Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

ARTIKEL 16. ONDERZOEK EN WETENSCHAPSBELEID

16.1 Algemene beleidsdoelstelling: het scheppen van een onderzoeksklimaat dat uitdaagt tot optimale prestaties: ruimte voor wetenschap van hoog niveau voor welvaart en welzijn

Omschrijving

Vanuit de verantwoordelijkheden van de minister zet de minister een aantal instrumenten in om in overeenstemming met de strategische beleidsvisie op het onderzoeksbestel te streven naar het realiseren van deze algemene doelstelling. De strategische beleidsvisie is weergegeven in de nota Wetenschapsbudget 2004 ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2004, 29 338, nr. 1). Over de stand van de uitvoering op hoofdlijnen is gerapporteerd in de Voortgangsrapportage Wetenschapsbeleid 2006 ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 338, nr. 37).

Verantwoordelijkheid van de minister

• Het scheppen van voorwaarden voor het functioneren van een aantal wetenschappelijke instellingen, waaronder onderzoeksorganisaties en wetenschappelijke bibliotheekinstellingen, die binnen het onderzoeksbestel zowel eigenstandig als in relatie tot de universiteiten en bedrijven een belangrijke plaats innemen.

• Het stimuleren en ondersteunen van het vernieuwende vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek, een efficiënte inzet van de middelen en voldoende kennisdiffusie naar de maatschappij. De zorg voor een goede instroom, doorstroom en behoud van talentvolle onderzoekers, en voor een goed functioneren van wetenschap- en techniekcommunicatie, zijn daarbij van groot belang.

• Het houden van toezicht op hoofdlijnen gericht op het vaststellen van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitgaven en op het vaststellen van de effectiviteit van het functioneren van organisaties in het onderzoeksbestel.

• De coördinatie van het wetenschapsbeleid in nationale en internationale context.

Kritische succesfactoren

• De kwaliteit van het onderzoek en van de onderzoeksfaciliteiten en de met de arbeidsmarktsituatie samenhangende aantrekkingskracht en loopbaanmogelijkheden van een wetenschappelijke functie in het onderzoeksbestel voor (jonge) talentvolle mensen, ook in internationaal vergelijkend opzicht.

• De mate waarin prioriteitskeuzen in het onderzoek aansluiten bij internationale ontwikkelingen in de wetenschap en bij de maatschappelijke vraag naar kennis.

Meetbare gegevens

Tabel 16.1
 20042005200620072008200920102011
1. PromotiegraadBasiswaarde: 0,95 (2000); aantal promoties per 1000 personen van de leeftijdsgroep 25–34 jaar1,20Het streven is het aantal promoties te vergroten, wat leidt tot een verhoging van de waarde.  
Bron: VSNU (aantallen promoties) en CBS (leeftijdsgroep)        
2. Wetenschappelijke productiviteitBasiswaarde: 0,95 (2000–2003); aantal wetenschappelijke publicaties per onderzoeker in de publieke sectorHet streven is de bestaande top-5 positie binnen de EU te handhaven  
Bron: NOWT/CWTS  
3. Internationale wetenschappelijke kwaliteitBasiswaarde: 1,26 (2000–2003); de relatieve Nederlandse citatiescore (mondiale score = 1)Het streven is de bestaande top-5 positie binnen de EU te handhaven  
Bron: NOWT/CWTS        

Toelichting

De relatie tussen de beleidsinzet en de waarden van de indicatoren is tamelijk diffuus, maar de resultaten zijn slechts in zeer afgeleide zin het resultaat van de voorwaarden die de overheid creëert voor het functioneren van wetenschappelijke instellingen en onderzoekers die in dienst zijn van die instellingen. In die zin zeggen de indicatoren slechts in globale zin iets over de doeltreffendheid van het overheidsbeleid. Daarnaast zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek veelal onvoorspelbaar en moet er met doorlooptijden van enkele jaren rekening worden gehouden, vooral waar het gaat om citaties naar wetenschappelijke publicaties.

Het is niet goed mogelijk en ook niet zinvol om in meer dan algemene zin streefwaarden te noemen voor de drie indicatoren. Het streven bij de promotiegraad is om het aantal promoties te vergroten, maar concrete cijfers zijn niet genoemd (bron: Onderzoekstalent op waarde geschat, oktober 2005, OCW). Voor de andere twee indicatoren is het streven naar een positie voor Nederland in de top-5 van de EU een relatieve streefwaarde. Uit diverse bronnen blijkt dat Nederland zich in de top-5 van de EU bevindt, waar het gaat om indicatoren voor wetenschappelijke publicaties en daarop gebaseerde citaties (EU, Key Figures, NOWT 2005). Recenter materiaal dan 2003 is echter nog niet beschikbaar. Nieuwere cijfers komen in de loop van 2007 beschikbaar.

