Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

ARTIKEL 14. CULTUUR

14.1 Algemene beleidsdoelstelling: het behouden van de culturele factor in de samenleving en deze waar nodig versterken.

Omschrijving

Cultuur (kunsten, erfgoed en letteren) ontwikkelt zich in belangrijke mate zonder overheidsbemoeienis in de markt of door particulier initiatief. De overheid komt in beeld waar publieke waarden in het geding zijn (zoals onafhankelijkheid, kwaliteit, verscheidenheid, toegankelijkheid) en de markt of het particulier initiatief deze onvoldoende waarborgen. Ook kan cultuur voor de overheid belangrijk zijn vanwege specifieke maatschappelijke effecten, zoals samenbindend vermogen of bijdrage aan de economie. «Meer dan de Som, Beleidsbrief cultuur 2004–2007» ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 314, nr. 1) bevat de uitgangspunten van het huidige cultuurbeleid.

Om de algemene doelstelling van het cultuurbeleid te kunnen realiseren draagt het rijk (mede) verantwoordelijkheid voor de instandhouding van een aantal stelsels: kunsten, musea, monumenten, archeologie, archieven en bibliotheken. Daarnaast wordt het beleid vormgegeven in een aantal specifieke beleidsprogramma’s: Regionale Dynamiek (Actieplan Cultuurbereik, Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving), Cultuur en Ruimte, Cultuur en School, Culturele Diversiteit, Cultuur en informatie- en communicatietechnologie, Cultuur en Economie en Internationaal Cultuurbeleid (beleidsbrief Internationaal Cultuurbeleid, Koers Kiezen, ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 989, nr. 34).

Bij uitvoering van het beleid is samenwerking met de decentrale overheden van groot belang, terwijl bij de uitvoering van de verschillende beleidsprogramma’s samenwerking met andere departementen en andere maatschappelijke partijen aan de orde is.

De overheid houdt afstand waar het gaat om inhoudelijke oordelen over specifieke culturele uitingen. De Raad voor Cultuur heeft hier een belangrijke rol als het wettelijk onafhankelijk adviesorgaan van regering en beide Kamers. De raad adviseert over kwaliteit, variëteit en samenhang van het cultuurbeleid. Bij de kwaliteitsbewaking speelt ook de erfgoedinspectie een rol.

Verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

• Scheppen van voorwaarden voor het instandhouden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen.

• Bevorderen van de publieke belangstelling voor cultuuruitingen.

Kritische succesfactoren

• Positieve economische ontwikkeling

• Stijging van het gemiddeld opleidingsniveau

• Gunstige omstandigheden creatieve bedrijvigheid (juridische, fiscale, administratieve lasten)

• Stabiliteit in de internationale verhoudingen (internationale uitwisseling)

• Gunstige ontwikkeling cultureel klimaat gemeenten en provincies

• Succesvol integratie- en inburgeringsbeleid

Meetbare gegevens bij de algemene beleidsdoelstelling

Kengetallen

Geïndexeerde ontwikkeling trends in de cultuurparticipatie (beoefening, kunstprogramma’s radio/tv, bezoek). Gebaseerd op percentage mensen dat minimaal één maal per jaar participeerde.

Tabel 14.1
Trends cultuurparticipatie:1983198719952003
Amateurkunst    
Zelf theater spelen100986658
Zelf musiceren en/of zingen1001029695
Zelf beeldende kunstmaken100977285
Radio/tv:    
Kunstprogramma’s10011410099
Bezoek:    
Cinema10093101118
Populaire muziek100113138172
Klassieke muziek100113133106
Cabaret10097101127
Ballet10012499115
Beroepstoneel100102109115
Toneel (inclusief uitvoeringen amateurtoneel)100102110111
Monumenten100103100104
Musea10011198107

Bron: Cultuurminnaars en Cultuurmijders

SCP 2005.

Toelichting

Bovenstaande tabel geeft meerjarige trends weer in de cultuurparticipatie, vanaf het jaar 1983. Omwille van de inzichtelijkheid is gekozen voor de vorm van de index, waarbij 1983 op 100 is gezet. Het niveau van 1983 dient niet gelezen te worden als norm. Het behalen van de algemene beleidsdoelstelling heeft als effect dat de participatie aan cultuur gelijk blijft of omhoog gaat. Ontwikkelingen in de cultuurparticipatie zijn in belangrijke mate afhankelijk van maatschappelijke ontwikkelingen, die de (rijks)overheid in beperkte mate kan beïnvloeden. Het Rijk levert een bijdrage via het in stand houden van de stelsels, gecombineerd met aanvullende beleidsinspanningen in de vorm van specifieke programma’s. Naast het Rijk spelen met name gemeenten een belangrijke rol (accommodaties, ondersteuning amateurkunst en buitenschoolse kunsteducatie). Recentere onderzoeksgegevens dan 2003 zijn niet beschikbaar.

