Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

ARTIKELEN 6 EN 7. HOGER ONDERWIJS

6.1 Algemene beleidsdoelstelling: studenten zijn goed voorbereid op de nationale en internationale arbeidsmarkt en op het vervullen van hun rol in de intellectuele voorhoede van de maatschappij

Omschrijving

Voldoende aanbod van kenniswerkers is een absolute voorwaarde voor een succesvolle, internationaal concurrerende kennissamenleving. Stijging van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking heeft immers direct effect op de arbeidsproductiviteit en op het innovatievermogen van de economie.

Naast een economische functie vervult het hoger onderwijs uiteraard ook andere functies. De studenten van vandaag zijn de intellectuele voorhoede van morgen, cruciaal in het maatschappelijk debat, in de vernieuwing van wetenschappen en in de overdracht van culturele waarden en tradities. Hoger onderwijs moet studenten motiveren om tijdens hun studie het beste uit zichzelf te halen, zodat zij zich optimaal kunnen ontplooien en zich breed kunnen oriënteren.

Om het innovatief vermogen van Nederland te versterken, zullen bedrijfsleven en maatschappelijke sectoren optimaal moeten kunnen profiteren van de publieke kennisinfrastructuur. Samenwerking tussen bedrijven en onderwijsinstellingen en een sterke groei van kennisintensieve (hightech) starters zijn hierbij van groot belang.

Verantwoordelijkheid van de minister

• De minister schept via de bekostiging, regelgeving, afspraken met bestuurlijke partijen en via voorlichting de juiste randvoorwaarden voor kwalitatief goed, toegankelijk en doelmatig hoger onderwijs. Daarbij richt haar rol zich op faciliteren, stimuleren en bewaken van het stelsel van hoger onderwijs.

• De algemene doelstelling betreft een verantwoordelijkheid voor het gehele stelsel en wordt nader uitgewerkt in de operationele doelstellingen (zie 6.3).

Kritische succesfactoren

• Bereidheid van de bevolking om verder te leren.

• Bereidheid van universiteiten en hogescholen om samen te werken met bedrijven en onderzoeksinstellingen.

• Responsiviteit van bedrijven naar onderwijs, onderzoek en innovatie.

• Goed onderzoeksklimaat.

Meetbare gegevens

Tabel 6.1
 2004200520062007200820092010
1. % hoger opgeleiden in de leeftijdsgroep 25–44 jarigen van de beroepsbevolking.Basiswaarde: 35,6% in 200435,635,9Streven is gericht op 50% in 2020*  
Bron: CBS Statline 2006    
2. Indicator voor de aansluiting op de arbeidsmarkt**:       
a. Percentage afgestudeerden dat na afstuderen korter dan 4 maanden werkloos was. Basiswaarde hbo 91% en wo 81% cohort 2001/2002 Sector met hoogste score is Gezondheid (hbo: 96%; wo: 91%) en laagste sector is Taal en Cultuur (hbo: 81%; wo 76%) 
b. Percentage afgestudeerden dat na anderhalf jaar na afstuderen nog werkloos was. Basiswaarde hbo 5% en wo 5% cohort 2001/2002 Sector met laagste score is Gezondheid (hbo: 2,5%; wo: 2,5%) en hoogste sector is Taal en Cultuur (hbo: 15%; wo 8%) 
c. Percentage afgestudeerden met een eerste baan op tenminste hbo- respectievelijk wo-niveauBasiswaarde hbo 78% en wo 64% cohort 2001/2002 Sector met beste aansluiting is voor hbo onderwijs met 91% en voor wo gezondheid met 89%. De sector met de minste aansluiting is voor hbo Gezondheid en Maatschappij met 68% en voor wo Taal en Cultuur met 41% 
Bron: Kennis in Kaart 2005, p. 58, 59 en 60, figuur 39, 40 en 41.       

* Op de langere termijn streeft de overheid ernaar dat in 2020 50% van de Nederlandse beroepsbevolking tusen 25 en 44 jaar hoger opgeleid is. Een aandeel van 50% hoogopgeleiden in 2020 is haalbaar onder de voorwaarden dat institutionele hervormingen die tot nu toe onorthodox heten, worden doorgevoerd en succesvol zijn en dat fincnaiering voor deze ambitie beschikbaar is. Gedacht kan hier worden aan meer selectie bij inschrijving, collegegelddifferentiatie en een open bestel. Na experimenten op het terrein van deze institutionele hervormingen die zijn gestart in deze kabinetsperiode, zal een volgend kabinet nadere en verdergaande besluiten op deze terreinen moeten nemen (zie ook de Kabinetsreactie op rapport van de Onderwijsraad «De helft van Nederland hoger opgeleid», Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 410, nr. 41).

** De waarden van deze indicatoren verschillen flink per sector. Er zijn geen streefwaarden geformuleerd, omdat werkloosheid, baanzoekduur en baanniveau sterk afhankelijk zijn van de conjunctuur. De verwachting is dat door de aantrekkende economie werkloosheid en baanzoekduur zullen verminderen.

6.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 Hoger beroepsonderwijs (x € 1 000)
 2005200620072008200920102011
Verplichtingen1 858 2901 983 0152 012 2742 041 6592 080 6652 114 9962 112 257
Waarvan garanties       
Totale uitgaven1 802 9211 879 5571 968 4622 003 1452 050 9822 072 4982 112 257
        
Programma uitgaven:1 797 7391 874 5011 963 6881 998 4182 046 2532 067 7702 107 529
        
Toerusten van instellingen voor het verzorgen van hoger onderwijs en onderzoek1 721 1951 764 1481 797 8431 841 9371 879 2381 909 0161 950 063
Reguliere bekostiging(lumpsum)*1 721 1951 764 1481 797 8431 841 9371 879 2381 909 0161 950 063
        
Getalenteerde studenten (binnen en buiten Nederland) aantrekken met uitdagend en excellent hoger onderwijs2 4085 6163 333    
Toelatingsbeleid in het hoger onderwijs1 9603 3073 333    
Internationalisering in het hoger onderwijs448309     
Voortzetting Delta-beurzen 2 000     
        
Versterken innovatief vermogen van Nederland door optimale benutting hoger onderwijs63 58782 066137 025128 898140 721132 627132 627
Lectorenen kenniskringen29 43536 96149 22549 22549 22549 22549 225
Zorgopleidingen in het hoger onderwijs5 3759 30010 20010 87312 19612 10212 102
Deltaplan bèta/techniek**22 77727 00558 30051 50060 00060 00060 000
FES: Investeringsagenda bèta en techniek hoger onderwijs  6 0006 0008 000  
Regionale actie en aandacht voor kennisinnovatie(Raak)6 0005 0008 5007 5007 5007 5007 500
Versterking kennisinfrastructuur publieke sector 3 8004 8003 8003 8003 8003 800
        
Werken aan een goed opgeleide beroeps- bevolking door maximale participatie aan hoger onderwijs3 9837 6509 0009 0007 5007 5007 500
Erkenning van verworven competenties  5 0005 0005 0005 0005 000
Studiekeuze informatie voor het hoger onderwijs1 7332 6002 4002 4002 4002 4002 400
E-learning2 0003 300     
Verhoging deelname allochtone studenten/Ambassadeursnetwerk***1501 6501 5001 500   
Emancipatie100100100100100100100
        
