Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

ARTIKEL 9. ARBEIDSMARKT- EN PERSONEELSBELEID

9.1 Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit in alle regio’s

Omschrijving

Het Ministerie van OCW werkt aan een slim, vaardig en creatief Nederland. Onderwijs, cultuur en wetenschap dragen bij aan het welzijn en de welvaart van de Nederlandse bevolking. Het is daarvoor belangrijk dat er voldoende onderwijspersoneel van voldoende kwaliteit is. Om daarvoor te zorgen moet er een goed functionerende onderwijsarbeidsmarkt zijn, een goede structuur voor arbeidsvoorwaardenoverleg, en samenhang in de kwalificatiestructuur en het opleidingsstelsel.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor de instandhouding van het onderwijsstelsel. Dit vereist kwantitatief en kwalitatief voldoende personeel. Daarnaast is de minister verantwoordelijk voor de opleiding van het onderwijspersoneel.

Kritieke succesfactoren

• Alle partners binnen het onderwijssysteem (brancheorganisaties, besturen en management van instellingen) zijn zich bewust van de noodzaak een (pro-)actief personeels- en arbeidsmarktbeleid te voeren.

• Conjuncturele ontwikkelingen.

• Demografische ontwikkelingen, zoals veranderingen in de samenstelling van de leerlingenpopulatie en het lerarenbestand.

Meetbare gegevens

In de periode 2004–2007 heeft een streefwaarde van 2200 als maximaal aanvaardbaar tekort voor onderwijzend personeel in het primair en voortgezet onderwijs gegolden. Er werd toen bij ongewijzigd beleid een potentieel tekort aan schoolleiders en leraren voorspeld van circa 10 000 voltijdbanen in 2007. Door inzet van beleidsmaatregelen zou het mogelijk moeten zijn om de tekorten te beperken tot 2200 voltijdbanen (zie Rijksbegroting OCW 2004). De raming uit 2002 was gebaseerd op ontwikkelingen uit het recente verleden op de onderwijsarbeidsmarkt. Sindsdien is er het een en ander veranderd. De economie kwam in een conjuncturele neergang en de leerlingenramingen zijn fors in neerwaartse richting bijgesteld als gevolg van met name het asielzoekers- en (re)migratiebeleid. Gevolg is dat de beleidsdoelstelling voor 2007 door een combinatie van de effecten van beleidsmaatregelen en een minder grote vraag naar leraren, door de bovengenoemde factoren, ruimschoots is gehaald.


Voor de periode 2007–2011 is een nieuwe beleidsdoelstelling geformuleerd. De ramingen leveren inmiddels een hoog- en laagconjunctuurvariant. In de laagconjunctuurvariant is alleen voor het voortgezet onderwijs in 2011 sprake van een significant tekort. In de hoogconjunctuurvariant wordt voor voortgezet onderwijs in 2011 een groot tekort voorspeld en is ook de arbeidsmarkt in het primair onderwijs gespannen.

In de afgelopen jaren was de onderwijsarbeidsmarkt in het primair en voortgezet onderwijs vrijwel in balans. Uitgangspunt voor de komende periode is om die balans te handhaven. Een vacaturepercentage in de bandbreedte van 0,4 tijdens laagconjunctuur en 0,8 tijdens hoogconjunctuur is voor de sectoren acceptabel. Een hoger percentage dan 0,8 leidt, zoals in 2001 en 2002, tot flinke vervangingsproblemen en structurele lesuitval waarbij leerlingen/klassen naar huis worden gestuurd, beneden 0,4% duidt op een tendens naar overschotten op de onderwijsarbeidsmarkt en dientengevolge werkloosheid.

Meetbare gegevens

Tabel 9.1
 20042005200620072008200920102011
Aantal openstaande vacatures voor leraren en managers in het primair en voortgezet onderwijs, fte’s. (2006 op basis van alleen het eerste kwartaal) en in procenten van de werkgelegenheid*7400,66000,55000,4     
Raming van de nog te vervullen vraag naar leraren en managers in het primair en voortgezet onderwijs in fte’s bij ongewijzigd beleid (in laag- en hoogconjunctuur)   1 420–2 4601 090–2 5301 080–2 9801 490–4 1502 400–5 360
Bandbreedte streefcijfers voor de nog te vervullen vraag naar leraren en managers in het primair en voortgezet onderwijs in fte’s   700–14000,4–0,8700–14000,4–0,8700–14000,4–0,8700–14000,4–0,8700–14000,4–0,8

Bron:

* aantal openstaande vacatures: Arbeidsmarktbarometer 2004/2005, Regioplan.

