiligheidswetgeving, de eerder genoemde wetgeving inzake de financiering van politieke partijen en de vergoedingen voor politieke ambtsdragers belangrijke aandachtspunten.

Meetbare gegevens/Kengetallen

Zonder in alle gevallen een directe relatie te kunnen aantonen, is het opvallend dat vanaf de aanvang van de opkomstbevorderende campagne in 2002 de opkomstpercentages zijn gestegen. Het streven is daarmee door te gaan.

Kengetallen
 199519992003Streefcijfer 2007
Opkomstpercentage verkiezingen Provinciale Staten50,245,647,650
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek    
 199820022003Streefcijfer 2006
Opkomstpercentage verkiezingen Tweede Kamer73,379,18081
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek    

NB. De opkomstpercentages voor de verkiezingen in 2006 en 2007, evenals de onderverdeling in percentages stemmers bij de Tweede Kamer verkiezingen in 2006, zijn gebaseerd op schattingen.

Kengetallen
 20042006
Experiment internetstemmen voor Nederlanders in het buitenland bij Tweede Kamer verkiezingen 2007Europees ParlementTweede Kamer (streefcijfer)
Aandeel internet/telefoonstemmers44,6%50%
Aandeel brief/volmachtstemmers55,4%50%
Bron: Voortgangsrapportage Kiezen op Afstand 2004  

Operationele doelstelling 1.3

Een zodanige toerusting van de Kiesraad dat een goede organisatie en begeleiding van het verkiezingsproces is gewaarborgd.

Motivering

Het in 2005 opgezette project versterking Kiesraad heeft geresulteerd in een andere inrichting en een uitbreiding van de ondersteuning van de Kiesraad. De uitbreiding van het secretariaat krijgt in 2006 en 2007 zijn beslag. Hiermee is de Kiesraad beter toegerust voor de uitvoering van zijn wettelijke en buitenwettelijke taken. Een en ander komt in de begroting tot uitdrukking, doordat de middelen voor de Kiesraad zijn verhoogd en in een apart onderdeel zijn opgenomen. Hoewel deze middelen niet in een onderdeel 1 van een artikel zijn opgenomen, zijn zij in hoofdzaak bestemd voor apparaatskosten. Zoals eerder aangegeven wordt in 2006 het voorstel voor de WFPP bij de Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel voorziet erin dat de uitvoering van de subsidiëring van en het toezicht op de financiën van politieke partijen wordt belegd bij de Kiesraad. In het begrotingsvoorstel 2007 is hiermee nog geen rekening gehouden.

Instrumenten/activiteiten

De Kiesraad fungeert als centraal stembureau voor de verkiezingen van de Tweede en de Eerste Kamer en het Europese Parlement en biedt daarnaast gemeenten, provincies, politieke partijen en burgers ondersteuning bij de verkiezingen voor algemeen vertegenwoordigende organen. Deze ondersteuning geschiedt vooral in de vorm van het verstrekken van informatie. Daarnaast is de Kiesraad adviesorgaan op het terrein van verkiezingen en kiesrecht.

In 2007 zullen de verkiezingen voor de leden van de provinciale staten en voor de leden van de Eerste Kamer gehouden worden. Ook zal de Kiesraad de nodige adviezen uitbrengen. Ten slotte behoort het tot de mogelijkheden dat de Kiesraad door de wetgever belast wordt met de uitvoering van de WFPP. De wijze waarop de Kiesraad deze en andere taken uitoefent, is gelet op zijn onafhankelijkheid ter beoordeling aan de Kiesraad zelf, vanzelfsprekend binnen de wettelijke kaders die daarvoor zijn gesteld.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

OnderwerpDoelstellingStartAfgerond
Beleidsdoorlichting   
• Een samenleving waarin de grondrechten van de burgers zijn verzekerd en het vertrouwen in en de deelname aan een goed functionerende democratische rechtsstaat, toenemen. Algemene beleidsdoelstelling20092009
    
Effectenonderzoek ex-post   
geen n.v.t.n.v.t.
    
Overige evaluatieonderzoeken   
• Evaluatie KOA/experimenten SWS1.220062007
• Evaluatie KOA/Internetstemmen voor Nederlanders in het buitenland1.220062007
• Derde evaluatie Al gemene Wet Bestuursrecht1.220052006
• Evaluatie Algemene wet gelijke behandeling1.220042006
• Evaluatie verkiezingen1.220062006
• (Organisatie-)onderzoek Versterking Kiesraad1.220052006

6. Functioneren Openbaar Bestuur

Algemene beleidsdoelstelling 6

Een doeltreffend, doelmatig en democratisch openbaar bestuur met optimale interbestuurlijke verhoudingen.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Het gaat om een slagvaardig openbaar bestuur, oftewel om goed functionerende interbestuurlijke verhoudingen. Daarbij richt dit artikel5 zich op de medeoverheden en de verhouding van het Rijk met de medeoverheden. BZK beheert en vernieuwt de bestuurlijke en financiële kaders waarbinnen invulling geven wordt aan het openbaar bestuur. BZK draagt ook zorg voor facilitering van politieke partijen en voor de rechtspositie van politieke ambtsdragers. Dit gebeurt niet alleen met behulp van wetgeving, maar ook door discussie en onderzoek. Onderhoud van het systeem van regelgeving dient niet alleen periodiek plaats te vinden, maar ook naar aanleiding van signalen uit de praktijk.

Verantwoordelijkheid van de minister(s)

• De Minister van BZK is verantwoordelijk voor het bevorderen van een goed functioneren van het openbaar bestuur en de interbestuurlijke samenwerking.