14.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 14.2 budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 2005200620072008200920102011
Verplichtingen992 597613 938666 486663 3641 025 1021 029 0421 027 370
Garantieverplichtingen317 700253 548171 897171 846171 795171 744171 693
Totale uitgaven887 742807 640866 692864 305861 385865 325863 653
        
Programma-uitgaven831 588754 076821 463819 715818 960823 009821 334
        
Cultuurnota2005–2008426 741437 132439 587439 979439 199439 245439 245
• Cultuurproducerende instellingen290 063289 792289 144287 725286 617286 663286 663
• Cultuur ondersteunende instellingen50 93853 38551 88851 79952 12652 12652 126
• Fondsen80 74080 45580 45580 45580 45580 45580 455
• Film5 00013 50018 10020 00020 00020 00020 000
        
Behoud en Beheer Cultureel Erfgoed275 378180 967187 417179 144180 184179 934179 938
• Subsidies Monumentenzorg169 53869 79469 79769 79769 79769 79769 798
• Archieven23 93522 43622 18222 18222 18222 18222 182
• Huisvesting50 39658 07366 24069 00872 94572 94572 945
• Musea(niet cultuurnota)3 57814 4864 7014 7012 9442 6942 694
• Behoud en Beheer (overig)20 63111 5666 9373 2062 0662 0662 067
• Verdrag van Malta en subsidies Archeologie7 3004 61217 56010 25010 25010 25010 252
        
Bibliotheken26 40728 91640 62640 65839 97939 97939 179
• Subsidies1 315670662662662662662
• Monitoringen evaluatie11 613000000
• Bestuurlijk overleg en convenantsafspraken IPO en VNG00000 00 
• Provinciale vernieuwingsplannen014 98526 70326 73526 85626 85626 856
• Uitvoering stelseltaken VOB (zie Cultuurnota)0000000
• RVP blinden en slechtzienden13 47913 26113 26113 26112 46112 46111 661
        
Verbreden inzet cultuur50 69255 89296 505104 907104 104106 924106 037
• Regionale dynamiek30 75433 76531 78431 78430 78330 78330 783
• Cultuur en ruimte2 2932 3682 2832 2832 2835 2935 294
• Cultuur en school13 30312 84224 82832 72832 89332 89332 893
• Cultuur en ICT2 6504 2139 70611 09811 79212 49212 492
• Cultuur en economie4221 4341 9341 9341 9341 9341 934
• Internationaal Cultuurbeleid (HGIS)1 2701 2701 2701 2701 4971 4971 497
• Project «Beelden van de Toekomst»  24 70023 81022 92222 03221 144
        
Programmakosten Overig (wo loon- en prijsbijstelling)36 86136 00631 46237 76338 67440 10840 115
        
Nationaal Archief15 50915 16325 86617 26416 82016 81916 820
        
Apparaatsuitgaven56 15453 56445 22944 59042 42542 31642 319
• bestuursdepartement10 91314 21510 60210 0189 8459 7719 774
• uitvoeringsdiensten45 24139 34934 62734 57232 58032 54532 545
Ontvangsten114 9206 50434 19424 30423 41622 52621 638

Tabel 14.3 budgetflexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20072008200920102011
Programma-uitgaven821 463819 715818 960823 009821 334
Totaal juridisch verplicht686 976657 215220 260221 042220 723
Totaal bestuurlijk gebonden134 158162 023598 227601 486600 130
Totaal niet juridisch of bestuurlijk gebonden329477473481481
      
Cultuurnota2005–2008439 588439 980439 200439 246439 246
Waarvan juridisch verplicht412 674405 29012 93412 71412 391
Waarvan bestuurlijk gebonden26 91534 690426 266426 532426 855
Waarvan niet juridisch of bestuurlijk gebonden00000
      
Behoud en Beheer Cultureel Erfgoed187 417179 144180 184179 934179 938
Waarvan juridisch verplicht153 597149 055152 992152 992152 995
Waarvan bestuurlijk gebonden33 82030 08927 19226 94226 943
Waarvan niet juridisch of bestuurlijk gebonden00000
      
Bibliotheken40 62540 65739 97839 97839 178
Waarvan juridisch verplicht27 89712 635000
Waarvan bestuurlijk gebonden12 72828 02239 97839 97839 178
Waarvan niet juridisch of bestuurlijk gebonden00000
      
Verbreden inzet cultuur96 505104 907104 105106 925106 038
Waarvan juridisch verplicht37 30537 18136 17537 17837 178
Waarvan bestuurlijk gebonden59 20067 72667 93069 74768 859
Waarvan niet juridisch of bestuurlijk gebonden00000
      
Programmakosten overig (wo loon- en prijsbijstelling)31 46237 76338 67440 10840 115
Waarvan juridisch verplicht29 63735 7901 3391 3391 339
Waarvan bestuurlijk gebonden1 4961 49636 86238 28838 295
Waarvan niet juridisch of bestuurlijk gebonden329477473481481
      
Nationaal Archief     
Waarvan juridisch verplicht25 86617 26416 82016 81916 820
Waarvan bestuurlijk gebonden     
Waarvan niet juridisch of bestuurlijk gebonden00000

14.3 Operationele doelstellingen

14.3.1 Zorg voor het kunstenstelsel waarbinnen de instandhouding en ontwikkeling van hoogwaardig, toegankelijk en divers cultureel aanbod in Nederland is gewaarborgd.

