Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

ARTIKEL 11. STUDIEFINANCIERING

11.1 Algemene beleidsdoelstelling: waarborgen financiële toegankelijkheid van het onderwijs

Omschrijving

Onderwijs levert een belangrijke bijdrage aan de bevordering van een duurzame groei van de Nederlandse (kennis)economie en de maatschappelijke participatie van burgers. OCW waarborgt met studiefinanciering de toegankelijkheid van en de deelname aan het onderwijs door de financiële belemmeringen van deelname weg te nemen voor de volgende doelgroepen:

• deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg;

• studenten in het hoger beroepsonderwijs en

• studenten in het wetenschappelijk onderwijs.


De overheid zet haar middelen voor studiefinanciering zo in, dat het onderwijs voor iedereen toegankelijk is, ook voor mensen met een lager inkomen. Van de ouders wordt verwacht dat zij, wanneer mogelijk, bijdragen in de financiering van de studie van hun kinderen. Het stelsel van studiefinanciering is mede op deze veronderstelling gebaseerd. Hiervoor zijn richtbedragen opgesteld door de overheid, maar de hoogte van de bijdrage is een zaak tussen ouders en kinderen. Tenslotte is er de student zelf. Omdat de studie ook een investering in de eigen toekomst is, is het redelijk dat ook de student een bijdrage levert. Het stelsel is zo ingericht dat er een prikkel bestaat voor de studerenden om de studie af te ronden met een diploma (prestatiebeurs).

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is direct verantwoordelijk voor het ontwikkelen en onderhouden van het bestel door het scheppen van kaders voor toegankelijkheid en doelmatigheid. Dit betekent sturing en toezicht op hoofdlijnen gericht op het ontwikkelen van instrumenten, het meten van resultaat en het afleggen van rekenschap.

Kritische succesfactoren

• Het gebruik van de regeling (attitude).

• De conjuncturele ontwikkeling.

• Het studiefinancieringsbeleid van andere landen.

Meetbare gegevens

Het beleid is gericht op de optimalisering van de deelname van burgers aan het onderwijs. Studiefinanciering draagt hieraan bij door de financiële toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen. Voor de positie op de arbeidsmarkt is het afronden van een opleiding ook van groot belang. De voorwaarden waaronder studiefinanciering aan studerenden wordt verstrekt kunnen een belangrijke rol spelen bij de inzet van studerenden gedurende hun studieperiode. De invoering van het prestatiebeursregime in het ho (1996) en niveau 3 en 4 van de bol (2005) stimuleert studerenden tot verbetering van de studieresultaten, waardoor het studierendement zal verbeteren. De onderstaande indicatoren zijn hierbij van belang.

Tabel 11.1 Onderwijsdeelname naar leeftijd
Leeftijd18192021222324252627282930
Deelnamepercentage 200580736657453527201410765

Bron: OCW (CFI), Leerlingen- en studententellingen 2005


De absolute aantallen studerenden mbo en ho zijn gepresenteerd bij de operationele doelstellingen van de beleidsartikelen bve en ho.

Tabel 11.2 Verwachte rendementen
 20002001200220032004
wo6466687069
hbo6668697475
bol5858546065

Bron: OCW (CFI), Onderwijsmatrices 2000–2004, berekeningen OCW.


Het verwachte rendement is in dit verband het verwachte percentage van de ingestroomde studerenden dat uiteindelijk een diploma haalt. Van bijvoorbeeld de eerstejaars hbo in 2004 wordt verwacht dat circa 75% uiteindelijk de studie af zal ronden met een diploma. Voor bovenstaande indicatoren zijn in relatie tot studiefinanciering geen streefwaarden geformuleerd, omdat de resultaten het gevolg zijn van een breed scala van factoren en niet alleen van studiefinanciering.