Meer onderzoekers van meer kwaliteit door verbeteren en aantrekkelijker maken van onderzoekersopleidingen 1 0003 0005 0005 0005 0005 000
Promotievouchershbo-docenten 1 0003 0005 0005 0005 0005 000
        
Programmakosten overig6 56614 02113 48713 58313 79413 62712 339
IB-Groep****1 9468 3948 8418 9449 1058 9397 651
CFI****4 6205 6274 6464 6394 6894 6884 688
        
Apparaatsuitgaven Hoger Onderwijs****5 1825 0564 7744 7274 7294 7284 728
Ontvangsten1 798176 0176 0178 0171717

* Hierin is opgenomen een subsidieverlening van € 1,6 miljoen per jaar voor de jaren t/m 2007 aan de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden voor het Maritiem Simulator Trainingscentrum (MSTC). Deze begrotingsvermelding vormt voor deze subsidieverlening de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht. Vanaf 2008 maakt deze vergoeding deel uit van de rijksbijdrage van genoemde hogeschool. In de middelen voor reguliere bekostiging zijn ook enkele posten voor overige uitgaven verwerkt.

** De middelen voor het Deltaplan bèta/techniek hebben niet alleen betrekking op het hbo maar zijn onderwijsbreed en deels ook voor het Ministerie van Economische Zaken. In 2006 is voor het project VTB (Verbetering techniek basisonderwijs) voor 300 basisscholen € 1,7 miljoen extra vrijgemaakt t.l.v. de middelen uit 2007.

*** Deze middelen zijn bestemd voor het gehele hoger onderwijs.

**** Vanaf 2006 zijn de hbo en wo-middelen voor de IB-Groep en CFI samengevoegd. Vanaf 2004 is dit al uitgevoerd voor de Apparaatsuitgaven.


Tabel 6.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs(x € 1 000)
 2005200620072008200920102011
Verplichtingen3 445 9783 534 1083 520 3263 571 1293 611 5813 680 9803 670 256
– Waarvan garanties       
Totale uitgaven3 337 8953 408 1343 467 0433 518 0863 568 4323 619 6743 670 381
        
Programma-uitgaven3 330 6653 408 1343 467 0433 518 0863 568 4323 619 6743 670 381
        
Toerusten van instellingen voor het verzorgen van hoger onderwijs en onderzoek3 304 8353 371 5573 420 7233 477 7393 531 8263 579 0673 625 774
        
Reguliere bekostiging(lumpsum)3 283 9503 351 4093 401 2983 458 3183 512 4043 559 6483 606 355
Toerusting van faciliterende organisaties gericht op het hoger onderwijs20 88520 14819 42519 42119 42219 41919 419
        
Getalenteerde studenten (binnen en buiten Nederland) aantrekken met uitdagend en excellent onderwijs5 21010 92525 51220 57020 54525 54525 545
Toelatingsbeleid in het hoger onderwijs1 2351 6451 667    
FES: Rendement en excellentie  5 0005 00010 00015 00015 000
Nederlandse Instituten in het Buitenland (NIB’s), Netherlands Education Support Offices (NESO’s), Beeldmerk* 4 2507 3758 1757 1757 1757 175
Noodfonds voor internationale hulpacties* 1 0001 0001 0001 0001 0001 000
Internationaal excelleren* 1 0508 1004 025   
Internationale samenwerking en beurzenprogramma’s*3 9751 9802 3702 3702 3702 3702 370
Voortzetting Deltabeurzen* 1 000     
        
Versterken innovatief vermogen van Nederland door optimale benutting hoger onderwijs5 6005 9784 4521 400600600600
Zorgopleidingen in het hoger onderwijs5 6002 1804 4521 400600600600
Dynamisering eerste geldstroom wetenschappelijk onderzoek03 798     
        
Werken aan een goed opgeleide beroepsbevolking door maximale participatie aan hoger onderwijs5 1108 3953 2083 176653  
Surf Educatiefonds in het hoger onderwijs4 0004 000     
Digitale universiteit in het hoger onderwijs1 0001 700     
Verhoging deelname studenten met een handicap1102 6953 2083 176653  
        
Meer onderzoekers van meer kwaliteit door verbeteren en aantrekkelijker maken van onderzoekersopleidingen9 91011 27913 14815 20114 80814 46218 462
Jonge universiteiten6 0006 000     
Onderzoeksmasters in het wetenschappelijk onderwijs3 9104 27910 14810 2019 8089 46213 462
Promotie-voucher hbo-docenten 1 0003 0005 0005 0005 0005 000
        
Programma-uitgaven overig7 230000000
IB-Groep**5 648000000
CFI**1 582000000
Ontvangsten2 08111 46616 46616 46621 46626 46616 400

* Deze middelen zijn bestemd voor het gehele hoger onderwijs.

** Vanaf 2006 zijn de hbo en wo-middelen voor de IB-groep en CFI samengevoegd op artikel 6 (zie tabele 6.2).


Tabel 6.4 Middelen toerusting wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (x € 1 000)
 2005200620072008200920102011
Universiteiten:3 169 3523 275 1323 356 5513 413 1533 465 0983 509 8853 562 446
Onderwijsdeel11 040 7001 131 2001 188 0001 212 6001 244 0001 279 9001 328 800
Onderzoekdeel11 417 3001 413 6001 439 2001 467 2001 485 8001 492 1001 493 500
Deel leraartraject5 7484 7185 2685 2685 2685 2685 268
Investeringsdeel120 426130 135130 257131 380130 680130 680130 680
Deel internationaal onderwijs36 82537 19736 84336 83236 83236 82536 825
RU en UvT: katholiek theologisch onderwijs212 28712 42512 30812 30512 30512 30312 303
Academische ziekenhuizen503 985513 410519 114522 015524 720527 319529 620
Open Universiteit Nederland (OUNL)32 08132 44725 51525 50725 50425 50025 500
Internationale instellingen:13 41213 64013 70613 70313 70213 69913 699
Stichting Afrika Studiecentrum (ASC)2 8142 8432 8162 8152 8152 8152 815
International Institute for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering (IHE)8 5818 6718 5988 5968 5968 5948 594
United Nations University (UNU)779787778778778777777
Europees Universitair Instituut Florence1 1311 2321 4071 4071 4061 4061 406
Nederlands Vlaams Instituut Caïro64646464646464
Japan-Nederland Instituut (JNI)43434343434343
Levensbeschouwelijke instellingen:12 81413 63013 65914 01014 00914 00714 007
Universiteit voor Humanistiek3 8063 9984 1164 2654 2654 2654 265
Protestantse Theologische Universiteit37 2387 8367 7647 7627 7627 7617 761
Theologische Universiteit Apeldoorn1 2121 2271 2161 2181 2171 2161 216
Diverse kerkgenootschappen558569563765765765765
Faciliterende organisaties:20 88521 14820 42520 42120 42220 41920 419
Stichting Nederlandse Organisatie voor Internationale Samenwerking in het Hoger Onderwijs (NUFFIC)14 26913 64013 27813 27613 27613 27413 274
European University Association (EUA)15161616161616
Stichting Handicap en Studie728741417417417416416
Stichting UAF Steunpunt (SUS)/UAF2 6042 6372 6342 6342 6342 6342 634
Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)229232232232232232232
Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)229232232232232232232
Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)2 8113 6503 6163 6143 6153 6153 615
Overige88 37248 00716 42816 49818 58521 04715 153
Totaal instellingen3 304 8353 371 5573 420 7233 477 7393 531 8263 579 0673 625 774

1 Voor 2005 en 2006 betreffen het de in de begrotingen 2005 en 2006 opgenomen bedragen voor onderwijs en onderzoek. Deze zijn niet gecorrigeerd voor bv. loon- en prijsbijstellingen en andere mutaties die in de loop van 2005 en 2006 hebben plaatsgehad (deze mutaties zijn begrepen in de post «Overige»). Voor 2007 en volgende jaren zijn deze delen gebaseerd op het loon- en prijsniveau 2006.