• De Minister voor BVK is verantwoordelijk voor de uitvoering van de agenda voor democratische vernieuwing.

Succesfactoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van:

• Een goede, niet vrijblijvende samenwerking met de andere verantwoordelijke ministers, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Interprovinciaal Overleg, Unie van Waterschappen, gemeenten, provincies en hun bestuurlijke vertegenwoordigers.

• De steun en inzet van alle betrokken partijen;

De Code Interbestuurlijke Verhoudingen geeft hiervoor de geactualiseerde spelregels.

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 6: Functioneren openbaar bestuur2005200620072008200920102011
Verplichtingen42 59546 04838 89738 57736 93436 94837 943
        
Uitgaven42 69646 04838 89738 57736 93436 94837 943
6.1 apparaat8 1788 0047 2197 2167 0277 0297 027
        
Programma-uitgaven  31 67831 36129 90729 91930 916
waarvan juridisch verplicht  28 87227 52926 77926 77926 779
        
6.2 inrichting en werking openbaar bestuur5 96711 6686 1456 2854 7944 8045 804
waarvan juridisch verplicht  3 843    
        
6.3 rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid politieke ambtsdragers9 82610 41210 0189 5649 5829 5839 581
waarvan juridisch verplicht  9 514    
        
6.4 faciliteren politieke partijen18 72515 96415 51515 51215 53115 53215 531
waarvan juridisch verplicht  15 515    
        
Ontvangsten996159155155155155155

Toelichting: In de Tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij het onderhavige beleidsartikel is in regel 6.2 een bedrag van € 2 306 850 aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2007 opgenomen. Dit bedrag heeft betrekking op de voorgenomen verlening van de subsidie voor de zorg en onderhoud van erevelden en oorlogsgraven aan de Oorlogsgravenstichting. Deze begrotingsvermelding vormt voor de hier bedoelde subsidieverlening de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht en artikel 2, derde lid, Regeling subsidiering Oorlogsgravenstichting ( stb. 1997, nr. 128).

Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 6.2

Een openbaar bestuur dat in staat is effectief en efficiënt in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen door het ontwikkelen van beleid en regelgeving op het terrein van de inrichting van het binnenlands bestuur en de financiële en bestuurlijke verhoudingen.

Motivering

Een slagvaardig openbaar bestuur veronderstelt kaderstelling door middel van (organieke) wetgeving en ander beleidsinstrumentarium. Het gaat hierbij in de kern om het tot uitdrukking brengen van heldere bestuurlijke verantwoordelijkheden en daarbij passende financiële verhoudingen. Voor de democratische legitimatie van het bestuurlijk handelen en de actieve betrokkenheid van de burger bij het bestuur, is het van belang dat voor de burger herkenbaar is welke bestuurslaag waarover beslist. Het openbaar bestuur zelf staat voortdurend voor de opgave zich te vernieuwen en aan te passen aan gewijzigde maatschappelijke omstandigheden.

Instrumenten/activiteiten

De instrumenten/activiteiten worden weergegeven met de volgende hoofdindeling:

• Lokale democratie.

• Onderzoek en onderhoud systeem openbaar bestuur.

• Bestuurlijke en financiële verhoudingen.

Lokale democratie

Burgemeestersreferenda.

Bevorderd wordt dat gemeenten ingeval van de benoeming van een nieuwe burgemeester gebruik maken van de mogelijkheid om een raadplegend burgemeestersreferendum te houden. Daartoe is een Handreiking opgesteld die dient als praktisch handvat voor gemeenten bij de organisatie en uitvoering van het burgemeestersreferendum. Er is een uitkeringsregeling vastgesteld om gemeenten financieel te compenseren: het Tijdelijk besluit bijdrage burgemeestersreferendum ( stb. 2006, nr. 182) met bijbehorende ministeriële regeling waarin de bedragen zijn vastgesteld (Staatscourant, 12 april 2006).

Voorzitterschap gemeenteraad en Provinciale Staten.

De behandeling van het wetsvoorstel waarbij het voorzitterschap van de burgemeester van de gemeenteraad en van de Commissaris van de Koningin van Provinciale Staten uit de Grondwet wordt geschrapt, zal in eerste lezing in 2007 worden afgerond. De tweede lezing zal later in het jaar aan de orde zijn. Na aanname zal de invulling van het voorzitterschap nader in de Gemeentewet respectievelijk de Provinciewet worden geregeld.

Dualisering.

Naar aanleiding van de eindbalans van de eerste dualistische bestuursperiode worden enkele wijzigingen in de Gemeentewet doorgevoerd. De eerste is de dualiseringscorrectie; doordat wethouders geen deel meer uitmaken van de gemeenteraad is het aantal lokale politici per saldo toegenomen. Via een correctie op de omvang van de gemeenteraden wordt het aantal raadsleden landelijk met ongeveer 1200 verminderd. Deze correctie vloeit voort uit de door het kabinet overgenomen aanbeveling van de Commissie De Grave. De tweede wijziging betreft een bepaling om de fractieondersteuning nader te regelen naar aanleiding van «bonnetjesaffaires». Ten derde wordt de deelname van wethouders aan raadsvergaderingen geregeld op een vergelijkbare manier als voor ministers is geregeld in art. 69 van de Grondwet.

Kwaliteitsimpuls.