16.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 16.2 Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 2005200620072008200920102011
Verplichtingen982 128892 478894 091853 256837 323827 389745 389
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven (programma + apparaat)839 229952 080934 162909 118913 531858 231822 445
        
Programma-uitgaven835 574948 375930 733905 719910 130854 831819 045
        
Operationele doelstelling 1: Zorgen voor een goede toerusting en bekostiging van het onderzoeksstelsel       
• NWO305 969308 074302 898299 832299 364299 364299 364
• KNAW86 53687 73287 95186 93486 99686 99686 996
• Koninklijke Bibliotheek34 42636 24041 69342 03042 03542 03542 035
• Stichting Anno2 3002 30020002000200020002000
• KNAW bibliotheek2 3292 3522 3492 3492 3492 3492 349
• LF TUD bibliotheek6 9276 9976 9856 9846 9856 9856 985
• IISG265270270270270270270
• SURF2 2702 2702 2702 2702 2702 2702 270
• CPG458463462462462462462
• TNO195 401196 352189 636189 164189 182189 182189 182
• BPRC/Stichting AAP9 36413 74510 4249 3999 4009 4009 400
• Nationaal Herbarium1 1031 1031 1011 1011 1011 1011 101
• NLR797849848848848848848
• Waterloopkundig Laboratorium1 1801 3161 3141 3141 3141 3141 314
• Grondmechanica Delft726785784784784784784
• MARIN848888886886886886886
• STT186188188188188188188
• EMBC510545724724724724724
• EMBL2 8272 8602 9482 9482 9482 9482 948
• ESA31 27231 65031 65231 65331 65931 65931 659
• CERN27 15128 00030 42530 53531 03531 03531 035
• ESO5 6144 9505 9155 9155 9155 9155 915
• EG-Liaison200228228228228228228
• NTU/INL1 4221 4761 4961 4961 4961 4961 496
• EIB1 1771 1921 1871 1871 1871 1871 187
• COS594000000
• Nader te verdelen861 196681733752725651
        
Operationele doelstelling 2: Zorgen voor specifieke stimulering voor kennisopbouw voor de toekomst       
• FES– BSIK37 18375 14156 48944 74164 59417 0180
• FES– cleanrooms nanotechnologie017 00000000
• FES– TNO automotive010 80000000
• FES– GATE01 0002 0002 0002 0002 0001 000
• FES– grootschalige researchfaciliteiten029 47230 64222 82210 1623 9021 830
• FES – Parelsnoer0011 7507 7507 7507 7500
• FES – ITER015 00000000
• Genomics20 44511 34511 34511 34511 34511 34511 345
• Smart-mix15 09213 97651 47552 50050 00050 00050 000
• EET6 6457 5144 5926 1346 7976 8246 827
        
Operationele doelstelling 3: Zorgen voor instroom, behoud en doorstroom van talentvolle onderzoekers       
• Vernieuwingsimpuls(veni-vidi-vici)14 48413 61313 61313 61313 61313 61313 613
• VI-vrouwencomponent2 0002 0002 0002 0002 0002 0002 000
• Talent Mozaiek2 0002 00000000
• Talent Rubicon4 0004 0004 0004 0004 0004 0000
• Aspasia1 5002 0002 0002 0002 0002 0002 000
• Creatieve promovendi004 0004 0004 0004 0000
        
Operationele doelstelling 4: Intensiveren van wetenschap en techniekcommunicatie       
• WeTeN826000000
• Uitvoering WTC-beleid1 9551 6701 6701 6701 6701 6701 670
        
Operationele doelstelling 5: Bevorderen nationale coördinatie en internationale samenwerking in wetenschappelijk onderzoek       
• Nationale coördinatie1 7682 6662 5973 1062 4301 8301 830
• Bilaterale samenwerking5 7384 8854 9775 5385 1214 2584 383
        
Programmakosten overig       
• CFI180272268267270270270
        
Apparaatsuitgaven3 4753 7053 4293 3993 4013 4003 400
Ontvangsten116 130227 280177 587154 017161 211107 37579 535

Tabel 16.4 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20072008200920102011
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)930 465905 452909 860854 561818 775
Totaal juridisch verplicht916 185844 102846 820791 491763 455
Totaal bestuurlijk gebonden14 28061 35063 04063 07055 320
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
Operationele doelstelling 1727 315722 233722 378722 351722 277
• Juridisch verplicht727 315722 233722 378722 351722 277
• Bestuurlijk gebonden00000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Operationele doelstelling 2168 293147 292152 64898 83971 002
• Juridisch verplicht156 54389 54294 89841 08921 002
• Bestuurlijk gebonden11 75057 75057 75057 75050 000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Operationele doelstelling 325 61325 61325 61325 61317 613
• Juridisch verplicht25 61325 61325 61325 61317 613
• Bestuurlijk gebonden00000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Operationele doelstelling 41 6701 6701 6701 6701 670
• Juridisch verplicht1 6701 670000
• Bestuurlijk gebonden001 6701 6701 670
• Niet juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Operationele doelstelling 57 5748 6447 5516 0886 213
• Juridisch verplicht5 0445 0443 9312 4382 563
• Bestuurlijk gebonden2 5303 6003 6203 6503 650
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