11.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11.3 Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 2005200620072008200920102011
Verplichtingen2 849 3113 532 6653 060 5863 483 0703 616 0433 742 0633 843 695
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven (programma + apparaat)2 849 3113 532 6653 060 5863 483 0703 616 0433 742 0633 843 695
        
Programma-uitgaven2 848 2863 531 5073 059 4923 481 9853 614 9573 740 9223 842 554
        
Algemene toegankelijkheid1 365 4031 866 4071 295 6991 611 6971 665 9191 714 7121 752 195
• Basisbeurs792 154935 103943 427938 380962 780984 230996 029
• Reisvoorziening573 249931 304352 272673 317703 139730 482756 166
        
Toegankelijkheidbij minder draagkrachtige ouders537 169612 666625 763642 210659 550675 980691 611
• Aanvullende beurs537 169612 666625 763642 210659 550675 980691 611
        
Flexibiliteit financiering studerende867 430959 200980 600981 2001 010 0001 038 0001 072 300
• Bijverdiengrens in regelgeving0000000
• Leenfaciliteit867 430959 200980 600981 2001 010 0001 038 0001 072 300
        
Studenten in staat stellen meer tijd in de eigen studie te investeren (collegegeldkrediet)0050 000120 000150 000180 000200 000
        
Stimuleren internationale studentenmobiliteit0011 00028 00026 00027 00029 000
Overige uitgaven Studiefinanciering15 18022 56128 79929 39931 49933 50035 700
        
Programmakosten overig63 10470 67367 63169 47971 98971 73061 748
• IB-Groep63 10470 67367 63169 47971 98971 73061 748
Totaal programma-uitgaven studiefinanciering2 848 2873 531 5073 059 4923 481 9853 614 9573 740 9223 842 554
– waarvan relevant1 658 6451 895 4321 243 1921 614 9851 863 3572 052 9222 198 354
– waarvan niet-relevant1 189 6421 636 0751 816 3001 867 0001 751 6001 688 0001 644 200
Apparaatsuitgaven1 0241 1581 0941 0851 0861 1411 141
Ontvangsten351 610340 900367 700400 700436 800474 800514 100
• Flexibiliteit financiering studerende278 810301 860330 280363 280399 380437 380476 700
• Overige ontvangsten72 80039 04037 42037 42037 42037 42037 400
Totaal ontvangsten studiefinanciering351 610340 900367 700400 700436 800474 800514 100
– waarvan relevant219 185184 500186 700195 900209 000224 800242 500
– waarvan niet-relevant132 425156 400181 000204 800227 800250 000271 600

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de rentedragende leningen en de uitgaven voor de prestatiebeurs (zolang deze nog niet zijn omgezet in een gift). De niet-relevante ontvangsten betreffen de aflossingen op de rentedragende leningen. Een nadere specificatie van de raming van de uitgaven per instrument is opgenomen in paragraaf 11.3 (operationele doelstellingen).

Tabel 11.4 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20072008200920102011
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)2 991 8613 412 5063 542 9683 669 1923 780 806
Totaal juridisch verplicht2 980 8613 384 5063 516 9683 642 1923 751 806
Totaal bestuurlijk gebonden11 00028 00026 00027 00029 000
Algemene toegankelijkheid1 295 6991 611 6971 665 9191 714 7121 752 195
• Juridisch verplicht1 295 6991 611 6971 665 9191 714 7121 752 195
      
Toegankelijkheidbij minder draagkrachtige ouders625 763642 210659 550675 980691 611
• Juridisch verplicht625 763642 210659 550675 980691 611
      
Flexibiliteit financiering studerende980 600981 2001 010 0001 038 0001 072 300
• Juridisch verplicht980 600981 2001 010 0001 038 0001 072 300
      
Studenten in staat stellen meer tijd in de eigen studie te investeren (collegegeldkrediet)50 000120 000150 000180 000200 000
• Juridisch verplicht50 000120 000150 000180 000200 000
      
Stimuleren internationale studentenmobiliteit11 00028 00026 00027 00029 000
• Bestuurlijk gebonden11 00028 00026 00027 00029 000
      
Overige uitgaven studiefinanciering28 79929 39931 49933 50035 700
• Juridisch verplicht28 79929 39931 49933 50035 700

Alle uitgaven onder dit artikel zijn wettelijke uitgaven, namelijk gebaseerd op de WSF 2000. De mate van budgetflexibiliteit wordt bepaald door de mate waarin de wet en de daarop gebaseerde regelingen gewijzigd kunnen worden.