De Vernieuwingsimpuls lokaal bestuur en democratie 2002–2006 worden opgevolgd door een Kwaliteitsimpuls. Voor een goede invulling en opzet daarvan wordt in overleg met de VNG en andere betrokken organisaties nagegaan welke kwaliteitsaspecten op lokaal niveau in de komende jaren bijzondere aandacht vragen. In het bijzonder zal hierbij worden ingegaan op de thematiek die is aangesneden door de commissie «toekomst lokaal bestuur» (Commissie Bovens)

Onderzoek en onderhoud systeem openbaar bestuur

Middenbestuur.

Sinds het najaar van 2004 is vanuit het parlement aangedrongen op het voeren van een fundamentele discussie over het middenbestuur. Ook ontwikkelingen als het manifest van de Holland 8 hebben deze discussie geïntensiveerd. De discussietrajecten rond het thema middenbestuur leiden in de tweede helft van 2006 tot een integrale notitie. Op basis daarvan kan een nieuw kabinet haar standpunt innemen.

Trendnota.

In het najaar van 2006 wordt de eerste versie van de tweejaarlijkse trendnota «Staat van het binnenlands bestuur» uitgebracht. In 2008 verschijnt de tweede versie waaraan in 2007 gewerkt zal worden. De trendnota bevat gegevens en informatie over relevante zaken van het binnenlands bestuur, en verschaft hierdoor kennis over de staat van het binnenlands bestuur. Door dergelijke gegevens systematisch en regelmatig te verwerven wordt belangrijk materiaal verkregen om beleid en de uitvoering daarvan ten aanzien van het binnenlands bestuur op te baseren.

Herindeling.

In 2002 is een omslag gekomen in het gemeentelijk herindelingbeleid. Sindsdien zijn bestuurskracht en draagvlak in het beleid de sleutelbegrippen. Wanneer de betrokken provincie of gemeenten hiertoe de wens kenbaar maken, kan de minister van BZK het initiatief tot wetgeving nemen. Vanuit de provincies zijn in voorgaande jaren verschillende voorstellen aangeboden. Waarschijnlijk zullen deze herindelingen op 1 januari 2007 in werking treden. Naar verwachting zullen ook in 2007 weer voorstellen vanuit de provincies in behandeling worden genomen.

Europaproof gemeenten.

BZK zal in 2007 verder bevorderen dat het binnenlands bestuur Europa-«proof» functioneert door middel van de opname in wetgeving van toezichtinstrumenten bij niet-naleving van EU-recht op decentraal niveau, subsidiëring van het Kenniscentrum Europa decentraal en handreikingen over EU-regels en -programma’s voor gemeenten en provincies.

Aanpak knelpunten in grensgemeenten en -provincies.

BZK zal in 2007, in nauwe samenwerking met grensgemeenten en -provincies naar oplossingen zoeken om beter de specifieke knelpunten te kunnen aanpakken die te maken hebben met hun specifieke grensligging (zoals in Limburg). Dit gebeurt op projectmatige basis.

Bestuurlijke drukte

In 2007 wordt verder gewerkt aan de uitvoering van het kabinetsstandpunt op het rapport van de Commissie De Grave over bestuurlijke coördinatie (Tweede Kamer, vergaderjaar, 2004–2005, kamerstukken 29 362, nr. 49) en de aanvullende acties die voortkomen uit de brief de datum 31 mei 2006 over bestuurlijke drukte (Tweede Kamer, vergaderjaar, 2005–2006, kamerstukken 29 362, nr. 95). Dit betekent dat verder gewerkt wordt aan de vermindering van bestuurlijke drukte via een casusgerichte aanpak.

Regierol gemeenten

Het begrip regie van gemeenten wordt veelvuldig gehanteerd in het rijksbeleid. Dit is niet alleen een zaak die gemeenten alleen aangaat. «Regie door gemeenten» stelt ook voorwaarden aan het rijksbeleid. BZK bevordert dat in 2007 in het rijksbeleid meer rekening wordt gehouden met de voorwaarden waarbinnen gemeenten hun regierol kunnen vervullen.

Bestuurlijke en financiële verhoudingen

Overhedenoverleg.

Het overhedenoverleg vloeit voort uit de Code Interbestuurlijke Verhoudingen. De minister-president, de minister van Financiën, de minister van Binnenlandse Zaken, de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties en de bestuursvoorzitters van VNG en IPO nemen hieraan deel. De Raad van State verricht thans een periodieke beschouwing naar de ontwikkeling van die verhoudingen sinds het opstellen van de Code. Daarnaast leidt een nieuw kabinet doorgaans tot een herijking van de interbestuurlijke verhoudingen, waarbij een gezamenlijke, bestuurlijke samenwerkingsagenda wordt afgesproken tussen kabinet, VNG en IPO. Het overhedenoverleg is hiervoor een belangrijk instrument.

Interbestuurlijk toezicht.

In december 2005 heeft de Commissie Alders haar rapport over interbestuurlijk toezicht uitgebracht. In mei 2006 is het kabinetsstandpunt (Tweede Kamer, vergaderjaar, 2005–2006, kamerstukken 30 300VII, nr. 65) hierop verschenen, waarin een doorlichting van interbestuurlijke toezichtsarrangementen wordt aangekondigd. In 2007 wordt gewerkt aan de implementatie van de uitkomsten van deze doorlichting. Dit draagt bij aan het verminderen van de administratieve lasten in de interbestuurlijke kolom.

Dienstenrichtlijn.

BZK zal samen met EZ en de mede-overheden zorgdragen voor een goede invoering en uitvoering van de Europese dienstenrichtlijn op het decentrale bestuursniveau. In concreto gaat het dan om zaken als vergunningen, screening van gemeentelijke en provinciale regels, 1-loket en administratieve samenwerking.