2 In 2005 en 2006 opgenomen bij Levensbeschouwelijke instellingen als Katholieke instellingen van wetenschappelijk theologisch onderwijs.

3 In 2005 en 2006 opgenomen bij Levensbeschouwelijke instellingen als Theologische Universiteit der Gereformeerde Kerken in Nederland, Nederlandse Hervormde Kerk en Evangelisch-Lutherse Kerk.

Tabel 6.5 Budgetflexibiliteit per operationele doelstelling artikel 6: Hoger beroepsonderwijs (bedragen x € 1 000)
 20072008200920102011
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen) excl. IB-Groep en CFI1 950 2011 984 8352 032 4592 054 1432 095 190
Totaal juridisch verplicht1 858 3621 902 5721 939 1681 968 8512 009 897
Totaal bestuurlijk gebonden91 83982 06393 09184 99284 993
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0200200300300
Operationele doelstelling 1: Stelsel1 797 8431 841 9371 879 2381 909 0161 950 063
• Juridisch verplicht1 797 5811 841 5101 878 8111 908 4891 949 536
• Bestuurlijk gebonden262227227227227
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0200200300300
      
Operationele doelstelling 2: Getalenteerde studenten (binnen en buiten Nederland) aantrekken met uitdagend en excellent hoger onderwijs3 3330000
• Juridisch verplicht4780000
• Bestuurlijk gebonden2 8550000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Operationele doelstelling 3: Versterken innovatief vermogen van Nederland door optimale benutting hoger onderwijs137 025128 898140 721132 627132 627
• Juridisch verplicht59 42560 09861 42161 32761 327
• Bestuurlijk gebonden77 60068 80079 30071 30071 300
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Operationele doelstelling 4: Werken aan een goed opgeleide beroepsbevolking door maximale participatie aan hoger onderwijs9 0009 0007 5007 5007 500
• Juridisch verplicht2 1871 918000
• Bestuurlijk gebonden6 8127 0827 5007 5007 500
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Operationele doelstelling 5: Meer onderzoekers van meer kwaliteit door verbeteren en aantrekkelijker maken van onderzoekersopleidingen3 0005 0005 0005 0005 000
• Juridisch verplicht00000
• Bestuurlijk gebonden3 0005 0005 0005 0005 000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

Tabel 6.6 Budgetflexibiliteit per operationele doelstelling artikel 7: Wetenschappelijk onderwijs (bedragen x € 1 000)
 20072008200920102011
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen) excl. IB-Groep en CFI3 467 0433 518 0863 568 4323 619 6743 670 381
Totaal juridisch verplicht3 438 6703 491 9053 544 7993 591 5943 642 301
Totaal bestuurlijk gebonden28 37325 78123 23327 58027 580
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0400400500500
Operationele doelstelling 1: Stelsel3 419 2393 476 2553 530 3423 577 5833 624 290
• Juridisch verplicht3 419 2393 475 8553 529 9423 577 0833 623 790
• Bestuurlijk gebonden00000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0400400500500
      
Operationele doelstelling 2: Getalenteerde studenten (binnen en buiten Nederland) aantrekken met uitdagend en excellent hoger onderwijs26 99622 05422 02927 02927 029
• Juridisch verplicht4 8314 4494 4494 4494 449
• Bestuurlijk gebonden22 16517 60517 58022 58022 580
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Operationele doelstelling 3: Versterken innovatief vermogen van Nederland door optimale benutting hoger onderwijs14 60011 60110 40810 06214 062
• Juridisch verplicht14 60011 60110 40810 06214 062
• Bestuurlijk gebonden00000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Operationele doelstelling 4: Werken aan een goed opgeleide beroepsbevolking door maximale participatie aan hoger onderwijs3 2083 17665300
• Juridisch verplicht00000
• Bestuurlijk gebonden3 2083 17665300
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Operationele doelstelling 5: Meer onderzoekers van meer kwaliteit door verbeteren en aantrekkelijker maken van onderzoekersopleidingen3 0005 0005 0005 0005 000
• Juridisch verplicht00000
• Bestuurlijk gebonden3 0005 0005 0005 0005 000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

6.3 Operationele doelstellingen

In het HOOP 2004 (Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2004, Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 410, nr. 16) zijn de beleidsambities voor het hoger onderwijs opgenomen. Het HOOP 2004 en de WHW ( wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (8 oktober 1992) dienen als de basis voor onderstaande operationele doelstellingen.

6.3.1 Toerusten van instellingen voor het verzorgen van hoger onderwijs en onderzoek

Motivatie

Het stelsel van hoger onderwijs zodanig toerusten dat voldaan kan worden aan de door de WHWgestelde toegankelijkheids-, doelmatigheids- en kwaliteitseisen bij het verzorgen van hoger onderwijs en het verrichten van onderzoek.

Instrumenten

Reguliere bekostiging (lumpsum). De rijksbijdrage, die de instellingen van hoger onderwijs en (academisch) onderzoek ontvangen, is gebaseerd op de WHW. In het Bekostigingsbesluit WHW zijn bepalingen opgenomen op basis waarvan deze rijksbijdrage wordt bepaald. Zie voor een nadere toelichting www.minocw.nl bij de sector hoger onderwijs. De middelen voor het hoger onderwijs en onderzoek worden in hoofdlijnen verdeeld aan de hand van het aantal studenten, het aantal verstrekte diploma’s en het aantal promoties. Voor de opleidingen zijn drie prijsniveaus vastgesteld. Zie voor een specificatie van de verdeling van de middelen over de universiteiten, de academische ziekenhuizen en de Open Universiteit Nederland tabel 6.4.

Via bekostiging aan de instellingen voor internationaal onderwijs en onderzoek wordt bijgedragen aan de wetenschappelijke opleiding van studenten vooral uit ontwikkelingslanden. Van een viertal internationale instellingen (ISS, IHS, ITC en MSM) is het budget toegevoegd aan de rijksbijdrage van de respectievelijke penvoerders (UU, EUR, UT en OUNL). Daarnaast ontvangt een aantal internationale instellingen (zie voor een nadere specificatie tabel 6.4) een subsidie. Zie voor een verdere toelichting op de organisaties op het gebied van internationale samenwerking en uitwisseling de overzichtsconstructie internationaal beleid en artikel 8 (internationaal onderwijsbeleid).