11.3 Operationele doelstellingen (stelsel)

11.3.1 Waarborgen algemene financiële toegankelijkheid onderwijs

Motivatie

Studenten in het ho en deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg financieel in staat stellen om onderwijs te volgen.

Instrumenten

• Basisbeurs

• Reisvoorziening in de vorm van een ov-kaart


Met deze instrumenten levert OCW een bijdrage aan het normbudget van studerenden. Het bestaan van de regeling wordt via de IB-Groep onder de aandacht gebracht bij de doelgroep.

Meetbare gegevens (raming)

• Het aantal studerenden met een basisbeurs en/of

• Het aantal studerenden met een reisvoorziening.

Tabel 11.5 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering
 20042005200620072008200920102011
wo102 037104 613108 100112 200116 500121 600126 800131 700
hbo212 971221 627231 200240 200247 800254 600260 500265 200
bol178 927195 689206 200210 700214 600220 200224 700228 300
Studerenden met basisbeurs493 935521 929545 500563 100578 900596 400612 000625 200
wo33 80738 49739 80041 20042 80044 70046 60048 400
hbo31 80031 53732 90034 20035 30036 20037 10037 700
Alleen ov-kaart en/of lening65 60770 03472 70075 40078 10080 90083 70086 100
Totaal559 542591 963618 200638 500657 000677 300695 700711 300

Bron 2004 en 2005: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2006–2011: referentieraming 2006/ramingsmodel SF


Deze gegevens verstrekken een indicatie van het gebruik van de regeling. Het aantal studerenden met studiefinanciering volgt logischerwijs de ontwikkeling van het aantal studerenden in het ho en de bol in Nederland. Dit laatste ligt hoger, omdat niet iedere studerende die is ingeschreven en onderwijs volgt ook daadwerkelijk aanspraak heeft op studiefinanciering. De raming van de studerenden met een basisbeurs ligt ten grondslag aan het niveau van de uitgaven en vertoont een stijging in de komende jaren. Daarnaast is er een groep studenten in het ho die geen aanspraak meer kan maken op een basisbeurs (maximale duur is verbruikt), maar nog wel recht heeft op een ov-studentenkaart en een lening.


Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het niet het streven is van de overheid dat zoveel mogelijk studerenden gebruik maken van de basisbeurs en/of de reisvoorziening. Indien studerenden op een andere wijze hun studie kunnen financieren is de toegankelijkheid van het onderwijs ook gewaarborgd. Tot op heden is er geen beleidsonderzoek uitgevoerd dat gericht is op mensen die niet deelnemen aan het onderwijs. Hieraan ligt ten grondslag dat wordt verondersteld dat de studiefinanciering grote bekendheid geniet en de financiële toegankelijkheid van het onderwijs dankzij deze studiefinanciering goed is. Om deze veronderstelling te valideren wordt onderzoek uitgevoerd dat erop is gericht om te achterhalen wat de redenen zijn dat deze jongeren niet aan het onderwijs deelnemen of geen gebruik maken van studiefinanciering.

Raming uitgaven basisbeurs

De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. De normbedragen voor de basisbeurs worden jaarlijks geïndexeerd.

Tabel: 11.6 Normbedragen basisbeurs per maand in euro’s*
 hobol
Thuiswonend89,2470,37
Uitwonend248,48229,60

* Peildatum 1 januari 2006.