Specifieke uitkeringen.

Vergroten van de decentrale beleidsvrijheid door minder specifieke uitkeringen. Verminderen van de verantwoordings- en controlebureaucratie door het invoeren van single information- en single audit voor specifieke uitkeringen. Beide activiteiten komen voort uit het kabinetsstandpunt over de stuurgroep Brinkman «anders gestuurd, beter bestuurd». Minder specifieke uitkeringen betekent minder administratieve lasten in de interbestuurlijke kolom.

OZB en financiële verhoudingen.

BZK zorgt ervoor dat de algemene middelen via gemeente- en provinciefonds worden verdeeld, dat gemeenten en provincies daarover adequaat worden geïnformeerd en dat de verdeelsystematiek permanent wordt onderhouden. In 2007 is de samenstelling van het eigen inkomstengebied aan de orde als gevolg van de motie Engels (Eerste Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 096, nr. 1). Ook is aan de orde de vraag of de huidige normeringssystematiek (koppeling van fondsen aan de rijksbegroting) wordt gecontinueerd.

Gevolgen Europa voor het binnenlands bestuur.

BZK zal in 2007 – met name aan de hand van het subsidiariteitsbeginsel en artikel 2 van de Financiële verhoudingswet – kritisch nieuwe Europese voorstellen beoordelen op hun consequenties voor het stelsel van het binnenlands bestuur. Dit mede aan de hand van de in ontwikkeling zijnde beleidsvisie Europese bestuurskracht.

Meetbare gegevens/Kengetallen

Prestatie-indicator
 200520062012
1. Aantal specifieke uitkeringenBasiswaarde: 172 (2005), streefwaarde 40 (2012)Bron: Kabinetsreactie Stuurgroep Brinkman «Anders gestuurd, beter bestuurd. De specifieke uitkeringendoorgelicht» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, kamerstukken 29 800B, nr. 16)16013640

In de begroting 2006 stond als basiswaarde voor 2005 172 specifieke uitkeringen. Dit was deels gebaseerd op een schatting van nog komende regelingen. Inmiddels is gebleken dat dit aan de hoge kant was (zie ook het Overzicht specifieke uitkeringen 2006, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, kamerstukken 30 300B, nr. 23). Het aantal specifieke uitkeringen in 2005 was 160. Dit is nu gecorrigeerd.

Operationele doelstelling 6.3

Het scheppen van randvoorwaarden om de politieke ambtsdragers in staat te stellen hun functie optimaal uit te oefenen.

Motivering

BZK wil optimale randvoorwaarden scheppen om de toegang tot het openbaar bestuur en de volksvertegenwoordiging te waarborgen als mede de kwaliteit van de functievervulling te kunnen garanderen.

Personele zorg voor burgemeesters blijft noodzakelijk omdat de burgemeestersfunctie sterk in beweging is. Dit als gevolg van het veranderen en steeds complexer worden van de lokale context waarin het ambt moet worden uitgeoefend.

Instrumenten/activiteiten

Rechtspositie politieke ambtsdragers.

In 2005 heeft de Adviescommissie ambtelijke en politieke topstructuur («commissie Dijkstal») het advies «over dienen en verdienen» aan de minister van BZK aangeboden. Hierin wordt een nieuwe salarisnorm voor het ministerssalaris en dus voor de publieke sector voorgesteld. Naar aanleiding van het kabinetsstandpunt op dit advies zijn in januari 2006 door het kabinet vier wetsvoorstellen aan de kamer gezonden, waaronder het wetsvoorstel waarmee wordt bewerkstelligd dat het ministersalaris in hoogte niet overschreden wordt, en een pakket maatregelen ter normalisering en modernisering van de rechtspositie van politieke ambtsdragers. Parlementaire behandeling van deze voorstellen is in juni 2006 gestart. In 2007 volgt de implementatie ervan.

Commissie Dijkstal II.

In 2005 heeft de commissie Dijkstal een advies uitgebracht over de beloningsverhoudingen van de overige politieke ambtsdragers waarop in april 2006 door het kabinet een standpunt is ingenomen. Dit kabinetsstandpunt is op 20 juni 2006 met de Tweede Kamer besproken. Hierna is ook de regelgeving ter uitvoering van dit advies ter hand genomen. Kamerbehandeling daarvan vindt plaats in 2007.

Loopbaanbegeleiding.

In samenhang met het programma van het Professionaliseringsfonds (waarvoor door de minister aan de beroepsorganisatie Nederlands Genootschap voor Burgemeesters (NGB) voor het coördineren van het fonds subsidie wordt verstrekt) wordt aan burgemeesters de keus geboden zich te oriënteren op hun vaardigheden en op hun perspectieven.

Operationele doelstelling 6.4

Het faciliteren van politieke partijen door uitvoering van de Wet subsidiëring politieke partijen.

Motivering

Politieke partijen vervullen een essentiële functie binnen het stelsel van de representatieve democratie. Uit de voorwaardenscheppende taak van het Rijk voor het democratisch bestel vloeit de zorg voort voor een adequaat niveau alsmede een inzichtelijk systeem voor financiering van politieke partijen, dat past bij de maatschappelijke ontwikkelingen. Op grond van de Wet subsidiëring politieke partijen hebben politieke partijen die in de Staten-Generaal zijn vertegenwoordigd aanspraak op subsidie. Doel van de wet is het leveren van een bijdrage aan de instandhouding en zo mogelijk versterking van de intermediaire positie van landelijke politieke partijen in het democratisch bestel.