* raming van de onvervulde vraag, uitgaande van de normale frictiewerkloosheidopslag: Mirror, Ecorys.

Toelichting:

De nog te vervullen vraag is het onvervulde deel van de totale vraag. Deze nog te vervullen vraag neemt toe als niet volledig in de jaarlijkse vraag naar nieuw personeel kan worden voorzien (de toename is het verschil tussen de uitbreidingsvraag plus de vervangingsvraag en de instroom). De nog te vervullen vraag kan leiden tot vacatures. (Zie ook Nota Werken in het onderwijs: Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 27 923, nr. 16).

* Er zit per definitie verschil tussen de gerealiseerde vacatures (2003–2006) en de geraamde nog te vervullen vraag doordat in de eerstgenoemde (uiteraard) de vacatures die worden «verzilverd» (en dus teruggetrokken) niet worden geteld en ook vacatures vervallen omdat lessen niet worden gegeven (lesuitval), dan wel worden waargenomen (bijvoorbeeld door klassen samen te voegen en leerlingen – bij voorkeur onder toezicht – zelfstandig te laten leren).

9.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9.2 budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 200620072008200920102011
Verplichtingen174 877157 004140 930151 381151 730151 738
Waarvan garantieverplichtingen      
Totale uitgaven (programma + apparaat)174 877157 004140 930151 381151 730151 738
       
Programma-uitgaven171 273153 920137 868148 348148 367148 374
       
Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel      
• Arbeidsmarkt45 67045 06628 06635 08935 08935 089
• Arbeidsvoorwaarden28 81722 44122 44122 44122 44122 441
• Sociale zekerheid11 53010 13010 13010 13010 13010 130
       
       
Zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit      
• Onderhoud van de bekwaamheid/professionaliseringonderwijspersoneel5 8281 7353 1855 0395 0565 063
• Opleiden in de school20 24114 40014 400000
• Versterking beroepsgroep2 6935 0005 0005 0005 0005 000
• Landelijk Platform voor de beroepen in het onderwijs2 7653 0003 0003 0003 0003 000
• Versterken lerarenopleidingen7 20013 50013 00029 00029 00029 000
• Kopopleiding hoger beroepsonderwijs2013 0003 0003 0003 0003 000
       
Programmakosten overig      
• ZVOO44 29133 59633 59833 60133 60333 603
• CFI2 0372 0522 0482 0482 0482 048
       
Apparaatsuitgaven3 6043 0843 0623 0333 3633 364
Ontvangsten      

Tabel 9.3 budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20072008200920102011
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)118 272102 222112 699112 716112 723
Totaal juridisch verplicht81 99664 42534 60634 60634 606
Totaal bestuurlijk gebonden36 16937 64777 94377 96077 967
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden107150150150150
Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel     
• Juridisch verplicht58 19640 62531 50631 50631 506
• Bestuurlijk gebonden19 33419 86236 00436 00436 004
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden107150150150150
      
Zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit     
• Juridisch verplicht23 80023 8003 1003 1003 100
• Bestuurlijk gebonden16 83517 78541 93941 95641 963
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

9.3 Operationele doelstellingen

9.3.1 Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel

Motivatie

Schoolbesturen voeren toekomstgericht personeelsbeleid. Om daarin effectief te zijn moeten ze (regionaal) samenwerken. OCW heeft als taak de schoolbesturen daarbij te ondersteunen.