Naast de prijscomponent is het verloop van de uitgaven voor een zeer groot deel afhankelijk van de ontwikkeling in het aantal studerenden. De verwachte ontwikkeling van het aantal studerenden met studiefinanciering is opgenomen bij de meetbare gegevens.

Tabel 11.7 Uitgaven basisbeurs (x € 1 miljoen)
 2005200620072008200920102011
bol-beurs (gift)236,2208,3140,099,086,587,789,1
prestatiebeursbol8,773,9136,3176,8197,3207,8213,5
prestatiebeursho*547,3652,9667,1662,6679,0688,7693,4
Totaal basisbeurs792,2935,1943,4938,4962,8984,2996,0
• waarvan relevant695,0588,4566,8594,7689,9760,8815,1
• waarvan niet-relevant97,2346,7376,6343,7272,9223,4180,9

* inclusief de beperkte uitgaven tempobeurs in de jaren 2005 en 2006.

Bron 2005: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2006 – 2011: ramingsmodel SF


De structurele stijging van de uitgaven houdt voornamelijk verband met de toename van het aantal studerenden. De stijging in 2006 ten opzichte van 2005 houdt voorts verband met een extra verhoging van het normbedrag basisbeurs vanwege de compensatie voor de invoering van het nieuwe zorgstelsel. Vanaf 2005 komen in de tabel in de reeks «prestatiebeurs bol» de uitgaven basisbeurs tot uiting zoals die met ingang van het studiejaar 2005–2006 in verband met de invoering van de prestatiebeurs voor niveau 3 en 4 van de bol gelden. De toename van de uitgaven prestatiebeurs bol gaat gepaard met een daling van de uitgaven aan de bol-beurs (direct gift). In deze laatste groep zijn de uitgaven basisbeurs voor de deelnemers bol niveau 1 en 2 opgenomen, evenals de uitgaven aan de deelnemers bol niveau 3 en 4 die vóór het studiejaar 2005–2006 al studiefinanciering ontvingen.

Raming uitgaven reisvoorziening

Tabel 11.8 Uitgaven reisvoorziening (x € 1 miljoen)
 2005200620072008200920102011
Ov-kaart561,1912,9334,0654,5683,9711,1736,7
Reisvoorzieningoverig12,218,418,318,819,219,419,5
Totaal reisvoorziening573,2931,3352,3673,3703,1730,5756,2
• waarvan relevant394,7652,561,8401,9486,3543,3594,3
• waarvan niet-relevant178,5278,8290,5271,4216,8187,2161,9

Bron 2005: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2006–2011: ramingsmodel SF.


De toelichting op de ontwikkeling van de uitgaven reisvoorziening is voor een groot deel vergelijkbaar met die op de uitgaven basisbeurs. De aanzienlijke stijging van de uitgaven ov-kaart in 2006 ten opzichte van 2005 is het gevolg van een mutatie van € 300 miljoen. Ten behoeve van de optimalisering van kasritmes van de Staat wordt een gedeelte van de verplichtingen aan de vervoersbedrijven voor de ov-kaart 2007 al in 2006 voldaan.

11.3.2 Waarborgen toegankelijkheid onderwijs voor studerenden met minder draagkrachtige ouders

Motivatie

Het huidige stelsel van studiefinanciering gaat uit van een gedeelde verantwoordelijkheid. Van de ouders wordt verwacht dat zij, indien zij dat (financieel) kunnen, een bijdrage leveren aan de studie van hun kind. De minister stelt zich ten doel daar waar ouders niet of onvoldoende in staat zijn een bijdrage te leveren aan de studie van hun kind, de eventuele financiële belemmering om te gaan studeren voor een studerende weg te nemen.

Instrumenten

Het verstrekken van een aanvullende beurs indien de ouders van een studerende minder draagkrachtig zijn. Het betreft studerenden met recht op studiefinanciering, waarvan de ouders gezamenlijk een belastbaar inkomen hebben dat minder bedraagt dan circa € 30 000. Het bestaan van de regeling wordt via de IB-Groep onder de aandacht gebracht bij de doelgroep.