Via subsidies aan de zogenaamde faciliterende organisaties wordt bijgedragen aan de coördinatie van kennis en het stimuleren van ontwikkelingen op het gebied van internationale samenwerking en uitwisseling (NUFFIC en EUA), aan deelname van gehandicapten aan het hoger onderwijs (Stichting Handicap en Studie; basissubsidie), aan deelname van vluchtelingstudenten (SUS/UAF), aan ondersteuning van belangenbehartiging van studenten (ISO en LSVb ) en aan de accreditatie van het hoger onderwijs door de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO). De basis voor een accreditatie zijn de visitatierapporten van opleidingen. Zie voor nadere specificatie van de betreffende subsidies tabel 6.4.

Een nieuwe wet op het hoger onderwijs en onderzoek (WHOO) en een nieuw bekostigingsmodel hoger onderwijs. Het voorstel voor de nieuwe wet op het hoger onderwijs is begin juni 2006 bij de Tweede Kamer ingediend. Beoogde inwerkingtreding is 2007. Dan is ook de inwerkingtreding van de nieuwe collegegeldsystematiek en leerrechten voorzien (zie ook Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, nrs. 5–80). Met deze majeure operatie wordt een heldere, overzichtelijke regelgeving voor het hoger onderwijs, inclusief de bekostiging ervan, nagestreefd. De WHOO betekent verder dat de overheid zich terughoudender opstelt in de aansturing van de instellingen voor hoger onderwijs. Instellingen krijgen daardoor meer ruimte voor innovatie en voor het inspelen op maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Deze terughoudendheid van de overheid wordt gecompenseerd door grotere invloed en de versterkte positie van docenten en onderzoekers, studenten en overige maatschappelijke belanghebbenden.

• In het studiejaar 2007–2008 gaan de experimenten met een open bestel in het hoger onderwijs van start. Doel is de voor- en nadelen van een open bestel in kaart te brengen. Een beperkt aantal nieuwe aanbieders en aangewezen instellingen kan dan tijdelijk subsidie verkrijgen voor een opleiding in het kader van de experimenten open bestel. Het openen van het bestel wordt vaak genoemd als één van de manieren om het hoger onderwijs te verbeteren en aantrekkelijker te maken. Met deze experimenten wordt kennis vergaard over de positieve en negatieve effecten van een open bestel, mede op basis waarvan besluitvorming over het al dan niet openen van het bestel mogelijk wordt gemaakt. De experimenten worden begeleid door de commissie experimenten open bestel. Deelnemende instellingen moeten voldoen aan een aantal eisen. Zie voor verdere toelichting de beleidsnotitie «experimenten open bestelin het hoger onderwijs», (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 891, nr. 3.)

Meer en betere hoger opgeleiden. Gelet op het belang dat wordt gehecht aan de verdere versterking van de kenniseconomie en het innovatief vermogen van Nederland is besloten tot een extra investering in het hoger onderwijs. Vanaf 2007 vindt een structurele verhoging plaats van het macrobudget voor het hoger onderwijs. De middelen dienen voor een kwaliteitsslag in het onderwijs om meer en betere hoger opgeleiden te realiseren. De wijze van toekenning, verantwoording en de daarbij te hanteren indicatoren zullen nog nader worden uitgewerkt.

Meetbare gegevens


Tabel 6.7
 2004200520062007200820092010
1. Instroom(x 1 000; excl. landbouw) op peildatum       
Hbo-voltijd       
• Eerstejaars73,975,076,578,380,181,181,6
• Ingeschrevenen269,0281,2292,0302,1311,2319,3326,1
Hbo-deeltijd       
• Eerstejaars14,213,613,613,613,613,613,7
• Ingeschrevenen62,960,959,358,157,256,756,5
Wo       
• Eerstejaars39,240,642,143,946,448,048,9
• Ingeschrevenen194,0199,3205,9213,1221,9231,1240,0
Bron: OCW Referentieraming 2006, p. 27       
2. Uitstroomvan studenten (x 1 000: excl. landbouw) op peildatum       
• Hbo-voltijd gediplomeerden46,945,947,148,950,751,952,9
• Hbo-deeltijd gediplomeerden14,014,514,314,013,713,513,4
• Wo-gediplomeerden (doctoraal)22,224,324,625,025,325,826,3
Bron: OCW Referentieraming 2006, p. 96 en 104       
3. Studierendement  Het streven is gericht op 80% in 2020*  
• Verwacht slaagpercentage hbo-bacheloropleidingen7573     
• Wo-opleidingen**       
Bron: hbo: kerncijfers 2001–2005, tabel 7.6 voor hbo en tabel 8.6 voor rendement per HOOP-gebied, naar cohort**       
4. Onderwijsuitgaven per student in hbo***  5,45,45,45,45,4
Bron: Berekend met aantallen studenten per kalenderjaar, in nominale prijzen en excl. de collegegeldontvangsten van de instellingen       
5. Onderwijsuitgaven per student in het wo****  5,65,65,65,65,6
Bron: Berekend met aantallen studenten per kalenderjaar, in nominale prijzen en excl. de collegegeldontvangsten van de instellingen       

* Nederland streeft ernaar dat op afzienbare termijn (in 2020) de helft van de Nederlandse beroepsbevolking tussen de 25 en 44 jaar hoger opgeleid is. Het streefbeeld is haalbaar onder de voorwaarden dat institutionele hervormingen worden doorgevoerd en succesvol zijn en dat financiering voor deze ambitie beschikbaar is. Nadere en verdergaande besluiten hierover zullen door een volgend kabinet genomen moeten worden (zie ook de Kabinetsreactie op rapport van de Onderwijsraad «De helft van Nederland hoger opgeleid», Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 410, nr. 41).

** In 2002 is de bachelor-master structuur breed in het wetenschappelijk onderwijs gestart. Driejarige bachelor opleidingen zijn nieuw gestart en er zijn lopende opleidingen omgezet naar de nieuwe structuur. Daarnaast bleven er veel ongedeelde opleidingen volgens de oude structuur uitlopen. In de huidige situatie waarin nog twee structuren naast en door elkaar lopen, zijn rendementsberekeningen van betrekkelijke waarde. De VSNU werkt aan adequaat cijfermateriaal over rendementen op basis van de nieuwe structuur.

*** Exclusief de middelen voor het Deltaplan bèta/techniek, omdat deze op meerdere onderwijssectoren en het Ministerie van EZ betrekking hebben en exclusief de fes-middelen voor «Investeringsagenda bèta en techniek hoger onderwijs».

**** Exclusief de fes-middelen voor «Rendementen excellentie».


Voor overige kerngegevens betreffende het hoger onderwijs wordt verwezen naar «OCW in kerncijfers 2001–2005: zoals onder andere gegevens over verblijfsduur (tabel 7.6 HBO) en solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit,» (tabellen 7.2 HBO en 8.3 WO).

6.3.2 Getalenteerde studenten (binnen en buiten Nederland) aantrekken met uitdagend en excellent hoger onderwijs

Motivatie

Er is in Nederland behoefte aan meer kwalitatief hoogwaardige opleidingen voor talentvolle studenten. Naast opleidingen die voldoen aan de vereisten van basiskwaliteit is er behoefte aan meer opleidingen die ambitieuze en getalenteerde studenten extra uitdagen. De totstandkoming van deze opleidingen wordt daarom gestimuleerd in het kader van «Ruim baan voor talent». Ook is het omwille van het internationale concurrentievermogen van Nederland belangrijk, dat Nederland aantrekkelijker wordt voor getalenteerde buitenlandse studenten. De instroom van buitenlands talent en de stimulering van instellingen om zich internationaal te profileren kan bijdragen aan verhoging van de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs. Zie voor toelichting de beleidsbrief «Koers op kwaliteit internationaliseringsbrief hoger onderwijs», Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 800 VIII, nr. 72 en de brief van de staatssecretaris met het verslag van de vierde Bologna-conferentie op 19 en 20 mei 2005 Bergen (Noorwegen), Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 22 452, nr. 21.