16.3 Operationele doelstellingen

16.3.1 Zorgen voor een goede toerusting en bekostiging van het onderzoeksstelsel

Motivatie

Om voldoende ruimte te kunnen geven aan excellent wetenschappelijk en toegepast onderzoek en aan een betere benutting van de resultaten, zowel economisch als sociaal en cultureel, is een adequate toerusting en bekostiging van onderzoeksorganisaties vereist. Hierdoor kunnen deze door inbreng van innovatieve, hoogwaardige kennis effectief bijdragen aan een structurele en duurzame economische groei en het oplossen van maatschappelijke vraagstukken waaronder vraagstukken met een internationaal karakter (zoals veiligheid, migratie, klimaatverandering, energievoorziening etc.). Dit sluit aan op het kabinetsbeleid dat Nederland wil bijdragen aan de Europese ambitie de meest concurrerende economie van de wereld te worden. Het streven is er op gericht binnen Europa tot de koplopers te behoren, te concretiseren als behorende tot de top-5.

Instrumenten

• Het belangrijkste budgettaire instrument is de bekostiging van de nationale onderzoeksinstellingen: de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Koninklijke Academie van Wetenschappen (KNAW) en de Koninklijke Bibliotheek (KB). Daarnaast is de bijdrage aan de financiering van de onderzoeksprogramma’s bij de Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) en de Grote Technologische Instituten (GTI’s) een belangrijk instrument. De totale bijdrage bestrijkt circa 68% van de uitgaven uit artikel 16.

• Als verdragspartner is Nederland gebonden aan contributieverplichtingen tegenover enkele grote internationale onderzoeksorganisaties voor fundamenteel onderzoek: de Centre Européen pour la Recherche Nucléaire (CERN), de European Southern Observation (ESO), de European Space Agency (ESA), de European Moleculair Biology Laboratory (EMBL) en de European Molecular Biology Conference (EMBC). Deze deelname geeft onderzoekers toegang tot unieke internationale faciliteiten en netwerken. Totale bijdrage aan deze organisaties bestrijkt circa 10% van de uitgaven uit artikel 16.

• Bijdrage via de lumpsum aan de KB voor het conserveringsprogramma «Metamorfoze» en nationale programma’s gericht op het duurzaam behouden en ontsluiten van wetenschappelijke informatie en het papieren en digitale erfgoed.

• Subsidie aan Stichting Anno voor de uitvoering van het meerjarenbeleidsplan 2007–2010, waarin ook voorbereidende activiteiten worden ontplooid voor een science center op het gebied van geschiedenis in het kader van het beleid voor wetenschap- en techniekcommunicatie.

• Subsidie aan het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) voor het primatenonderzoek en de nieuwe huisvesting van de primaten en subsidie aan de Stichting AAP voor de realisatie van de opvang van de BPRC chimpansees.

• Financiering van het universitaire onderzoek (via beleidsartikel 7).

Activiteiten

• Maatregelen gericht op rekenschap en vermindering plan- en beheerslast: via bestuurlijk overleg wordt de instellingen gevraagd in het kader van de strategische plancyclus targets te ontwikkelen voor het terugdringen van de aanvraagdruk op onder andere onderzoekers.

• Ambtelijke en bestuurlijke dialoog met NWO, TNO, KNAW en KB over begroting, verantwoording, en strategische planvorming.

• Verdere implementatie van het interdepartementale proces vanvraagprogrammering van het onderzoek TNO en de GTI’s. Vanuit de maatschappelijke thema’s en vraagstukken wordt in kennisarena’s meer specifiek de richting bepaald voor kennis voor beleid, grote faciliteiten en kennis als vermogen.

• Via de strategische en bestuurlijke dialoog met de onderzoeksinstellingen en universiteiten bevorderen van wisselwerking tussen bedrijven, universiteiten en technologische instituten door in te zetten op wetenschappelijke excellentie en valorisatie.

• Beleidsrijke bestuurlijke dialoog met de universiteiten op basis van prestatieafspraken.