Meetbare gegevens (raming)

Tabel 11.9 Totaal aantal studerenden met een aanvullende beurs
 20042005200620072008200920102011
wo24 07124 78525 10026 00027 00028 20029 40030 500
hbo73 09177 05279 10082 10084 70087 10089 10090 700
bol93 112103 657114 200116 800118 900121 900124 500126 500
Totaal190 274205 494218 400224 900230 600237 200243 000247 700

Bron 2004 en 2005: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2006–2011: referentieraming 2006/ramingsmodel SF.


Het aantal studerenden met een aanvullende beurs geeft een indicatie van het gebruik van deze regeling. Uit de vergelijking van deze gegevens met de aantallen basisbeurs uit tabel 11.5 blijkt dat in 2007 ongeveer 40% van de studerenden met een basisbeurs een aanvullende beurs ontvangt. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat mag worden aangenomen dat het gebruik van de aanvullende beurs, vanwege de bekendheid van de regeling, al optimaal is. Het in paragraaf 11.3.1 genoemde onderzoek zal hier uitsluitsel over geven.

Raming uitgaven aanvullende beurs

De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd en wordt verstrekt bovenop de basisbeurs. Deze is naast het inkomen van de ouders en het aantal schoolgaande kinderen in het gezin ook afhankelijk van de woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend). De normbedragen worden jaarlijks geïndexeerd.

Tabel 11.10 Normbedragen maximale aanvullende beurs per maand in euro’s*
 hobol
Thuiswonend207,28292,58
Uitwonend225,88311,19

* Peildatum 1 januari 2006.


In tabel 11.11 worden de geraamde uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Naast de prijscomponent is het verloop van deze uitgaven voor een zeer groot deel afhankelijk van de ontwikkeling in het aantal studerenden met minder draagkrachtige ouders. Naast de deelname aan het onderwijs spelen hierbij exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Tabel 11.11 Uitgaven aanvullende beurs (x € 1 miljoen)
 2005200620072008200920102011
Bol-beurs314,2263,7176,9124,8107,7108,7111,0
Prestatiebeursho *214,5243,5253,2265,1273,4280,3286,5
Prestatiebeursbol8,5105,5195,7252,3278,5287,0294,1
Totaal aanvullende beurs537,2612,7625,8642,2659,6676,0691,6
• Waarvan relevant499,3561,2515,2515,5576,6629,6671,6
• Waarvan niet-relevant37,851,5110,6126,783,046,420,0

* Inclusief de beperkte uitgaven tempobeurs in de jaren 2005 en 2006

Bron 2005: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2006–2011: ramingsmodel SF


Vanaf 2005 komen in de tabel ook de uitgaven aanvullende beurs tot uiting, zoals die met ingang van het studiejaar 2005–2006 in verband met de prestatiebeurs bol gelden. De toename van de uitgaven prestatiebeurs bol gaat gepaard met een daling van de uitgaven aan de bol-beurs (direct gift).

11.3.3 Waarborgen flexibiliteit in de wijze van financiering door de studerende

Motivatie

In het stelsel van studiefinanciering is verondersteld dat studerenden ook zelf een bijdrage leveren aan de financiering van het normbudget. De minister stelt zich ten doel studerenden in staat te stellen op een flexibele wijze invulling te kunnen geven aan deze veronderstelde bijdrage.

Instrumenten

• Leenfaciliteit

Studerenden krijgen hiermee de mogelijkheid om hun eigen bijdrage te lenen bij de overheid.

• Bijverdiengrens in regelgeving

Studerenden met een toekenning studiefinanciering krijgen hiermee de mogelijkheid hun eigen bijdrage met werken te verdienen. De WSF staat toe dat studerenden tot circa € 10 500 per jaar bijverdienen (peildatum 2006) zonder dat dit consequenties heeft voor hun aanspraak op studiefinanciering. De hoogte van de bijverdiengrens wordt jaarlijks geïndexeerd.