Instrumenten

Arbeidsmarkt

Goed inspelen op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt is slechts mogelijk als er goed personeelsbeleid gevoerd wordt. Voor een goed werkende onderwijsarbeidsmarkt is nodig dat onderwijsinstellingen professionele arbeidsorganisaties zijn die zelfstandig en vernieuwend opereren. Zij moeten een eigen invulling geven aan integraal personeelsbeleid, gebaseerd op een visie op de onderwijskundige inrichting en met oog voor de toekomst. Daarom zullen ze een aandeel nemen in het opleiden van onderwijspersoneel, het personeel in staat stellen te voldoen aan bekwaamheidseisen en die ook te onderhouden. Daarvoor beschikken ze over kwaliteitsinstrumenten. Grotere onderwerpen bij arbeidsmarkt zijn het beleid om de onderwijsarbeidsmarkt in de regio’s met een verhoogd risico in evenwicht te brengen en het beleid om scholen en lerarenopleidingen bij zij-instroom en opleiden in de school te ondersteunen met behulp van specifieke expertise wat betreft tijd- en plaatsonafhankelijk onderwijs.

Daarnaast geven ramingen inzicht in toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsmarktposities van de sector onderwijs. Hiermee onderbouwt OCW zijn beleid, maar de ramingen worden ook beschikbaar gesteld aan de scholen. Zie ook Nota Werken in het onderwijs ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 27 923, nr. 16)


Er zijn extra middelen (€ 29 miljoen in 2006 en 2007 waarvan € 12 miljoen in 2006 en € 17 miljoen in 2007) voor het behoud van pasafgestudeerden van de pabo en voor de doorstroom van leraren in het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs. De middelen zijn beschikbaar voor twaalf regio’s die te maken hebben met de hoogste werkloosheid onder afgestudeerden. Het budget maakt het mogelijk om in de geselecteerde regio’s ruim 600 leraren door te laten stromen. Daarnaast kunnen van het budget ongeveer 300 pas afgestudeerden van de pabo boven de formatie worden aangesteld gedurende één schooljaar. De afspraken met de regio’s zijn op 4 juli 2006 vastgelegd in een convenant. Dit staat ook in de brief aan de Tweede Kamer over de maatregelen om pas afgestudeerde leerkrachten voor het onderwijs te behouden (uitvoering motie Dittrich, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 27 923, nr. 29)

Voorts is er gedurende drie jaar (2006–2008) € 1 miljoen per jaar vrijgemaakt voor de regionale samenwerking. Daarmee kan een extra stimulans gegeven worden aan de samenwerking binnen de regionale platforms voor de arbeidsmarkt.

Arbeidsvoorwaarden

OCW streeft ernaar dat de arbeidsvoorwaarden in de onderwijssectoren bijdragen aan de versterking van hun concurrentiepositie op de arbeidsmarkt en waar mogelijk aan vermindering van de werkdruk van werknemers in het onderwijs.

Na het cao-overleg met de vakbonden stelt de minister van OCW de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden voor het primair onderwijs en voor het voortgezet onderwijs de primaire arbeidsvoorwaarden vast. Over de secundaire arbeidsvoorwaarden in de sector voortgezet onderwijs maken de sociale partners cao-afspraken op decentraal niveau.

In 2005 hebben de minister en vakbonden een cao afgesloten met een looptijd tot en met 31 juni 2007. Zie ook cao sector onderwijs (po en vo) 2005–2007. Het is de bedoeling dat de sociale partners (werkgevers- en werknemersorganisaties) in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs op termijn zonder tussenkomst van de minister een cao afsluiten. Deze zogenaamde doordecentralisatie zal in het vo naar verwachting per 1 juli 2007 en in het po enige jaren na invoering van lumpsumfinanciering worden gerealiseerd. Zie ook Wijziging van ondermeer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 30 190, nr. 2).

De werkgevers in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie, het hoger beroepsonderwijs, het wetenschappelijk onderwijs en de onderzoeksinstellingen onderhandelen zelf met de vakbonden over hun primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Het Kabinet stelt voor deze sectoren vooraf vast wat de kabinetsbijdrage aan de arbeidsvoorwaardenruimte is. Werkgevers en werknemers bepalen vervolgens in onderling overleg waarvoor ze dit geld gaan gebruiken.

Sociale zekerheid

De regelingen op het terrein van ziekte, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en pensioenen zijn van invloed op de participatie van onderwijspersoneel. OCW is hierbij betrokken zowel vanuit zijn overheidsrol als zijn werkgeversrol.