• Om het wetenschapsbeleid te onderbouwen met analyses over de staat en het functioneren van het Nederlandse onderzoeksbestel wordt bij het Rathenau Instituut in het kader van het onderzoeksprogramma 2005–2008 een «Science system assessment» taak vormgegeven. Het programma is gericht op vier doelen: (1) het geven van een totaalbeeld van het functioneren van het onderzoeksbestel, (2) het geven van een periodiek totaalbeeld van kansrijke ontwikkelingen in wetenschap en technologie, (3) het geven van voor het parlement toegankelijke informatie over nieuwe wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en over het functioneren van het kennissysteem, en (4) het geven van inzicht in de maatschappelijke opinie- en oordeelsvorming over het wetenschapssysteem.

Meetbare gegevens

Tabel 16.5
 20042005200620072008200920102011
1. R&D-investeringen (overheid + privaat).Basiswaarde: 1,69% (2000); overheids- en private inves- teringen als % van het BBP (exclusiefbuitenland)1,59% (schatting)Het streven is om in 2010 in Nederland 3% van het BBP in R&D te investeren, publiek en privaat samen. 
Bron: CBS  
2. Inzet wetenschappelijk perso- neel voor R&D.Basiswaarde: 5,2 (2000) = EU-positie 8; aantal onderzoekers per 1000 personen van de beroepsbevolking 5,6 (schatting) EU-positie: PMHet streven is naar een positie in de top-5 van de EU 
Bron: OESO.        

Toelichting:

De indicatoren zijn niet gekoppeld aan specifieke instrumenten, maar het resultaat van het totaal aan investeringen van overheid en bedrijfsleven in R&D. Nederland heeft zich uitgesproken voor het realiseren van de EU-ambities, waaronder een R&D-investeringsniveau van 3% in 2010, (bron: brief d.d. 17 maart 2006 van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer, 21 501-20, nr. 308).

16.3.2 Zorgen voor specifieke stimulering voor kennisopbouw voor de toekomst

Motivatie

Om te zorgen dat het Nederlandse onderzoeksbestel beter in staat is (funderend) onderzoek te verrichten en op een aantal terreinen de aansluiting met de internationale top te bereiken of behouden, investeert de overheid naast de bestaande geldstromen in een aantal specifieke thema’s. Deze thema’s vragen vanwege hun potenties om bijzondere prioriteitsstelling en financiering. Bij de meeste thema’s is sprake van cofinanciering door de betreffende onderzoeksinstelling en/of andere departementen. De thema’s sluiten aan bij de grote nationale onderzoeksprioriteiten en bij prioriteiten die voortkomen uit de kennis en innovatieagenda van het Kabinet en anticiperen op de maatschappelijke kennisbehoefte.

Instrumenten

• Bijdragen uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) in het kader van het Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (Bsik) aan veertien ICES/KIS-3 projecten waarvoor OCW penvoerder is. Hiermee wordt in het hele traject van fundamenteel tot toegepast onderzoek een impuls gegeven aan samenwerkingsprojecten tussen bedrijven, universiteiten en technologische instituten, waardoor hoogwaardige kennisnetwerken ontstaan, waarbinnen onderzoek wordt uitgevoerd dat aansluit op de maatschappelijke behoefte.

• Door het kabinet voor toponderzoek en innovatieprogramma’s uit de FES impuls 2005 beschikbaar gestelde middelen aan de volgende door OCW getrokken projecten:

– uitbreiding van geavanceerde cleanrooms voor nanotechnologie bij het TNO-instituut Industrie en Techniek in Delft;

– bijdrage aan TNO voor de verplaatsing van TNO-Wegtransportmiddelen naar Zuidoost Brabant voor het versterken van de kennisinfrastructuur rond het automotive cluster van kennisinstellingen en bedrijven in deze regio;

– Game Research for Training and Entertainment (GATE). Naast onderzoek richt dit programma zich op kennistransfer naar mkb-bedrijven en de uitvoering van pilots die de potentie van serious gaming zullen tonen.

• Bijdrage aan NWO uit de FES impuls 2005 voor de investering in vijf grootschalige researchfaciliteiten: een digitale databank voor kranten bij de Koninklijke Bibliotheek, een e-science GRID voor Nederland, een geadvanceerde multidisciplinaire faciliteit voor het doen van metingen en experimenten in de sociale wetenschappen, de oprichting/inrichting van een centrum voor geadvanceerde spectroscopie te Nijmegen, een Nationaal hersenonderzoekfaciliteit (New frontiers in imaging the brain).

• Door het Kabinet voor toponderzoek en innovatieprogramma’s uit de FES-impuls 2006 beschikbaar gestelde middelen aan de volgende door OCW getrokken projecten:

– het ITER-project waarmee, middels de ontwikkeling van high-tech instrumenten voor de bouw van de experimentele kernfusiereactor in Zuid-Frankrijk na 2010, een frontlinie kan worden gerealiseerd voor de Nederlandse deelname in ITER.