Instrumenten/activiteiten

Subsidieverstrekking.

De Wet subsidiëring politieke partijen geeft de voorwaarden aan waaronder een politieke partij subsidie kan krijgen. Aan partijen die zetels hebben behaald in de Eerste en/of Tweede Kamer wordt jaarlijks subsidie verstrekt.

De huidige wet voorziet in hoofdzaak in subsidievoorschriften. De voorschriften over ontvangen giften en bijdragen zijn zeer beperkt en worden ontoereikend geacht. Het voornemen is daarom een nieuwe Wet Financiering Politieke Partijen (WFPP) te realiseren. Deze zal naast de regels over de subsidie tevens voorschriften bevatten over bijdragen aan politieke partijen en hun neveninstellingen. Voor bijdragen zal openbaarheid en een maximering gelden. Het wetsvoorstel voorziet erin dat de Kiesraad wordt belast met het toezicht op de naleving van de voorschriften. Het wetsvoorstel voor de WFPP wordt in 2006 bij de Kamer ingediend.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

OnderwerpDoelstellingStartAfgerond
Beleidsdoorlichting   
• Een openbaar bestuur dat in staat is effectief en efficiënt in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen door het ontwikkelen van beleid en regelgeving op het terrein van de inrichting van het binnenlands bestuur en de financiële en bestuurlijke verhoudingen.6.220072007
• Het scheppen van randvoorwaarden om de politieke ambtsdragers in staat te stellen hun functie optimaal uit te oefenen. 6.320082008
• Het faciliteren van politieke partijen door uitvoering van de Wet subsidiëring politieke partijen6.420092009
    
Effectenonderzoek ex-post   
Geen NvtNvt
    
Overige evaluatieonderzoeken   
Geen NvtNvt

9. Grotestedenbeleid

Algemene beleidsdoelstelling 9

Krachtige grote steden6

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Krachtige grote steden zijn steden die in staat zijn op een goede manier in te spelen op de eisen en wensen die bewoners, bedrijven, instellingen, bezoekers en recreanten aan een stad stellen. Steden waarin zichtbare resultaten worden geboekt. Steden die sociaal, fysiek, economisch en bestuurlijk vitaal genoeg zijn om eigen problemen op te lossen. Steden die een positieve uitwerking hebben op de regio en waar nodig de internationale concurrentie aan kunnen. Om te zorgen dat de grote steden in Nederland krachtige steden worden, is beleid nodig dat aangrijpt op de specifieke problematiek van de grote steden. De grootstedelijke problematiek heeft een urgent, structureel en meervoudig karakter. Problemen doen zich vaak voor op verschillende fronten en grijpen grootschalig in op de samenleving. Dit vereist een integrale en programmatische aanpak, waarbij het Rijk faciliterend en coördinerend optreedt. De 31 Grote Steden (G31) moeten hun beleid hierbij naar eigen inzicht kunnen vormgeven. Maatwerk is vereist zodat de stedelijke aanpak beter aansluit op vragen en noden van burgers, bedrijven en instellingen.


Om het doel van het grotestedenbeleid (GSB) te bereiken, is voor de derde convenantsperiode 2005–2009 de algemene doelstelling vertaald naar vijf outcomedoelstellingen voor de steden:

1. Het verbeteren van de objectieve en subjectieve veiligheid.

2. Het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving.

3. Het verbeteren van de sociale kwaliteit van de samenleving.

4. Het binden van de midden- en hogere inkomens aan de stad.

5. Het vergroten van de economische kracht van de stad.


De outcomedoelstellingen zijn vertaald in outputdoelstellingen. Hierover zijn met steden prestatieafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn vastgelegd in prestatieconvenanten die in 2005–2006 met de 31 GSB-steden zijn gesloten en worden getoetst op een aantal output-indicatoren. Enkele steden hebben daarbij de mogelijkheid benut om open doelstellingen te formuleren en om stadsspecifieke indicatoren te hanteren.


Om de resultaten te behalen ontvangen de steden financiële bijdragen van het rijk in de vorm van drie Brede Doeluitkeringen (BDU’s) voor de onderdelen «fysiek», «economie» en «sociaal, integratie en veiligheid». In totaal gaat dat voor de periode 2005–2009 om ca. € 4 mld7.


Daarnaast heeft het Kabinet in de Voorjaarsnota besloten dat extra geld (€ 25 miljoen in de periode 2006–2007) wordt besteed aan de aanpak van sociale cohesie-problematiek in buurten. De financiële middelen zullen worden ingezet in een beperkt aantal buurten in de G31 waar de leefbaarheid en veiligheid de laatste jaren in het gedrang is gekomen. Steden zijn hierbij in eerste instantie zelf aan zet. Met een financiële ondersteuning van het Rijk zal op initiatief van de steden samen met haar bewoners en andere partijen in een beperkt aantal wijken en steden een slagvaardiger aanpak voor de komende twee jaar worden opgezet.

Verantwoordelijkheid van de minister(s)

De minister voor BVK is verantwoordelijk voor:

• De rijksbrede inhoudelijke samenhang en gecoördineerde aanpak van het grotestedenbeleid. Hij heeft deze rol ten opzichte van alle bij het GSB betrokken departementen (Justitie, V&I, BZK, VROM, EZ, OC&W, VWS en LNV) en steden.

• De coördinatie van het Europese GSB en tot 2007 de uitvoering van de programma’s voor steden (Doelstelling 2 en Urban II) in tien Nederlandse steden.