In het Hoofdlijnenakkoord is tot doel gesteld het ziekteverzuim in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs in de komende jaren te laten dalen. De intensivering van het beleid op het terrein van arbeidsomstandigheden, ziekteverzuim en re-integratie (AVR-beleid) – vooral door het arboconvenant O&W – heeft tot duidelijke en positieve resultaten geleid en tot een grotere bewustwording bij instellingen over het belang hiervan. De gemiddelde daling van het ziekteverzuim in de hele sector onderwijs in de periode 2000–2005 bedraagt ruim 28%. De doelstelling uit het Hoofdlijnenakkoord is daarmee één jaar eerder gehaald dan voorgenomen.

In 2005 is het zogeheten arboplusconvenant afgesloten in de sector primair- en voortgezet onderwijs (po/vo) en in de sector bve. Doelstelling is de reductie van psychosociale belasting en het stimuleren van verzuim- en re-integratiebeleid. Deze convenanten lopen tot juni 2007 en versterkt de in gang gezette positieve ontwikkelingen voor de deelsectoren. Het doel voor de jaren daarna is het borgen van de resultaten van het arboconvenant en de verdere brede inbedding van het ontwikkelde beleid, maatregelen en instrumenten binnen de onderwijssector. Dit kan gerealiseerd worden door middel van maatwerk per sector, bijvoorbeeld in de vorm van zogeheten arboplusconvenanten of door AVR-onderwerpen in decentrale cao’s op te nemen.

OCW ondersteunt dit verder door de Stichting Vervangingsfonds -Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs te subsidiëren voor het ontwikkelen en implementeren van arbobeleid, (preventief) verzuimbeleid, landelijke adviestaken en reïntegratie voor de sector primair onderwijs. Binnen de gedecentraliseerde sector voortgezet onderwijs wordt het arboservicepunt vo opgericht en ondersteund om de arbo-, verzuim- en re-integratieactiviteiten in te bedden.

Meetbare gegevens

Tabel 9.4
 20042005200620072008200920102011
1. Werkloosheid pas afgestudeerden lerarenopleiding basisonderwijsokt. 9%feb. 3%  Dalend of gelijkblijvend    
Bron: Loopbaanmonitoren Nota Werken in het onderwijs 2006        
2. Werkloosheid pas afgestudeerden lerarenopleiding voortgezet onderwijsokt. 6%feb. 4% Dalend of gelijkblijvend    
Bron: Loopbaanmonitoren Nota Werken in het onderwijs 2006        
3. Ziekteverzuim        
• Basisonderwijs6,5%5,9% 6,1%    
• Speciaal onderwijs7,2%6,4% 6,9%    
• Voortgezet onderwijs5,6%5,4% 6,0%    
Bron: Kerncijfers 2001–2005, Nota Werken in het onderwijs 2006, doelstelling 2007 uit het Hoofdlijnenakkoord        
4. Lesuitval vo 5,0% Dalend of gelijkblijvend    
Bron: Lesuitvalonderzoek, Nota Werken in het onderwijs 2006        

Toelichting

1. en 2. De werkloosheid van pas afgestudeerden aan de lerarenopleidingen basis- en voortgezet onderwijs wordt twee maal per jaar gemeten. In oktober is de werkloosheid altijd iets hoger dan in februari.

4. Lesuitval in het voortgezet onderwijs, schooljaar 2004/2005. Bij een «proefmeting» onder een beperkt aantal scholen in een beperkte tijdsperiode in het schooljaar 2003/2004 kwam er een uitvalpercentage van bijna acht uit (Bron: Regioplan, Lesuitval in po, vo en bve; resultaten proefmeting voorjaar 2004).

9.3.2. Zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit

Motivatie

Het personeel moet voldoen aan eisen van kwaliteit, zoals onder andere vastgelegd in de bekwaamheidseisen voor leraren. Het onderwijs vraagt om zelfbewuste, kritische en vernieuwende leraren. Mensen die in staat zijn het onderwijs zo in te richten dat kinderen, jongeren en volwassenen hun talenten optimaal kunnen benutten en ontwikkelen. Scholen die goed personeels- en organisatiebeleid voeren en lerarenopleidingen die in staat zijn te voorzien in de vraag naar meer differentiatie, hoogwaardiger expertise, meer kwaliteit en rendement zorgen ervoor dat scholen blijven beschikken over voldoende en goed gekwalificeerd onderwijspersoneel.