Het bestaan van deze regelingen wordt via de IB-Groep onder de aandacht gebracht bij de doelgroep. De voorlichting van de IB-Groep en het Ministerie van OCW over de regelingen en de keuzemogelijkheden die studerenden hebben bij de invulling van hun studietijd is geïntensiveerd.

Meetbare gegevens

Tabel 11.12 Totaal aantal studerenden dat gebruik maakt van de leenfaciliteit
 20042005
wo58 78465 240
hbo59 58168 764
bol18 41422 913
Totaal136 779156 917

Bron 2004 en 2005: realisatiegegevens IB-Groep

Tabel 11.13 Bedrag aan uitstaande leningen ultimo van het jaar (x € 1 miljoen)
 20042005
Renteloze voorschotten verstrekt t/m 198679,862,5
Rentedragende leningen verstrekt vóór 1992203,2170,2
Rentedragende leningen verstrekt na 19923 988,54 767,6
Totaal4 271,55 000,3

Bron 2004 en 2005: realisatiegegevens IB-Groep


Deze gegevens verstrekken een indicatie van het gebruik van de betreffende regelingen. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het niet het streven van de overheid is dat zoveel mogelijk studenten een zo hoog mogelijk bedrag lenen of zoveel mogelijk werken naast de studie. De overheid wil wel deze mogelijkheden bieden en studenten een reëel alternatief geven voor betaalde arbeid.

Tabel 11.14 Kennis van het terugbetalingssysteem
 20042005200620072008200920102011
De bekendheid bij studenten in het ho van het terugbetalingssysteemBron: Evaluatieonderzoek Leengedrag en -kennis van studenten 20%  40% 50% 

Slechts één op de vijf studenten kent de voorwaarden van studieleningen bij de IB-Groep (bron: evaluatieonderzoek leengedrag en -kennis van studenten). De meeste studenten weten wel wanneer je recht hebt op een lening, maar kennis over afbetalingsvoorwaarden en leentermijnen is onder de maat. Daarom wordt er een impuls gegeven aan voorlichting over studieleningen van de IB-Groep. Studenten kunnen zo een betere afweging gaan maken over hoe zij de financiering voor hun studie regelen.

Raming uitgaven en ontvangsten leenfaciliteit

In de eerste jaren van de studie (gedurende de nominale studieduur) is het maximum bedrag dat een studerende kan lenen gelijk aan het verschil tussen het normbudget en de optelsom van de basisbeurs en de aanvullende beurs. De maximale lening in de 36 maanden na de nominale duur van de studie bedraagt € 796 per maand (peildatum 1 januari 2006).


De uitgaven voor de leningen zijn niet-relevante uitgaven. Voorts is het rentepercentage op de leningen gelijk aan de rente op staatsleningen. De maximale terugbetalingstermijn is thans 15 jaar. Gedurende deze periode geldt er een draagkrachtregeling. Resterende schulden na afloop van de aflosfase worden kwijtgescholden.

Tabel 11.15 Niet-relevante uitgaven rentedragende lening (x € 1 miljoen)
 2005200620072008200920102011
Rentedragende lening867,4959,2980,6981,21 010,01 038,01 072,3

Bron 2005: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2006–2011: ramingsmodel SF.


Met deze leningen gaan tevens ontvangsten gepaard, zoals rente en aflossingen. Deze nemen de komende jaren toe. Daarnaast zijn er ook nog ontvangsten die betrekking hebben op leenfaciliteiten uit eerdere jaren die thans niet meer verstrekt worden. Deze ontvangsten zijn aflopend.


Tabel 11.16 Ontvangsten leenfaciliteit (x € 1 miljoen)
 2005200620072008200920102011
Renteloze voorschotten (t/m 1986)9,76,34,83,62,72,11,6
Rentedragende lening269,1295,6325,5359,7396,7435,3475,1
Totaal278,8301,9330,3363,3399,4437,4476,7
• Waarvan relevant146,4145,5149,3158,5171,6187,4205,1
• Waarvan niet-relevant132,4156,4181,0204,8227,8250,0271,6

Bron 2005: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2006–2011: ramingsmodel SF.