• De inhoudelijke samenhang in en het beheer van de BDU Sociaal, Integratie en Veiligheid.


Voor de inhoudelijke samenhang en het beheer van de BDU’s in het domein fysiek en het domein economie zijn respectievelijk de minister van VROM en de staatssecretaris van EZ verantwoordelijk. De overige bij het GSB betrokken vakministers zijn en blijven verantwoordelijk voor het eigen sectorale GSB. Uiteindelijk is het kabinet gezamenlijk aanspreekbaar op de resultaten van het GSB.

Succesfactoren

Om tot «krachtige steden» te komen is het volgende nodig:

• De betrokken departementen moeten gemotiveerd zijn en blijven om samen te werken. De uitvoeringsproblemen in de stad moeten centraal staan. Er moet sectoroverstijgend beleid worden gevoerd. In dit kader is het ook van belang dat de ministers hun successen willen delen;

• De balans tussen de slagkracht van het (rijks)beleid en de verantwoordingslast van de steden moet in evenwicht zijn. Met andere woorden; een minimum aan bureaucratie bij het uitvoeren van het GSB, de monitoring en de afrekening is vereist.

Meetbare gegevens algemene beleidsdoelstelling

Prestatie-indicatorBasiswaarde 2005StreefwaardeRealisatie
Uitvoering convenantenNulmeting steden in 2005Steden laten een verbetering zien op outcomeniveauUltimo 2009

Bron: nulmeting en eindmeting GSBIII

Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
Artikel 9: Grotestedenbeleid2005200620072008200920102011
Verplichtingen1 701 565332 34920 38522 51922 05798 577106 397
        
Totale uitgaven621 470543 928424 547336 729328 747103 08475 604
9.1 apparaat4 0143 2663 1993 1983 2033 2033 203
        
Programma-uitgaven  421 348333 531325 54499 88172 401
waarvan juridisch verplicht  417 733322 415317 0354 6372 167
        
9.2 faciliteren grotestedenbeleid2 0192 3234 8764 9764 9785 5945 394
waarvan juridisch verplicht  1 261    
        
9.3 stimuleren grotestedenbeleid615 437538 339416 472328 555320 56694 28767 007
waarvan juridisch verplicht  416 472    
        
Ontvangsten336 337423 285299 139232 287229 7673 6003 400

Rijksbreed zijn de voor GSB relevante regelingen en hun budgettaire omvang weergegeven in het Extra Comptabel Overzicht GSB (zie bijlage).

Operationele doelstellingen

Operationele Doelstelling 9.2

Een samenhangend, ontkokerd en stimulerend Grotestedenbeleid.

Motivering

De minister voor BVK ontwikkelt en coördineert de randvoorwaarden voor een samenhangende aanpak en inhoud van het GSB richting de steden, de betrokken departementen en Europa. Daarnaast ondersteunt en faciliteert BZK de steden bij de uitvoering van de convenanten: het nakomen van de prestatieafspraken. Ook het Rijk moet een aantal acties verrichten om aan de (proces)afspraken in de convenanten te voldoen.

Daarnaast wil de minister inspelen op wat er in de steden gebeurt, en waar nodig het GSB mee-ontwikkelen met de maatschappelijke behoefte. Enerzijds vormt de minister zichzelf een beeld van wat er in de steden nodig is, anderzijds staat de minister een vraaggerichte aanpak voor. Immers, steden weten vaak zelf het beste welke oplossing past bij hun problematiek. Zij kunnen bij het rijk aangeven wat zij daarvoor nodig hebben. De minister voor BVK maakt zich hard voor een GSB dat leidt tot krachtige grote steden. Een voorwaarde daarvoor is beleid met een minimum aan administratieve lasten, zodat steden al hun energie kunnen richten op de oplossing van de stedelijke vraagstukken waar zij mee te maken hebben. Binnen het GSB staat het verlagen van administratieve lasten voor de steden dan ook hoog op de agenda.

Instrumenten/activiteiten

Stimulering:

Frontoffice

BZK coördineert de rijksbrede beleidsinhoudelijke samenhang en procesmatige voortgang en afstemming, en vormt daarmee het frontoffice voor de steden naar het Rijk. De vakdepartementen zijn en blijven verantwoordelijk voor het eigen beleidsterreinen binnen dit domein (backoffice);

Accountmanagement

Door middel van het instrument accountmanagement blijft de minister op de hoogte van de situatie in de steden en eventuele knelpunten waar steden in de uitvoering tegenaan lopen;

Stadsgesprekken

Jaarlijks kunnen op verzoek van de steden stadsgesprekken plaatsvinden tussen stad en rijk over de voortgang van de gestelde doelen in de convenanten;

Werkbezoeken

De Minister legt twee keer per maand een bezoek af aan één van de 31 grote steden om te kijken naar de (tussen)resultaten van het GSB;

Vraaggericht werken

Om de steden optimaal te kunnen bedienen om hun doelstellingen voor het GSB te halen maar ook om nieuwe problemen te signaleren en het hoofd te bieden, kunnen steden bij de minister aankloppen voor hulp wanneer dat nodig is;

Voorkomen specifieke uitkeringen

Eén van de aandachtspunten binnen de rijksbrede coördinatie is dat nieuwe specifieke uitkeringen voorkomen worden; nieuwe geldstromen gaan bij voorkeur op in een BDU, zodat er niet opnieuw een woud aan financiële geldstromen richting G31 ontstaat. Hierop wordt ook in de ministerraad getoetst.