Instrumenten

Onderhoud van de bekwaamheid

Binnen het integraal personeelsbeleid dat scholen ontwikkelen en uitvoeren moet voldoende aandacht zijn voor de bekwaamheid (en dus kwaliteit) van leraren. Het onderhouden van de bekwaamheid is een verantwoordelijkheid van zowel de individuele leraar als de werkgever. Met de Wet Beroepen in het onderwijs is wettelijk vastgelegd dat de werkgever zijn personeel in staat moet stellen hun bekwaamheid te onderhouden. In het schoolplan of kwaliteitszorgverslag wordt opgenomen hoe dat gebeurt. Vanaf 2007 houden alle scholen een bekwaamheidsdossier bij van elk personeelslid waar bekwaamheidseisen voor zijn vastgesteld.

Convenant professionalisering en begeleiding van onderwijspersoneel in po en vo

Voor de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, onderwijsinnovatie en schoolontwikkeling is een verdere professionalisering nodig van het onderwijspersoneel, inclusief het management. Om dit te bereiken is een convenant professionalisering afgesloten tussen de minister van OCW en de werkgevers- en werknemersorganisaties. De partijen bevorderen dat schoolbesturen beleid voeren ten aanzien van de professionalisering van het management en de professionalisering en begeleiding van (beginnend) onderwijspersoneel en ten aanzien van het opleiden van onderwijspersoneel in de school, als onderdeel van integraal personeelsbeleid binnen de school. Het convenant richt zich daarbij met name op de positie van de professionele beroepsbeoefenaar (leraren en het management). Voor de doelen uit dit convenant wordt jaarlijks € 100 miljoen aan de scholen beschikbaar gesteld. Dit betekent een stijging van het decentrale budget met ruim 10%. Voor een gemiddelde basisschool (223 leerlingen) betekent dit een structureel budget van € 7 310,=. Voor een gemiddelde school in het vo (1435 leerlingen) is dit € 62 600,=.

Opleiden in de school

Onderwijsinstellingen voor primair en voortgezet onderwijs en bve leiden steeds vaker hun eigen personeel op. Een deel van de scholen voorziet met opleiden in de school in meer dan de eigen personeelsbehoefte. Andere scholen, de zogenoemde academische scholen, verbinden opleiden in de school met schoolontwikkeling, innovatie en onderzoek. In de dieptepilot voor de opleidingsschool en academische school 2005–2008 wordt onderzocht onder welke voorwaarden die scholen een succes kunnen zijn, welke investeringen, zowel in personele als materiële zin, deze scholen moeten doen en hoe financiering vanuit OCW op termijn vorm kan krijgen.

Versterking beroepsgroep

Versterking van de positie en rol van de onderwijsprofessional is noodzakelijk om het aanzien van het beroep te verhogen en innovaties in het onderwijs succesvol door te kunnen voeren. Leraren en ander onderwijspersoneel moeten meer zeggenschap krijgen over het beleid van de school en tevens de kans krijgen hun professionaliteit, zowel vakinhoudelijk als onderwijskundig, te vergroten. De Stichting Beroepskwaliteit leraren en ander onderwijspersoneel is in 2006 gestart met het interactieve traject «Onderwijs aan het woord». Op 30 juni 2006 zijn de uitkomsten daarvan aan OCW aangeboden in de zogenoemde onderwijsagenda van de beroepsgroep «Waar wij voor staan». De beroepsgroep agendeert voor de komende jaren de volgende vier thema’s: het beroep, professionalisering en persoonlijke ontwikkeling, onderwijsvernieuwing en de randvoorwaarden. De beroepsgroep heeft een krachtig signaal afgegeven. Over de manier waarop de ambities die spreken uit de onderwijsagenda van de beroepsgroep kunnen worden ondersteund zal in de komende periode het gesprek worden gevoerd met de beroepsgroep, met de sociale partners en andere relevante actoren in het onderwijs.

Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs

Het Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs (LPBO) stelt op basis van ontwikkelingen in het onderwijs vast welke onderwijsberoepen te onderscheiden zijn, welke competentieprofielen daarbij horen en voor welke onderwijsberoepen bekwaamheidseisen zouden moeten worden vastgelegd. Daarnaast doet het LPBO op verzoek van de minister bij voorrang uitspraken over actuele onderwerpen met betrekking tot die onderwijsberoepen, competentieprofielen en bekwaamheidseisen. Verder beoordeelt het LPBO periodiek de werking van de bekwaamheidseisen.