– het Parelsnoer-project waarmee via deelname van alle Universitaire Medische Centra een unieke infrastructuur wordt opgezet voor acht aan ziekten gekoppelde prospectieve Nationale Biobanken (de parels). Hierdoor ontstaat een nieuwe informatiebron voor artsen, onderzoekers en farmaceutische bedrijven, waardoor patiënten beter kunnen worden behandeld, nieuwe medicijnen ontwikkeld, en de zorg doelmatiger kan worden.

• Subsidie aan NWO voor het Nationaal Regieorgaan Genomics (NROG), ofwel het Netherlands Genomics Initative (NGI) voor het verankeren, uitbouwen en benutten van de in Nederland aanwezige kennisbasis op dit terrein.

• Uitvoeren van de in maart 2006 in de Staatscourant gepubliceerde regeling van de smart mix, waarmee per jaar € 50 miljoen van OCW via NWO plus € 50 miljoen van EZ zal worden ingezet voor twee doelstellingen: het versterken van focus en massa in excellent wetenschappelijk onderzoek, en sociaal-maatschappelijke, culturele en economische waardecreatie uit kennis.

• Bijdrage ten behoeve van het programma Economie, Ecologie Technologie (EET) die voortvloeit uit bestaande verplichtingen.

• Subsidie aan NWO ten behoeve van projecten voor departementale vraagprioriteiten die zich moeten ontwikkelen tot maatschappelijke topinstituten. Dekking komt uit de middelen uit de kennisenveloppe van het Kabinet voor versterking van de kenniseconomie.

Meetbare gegevens

Naast een structurele financiering van een groot aantal organisaties, investeert de overheid ook via het financieren van een aantal projecten en onderzoek op thema’s die aansluiten bij de nationale prioriteiten. Dit vindt vooral op incidentele basis vanuit de FES-gelden plaats. Het uitgavenniveau ligt tussen de 15 en 20% van de totale uitgaven van artikel 16. Een streefwaarde is niet van toepassing. De monitoring van de in het kader van het FES uitgevoerde projecten wordt uitgevoerd door SenterNovem. Veel van de projecten liggen op het gebied van het biomedische onderzoek en de moleculaire biologie. De Nederlandse wetenschappelijke positie op deze gebieden is, blijkend uit citatiescores, internationaal sterk (NOWT 2005).

16.3.3 Zorgen voor instroom, behoud en doorstroom van talentvolle onderzoekers

Motivatie

Om een kwalitatief hoogwaardig en op vernieuwing gericht onderzoeksstelsel in stand te kunnen houden en verder te ontwikkelen, is het aantrekken en vasthouden van goede onderzoekers essentieel. Er moet voorkomen worden dat de lage instroom van jong wetenschappelijk talent (vooral in de bèta disciplines) en de vergrijzing van vooral het universitaire wetenschappelijke personeel uitmondt in een tekort aan wetenschappelijk personeel. Er wordt daarom gestreefd naar een hogere in- en doorstroom van (jonge) veelbelovende onderzoekers en het verbeteren van loopbaanperspectieven in het onderzoek, met speciale aandacht voor het verhogen van het aantal allochtone wetenschappers en het aantal vrouwen in hoge wetenschappelijke stafposities. Dit gebeurt ondermeer door persoonsgebonden stimulering.

Instrumenten

• Subsidie aan NWO voor het uitvoeren van het programma «Vernieuwingsimpuls» dat beoogt vernieuwing van onderzoek te realiseren door (jonge) veelbelovende onderzoekers kansen te bieden middels persoonsgebonden subsidies verdeeld in drie categorieën: jong gepromoveerden (veni), senior postdoc’s (vidi) en professorabele onderzoekers (vici). In totaal wordt beoogd jaarlijks zo’n 225 aanvragen te honoreren.

• Subsidie aan NWO voor het honoreren van extra aanvragen van vrouwen met een subsidiabel voorstel in de vidi en vici rondes van de Vernieuwingsgimpuls die vanwege budgettaire beperking niet voor een reguliere honorering in aanmerking komen.

• Subsidie aan NWO voor het beschikbaar stellen van Aspasia premies voor het permanent bevorderen van vrouwelijke Vernieuwingsimpuls-laureaten tot universitair hoofddocent of hoogleraar.

• Subsidie aan NWO voor het uitvoeren van het programma «Mozaïek», waarmee wordt beoogd meer allochtone afgestudeerden in de wetenschap te laten doorstromen. Dit instrument wordt in 2007 verlengd.

• Subsidie aan NWO voor het uitvoeren van het Rubicon-programma waarmee jonge veelbelovende onderzoekers na hun promotie ervaring kunnen opdoen door een verblijf van 2 jaar aan een buitenlandse onderzoeksinstelling of voor één jaar aan een Nederlandse onderzoeksinstelling.