Bewaking

Midterm Review

De Midterm Review is een tussenevaluatie halverwege de GSB III periode. In 2007 zal gekeken worden naar:

– De voortgang van de steden op basis van monitorgegevens. Op basis van de gegevens kunnen steden – waar dat nodig is – hun beleid bijsturen. In het uiterste geval kunnen steden en rijk besluiten om de ambities te verhogen of te verlagen;

– De effectiviteit van het gekozen stelsel: zijn de instrumenten die de steden geboden worden de juiste om de convenantsafspraken te halen en om maatschappelijk effect te sorteren?;

– De efficiency van het stelsel: wat kan er nog worden gedaan om de bureaucratie en de daarmee samenhangende administratieve lasten voor de steden te verminderen?

De uitkomsten van de midterm zullen in 2007 leiden tot concrete maatregelen om het GSB in de periode tot 2010 te verbeteren en de administratieve lasten voor steden terug te dringen;

Verantwoording GSB III

In GSB III vindt eenmalig een beleidsmatige en financiële verantwoording plaats van steden aan het rijk in 2010. Het gaat om een programmatische eindverantwoording op outputniveau met één financiële verantwoording voor elk van de BDU’s. Voor de financiële verantwoording door de steden wordt gebruik gemaakt van de gemeenterekening. De eindverantwoording over de outputresultaten vindt plaats op basis van de monitorgegevens. Omdat het verantwoorden over outputafspraken en het gebruik van de gemeenterekening vernieuwend is, zijn de steden in overleg met de ministeries van BZK, EZ en VROM volop bezig met het vormgeven van de verantwoording.

Bevordering van kennisverspreiding en kennisdeling

Organiseren kennisuitwisseling

Een belangrijk element van het Grotestedenbeleid is kennisuitwisseling tussen steden over problemen en oplossingen. Met de ondertekening van de convenanten hebben Rijk en de minister voor BVK zich vastgelegd aan een subsidiëring van het Kenniscentrum Grote Steden (KCGS) tot en met 2009. Het doel van het kenniscentrum is het stimuleren van de uitwisseling van kennis en ervaringen tussen de steden. Ook middelgrote steden kunnen hiervan gebruik maken. Sinds 2006 wordt het KCGS aangevuld met het Netherlands Institute for City Innovation Studies (NICIS) een maatschappelijk instituut voor de steden. NICIS verbindt wetenschap en praktijk, vergroot de bruikbaarheid van kennis, en verbetert het vraaggericht en probleemoplossend vermogen van onderzoek. Steden, departementen en marktpartijen hebben kennis nodig om de economische en sociale kracht van steden en stedelijke gebieden te vergroten. Zij willen daarom meer weten over het sturen van de stedelijke dynamiek. NICIS gaat dit kennisvacuüm vullen.

Facilitering en kennisuitwisseling over GSB in Nederland en Europa

Op Europees niveau vraagt BZK om meer aandacht voor stedelijke problematiek en een integrale benadering van het GSB. BZK trekt in samenwerking met het Kenniscentrum Grote Steden en andere lidstaten de ontwikkeling van een Europees breed stedelijk kennisnetwerk «European Urban Knowledge Network» (EUKN). Doel van dit kennisnetwerk is het versterken van stedelijk beleid in Europa en de kracht van steden te vergroten door middel van internationale kennisuitwisseling. Het kennisnetwerk zal daartoe hoogwaardige kennis beschikbaar maken en verspreiden. In 2006 wordt de pilotfase, waaraan 15 lidstaten deelnemen, afgerond. Het is de bedoeling om een netwerk 1-1-2007 operationeel te laten zijn, waarin alle lidstaten van de EU deelnemen. Daarbij zal aansluiting worden gezocht met het toekomstig uitwisselingsnetwerk (de opvolger van het Europese URBACT-programma) van ervaringen en best practices. Bezien wordt in hoeverre het EUKN ook voor andere programma’s diensten kan verlenen.

Structuurfondsen

De nationale coördinatie van de URBAN II-programma’s en Doelstelling 2 Stedelijke Gebieden gebeurt door het ministerie van BZK. De structuurfondsenprogramma’s Doelstelling 2 Stedelijke Gebieden en het URBAN II programma zijn in aanvulling op het nationale GSB gericht op een verdere ontwikkeling van een aantal achterblijvende gebieden in tien grote steden. De programma’s lopen in 2006 af. De eindverantwoording zal in 2009 plaatsvinden.

De nieuwe structuurfondsenprogramma’s (2007–2013) zijn vooral gericht op de versterking van het concurrentievermogen van alle regio’s, met aandacht voor de stedelijke dimensie en de specifieke kansen en problemen van GSB steden. In het kader van de nieuwe structuurfondsen (2007–2013) draagt BZK als voorzitter van het Comité van toezicht bij aan een goede opzet en implementatie van het programma West en het deelprogramma voor de vier grootste steden (G4). BZK zal daarnaast de rol van de overige GSB-steden (G27) in de programma’s ondersteunen door middel van deelname aan stuurgroepen in regionale programma’s en coördinatie van een netwerk van betrokken steden. Inzet is dat de steden van elkaar kunnen leren, met het oog op een effectieve bijdrage aan de regionale programma’s.