Motivatie

Met de zorg voor de stelsels geeft het rijk invulling aan haar publieke taken.

Instrumenten

Uitvoeren Cultuurnota 2005–2008, door het verstrekken van subsidies aan:

• producerende instellingen (zoals gezelschappen, ensembles, orkesten, festivals, podia, presentatie-instellingen, zodat deze in staat zijn een hoogwaardig en divers aanbod te verzorgen, en het maken van (prestatie)afspraken hierover. Ook de musea vallen binnen de Cultuurnota (zie ook artikel 14.3.2.)

• ondersteunende instellingen, die voor deelsectoren een aantal functies vervullen (educatie, informatie en reflectie; documentatie en archivering; (inter)nationale vertegenwoordiging en collectieve promotie, ontsluiten van erfgoed en coördinatie)

• cultuurfondsen (Fonds Podiumprogrammering en Marketing, Fonds Amateurkunst en Podiumkunst, Fonds voor de Scheppende Toonkunst, Nederlands Filmfonds, Fonds voor de Letteren, Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, Fonds Beeldende Kunst Vormgeving en Bouwkunst, Mondriaan Stichting, Stimuleringsfonds Architectuur), ten behoeve van producties of projecten van instellingen of individuele kunstenaars.

Daarnaast zal met ingang van 2007 als opvolger van de fiscale Filmstimulerings-aftrek het nieuwe filmstimuleringsbeleid in werking treden.


Herijking cultuurnotasystematiek: in 2007 wordt verder gewerkt aan de implementatie van de nota «Verschil Maken» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 28 989, nr. 22 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 989, nr. 35) waardoor onder meer de cultuurfondsen een grotere rol zullen krijgen in de uitvoering van het beleid.

Meetbare gegevens

Tabel 14.4
 20042005200620072008
Uitvoeringen gesubsidieerde podiumkunsten (incl. buitenland)17 10013 500   
Bezoeken gesubsidieerde podiumkunsten (incl. buitenland)4 203 0003 583 000   
Realisatie «15% norm» podiumkunsten24%27%15%*15%*15%*
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen
Aantal Nederlandse Filmproducties2420–2520–2520–2520–25
Marktaandeel publiek Nederlandse Film9,2%13,6%12%12%12%
Bron: Nederlandse Vereniging Bioscoopexploitanten (NVB)     

* genoemd percentage is minimumnorm, geen prognose

Toelichting

In bovenstaand overzicht staan de momenteel beschikbare indicatoren, die zich beperken tot de podiumkunsten en de film. Beleid op het gebied van beeldende kunst wordt uitgevoerd via kunstmusea, presentatie-instellingen beeldende kunst en het Fonds Beeldende Kunst Vormgeving en Bouwkunst (ondersteuning aanbod) en de Mondriaan Stichting (ondersteuning afname). Indicatoren voor het beeldend kunstbeleid zijn nog in ontwikkeling.

Podiumkunsten: het betreft hier uitsluitend de door OCW gesubsidieerde uitvoeringen in binnen en buitenland (exclusief voorstellingen gesubsidieerd door de cultuurfondsen). Uitvoeringen en bezoeken fluctueren over de jaren. 2004 was een bovengemiddeld jaar. Terugval met name binnen discipline theater. Prestatieafspraken worden gemaakt voor de cultuurnotaperiode 2005–2008. De «15%-norm» geeft de relatie tussen de publieksinkomsten en de totale subsidie (van alle overheden samen). Deze verhouding is minimaal 15:85. Overige inkomsten blijven buiten beschouwing. Per instelling worden onder meer prestatieafspraken gemaakt over de publieksinkomsten over de periode 2005–2008. Voor festivals, jeugdtheater, podia, werkplaatsen, productiehuizen en enkele orkesten gelden aangepaste normen. Deze zijn in de indicator niet meegenomen.

14.3.2 Zorg voor een stelsel waarbinnen het beheer en behoud van het cultureel erfgoed is gewaarborgd

Motivatie

Het cultureel erfgoed behouden, beheren en voor het publiek toegankelijk maken. Het gaat hierbij om monumentenzorg, museale collecties, archieven en archeologie.