Instrumenten

Toelatingsbeleid: Experimenten «Ruim baan voor talent» (deels met selectie en collegegeldverhoging) bij opleidingen met een «erkende evidente meerwaarde». De eerste experimenten zijn per september 2005 van start gegaan. In september 2007 lopen alle experimenten in principe af. Een wettelijke grondslag is opgenomen in het wetsvoorstel «Financiering Hoger Onderwijs» ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 387, nr. 2) dat in juni 2006 door de Tweede Kamer is aanvaard. Zie voor verdere toelichting «Toelatingsbeleid in het hoger onderwijs»: Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 388, nrs. 1–12 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 819, nrs. 1–12 en antwoorden op kamervragen, Tweede Kamer 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 225.

Rendement en excellentie: Er is in de periode 2007–2011 in totaal € 50 miljoen extra beschikbaar uit het FES om excellentie in het hoger onderwijs te bevorderen. Dit geld is bestemd voor kansrijke projecten. Over de wijze van verdeling en de voorwaarden daarvoor, vindt nader overleg plaats met de instellingen.

Internationaal excelleren:

– Subsidie voor een aantal Nederlandse Instituten in het buitenland (NIB’s), die zowel tot doel hebben de kwaliteit van het Nederlands onderwijs te verhogen, als de kwaliteit van de buitenlandse studenten die in Nederland komen studeren. Om de wereldwijde vraag en aanbod van het Nederlandse hoger onderwijs beter bij elkaar te brengen is in 2006 gewerkt aan de ontwikkeling van een «Beeldmerk Nederland», dat in combinatie met de NIB’s en de Netherlands Education Support Offices (NESO’s) het imago van het Nederlands hoger onderwijs moet verbeteren. Voor deze activiteiten is voor 2007 € 7,4 miljoen beschikbaar.

– De instellingen in het hoger onderwijs zijn zélf verantwoordelijk voor de internationale herkenbaarheid gebaseerd op topkwaliteit. Om instellingen te motiveren hier hun verantwoordelijkheid te nemen, wordt naast de aan de lumpsum toegevoegde kennisbeurzen (ad € 20 miljoen) dit jaar € 8,1 miljoen beschikbaar gesteld voor bottom up initiatieven. Hierbij gaat het zowel om centers of excellence als om mogelijke specifieke beurzenprogramma’s. Uiteindelijk doel is meetbare verbeteringen op het terrein van internationale excellentie.

– Subsidie voor projecten internationale samenwerking en beurzenprogramma’s. Ten behoeve van de internationalisering voert Nuffic taken uit. Daarnaast beheert Nuffic Europese en Nederlandse onderwijsprogramma’s (zoals Socrates of Leonardo). Zie ook artikel 8 Internationaal onderwijsbeleid.

– Subsidie voor een noodfonds voor internationale hulpacties op het gebied van hoger onderwijs. Deze voorziening is noodzakelijk gebleken na ontwikkelingen in Wit Rusland, waarbij mede op verzoek van de Tweede Kamer door OCW een voorziening is getroffen voor de Wit Russische studenten die het land werden uitgezet. Voor deze voorziening is in 2007 € 1 miljoen beschikbaar.

Meetbare gegevens

Tabel 6.8
 20042005200620072008200920102011
Toelatingsbeleid        
1. Indicator voor uitdagend onderwijsBasiswaarde: 22% in 2004, percentage van de studenten die als gedreven worden beschouwd: gedreven studenten kenmerken zich door een bovengemiddelde motivatie, inzet, studievoortgang, studieresultaten en tijdsbesteding22%Het streven is een stijgende trend met als streefwaarde 35% in 2010  
Bron: Studentenmonitor 2004: net dat beetje extra, Nijmegen 2005        
Internationalisering        
2. Percentage buitenlandse studenten in NL*, **Basiswaarde:3,7% in 20023,7%Het streven is een stijgende trend  
Bron: Bisonmonitor2004        
3. Percentage NL studenten in het buitenland*        
Basiswaarde: 2,3% in 20022,3%       
Bron: Bisonmonitor2004        

* Indicatoren internationaliseringbeleid. Met het toegenomen belang van internationalisering wordt het huidige monitoringssysteem (BISON-monitor) niet langer toereikend geacht. Momenteel wordt gewerkt aan vervanging hiervan. De eerste onderzoeken zullen in dit kader medio 2007 worden uitgevoerd. De eerste resultaten zullen een jaar later bekend zijn.

** Aantallen buitenlandse studenten in Nederland geven wel een indicatie van de aantrekkelijkheid van het hoger onderwijs in Nederland, maar niet van het gevoerde beleid. Dit richt zich namelijk meer op kwaliteit dan op kwantiteit (zie «Koers op Kwaliteit» Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 800 VIII, nr. 72) De indicatoren om de effecten van het beleid te meten, worden ontwikkeld. Deels zullen deze uit de vervanging van de BISON-monitor (zie boven) komen, deels uit de evaluaties van Kennisbeurzen (2010) en het Huygens Scholarship Programme (2008).

6.3.3 Versterken innovatief vermogen en de kennisinfrastructuur van Nederland door optimale benutting hoger onderwijs

Motivatie

Om duurzame economische groei en een hoog welvaartsniveau ook op de lange termijn mogelijk te maken, moet het innovatief vermogen van Nederland worden versterkt. Nederland heeft geen toekomst als lage lonen land, maar moet concurreren op kennis en een hoge arbeidsproductiviteit. Innovatie kan daarnaast bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke knelpunten: zorg, vergrijzing, veiligheid en duurzaamheid. Om het innovatief vermogen te versterken, zullen bedrijfsleven en maatschappelijke sectoren optimaal moeten kunnen profiteren van de publieke kennisinfrastructuur. Hierbij is een aantal punten van belang:

• Het potentieel van hogescholen in de innovatieketen moet beter worden benut door de verdere ontwikkeling van onderzoek gericht op de beroepspraktijk en innovatie binnen het mkb en maatschappelijke sectoren zoals zorg en welzijn. Netwerkvorming en samenwerking op het gebied van kennis met partijen in de omgeving van de hogeschool is hierbij van cruciaal belang en verdient gerichte stimulering. Dit komt ook ten goede aan onderwijs dat optimaal inspeelt op de behoefte en kansen in het werkveld.

• Waar het gaat om het versterken van innovatie verdient de bèta en techniek sector bijzondere aandacht. Hier is behoefte aan meer focus en massa door gerichte samenwerking van de drie technische universiteiten. Daarnaast moet het tekort aan instroom op de arbeidsmarkt van bèta’s en technici worden opgelost door de instroom in het hoger onderwijs van deze studierichtingen weer op niveau te brengen.