• Subsidie aan NWO voor het uitvoeren van een programma voor «creatieve promovendi». Dit is een programma waarin talentvolle afgestudeerden kunnen starten met hun promotie op een onderwerp naar keuze. Dit programma past in het streven om talentvolle onderzoekers met innovatieve indeeën de ruimte te geven en is tevens een aanvulling op de reeds bestaande programma’s.

• Zie tevens het overzicht instrumenten jonge wetenschappers en doelgroepenbeleid in de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid (artikel 9), en de instrumenten in artikel 6 en 7 (hoger onderwijs).

Activiteiten

In het kader van de beleidsrijke dialoog worden er met de universiteiten prestatieafspraken gemaakt over het versterken van hun HRM-beleid, gericht op betere loopbaanperspectieven voor jonge onderzoekers, vrouwen en allochtonen

Meetbare gegevens

Tabel 16.6
 20042005200620072008200920102011
1. Leeftijdsopbouw universitair WP (> 50 jaar)        
• WP totaal (25,0% in 2000)22,0Streven is naar een neerwaartse trend 
• hoogleraar (64,0% in 2000)62,5       
• UHD (55,8% in 2000)54,5       
• UD (33,8% in 2000)29,8       
• overig WP (14,3% in 2000)17,2       
Bron: VSNU/WOPI   
2. Aandeel vrouwen in wetenschappelijke functies        
• WP totaal (27,7% in 2000)31,4Streven is naar een stijgende trend 
• hoogleraar (6,3% in 2000)9,3       
• UHD (10,7% in 2000)14,2       
• UD (22,4% in 2000)27,0       
• promovendi (43,0% in 2000)41,3       
• overig WP (32,8% in 2000)36,2       
Bron: VSNU/WOPI   
3. Aantal honoreringen in de Vernieuwingsimpuls        
• VENI88Streven is naar een meerjarig gemiddeld aantal honoreringen van 215: VENI – 115; VIDI – 75; VICI – 25 
• VIDI79 
• VICI28       
Bron: NWO.        

Toelichting:

Het personeelsbeleid van de universiteiten is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de universiteiten zelf, maar kunnen daar wel op worden aangesproken door de minister. Het gaat tevens om totaalcijfers voor alle universiteiten per functiecategorie, waardoor onderliggende ontwikkelingen per universiteit of per discipline niet zichtbaar zijn. De cijfers geven vooral een indicatie of de gewenste ontwikkeling, namelijk een verjongd personeelsbestand en een vergroot aandeel vrouwelijke wetenschappers, in algemene zin wordt bereikt.

Het gewenste effect van de Vernieuwingsimpuls, namelijk vernieuwing van het onderzoek, onder andere door het kansen bieden aan talentvolle onderzoekers die carrière kunnen maken, is pas de komende jaren zichtbaar via de jaarboeken van NWO.

16.3.4 Intensiveren van wetenschap en techniekcommunicatie

Motivatie

Doel van het wetenschap en techniekcommunicatie-beleid (wtc-beleid) is de burger meer te interesseren voor de wetenschappen en het maatschappelijke debat over wetenschapstoepassingen te stimuleren. Hiermee wordt beoogd de betrokkenheid van de burger bij de kennissamenleving te vergroten en meer jongeren te laten kiezen voor een opleiding en loopbaan op het gebied van wetenschap en techniek.

Het beleid is de komende jaren gefocust op het vergroten van interesse voor wetenschap en techniek in het primair onderwijs. Een nauwere band tussen wetenschap- en techniekcommunicatie en wetenschap- en techniekeducatie is daartoe essentieel. Hiervoor wordt het netwerk van samenwerkende grote en kleine science centra ondersteund. Als landelijk science centrum vervult NEMO daarin een coördinerende rol. Inhoudelijk is het wtc-beleid de komende jaren vooral gericht op het vergroten van de interesse in en het verbeteren van het imago van de bèta/techniek-vakken. Om die reden is er ook een relatie gelegd met het Deltaplan bèta/techniek.

Instrumenten

• Subsidie voor het uitvoeren van wtc-activiteiten via NEMO ten behoeve van ondermeer Kennislink, de continuïteit van de kleine science centra, en de Wetenschap- en techniekweek.

• Subsidie uit de Deltaplanmiddelen voor de continuïteit van NEMO en voor het regionaliseren van science activiteiten (via artikel 6).

Activiteiten

• Integratie van de component wetenschap in het Nationaal actieplan verbreding techniek in het basisonderwijs (VTB) (onderdeel van Deltaplan).

• In het kader van het ruimtevaart educatieprogramma worden er zgn. DRS-scholen (Deltaresearch Schools) geselecteerd, die in het lesprogramma van het primair onderwijs een uitwerking aan de kerndoelen geven door aandacht te geven aan ruimtevaart in brede zin.