Instrumenten

Monumentenzorg

• Monumentenwet 1988/Besluit rijkssubsidiëring instandhouding Monumenten (BRIM). In 2005 hebben zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer ingestemd met het voorstel voor een nieuw subsidieregime, het BRIM. Dit betekent dat de subsidieverstrekkingen voor woonhuisrestauraties geheel via het Revolving Fund van het Nationaal Restauratiefonds (NRF) lopen. De overige monumentensubsidies worden via de Rijksdienst voor de monumentenzorg toegekend. Kern van de nieuwe subsidieregeling is het wegnemen van het onderscheid tussen onderhoud en herstel en erop sturen dat voor monumenten een zesjarig instandhoudingsplan wordt gemaakt. In 2006 kunnen kastelen, buitenplaatsen en molens een aanvraag voor subsidie indienen. Per 2007 kunnen de gesubsidieerde werkzaamheden worden gestart.

• Naast de invoering van het BRIM heeft het kabinet € 100 miljoen uit het FES beschikbaar gesteld, waarvan € 97,5 miljoen voor monumentenzorg is aangewend. Deze middelen zijn overgeboekt naar het NRF. Een deel hiervan wordt gebruikt om het Revolving Fund te voeden, een ander deel wordt eind 2006 beschikt voor achterstandsrestauraties. Vanaf 1 januari 2007 kunnen de gesubsidieerde werkzaamheden worden gestart (Er is door de regering uitvoering gegeven aan motie 117 uit 2004 van het CDA, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300, nr. 193). Daarnaast is € 2,5 miljoen van de FES-middelen beschikbaar gesteld aan de stichting Hermitage aan de Amstel.

Musea

• Een aantal musea (26) wordt door de rijksoverheid bekostigd via de cultuurnotasystematiek. Deze subsidies worden aan musea verstrekt zodat zij doorlopend in staat zijn een hoogwaardig en divers aanbod te garanderen. De huidige subsidieperiode loopt tot en met 2008.

• Het nieuwe museale beleid biedt een helder kader voor de musea, opdat zij hun rol in de veranderende samenleving kunnen vervullen (Nota «Bewaren om teweeg te brengen», Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 989, nr. 27 en Brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 989, nr. 33). De kern van de museale strategie vormt continuïteit in en beweging van de museale sector. Vanuit de bekostiging van musea wordt continuïteit gerealiseerd via het verlenen van een exploitatiesubsidie met een langjarig perspectief. De beweging krijgt zijn beslag in de vorm van incidentele subsidies, bestemd om uitvoering te geven aan onder meer activiteiten waar politieke prioriteit ligt en vernieuwingsmiddelen bestemd om incidenteel «fasesprongen» te kunnen maken. Deze nieuwe wijze van bekostiging van de musea zal naar verwachting ingaan per 2009.

Archieven

• De bekostiging van archieven vindt plaats door middel van een bijdrage van het Ministerie van OCW aan de Regionale Historische Centra (RHC’s) en het Nationaal Archief. De hoogte van de bijdragen aan de RHC’s is vastgelegd in de Gemeenschappelijke Regelingen die ten grondslag liggen aan de RHC’s. In 11 provincies is door een fusie van het rijksarchief van de betreffende provincie met andere cultuurhistorische instellingen een regionaal historisch centrum ontstaan. Door deze fusies (en samenwerking met andere instellingen) zijn de provinciale rijksarchieven in staat een groter en breder publiek te bereiken en bedienen. Ook de bekostiging van het Nationaal Archief geschiedt via dit begrotingsartikel.

Archeologie

• In maart 2006 heeft de TK ingestemd met het voorstel voor een Wet op de archeologische monumentenzorg. Met dit voorstel wordt het Verdrag van Valletta (Malta) in Nederland ingevoerd (Nader verslag Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 259, nr. 18; en nota naar aanleiding van het nader verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 259, nr. 19). Naar verwachting treedt deze nieuwe wet per 1 januari 2007 in werking. Met deze wet wordt beoogd het bodemarchief te sparen. Als dat niet mogelijk is kan de besluitvormende overheid (rijk, provincie of gemeente) besluiten tot het laten uitvoeren van archeologische maatregelen (onder andere opgraven). Bij de financiering van mogelijk te treffen archeologische maatregelen geldt het uitgangspunt dat «de verstoorder betaalt».

• Daar waar vergunningaanvragers en overheden (provincies en gemeenten) worden geconfronteerd met excessieve opgravingkosten, kan de Staatssecretaris van OCW besluiten tot een financiële bijdrage. Het gaat dan om een specifieke uitkering gebaseerd op de Wet specifiek cultuurbeleid.