• Het aantal starters is in Nederland nog relatief laag. Ondernemerschap en ondernemersvaardigheden zullen daarom onder andere via het hoger onderwijs worden gestimuleerd. Uit het FES wordt € 20 miljoen beschikbaar gesteld voor de oprichting van een aantal centres of entrepeneurship bij universiteiten en hogescholen naar Amerikaans voorbeeld, alsmede voor projecten die tot doel hebben ondernemerschap(svaardigheden) in het onderwijs te verankeren. De middelen komen beschikbaar via een door OCW en EZ op te stellen ministeriële regeling «Onderwijs en Ondernemerschap». De middelen zijn bijgeschreven op de begroting van het ministerie van Economische Zaken.

Instrumenten

Voortzetting van de Raak-regeling (regionale actie en aandacht voor kennisinnovatie): Doel van deze regeling is om de kennisbrugfunctie van hogescholen en innovatie in het mkb te versterken. De regeling biedt hiertoe financiële ondersteuning aan samenwerkingsprojecten op het gebied van kennisontwikkeling en uitwisseling tussen hogescholen en mkb-bedrijven. De regeling wordt uitgevoerd door de Stichting Innovatie Alliantie (SIA) waarin deelnemen: MKB-Nederland, de HBO-raad, VNO-NCW, TNO, het Telematica Instituut en Syntens. Voor Raak wordt in 2007 een bedrag van € 8,5 miljoen beschikbaar gesteld.

Raak-publiek: Analoog aan de Raak-regeling gericht op het mkb is medio 2006 een Raak-regeling specifiek gericht op maatschappelijke sectoren gestart. Deze regeling biedt financiële ondersteuning aan samenwerkingsprojecten op het gebied van kennisontwikkeling en uitwisseling tussen hogescholen en maatschappelijke sectoren. Voor deze regeling wordt in 2007 een bedrag van € 4,8 miljoen beschikbaar gesteld.

Investeringen in lectoren en kenniskringen: Lectoren en kenniskringen hebben tot doel te komen tot verbetering van de externe oriëntatie, curriculumvernieuwing, professionalisering van docenten en versterking van kenniscirculatie en kennisontwikkeling. Lectoren spelen een belangrijke en succesvolle rol in de ontwikkeling van hogescholen van «onderwijsinstituten» naar «kennisinstituten». In 2007 is voorzien in een oploop in de middelen (incl. het LNV-deel) van € 38,4 miljoen naar € 50,4 miljoen. In de beantwoording van de motie Visser ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 179 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006. 30 300 VIII, nr. 125) is aangegeven dat met de Tweede Kamer zal worden gesproken over de tussenrapportage Lectoren, alvorens over te gaan tot de toekenning van deze oploop. De tussenrapportage wordt in oktober 2006 verwacht.

De rol van de SKO zal veranderen. De toetsende rol bij nieuwe lectoraten zal vervallen. Momenteel wordt bezien of de SKO vanaf 1 januari 2007 de kwaliteitscontrole ten aanzien van lectoren zal kunnen uitvoeren.

Deltaplan bèta/techniek: Subsidie aan het Platform Bèta Techniek. Dit platform voert de activiteiten uit in het kader van het Deltaplan bèta/techniek (Bijlage bij niet-dossierstuk 2003–2004, OCW 0301150). Om de 15%-doelstelling uit het Deltaplan te behalen, is het nodig om een groter bereik te krijgen en focus te hebben. Het beleid in 2007 is daarom ook aan de ene kant gericht op het doelbewust streven naar focus (selecteren en programmeren van succesvolle aanpakken) en aan de andere kant op het «vermarkten» van deze succesvolle aanpakken naar relevante organisaties, zoals scholen, kennisinstellingen, etcetera (zie voor verdere toelichting het meerjarig beleidskader ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 139). Om de doelstelling van 15% instroom in 2007 te bereiken ligt er veel nadruk op het voortgezet onderwijs.

FES: Investerisagenda bèta en techniek hoger onderwijs. Vanuit het FES wordt over drie jaren in totaal extra € 20 miljoen geïnvesteerd om randvoorwaardelijke knelpunten van het onderwijs in bèta en techniek aan te pakken. Voor het hoger ondewijs gaat het om projecten gericht op uitwisseling van docenten vo en ho en het bijscholen van pabo-studenten.

Zorg: Doelstelling is om voldoende, goed gekwalificeerde beroepsbeoefenaren in de zorg op te leiden door de instroom in de bestaande opleidingen op peil te houden. Er is nu een doelmatige aansluiting ontstaan tussen het aanbod van zorgopleidingen en de gewenste taakherschikking in de beroepspraktijk van de zorg. Het beleid omvat in elk geval het op peil houden van de instroom in de bestaande opleidingen, via subsidies en de rijksbijdrage. Ook per september 2006 zijn er in het hbo 75 extra opleidingsplaatsen voor de zorgmasteropleidingen advanced nursing practice en physician assistant. Deze opleidingsplaatsen komen bovenop de jaarlijkse instroom van 250 studenten. Voor 2007 en verder zullen OCW en VWS gezamenlijk bezien hoeveel opleidingsplaatsen structureel noodzakelijk zijn. Een commissie onder leiding van R. Linschoten heeft in juli 2006 een advies «Innovatie in de mondzorg» uitgebracht over de taakherschikking in de mondzorg ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300 XVI, nr. 159). De implementatie van het beleid zal meerdere jaren vergen, te beginnen in 2007. Dit zal op den duur ook gepaard gaan met verandering in de omvang van de opleidingen voor beroepsbeoefenaren in de mondzorg.

3TU’s: De drie technische universiteiten, TU Delft, TU Eindhoven en Universiteit Twente krijgen eenmalig € 50 miljoen voor de oprichting van vijf gezamenlijke toponderzoeksinstituten (centers of excellence). De centers leiden tot meer focus en massa in het onderzoek en bespoedigen de oprichting van de federatie van de technische universiteiten. In de vijf centers of excellence bundelt de federatie i.o. het toponderzoek op een aantal belangrijke gebieden, te weten: Nanotechnology, ICT, Sustainable Energy, High Tech Systems and Materials en Fluid and Solid Mechanics. De middelen zijn afkomstig uit het Fonds Economische Structuurversterking. Gedurende de periode 2006–2010 wordt € 10 miljoen per jaar beschikbaar gesteld.