Versterken lerarenopleidingen

OCW, HBO-raad en VSNU hebben in 2006 de afspraken over verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleidingen in de gezamenlijke beleidsagenda «Meer kwaliteit en differentiatie: de lerarenopleidingen aan zet» in uitvoering genomen. Eén van de afspraken betreft de verbetering van de reken- en taalvaardigheid van instromers in de opleiding tot leraar basisonderwijs. Vanaf 1 augustus 2006 wordt bij studenten die instromen in de opleiding tot leraar basisonderwijs een diagnostische toets afgenomen. Zo nodig krijgt de individuele student de kans tijdens het eerste jaar eventuele deficiënties weg te werken. Aan het einde van het jaar wordt de toets opnieuw afgenomen. Wanneer het resultaat onvoldoende is, krijgt de student een (negatief) bindend studieadvies. Met onderwijsinstellingen voor vo en bve is afgesproken dat (met uitzondering van het schooljaar 2006/2007) leerlingen/deelnemers die het voornemen hebben zich in te schrijven voor de opleiding tot leraar basisonderwijs een toets afleggen in het laatste jaar van vo of mbo. Zo nodig kunnen deze leerlingen/deelnemers remediërende programma’s volgen voor dat zij doorstromen naar de lerarenopleiding.

Niet alleen (aankomend) leraren basisonderwijs, maar alle onderwijsdeelnemers moeten beschikken over elementaire reken- en taalvaardigheden. Een doorlopende leerlijn van po tot en met ho voor zowel rekenen als taal kan eraan bijdragen dat basiskennis en -vaardigheden zich bij leerlingen/deelnemers ontwikkelen gedurende hun onderwijsloopbaan. In 2007 zal in overleg met het onderwijsveld worden nagegaan op welke wijze de doorlopende leerlijnen voor rekenen en taal ontwikkeld kunnen worden.

Kopopleiding hoger beroepsonderwijs

Studenten met een hbo- of wo-bachelor getuigschrift in een verwant vakgebied zijn in de gelegenheid een kopopleiding tot leraar te volgen van één jaar, leidend tot een hbo-bachelor getuigschrift. In 2007 wordt deze mogelijkheid wettelijk verankerd. Vooruitlopend hierop wordt de kopopleiding gerealiseerd door middel van pilots waarbij OCW zorg draagt voor bekostiging en studiefinanciering.

Meetbare gegevens

Tabel 9.5
 20042005200620072008200920102011
1. Percentage scholen dat over bekwaamheidsdossiers beschikt        
po 38% 100%    
vo 41% 100%    
bve 19% 100%    
Bron: Monitor professionele arbeidsorganisatie        
2. Percentage werkgevers dat over een meerjarige personeelsplan- ning beschikt over ten minste de drie komende jaren        
po 14% 50%    
vo 27% 100%    
bve 19% 100%    
Bron: Monitor professionele arbeidsorganisatie        
3. Mate van on(der)bevoegdheid in het vo12,7%  Dalend of gelijkblijvend    
Bron: Aandachtsgroepenmonitor2005        

Toelichting

1. De cijfers over 2005 zijn een schatting door onderzoek uit het najaar van 2005. Ze geven een indicatie, aangezien bekwaamheidsdossiers pas vanaf augustus 2006 wettelijk verplicht zijn.

9.4 Overzicht evaluatieonderzoeken

Algemene/operationele doelstellingOnderwerpPlanning onderzoekSoort onderzoek
Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeelArbeidsmarktbarometers po, vo, bve2006–2007September 2007Monitor
 (Ziekte)verzuim onderzoek 2006September 2007Monitor
 Aandachtsgroepenmonitor2007September 2007Monitor
 Loopbaanmonitor2005–2008September 2007Monitor
 Monitor Arbeid, Zorg en Levensloopfaciliteiten 2006Januari 2007Monitor
 POMO 2008 (BZK)2008Monitor
 Onderzoek Lesuitval vo 2006Januari 2007Monitor
Zorgen voor personeel van voldoende kwaliteitMonitor professionele arbeidsorganisatieSeptember 2007Monitor
 Programma onderwijspersoneel2007Doorlichting