• Organisatie door NEMO van de wetenschap- en techniekweek.

• Uitvoeren van de regeling door NEMO (die in samenwerking met de Vereniging van Science Centra tot stand is gekomen) van de continuïteitssubsidie aan de kleine science centra.

• OCW heeft de website «Kennislink» mogelijk gemaakt, die vooral leerlingen uit het voortgezet onderwijs ondersteunt met informatie over een reeks exacte vakgebieden. Het project Kennislink wordt uitgevoerd bij NEMO.

Meetbare gegevens

Tabel 16.7
 20042005200620072008200920102011
1. Algemene interesse en publiekshouding m.b.t. wetenschap en technologie Basiswaarde: nvt41% van de respondenten aan een Europese enquête geeft aan zeer geïnteresseerd te zijn in wetenschappelijke en technologische onderwerpen en ontwikkelingen;74% van de respondenten beantwoord kennisvragen op een correcte wijze. 
Bron: EU – Eurobarometer 2005.        

Toelichting

Voor het specifieke beleid zijn geen kwantitatieve prestatie-indicatoren te geven omdat het gaat om gedragsbeïnvloeding en imagoverbetering van wetenschap en techniek in het algemeen en de bètawetenschappen meer in het bijzonder. Het is wel de bedoeling dat dit beleid ondersteunend werkt en bijdraagt aan de doelstelling om een 15% hogere uitstroom uit het voortgezet onderwijs en het wetenschappelijk onderwijs te bewerkstelligen in de bètavakken in 2010.

De indicator geeft in algemene zin de publiekshouding van Nederlanders weer, die vergeleken kan worden met de houding van inwoners van andere Europese landen. Nederland scoort hoog wat interesse betreft en gemiddeld wat de feitenkennis betreft.

16.3.5 Bevorderen nationale coördinatie en internationale samenwerking in wetenschappelijk onderzoek

Motivatie

OCW bevordert de nationale coördinatie en samenwerking om de doelmatigheid en doeltreffendheid van de inspanningen van de overheid te vergroten ten aanzien van wetenschappelijk onderzoek.

Voor Nederland is internationale wetenschappelijke samenwerking zowel vanuit politiek, maatschappelijk als ook economisch oogpunt van groot belang. Nederland draagt zo bij aan het oplossen van vraagstukken met een internationaal karakter zoals armoedebestrijding, veiligheid, migratie, klimaatverandering, energievoorziening. Internationale wetenschappelijke samenwerking draagt bovendien bij aan het handhaven en versterken van de positie van het Nederlandse onderzoek in Europa en in de wereld. Het streven is om de Nederlandse deelname in het Zesde Europese Kaderprogramma minimaal op het beoogde retourpercentage van 6% te houden. Door aan te sluiten bij het beste onderzoek in andere landen wordt bijgedragen aan het verhogen van de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek en wordt de toegang verschaft tot kennis die elders wordt geproduceerd. Samenwerken in grote netwerken en in internationale onderzoeksorganisaties biedt schaalvoordelen waardoor onze onderzoekers toegang verkrijgen tot geavanceerde onderzoeksfaciliteiten waarvoor wij zelf niet de middelen hebben.

Instrumenten

• Inzet van financiële middelen voor activiteiten ter versterking van de nationale coördinatie wetenschapsbeleid, waaronder diverse activiteiten ter ondersteuning van de implementatie van het Wetenschapsbudget en van beleidsondersteunend onderzoek.

• Bijdragen aan de KNAW en NWO voor de in het kader van lopende Memoranda of Understanding (MOU’s) uitgevoerde bilaterale samenwerkingsprogramma’s met China, Indonesië en Rusland.

• Contributiebijdragen aan vijf internationale toponderzoeksorganisaties (CERN, ESO, ESA, EMBL, EMBC, zie 16.3.1).

• Subsidie aan Senter/EG-Liaison voor het ondersteunen en stimuleren van een zo groot mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderzoekers bij het EU Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling.

• Steun aan PhD’s uit kandidaat-lidstaten van de EU in het vernieuwde Huygens Scholarship Programme voor de goede overgang tussen de Europese Hoger Onderwijs Ruimte en de Europese Onderzoeks Ruimte. Zie artikel 7.

Activiteiten

• Creëren en ondersteunen van een sterke positie van het Nederlandse onderzoek in het lopende zesde en nieuwe zevende Europese kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling, inclusief de European Research Council.

• In samenwerking met de EU-landen wordt gewerkt aan de totstandkoming van onderzoek en (technologische) samenwerking in één Europese Onderzoeksruimte.

• In samenwerking met de EU-landen wordt hierdoor gewerkt aan het behalen van de Lissabon- en Barcelona doelstellingen voor 2010.