Meetbare gegevens

Tabel 6.9
Raak-regeling200420052005 t/m 20062005 t/m 20072005 t/m 2008200920102011
Raak-mkb        
1. In projecten betrokken ondernemersBasiswaarde: 1150 in 2005, aantal 1 1502 4004 2505 500   
Raak-publiek        
2. In projecten betrokken professionals van publieke instellingen Basiswaarde: 350 in 2006, aantal  3508001 150   
Samenhang Raak-lectoren         
3. In Raak-projecten betrokken lectorenBasiswaarde: 68 in 2006, aantal  68120157   
Bron: SIA, augustus 2006
Lectoren zie toelichting20042005200620072008200920102011
4. Gemiddelde omvang kenniskring extern en intern  Het streven is een stijgende trend  
• in fte1,061,49      
• in personen6,318,27      
Basiswaarde: 0,62 fte en 3,8 personen in 2003        
5. % Van het aantal lectoren met een intensieve kennisuitwisseling met MKB Basiswaarde: 0 in 2002, aantal3868Het streven is een stijgende trend  
6. % Van het aantal lectoren met een intensieve kennisuitwisseling instellingen Basiswaarde: 07293Het streven is een stijgende trend  
Bron: SKO, augustus 2006        

Tabel 6.9
Deltaplan Bèta/techniek zie toelichting20042005200620072008200920102011
7. Deltaplan Bèta/techniek, instroom t.o.v. 2000        
a. Hbo: techniek– 6,1%*– 6,1%* 15%    
b. Wo: natuur en techniek15,2%17,4% 15%    
c. Hbo + wo0,8%1,4% 15%    
Basiswaarde: 0 in 2000, %        
Bron: Cfi, tellingen 1 cijfer HO        
8. Deltaplan Bèta/techniek, uitstroom t.o.v. 2000        
a. Hbo: techniek5,3%0,4%    15% 
b. Wo: natuur en techniek16,0%20,2%    15% 
c. Hbo + wo8,2%5,9%    15% 
Basiswaarde: 0 in 2000, %        
Bron: Cfi, tellingen 1 cijfer HO        
Zorg zie toelichting20042005200620072008200920102011
9. Nieuwe zorgmasteropleidingen:Het streven is gericht op het handhaven van de instroom van de nieuwe zorgmasteropleidingen en de instroom geneeskunde: zorgmasteropleidingen NP en PA (totaal 325), mondzorgkunde (300), master medische ingenieur TUE (20), geneeskunde (2850), klinische technologie (100) en medische psychologie UT (30) 
3 TU’s20042005200620072008200920102011
10a. Federatie technische universiteitenHet streven is dat deze federatie in 2007 is opgericht 
10b. Centers of excellenceIn 2010 moeten er 5 centers of excellence zijn gerealiseerd. 

* In 2005 is er een audit geweest van het HBO-Sprintprogramma. Hieruit blijkt dat zes grote instellingen geen positieve audit hebben gehad. Bij deze instellingen daalt ook het aantal bèta/techniek studenten, bij de overige instellingen is wel een groei waarneembaar.

Toelichting:

Lectoren: In april 2006 is een nulmeting verschenen ( Tweede Kamer 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 220), waarin de indicatoren en de stand van zaken met betrekking tot deze indicatoren werden vastgesteld. Op basis van deze indicatoren zal in 2008 een evaluatie van de lectoren plaatsvinden. De streefwaarden voor deze evaluatie worden in 2006 in overleg met de SKO opgesteld.

Deltaplan: Streefwaarde voor vergroten van de instroom in 2007 is 15%. De kans dat dit gehaald wordt is afhankelijk van de instroom van de 6 grootste hbo-instellingen. Uit de audit 2005 van het HBO-Sprintprogramma blijkt dat deze 4 instellingen nu nog niet op de goede weg zijn. Er zijn maatregelen getroffen om de negatieve trend alsnog om te buigen.

Zorg: De effecten van het ingezette beleid zijn uiteraard niet direct zichtbaar. Zo zal bijvoorbeeld de invloed van de verhoging van de instroom in de opleidingen geneeskunde pas veel later merkbaar worden in de gezondheidszorg. De doorlooptijd van het gehele opleidingstraject van eerstejaars student geneeskunde tot huisarts of praktiserend medisch specialist is 9 tot respectievelijk soms wel 12 jaar. Over de effecten van het substitutiebeleid (zorgprofessionals opleiden op hbo-master niveau die artsen werk uit handen kunnen nemen) zijn nog geen gegevens beschikbaar. De eerste studenten uit deze bekostigde hbo-masteropleidingen zullen dit jaar als afgestudeerd nurse practitioner of physician assistant op de markt komen. Verder zullen in de loop van 2006 naar verwachting de eerste resultaten van enkele zeer kleinschalige pilot-experimenten beschikbaar komen over de inzet van nurse practitioners en physician assistants in de eerstelijnszorg.

6.3.4 Werken aan een goed opgeleide beroepsbevolking door maximale participatie aan hoger onderwijs

Motivatie

Naarmate onze samenleving kennisintensiever wordt (en van die ontwikkeling is duidelijk sprake), neemt het opleidingsniveau van de beroepsbevolking aan betekenis toe. Vooral aan hoger opgeleiden heeft de arbeidsmarkt de komende jaren veel behoefte (zie diverse rapporten zoals de Onderwijsraad (2006): «De helft van Nederland hoger opgeleid», het CPB (2006), «Kansrijk kennisbeleid», de Raad voor Werk en Inkomen en HBO-raad (2006): «Kennistekort in Nederland», SCO-Kohnstamm Instituut de Jong & Verbeek (2005): «Afgestudeerden in de kennissamenleving»). Het beleid is er dan ook op gericht om mensen tot een zo hoog mogelijk opleidingsniveau te brengen. Bepaalde groepen (vrouwen in bèta- en technisch onderwijs, allochtonen, werkenden en werkzoekenden, gehandicapten) zien zich geconfronteerd met specifieke kwetsbaarheden als het gaat om het deelnemen aan en succesvol afronden van het hoger onderwijs. Om maximale participatie ook van deze groepen mogelijk te maken, is bijzondere aandacht in het beleid nodig.

Instrumenten

Verhogen deelname vrouwen aan de opleidingen in de ho-sectoren bèta en techniek: De ondersteuning van de Stichting vrouwen en hoger technisch onderwijs (VHTO) ten behoeve van algemene ondersteuning van de instellingen en van beleidsadvisering wordt voortgezet (€ 0,1 miljoen).

Verhogen deelname studenten met een handicap: Op grond van het Plan van Aanpak ontvangen de ho-instellingen en de Stichting Handicap en Studie tot en met 2009 subsidie om concrete knelpunten aan te pakken en de voorwaarden voor goed beleid voor de student met een handicap te verbeteren. Tevens voert de Stichting Handicap en Studie onderzoek uit naar de kosten voor instellingen van aanpassingen in het onderwijs voor studenten met een functiebeperking en naar de effectiviteit van activiteiten en instrumenten.

Studiekeuze hoger onderwijs: Zorgen dat aanstaande studenten beschikken over deugdelijke vergelijkingsinformatie over opleidingsmogelijkheden in het hoger onderwijs, waaronder feiten en oordelen van deskundigen en studenten over (de kwaliteit van) het onderwijs. Met deze informatie kunnen instellingen zelf benchmarken en kunnen andere (bijvoorbeeld kranten en particuliere websites voor de studiekeuze) ranken. De huidige opdracht voor het verzamelen van studiekeuze-informatie is verleend aan Choice, een samenwerkingsverband van het Hoger Onderwijs Persbureau en Research voor Beleid. Ontsluiting van de studiekeuze-informatie geschiedt via de website Studiekeuze123, onder aansturing van de Stuurgroep Transparant Hoger Onderwijs, waarin de branche- en studentenorganisaties participeren.

Verhogen deelname allochtone studenten: Subsidie aan 13 hogescholen en 8 universiteiten voor het vergroten van de instroom van allochtone studenten en vermindering van de uitval. Hiervoor is voor de jaren 2006 tot en met 2008 per jaar € 1,5 miljoen per jaar beschikbaar. De grondslag hiervoor ligt in het HOOP 2004: «Prestatie-afspraken maken met instellingen over deelname en rendement van allochtone studenten, bijvoorbeeld in termen van terugdringen van uitvalpercentages. Deze liggen momenteel hoger dan die van autochtone studenten (5% meer in het hbo, 2% meer in het wo na twee jaar).