11.3.4 Studenten in staat stellen meer tijd in de eigen studie te investeren

Motivatie

Het stelsel van studiefinanciering wordt aangepast om studenten in het hoger onderwijs in staat te stellen:

• sneller en kwalitatief beter af te studeren doordat zij minder hoeven bij te verdienen en dus meer tijd aan hun studie kunnen besteden en

• zelf meer te investeren in de eigen studie.


Dit gebeurt in samenhang met de invoering van leerrechten in het hoger onderwijs in het wetsvoorstel Financiering in het hoger onderwijs ( kamerstukken 2005–2006, 30 387, nr. 1–2).

Instrumenten in toekenningsfase

Invoering collegegeldkrediet waarmee de student het verschuldigde collegegeld kan lenen, met een plafond van 5 keer het wettelijke collegegeld.

Instrumenten in aflossingsfase

• Inkomensafhankelijk terugbetalen van de lening

• Verhoging van de aflossingsvrije voet

• Terugbetalingstermijn van 25 jaar

• De keuzemogelijkheid voor een aflossingsvrije periode van maximaal 5 keer één jaar.


Op basis van het wetsvoorstel Financiering in het hoger onderwijs zullen de aanpassingen in het stelsel van studiefinanciering in werking treden op 1 september 2007.

Meetbare gegevens

Tabel 11.17 Indicatoren aanpassingen studiefinancieringsstelsel
 20042005200620072008200920102011
1. De snelheid waarmee studenten afstuderen (in jaren)        
wo6,01     < 6,01 
hbo4,46     < 4,46 
Bron: OCW (CFI), onderwijsmatrix 2004, berekeningen OCW        
2. Het aantal uren dat een student gemiddeld per week besteedt aan de studie        
wo29 303133353738
hbo37 383839394040
Bron: Studentenmonitor; deelnemersmonitor        
3. Het aantal uren dat een student gemiddeld per week besteedt aan werk        
wo13 131211111010
hbo13 121211111010
Bron: Studentenmonitor; Deelnemersmonitor        

De snelheid waarmee studenten afstuderen wordt gemeten als de gemiddelde totale verblijfsduur van gediplomeerden in hele jaren. Bij de indicator «het aantal uren dat een voltijdstudent gemiddeld per week besteedt aan een bijbaan (indien hij werkt)» zal ook worden gemonitord of de inhoud van het werk (meer) aansluit bij de opleiding.


De cijfers van 2004 zijn de basiswaarden. Met betrekking tot de snelheid waarmee studenten afstuderen wordt gestreefd naar een verblijfsduur die de wettelijke studieduur benadert. Met betrekking tot het aantal uren dat een student gemiddeld besteedt aan de studie wordt gestreefd naar 40 uur per week in 2010 voor hbo-studenten en in 2012 voor wo-studenten. Hierbij is in tabel 11.17 een ingroeitraject opgenomen. Op basis van de studentenmonitor zal worden gemonitord hoeveel tijd studenten aan hun studie besteden per week. Afhankelijk van deze uitkomsten zal worden bezien of deze streefwaarden moeten worden bijgesteld, of dat aanvullende maatregelen dienen te worden getroffen. Met betrekking tot het aantal uren dat een student gemiddeld besteed aan werk wordt gestreefd naar een maximum van 10 uur per week in 2010 voor hbo- en wo-studenten. Hierbij is in tabel 11.17 een ingroeitraject opgenomen. Op basis van de studentenmonitor zal worden gemonitord hoeveel tijd studenten aan werk besteden per week. Afhankelijk van deze uitkomsten zal worden bezien of deze streefwaarden moeten worden bijgesteld, of dat aanvullende maatregelen dienen te worden getroffen.