Meetbare gegevens/Kengetallen

Prestatie-indicatorenBasiswaarde 2005StreefwaardeRealisatie
BDU’sIn 2005 zijn de GSB-relevante geldstromen gebundeld in drie BDU’sIn 2007 zijn er geen nieuwe specifieke uitkeringen gecreëerd met relevantie voor het Grotestedenbeleid. Het nieuwe inburgeringsstelsel en de middelen voor volwasseneneducatie zullen per 1-1-2007 aan de BDU worden toegevoegd.2007
Europees Kennisnetwerk (EUKN)In 2005 doen 12 lidstaten mee aan het kennisnetwerkEen operationeel kennisnetwerk waarbij alle lidsta- ten zijn aangeslotenJanuari 2007
Prestatie-indicatorenSteden hebben ambities geformuleerd op basis van 53 prestatie-indicatorenHet aantal prestatie-indica- toren is niet toegenomen en indien wenselijk * afgenomen2007
Administratieve lastenSituatie begin 2007**Eind 2007 zijn de ervaren lasten voor steden afgenomen***2007

* De wenselijkheid voor een daling van het aantal prestatie-indicatoren is afhankelijk van de uitkomst van de midterm-review.

** Onderdeel van de midterm review is een onderzoek naar de belemmerende administratieve lasten van het GSB en de wenselijkheid en mogelijkheid van vermindering van deze lasten. Dit onderzoek is reeds in 2006 gestart. De uitkomsten zullen begin 2007 bekend zijn.

*** Percentages zijn nog niet geformuleerd. Dit is afhankelijk van de uitkomst van de midterm review.

Operationele Doelstelling 9.3

Gestroomlijnde financiële middelen d.m.v. de Brede Doeluitkeringen (BDU’s) en verstrekking van middelen uit de BDU «sociaal, integratie en veiligheid».

Motivering

Naast verantwoordelijkheid voor een goede afstemming komt de operationele doelstelling ook tot uitdrukking in de verantwoordelijkheid voor het bewaken van de geldstromen naar de steden. Met ingang van 1 januari 2005 zijn de rijksuitkeringen voor het GSB gebundeld in drie BDU’s. Door deze bundeling hebben de steden meer beleids- en bestedingsruimte gekregen, en kunnen ze resultaatgerichter, programmatischer en integraler te werk gaan dan voorheen. Tevens is er sprake van een vereenvoudigde verantwoording (eenmalig in 2010 en één verantwoording per BDU). De middelen op artikelonderdeel 9.3 zijn de budgetten die BZK beschikbaar stelt aan de steden in het kader van de BDU Sociaal, Integratie en Veiligheid (SIV). Op dit artikel staat het totale meerjarige budget voor deze BDU omdat BZK verantwoordelijk is voor de procesmatige en inhoudelijke afstemming en samenhang op dit domein. De bijdragen van de ministeries van OC&W, Jus/V&I en VWS aan de BDU zijn op dit artikelonderdeel geplaatst en worden door BZK aan de steden uitgekeerd.

Instrumenten/activiteiten

Sociale herovering:

Onderdeel van de coördinatie van het sociale domein is het bepalen van een Sociale Agenda. De nadruk van de minister voor BVK ligt hierbij bij de buurt en de burger. Sociale herovering kenmerkt zich door een directe, offensieve aanpak met grote en gezamenlijke inzet van alle betrokkenen (gemeente, instellingen, bedrijven, bewoners). Samen met de steden wil de minister voor BVK interveniëren in een aantal buurten waar de meest ernstige en structurele leefbaarheids problemen heersen. Voor de periode 2006–2007 is hier € 25 miljoen voor beschikbaar. De middelen zullen via de BDU SIV aan de betreffende steden worden uitgekeerd.

BDU SIV

BZK is verantwoordelijk voor de operationalisatie, coördinatie en financiële verantwoording op rijksniveau van de BDU SIV vanaf 2005. BZK bewaakt in dit kader de interdepartementale financiële ontwikkelingen op het gebied van de BDU SIV. Daarnaast is BZK verantwoordelijke voor de uitvoering van het sanctioneringsbeleid in 2010. Wanneer sprake is van verwijtbaar achterblijvende resultaten of van onrechtmatigheden worden middelen door BZK teruggevorderd. In de BDU regelgeving is opgenomen dat de teruggevorderde middelen als een bonus kunnen worden verdeeld over de best presterende steden.

Meetbare gegevens/kengetallen

Prestatie-indicatorBasiswaarde 2005StreefwaardeRealisatie
Uitvoering convenantenNulmeting steden in 2005Steden halen hun op output- niveau geformuleerde ambi- ties voor het domein sociaal, integratie en veiligheid12010

1 De middelen voor de domeinen fysiek en economie staan op de begrotingen van resp. VROM en EZ. Met deze middelen dienen de ambities op deze domeinen te worden gerealiseerd.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

OnderwerpDoelstellingStartAfgerond
Beleidsdoorlichting   
• Toekomst stedelijke gebieden (ex ante)Algemene Doelstelling20052006
    
Effectenonderzoek ex-post   
Geen NvtNvt
    
Overige evaluatieonderzoeken   
• Midterm review GSB IIIAlgemene Doelstelling20062007
• Verantwoording GSB IIIAlgemene Doelstelling 20102010

5  Deze kanttekening geldt ook voor het vervolg van dit artikel voor de gevallen waarin gesproken wordt over openbaar bestuur, met uitzondering van operationele doelstellingen 3 en 4.

6  Het Grotestedenbeleid richt zich op 31 grote steden in Nederland: Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Almelo, Arnhem, Breda, Deventer, Dordrecht, Eindhoven, Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo, ’s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Schiedam, Tilburg, Venlo, Zwolle, Alkmaar, Amersfoort, Emmen, Lelystad, Zaanstad en Sittard-Geleen.

7  Zie bijlage ECO-GSB.