Erkenning verworven competenties (EVC): De komende jaren wordt een sterke impuls gegeven aan de ontwikkeling van een sluitend systeem van EVC in het hbo. Dit gebeurt door middel van een subsidieregeling. In 2007 is voor deze regeling € 5 miljoen beschikbaar. Zie voor nadere toelichting ook paragraaf 4.3.6 Bevorderen Leven Lang Leren (projectdirectie Leren&Werken).

Meetbare gegevens

Tabel 6.10
 20042005200620072008200920102011
1. Meer vrouwen in de techniek        
a. Hbo14,014,0Het streven is een stijgende trend  
Basiswaarde: 14% van de voltijd ingeschrevenen in technische opleidingen is vrouw        
b. Wo18,018,0Het streven is een stijgende trend  
Basiswaarde: 18% van de ingeschrevenen in de sector Techniek is vrouw        
Bron: VHTO    
2. Participatiegraad: cumulatieve deelname van 26-jarigen t.o.v. actuele bevolking (1 jan) aan bekostigd hoger onderwijs in Nederland41,142,5Streven is 50% in 2010  
Basiswaarde: 34,5% in 2000        
Bron: CriHO, CBS, berekening OCW: Gegevens tot en met 1 januari 2006        

Toelichting:

1. Maximale participatie algemeen: Gestreefd wordt naar een deelnameniveau aan het hoger onderwijs in de richting van 50% in 2010, waarmee Nederland aansluit bij de doelstellingen van het Verenigd Koninkrijk en Zweden.

2. Meer allochtonen: Doel van de prestatieafspraken allochtonenbeleid is te komen tot meer instroom en minder uitval van allochtone studenten tot het niveau van autochtone studenten. Om het effect te zien wordt er een nulmeting en een eindmeting gedaan bij de 21 instellingen van prestatieafspraken.

6.3.5 Meer onderzoekers van meer kwaliteit door verbeteren en aantrekkelijker maken van onderzoekersopleidingen

Motivatie

Toptalent is een absolute noodzaak voor Nederland om zich te profileren als kenniseconomie en -samenleving in Europa en de wereld. Talentvolle onderzoekers zijn nodig om kennisintensieve functies in de maatschappij succesvol te vervullen.

Er is veel talent in Nederland, maar tot nu toe wordt dit onvoldoende benut. In 2005 is de notitie «Onderzoekstalent op waarde geschat» ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 11) uitgebracht. Het aantal promoties in Nederland is internationaal gezien laag. Promoveren moet aantrekkelijker gemaakt worden door vernieuwing van promotietrajecten en meer variatie in promotietrajecten te stimuleren. Er moet een betere begeleiding komen, meer ruimte voor de promovendus, opleidingen moeten worden verbreed en het rendement en de duur van de promotieopleiding kunnen verder worden verbeterd. Ook moet er een betere aansluiting komen van het promotietraject op de arbeidsmarkt buiten de wetenschap. Naast de promotietrajecten die sterk zijn gericht op een wetenschappelijke carrière, kunnen trajecten worden ontwikkeld die zich richten op een carrière buiten de wetenschap, zoals buitenpromoties en promoties van hbo-docenten.

Instrumenten

Onderzoeksmaster: Dit instrument betreft de kosten voor studiefinanciering van de met één jaar verlengde onderzoeksmasters en de implementatie van maatregelen en acties uit de notitie «Onderzoekstalent op waarde geschat». In 2005 en 2006 zijn reeds subsidies gegeven aan de universiteiten voor vernieuwing van promotietrajecten.

Promotievouchers hbo-docenten: Door extra middelen krijgen hogescholen meer mogelijkheden om docenten, terwijl ze aan hun promotie werken, te vervangen door andere docenten (verletkosten). Deze middelen worden in de vorm van vouchers aan hogescholen uitgekeerd. Ook universiteiten krijgen extra middelen om de begeleiding van deze promovendi goed mogelijk te maken. De eerste promotietrajecten starten in 2007.

Meetbare gegevens

Tabel 6.11
 20042005200620072008200920102011
1. Aantal hbo-docenten die gaan promoveren   40 200  
Basiswaarde: 39 in 2006        
Bron: HBO-raad        
 03/0404/0505/0606/0707/0808/0910/1111/12
2. Aantal ingeschreven studenten aan een onderzoekmaster dat 1 extra jaar SF geniet51192    2 150 
Basiswaarde: 0 in 2004        
Bron: telling door de IB-Groep van het aantal studenten van aangewezen masteropleidingen in het wo met een studielast van 120 studiepunten        

Toelichting:

Om de effecten van het systeem en van het beleid vast te kunnen stellen, zal een beoordeling van de promotietrajecten plaatsvinden en zal betere kwantitatieve en kwalitatieve informatie op nationaal niveau georganiseerd worden. De KNAW krijgt tot taak een kwaliteitsbeoordeling uit te voeren en kwaliteitseisen te ontwikkelen. De eisen aan de kwaliteit zullen zowel betrekking hebben op die aspecten die beoogd worden met de vernieuwing van de promotietrajecten als met het behoud van de sterke punten van het huidige promotiestelsel (het stelsel van onderzoekscholen). Het verzamelen en beheren van informatie zal in overleg bij de VSNU of de KNAW worden ondergebracht. Het gaat in ieder geval over aantallen promovendi naar soort van promotietraject (duaal, buitenpromovendus) en over aspecten als rendement, duur, loopbaan. De verwachting is dat er meer betrouwbare informatie beschikbaar zal komen, mede als gevolg van de vernieuwing van promotietrajecten (betere registratie promovendi) en van de beoordeling door de KNAW.

6.4 Overzicht evaluatieonderzoeken

Operationele doelstellingBeleidsonderwerpPlanning onderzoekSoort onderzoek
6.3.1 Toerusten van instellingen voor het verzorgen van hoger onderwijs en onderzoekNieuw bekostigingsmodel (leerrechten)2011/2012ex-post evaluatie
Experimenten open bestel2015ex-post evaluatie
Bachelor-masterstructuur2008ex-post evaluatie
Kwaliteit ho2007/2008ex-post evaluatie
Accreditatie2008ex-post evaluatie
6.3.2 Getalenteerde studenten (binnen en buiten Nederland) aantrekken met uitdagend en excellent hoger onderwijsRuim baan voor talent2007ex-post evaluatie
Kennisbeurzen2010 en 2015ex-post evaluatie
HSP (Huygens Scholarship Programme)2008ex-post evaluatie
Transnationale Universiteit Limburg2007ex-post evaluatie
6.3.3 Versterken innovatief vermogen en kennisinfrastructuur van Nederland door optimale benutting hoger onderwijsLectoren en kenniskringen2008ex-post evaluatie
Deltaplan bèta/techniek2011ex-post evaluatie
Dynamisering eerste geldstroom onderzoek2011/2012ex-post evaluatie
   
6.3.4 Werken aan goed opgeleide beroepsbevolking door maximale participatie aan hoger onderwijsVerhogen deelname studenten met een handicap2006/2007ex-post evaluatie
EVC (Erkenning elders verworven competenties)2008ex-post evaluatie