Twee indicatoren die daarnaast een beeld geven van het gebruik van de regeling zijn:

• het leenvolume collegegeldkrediet (aantal studenten en bedragen). Bron: IB-Groep.

• Het totale leenvolume studiefinanciering (aantal studenten en bedragen). Bron: IB-Groep. Zie hiervoor ook de meetbare gegevens bij onderdeel 11.3.3.


Voor het leenvolume worden geen basiswaarden en geen streefwaarden vastgesteld. Het is niet het streven van de overheid dat zoveel mogelijk studenten een zo hoog mogelijk bedrag lenen. De overheid wil door het leenstelsel studenten een reëel alternatief bieden voor betaalde arbeid.


Tenslotte is als prestatie-indicator vastgesteld dat de wijzigingen in het stelsel van studiefinanciering per 1 september 2007 zullen zijn gerealiseerd.

11.3.5 Stimuleren van internationale studentenmobiliteit

Motivatie

Het beleid is erop gericht om internationale studentenmobiliteit te stimuleren door studenten in staat te stellen een volledige opleiding in het buitenland te volgen met studiefinanciering. Dat kan nu in een beperkt aantal gevallen. Een uitbreiding hiervan is gewenst in verband met de behoefte van studenten en internationale afspraken over mobiliteit.


In de Beleidsbrief meeneembare studiefinanciering ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 22 452, nr. 23) is het voornemen aangekondigd voor studenten in het hoger onderwijs de mogelijkheid om met studiefinanciering in het buitenland te studeren vanaf studiejaar 2007–2008 uit te breiden tot alle landen die deelnemen aan het Bologna Proces. Met de Tweede Kamer is over dit voornemen Schriftelijk Overleg gevoerd ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 22 452, nr. 25).

Instrumenten

• Wijziging Wet studiefinanciering 2000: uitbreiden van de mogelijkheid om met studiefinanciering in het buitenland te kunnen studeren in overeenstemming met de Beleidsbrief. Het wetgevingsproces dient begin 2007 te worden afgerond. De uitvoering kan dan tijdig beginnen om de uitbreiding van de mogelijkheid met studiefinanciering in het buitenland te studeren per 1 september 2007 te realiseren.

• Afspraken maken in het Bologna Proces om samen te werken met de bestemmingslanden van de studenten met meeneembare studiefinanciering. De Bologna-werkgroep «Portability of grants and loans» dient begin 2007 aanbevelingen te doen aan de Ministers van Onderwijs van de Bologna-landen. Deze komen in mei 2007 in Londen bijeen en kunnen in het communiqué dat het resultaat van de bijeenkomst is, de aanbevelingen overnemen.

Meetbare gegevens

• Realisatie wetswijziging per 1 september 2007

• Uitkomst Bologna Proces, mei 2007

• Aantal (Nederlandse) studenten dat (met meeneembare studiefinanciering) in het buitenland studeert. Vóór 1 september 2007 zal een nulmeting worden uitgevoerd, waarna zal worden bezien of en zo ja welke streefwaarden worden geformuleerd. Uit de meest recente cijfers van de OESO blijkt dat in 2003 12 804 Nederlandse studenten langdurig hoger onderwijs in het buitenland volgden.

11.4 Overzicht evaluatieonderzoeken

Algemene/operationele doelstellingOnderwerpPlanning onderzoekSoort onderzoek
Studiefinanciering algemeenNiet-gebruik van studiefinanciering2006 (resultaten medio 2006)Evaluatie
11.3.1Waarborgen algemene toegankelijkheid onderwijsDe financiële positie van studenten (inkomen, uitgaven, leengedrag) en tijdsbesteding (aan onder andere studie en bijbaan).Najaar 2007Studentenmonitor 2006
11.3.5Stimuleren van internationale studentenmobiliteitMeeneembare studiefinanciering bol2007Ex-post evaluatieonderzoek