Meetbare gegevens

Tabel 14.5
 20042005200620072008200920102011
1. Aantal monumenten met een restauratie-achterstand. 33%   10%  
Bron: Rapport PRC 2001.        
2. Aantal rijksmonumenten  52000     
Bron: RDMZ        
3. Aantal «in situ» bewaarde archeologische monumenten 12 94912 690     
Bron: RDMZ        
4. Aantal archeologische opgravingen407527      
Bron: ROB        
5. % gemeenten met een monumenten-commissie (stand april 2006)  93% 100%   
Bron: VNG/RDMZ        
6. Aantal afgegeven adviezen door RDMZ (stand april 2006) 3 500  1 000   
Bron: RDMZ        
7. Aantal bezoeken rijksgesubsidieerde musea (aantallen x 1 miljoen)5,25,05,15,15,2   
Bron: jaarverantwoordingen van gesubsidieerde instellingen        

Toelichting:

Ad 1:

Aantal monumenten met een restauratieachterstand: Het kabinetsbeleid is sinds 1994 gericht op het inhalen van achterstanden. Dit is een politiek belangrijk thema omdat het structurele budget niet toereikend is om de achterstand in te halen. In 2005 had 33% van de monumenten een restauratieachterstand. Om deze achterstand terug te brengen naar een beheersbaar niveau van 10% ultimo 2010 (kabinetsdoelstelling per 1 januari 2011), was in totaal circa € 240 miljoen nodig (op basis van onderzoek PRC uit 2001). In 2005 is reeds € 97,5 miljoen beschikbaar gesteld. De uitputting hiervan verloopt via het NRF.


Ad 2:

Aantal rijksmonumenten: Dit betreft het aantal geregistreerde rijksmonumenten betreffende de periode van voor 1940. Hierbinnen gaat het om 60 000 gebouwen en objecten. Het aantal geregistreerde monumenten wordt (periodiek) gemonitord. Afhankelijk van de nadere vormgeving van het selectiebeleid kan het aantal geregistreerde rijksmonumenten de komende jaren fluctueren.


Ad 3 en 4:

De nieuwe archeologiewetgeving beoogt de bodemarchieven zoveel mogelijk te sparen. In dat verband zal het aantal «in situ» bewaarde archeologische monumenten de komende jaren qua streefwaarde in ieder geval hetzelfde aantal moeten bedragen als in 2006. In welke mate dit aantal feitelijk toe- of afneemt is moeilijk te zeggen. Dit hangt enerzijds sterk af van het aantal nieuwe archeologische monumenten dat wordt gevonden en anderzijds van de noodzaak c.q. onvermijdelijkheid tot opgraving van deze monumenten.


Ad 5: Gemeenten met een monumentencommissie: Dit is een indicator waarmee de bestuurlijke complementariteit tot uitdrukking wordt gebracht.


Ad 6: Aantal adviezen RDMZ: dit is een maatstaf voor administratieve lasten. In dit kader wordt gestreefd naar reductie.


Ad 7: Aantal bezoeken rijksgesubsidieerde musea: het aantal bezoeken aan de door OCW gesubsidieerde musea is een onderdeel van de prestatieafspraken die met de betreffende museum worden gemaakt en geven dus een beperkt beeld van de prestaties van de musea. Vanaf 2009 worden in het kader van de nieuwe cultuurnotaperiode en -systematiek, nieuwe prestatieafspraken met de musea gemaakt.

14.3.3 Zorg voor een stelsel waarbinnen de positionering en vernieuwing van openbare bibliotheken en bijzondere bibliotheekvoorzieningen is gewaarborgd

14.3.3.1 Vernieuwing openbare bibliotheken

Motivatie

De openbare bibliotheken zullen langs 2 sporen worden vernieuwd tot een centrale, actuele publieke voorziening in de kennissamenleving:

• Inhoudelijke vernieuwing van bibliotheekdiensten (onder andere via ICT), c.q. van de culturele, educatieve, sociaal-maatschappelijke en publieksinformatieve kernfunctie;

• Stelselversterking: bestuurlijke schaalvergroting & netwerkvorming, introductie kwaliteitszorg (INK), HRM-beleid, herpositionering ondersteunende instellingen op provinciaal niveau.

Instrumenten/activiteiten.

• Subsidies:

– instellingssubsidie aan de VOB in het kader van de Cultuurnota 2005–2008; hierin begrepen de subsidie voor het uitvoeren van de stelseltaken door de VOB;

– subsidies ten behoeve van de herstructurering van het openbaar bibliotheekwerk, zowel regulier als uit enveloppegelden Kabinet Balkenende 2;

– subsidies in het kader van de provinciale vernieuwingsplannen («marsrouteplannen»).

• Monitoring en evaluatie van processen en instellingen.

• Bestuurlijk overleg en convenantsafspraken met IPO en VNG.