Meetbare gegevens

Tabel 16.8
 20042005200620072008200920102011
1. Nederlandse deelname in EU-KaderprogrammaBasiswaarde: de jaarlijkse NL-bijdrage aan de EU; de mate van succesvolle participatie in EU-projecten+ 0,2%Er wordt gestreefd naar een positief verschil tussen de Nederlandse bijdrage aan de EU en het retourpercentage 
Bron: Nederland en het Zesde Kaderprogramma, tussenbalans 2003–2004, SenterNovem, EG-Liaison, juni 2005      
2. Internationale samenwerking bij publicerenBasiswaarde: 43,5% (2001); internationale co-publicaties als aandeel van alle publicatiesHet aandeel co-publicaties bedroeg in de periode 2000–2003 44,3%. Streven is het aandeel internationale co-publicaties minimaal op het niveau van 2001 te handhaven en zo mogelijk te vergroten. 
Bron: NOWT/CWTS.        

Toelichting

Indicator 1: de basiswaarde is de jaarlijkse Nederlandse bijdrage aan de EU-begroting. Dit om niet afhankelijk te zijn van mogelijke schommelingen in het bijdragepercentage, bijvoorbeeld door toename van het aantal lidstaten. De toetreding van nieuwe lidstaten was de oorzaak van een lagere score in KP6. De inzet voor KP7 (2007–2013) zal zijn de Nederlandse streefwaarde te realiseren ondanks de aanzienlijke budgettoename van het KP7 inclusief de nieuwe instrumenten zoals de European Research Council. Analyse over deelname KP6 inclusief jaaranalyse 2005 volgen in november 2006.

Te overwegen is om een dergelijke indicator ook te hanteren voor de Nederlandse deelname aan ESO en CERN. Bekeken zal worden of de juiste gegevens hiervoor beschikbaar zijn.

De positie van het Nederlandse onderzoek in internationale context wordt verder kwantitatief geïndiceerd aan de hand van de indicatoren genoemd onder operationele doelstelling 16.3.1. Uit gegevens blijkt ook dat de citatiescore van wetenschappelijke publicaties hoger is wanneer er sprake is van internationale wetenschappelijke samenwerking tussen onderzoekers. Het behalen van prestaties in het kader van deze operationele doelstelling is bij uitstek iets is dat zich over de lange termijn uitstrekt, en samenhangt met externe effecten van (inter-)nationale ontwikkelingen.

Indicator 2: De indicator is niet direct door de overheid te beïnvloeden, deze is afhankelijk van het samenwerkingsgedrag van onderzoekers. Indirecte beïnvloeding is mogelijk door onderzoekers te ondersteunen bij bijvoorbeeld de participatie aan projecten het EU-Kaderprogramma.

16.4 Overzicht evaluatieonderzoeken onderzoek en wetenschapsbeleid

Algemene/operationele doelstellingOnderwerpPlanning onderzoekSoort onderzoek
16.3.1 Zorgen voor een goede toerusting en bekostiging van het onderzoeksstelsel• functioneren instelling KNAW• Eind 2006 of 2007• Externe ex-post evaluatie
• functioneren instelling NWO• 2007• Externe ex-post evaluatie
• Anno• 2011• Ex-post evaluatie
16.3.2 Zorgen voor specifieke stimulering voor kennisopbouw voor de toekomst• Bsik projecten• Start mei 2007, afronding najaar 2007• Ex-post evaluatie
• NROG (NGI)• Start maart 2006, afronding maart 2007• Ex-post evaluatie
• ICTregieorgaan• 2007• mid-term review
 • 2009• Ex-post eindevaluatie
• Rathenau Instituut• Zomer 2007• Ex-post evaluatie
16.3.3 Zorgen voor instroom, behoud en doorstroom van talentvolle onderzoekers• Vernieuwingsimpuls(VI)• Start najaar 2006, afronding in 2007• Ex-post evaluatie
  • Beleidsdoorlichting O.D. gekoppeld aan evaluatie VI
• Rubicon• Start voorjaar 2007, afronding eind 2007• Ex-post evaluatie
 • Start voorjaar 2010, afronding voorjaar 2010• Ex-post eindevaluatie
• Aspasia• Start voorjaar 2008, afronding zomer 2008• Ex-post evaluatie
16.3.4 Intensiveren van wetenschap en techniekcommunicatieNEMO• Eind 2007• Ex-post evaluatie
16.3.5 Bevorderen nationale coördinatie en internationale samenwerking in wetenschappelijk onderzoekBilaterale samenwerking Rusland• Start zomer 2006, afronding voorjaar 2007• Ex-post evaluatie
• Idem China• Start eind 2006, afronding voorjaar 2007• Ex-post evaluatie
• Idem Indonesië• Start eind 2008, afronding voorjaar 2009• Ex-post evaluatie