Meetbare gegevens

Tabel 14.6
 20042005200620072008200920102011
1. Aantal basisbibliotheken (basisjaar 2004=0)070100140    
Bron: Procesbureau        
2. Percentage INK gecertificeerde bibliotheken (basisjaar 2004=0%)0  40    
Bron: VOB.        

Toelichting:

1. De provincies ontvangen een subsidie voor de vorming en instandhouding van de basisbibliotheken. Door middel van fusies van kleine bibliotheken ontstaat er een organisatorische schaalvergroting, welke nodig is voor de gewenste positionering van de openbare bibliotheken. («Herstructurering openbaar bibliotheekwerk»; bijlage bij Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 330, nr. 8)

2. In het kader van de kwaliteitszorg is gestart met certificering van de openbare bibliotheken. De certificering is een belangrijke factor bij de vernieuwing van de openbaar bibliotheeksector.

14.3.3.2 Bijzondere bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden

Motivatie

De verantwoordelijkheid voor de instandhouding en ontwikkeling van een effectieve en efficiënte voorziening die bibliotheekmaterialen voor de doelgroep blinden en slechtzienden maakt, is belegd bij de rijksoverheid. Momenteel wordt een integratie van deze voorziening voorbereid in het stelsel van openbare bibliotheken. Per 1 januari 2007 start dit proces dat eind 2008 geheel voltooid dient te zijn. Uitgangspunt hierbij is de beleidsbrief «Bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden 2006–2008» ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 330, nr. 19), die in maart 2006 in de Tweede Kamer is behandeld ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 330, nr. 22). De verantwoordelijkheid en de financiering van de voorziening komt vanaf 1 januari 2007 te liggen bij het openbaar bibliotheekwerk.

Instrumenten

• Subsidies ten behoeve van het blindenbibliotheekstelsel.

Meetbare gegevens

De integratie van de bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden in het openbaar bibliotheekwerk wordt in 2006 voorbereid. De indicatoren worden dit jaar opgesteld; zij zullen vanaf 2007 worden gebruikt. In dit stadium van de voorbereiding kan nog niet exact aangegeven worden wat de indicatoren zullen zijn. Naar verwachting zullen die betrekking hebben op het feitelijk kwantitatief gebruik van de voorziening, de tevredenheid onder gebruikers over de geboden dienstverlening en het aanbod van producten in verschillende productcategorieën en in de verschillende leesvormen.


In bovengenoemde beleidsbrief wordt gesteld dat:

• De productievolumes na integratie in het openbaar bibliotheekwerk op hetzelfde niveau liggen als daarvoor.

• De dienstverlening van de openbare bibliotheeksector aan de specifieke doelgroep van blinden en slechtzienden wordt nadrukkelijk vraaggestuurd en zal dus op adequate wijze moeten voorzien in de directe inbreng van gebruikers van de voorziening en monitoring van gegevens over gebruik en waardering van de voorziening.

14.3.4. Verbreden van de inzet van cultuur als stimulerende kracht in wisselwerking met andere beleidsterreinen

Motivatie

Kunst en cultuur kunnen op velerlei manieren bijdragen aan brede sociale en economische vraagstukken: van stadsvernieuwing tot werkgelegenheid, van integratie tot ontwikkeling. In de loop van 2005 heeft OCW de verschillende programma’s gestructureerd en is deze in samenhang gaan uitvoeren onder de noemer «Meer dan de Som». Het doel van dit programma is om de culturele factor in de samenleving te versterken. Cultuur wordt niet enkel als een geïsoleerde sector benaderd. Het is vooral een factor die op steeds meer beleidsterreinen betekenis heeft en een belangrijke stimulerende kracht kan zijn.

Instrumenten

Regionale dynamiek – om een bloeiend en dynamisch cultureel leven in de steden en regio’s te versterken

Het Actieplan Cultuurbereik 2005–2008, geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving 2005–2008, en cultuurconvenanten. Voor de bestuurlijke samenwerking zijn afspraken vastgelegd in het «algemeen kader interbestuurlijke verhoudingen cultuur» dat in mei 2006 is aangepast op basis van de nieuwe visie op de bestuurlijke samenwerking.


Cultuur en Ruimte – om hoge architectonische en cultuurhistorische kwaliteit van stedelijke en landelijke gebieden te bevorderen

Actieprogramma ruimte en cultuur (ARC) 2005–2008, wetgeving, stimuleringsprogramma’s en voorbeeldprojecten: in samenwerking met VROM, EZ, BZ, Defensie, LNV en EZ wordt het Actieprogramma cultuur en ruimte uitgevoerd met als doel architectuur en ontwikkelingsgerichte omgang met cultureel erfgoed in stedelijke en landelijke gebieden te bevorderen, onder andere door activiteiten met betrekking tot beschermde stads- en dorpsgezichten en het activiteitenprogramma Belvedère.


Cultuur en School – om de kwaliteit van de cultuureducatie te verbeteren

Subsidies, regelingen, vouchers en afspraken met gemeenten en provincies: om duurzame relaties tussen scholen en culturele instellingen te bevorderen worden gerichte (project)subsidies beschikbaar gesteld voor onder meer ondersteuning van docenten, pabo’s en beroepskunstenaars in de klas (bik), worden middelen beschikbaar gesteld aan scholen in het primair onderwijs gericht op de opname van cultuureducatie in het schoolbeleid, worden middelen beschikbaar gesteld voor een vervolg op de regeling gericht op de ontwikkeling tot cultuurprofielschool en worden cultuurvouchers beschikbaar gesteld aan alle scholen in het voortgezet onderwijs.


Cultuur en ICT – om digitale culturele waardevolle bronnen en informatie toegankelijk te maken in samenhang met digitale innovatie van cultuuruitingen

Door subsidies, programma’s, stimuleringsmaatregelen, centrale voorzieningen en infrastructuur, wordt een landelijke digitale infrastructuur voor de cultuursector ontwikkeld en duurzaam belegd, wordt de samenwerking tussen culturele instellingen en bibliotheken gestimuleerd en gefaciliteerd bij digitaal toegankelijk maken van (cultureel) waardevolle bronnen en informatie, wordt het kwaliteitsniveau van digitale toegang verbeterd bij musea en archieven en wordt het gebruik van ICT gestimuleerd in de culturele en maatschappelijke non-profit sector. Mede op basis van een in 2006 door het Sociaal Cultureel Planbureau en Erasmus Universiteit uitgevoerd inventariserend onderzoek, zal in 2007 zonodig beleid ten aanzien van cultuur en ICT aangepast worden.


Cultuur en Economie – om creatieve bedrijfstakken te versterken en de economische benutting van cultuur te verbeteren

In samenwerking met EZ heeft OCW beleid geformuleerd om de wisselwerking tussen creativiteit en welvaart te versterken. Hierbij gaat het onder andere om ondersteuning van activiteiten die creatieve ondernemingen en andere delen van het bedrijfsleven met elkaar in contact brengen. Verder worden tussen 2005–2007 middelen beschikbaar gesteld aan Creative Commons ter ondersteuning van activiteiten op het gebied van intellectueel eigendom. Verder worden financiële condities voor creatieve bedrijven versterkt, wordt de internationalisering geïntensiveerd en worden activiteiten ondersteund met als doel het cultureel management verder te professionaliseren.


Culturele diversiteit – om het cultureel bewustzijn in de samenleving te vergroten

Subsidies en regelingen alsmede bestuurlijk overleg met andere overheden en met cultuurfondsen. Er wordt een landelijke pilot voor een huis voor de culturele dialoog opgezet voor de komende drie jaar, waarbij de nadruk ligt op platform- en netwerkfuncties. Voor de periode 2006–2008 wordt er € 2,5 miljoen vrijgemaakt onder de noemer verbreden inzet cultuur.


Internationaal cultuurbeleid – om internationale samenwerking te bevorderen

Het vernieuwde internationaal cultuurbeleid, zoals verwoord inKoers kiezen ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 989, nr. 34), wordt uitgewerkt in een vierjarig werkplan. BZ en OCW dragen gezamenlijk de veantwoordelijkheid. Vanaf 2007 staat een drietal categoriën centraal: de verbinding tussen nationaal en internationaal cultuurbeleid, buitenlandpolitieke prioriteiten en sectorspecifieke investeringen, onder meer cultuur en ecnomie. Omm het internationale cultuurbeleid in de sector te verankeren worden taken onder meer gepositioneerd bij cultuurfondsen en SICA.


Beelden voor de toekomst

Het project Beelden voor de toekomst behelst het conserveren, digitaliseren en toegankelijk maken van 137 200 uur video, 22 510 uur film, 123 900 uur audio en 2,9 miljoen foto’s, in het bijzonder ten behoeve van educatief gebruik, maar ook voor de creatieve industrie en het algemeen publiek. Uitvoering is voorzien door een consortium van instellingen uit de sector.

Vauit het FES wordt € 154 mln voorgefinancierd in de periode 2007–2013. Van het project zijn inbare baten te verwachten in de periode 2014–2025. Deze baten bedragen € 64 mln en vloeien terug naar het FES. Per saldo komt daarmee € 90 mln beschikbaar uit het FES voor uitvoering van het project.

Meetbare gegevens

Tabel 14.7
Cultuur en School200420052006200720082009
Percentage deelnemende scholen po10%40%80%100%100%100%
Bron: Cijfers Cfi      
Percentage bestede vouchers75%76%=75%=75%=75%=75%
Bron: CJP      
Culturele diversiteit200420052006200720082009
Percentage bestuurders met cultureel diverse achtergrond12,5%  15%  
Bron: RISBO (2004)      
Internationaal cultuurbeleid200420052006200720082009
Aantal Nederlandse uitvoeringen in het buitenland1 9581 802    
Bron: jaarverslagen instellingen      
Aantal bezoeken aan Nederlandse uitvoeringen in het buitenland719 000674 000    
Bron: jaarverslagen instellingen      

Toelichting

Algemeen

De inspanningen die OCW levert om de culturele factor in de samenleving te vergroten en de waarde van cultuur beter en breder te benutten krijgen gestalte via nieuwe coalities met overheden en andere organisaties en door bestaande relaties te versterken. Indicatoren in deze context hebben eerder betrekking op de kracht van deze inspanningen dan op direct meetbaar maatschappelijk effect. Waar de groei van het aandeel Nederlandse film een direct verband heeft met het filmbeleid en de inspanningen die de overheid daarbij levert is het moeilijk een directe – wetenschappelijk onderbouwde – relatie te leggen tussen het Cultuur en Diversiteit en de succesvolle integratie van nieuwe Nederlanders, het actieprogramma Ruimte en Cultuur en de kwaliteit van de inrichting van de publieke ruimte en het programma Cultuur en Economie en de groei van de werkgelegenheid in de creatieve bedrijfstakken. Dit laatste voorbeeld is overigens wel bruikbaar als kengetal.

Cultuur en School

Percentage deelnemende scholen primair onderwijs aan de regeling versterking cultuureducatie: dit wordt gemeten per schooljaar. In schooljaar 2004/2005 participeerde dus 10% van de scholen in het primair onderwijs.

Percentage bestede vouchers: het maximaal haalbare percentage is rond de 80%. Onderzoek naar bestedingscijfers ckv-vouchers door CJP is beschikbaar in april 2007.

Internationaal cultuurbeleid

Het betreft hier uitsluitend de door OCW gesubsidieerde uitvoeringen van gezelschappen, ensembles en orkesten (exclusief voorstellingen gesubsidieerd door de cultuurfondsen). Voor de gekozen indicatoren zijn geen streefwaarden geformuleerd. Om de uitkomsten van het vernieuwde beleid goed te kunnen volgen, zal een monitor worden opgezet die de resultaten periodiek kwantitatief registreert. Een dergelijke monitor ontbreekt tot nu toe. OCW zal, in overleg met BZ, over deze monitor vóór 1 januari 2007 nadere afspraken met de SICA maken. Om de resultaten van het internationale cultuurbeleid ook kwalitatief te kunnen beoordelen wordt in overleg met de Raad voor Cultuur gezocht naar een systematiek om ook het oordeel van buitenlandse deskundigen in de advisering over het internationaal cultuurbeleid te betrekken.

Tabel 14.8 Kengetallen Cultuur en Economie
 1995199619971998199920002001200220032004 
Giften aan cultuur als percentage van het geschatte totaal aan giften3% 4% 5% 9% 12%  
Bron: Geven in Nederland 1999 (2001, 2003, 2005)           
Werkgelegenheid creatieve bedrijfstakken (x 1 000)190  238       
Bron: Cultuur en creativiteit naar waarde geschat (2004)           

Toelichting

Geven aan cultuur

Bij deze cijfers gaat het gedeeltelijk om beredeneerde schattingen. De wijze van gegevensverzameling is op onderdelen nog in ontwikkeling. Ook zijn er relatief grote schommelingen door incidentele grote giften. Er is daarom sprake van een beperkte vergelijkbaarheid in de tijd.

Werkgelegenheid creatieve bedrijfstakken

Het gaat hier om de ruime definitie van creatieve bedrijvigheid: alle producenten, distributeurs en verkopers die creatieve producten bij de consument brengen.

14.4 Overzicht evaluatieonderzoeken

Algemene/operationele doelstellingOnderwerpPlanning onderzoekSoort onderzoek
AlgemeenRapportage cultuurbereik SCPn.t.b. Effectenonderzoek ex post
Zorg voor cultuurstelselsStatistiek beeldende kunstMedio 2006 voorjaar 2007Effectenonderzoek ex post
Vernieuwing openbare bibliothekenVoortgangsmeting in relatie tot gestelde doelenJaarlijkse rapportageEx-post evaluatieonderzoek
Actieplan CultuurbereikMidterm review actieplan cultuurbereikNajaar 2006-medio 2007Overig evaluatie-onderzoek
Actieplan CultuurbereikMidterm review geldstroom bkvNajaar 2006-medio 2007Overig evaluatie-onderzoek
Cultuur en SchoolGebruik vouchers von.t.b. Effectenonderzoek ex post
Cultuur en SchoolRegeling stimulering kunsteducatie pon.t.b. Effectenonderzoek ex post