Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. BELEIDSAGENDA


Talenten ontwikkelen. Dat is in een notendop de opdracht van het ministerie van OCW. Leerlingen en studenten vragen onderwijs dat het beste uit hen haalt. Onderwijs waar de vonken vanaf slaan. In de wetenschap willen geïnspireerde onderzoekers elkaar met nieuwe inzichten bestoken, ervaringen uitwisselen, van elkaar leren, maar ook elkaar aftroeven. Ze willen kunnen excelleren. En hetzelfde geldt voor kunstenaars, theatermakers, musici en al die andere mensen die zich inspannen voor een rijk cultureel leven. Nederland heeft die talenten hard nodig, om zijn welvaart te behouden, om door te stoten tot de top van Europese kenniseconomieën, maar ook om een zorgzame samenleving te zijn, waarin mensen zich veilig voelen en welkom weten.

Talenten ontwikkelen zich echter niet vanzelf. Daar is inspiratie, gedrevenheid en maatwerk voor nodig. In het klaslokaal en in de collegebanken, maar ook in de onderzoeksinstituten, de ateliers of de musea. Met ons beleid scheppen we de ruimte voor scholen en instellingen om te inspireren, om maatwerk te leveren, om talenten te ontwikkelen. Op die manier werken we aan een slim, vaardig en creatief Nederland. De beleidsagenda bij de begroting 2007 maakt dat zichtbaar.

2.1 Naar een slimme samenleving

Kenniseconomie

In 2000 hebben de Europese regeringsleiders in Lissabon afgesproken dat de Europese economie in 2010 tot de wereldtop moet behoren. Nederland wil dan binnen Europa een toonaangevende kennissamenleving zijn. Om dit doel te bereiken zijn nog veel extra inspanningen nodig. En dat is hard nodig willen we onze welvaart behouden bij trends als toenemende mondialisering en vergrijzing.

Willen we onze kennisambities waarmaken en de sociale cohesie in ons land versterken, dan moeten we meer dan ooit werk maken van de kennissamenleving. Onderwijs, wetenschap en cultuur hebben daarin een centrale plaats. Het behoud van onze welvaart vraagt om een slim, vaardig en creatief Nederland. Daarom moeten we innovatie stimuleren, hoogwaardige kennis en technologie ontwikkelen en toepassen, en investeren in menselijk kapitaal: van leerlingen in de voorschoolse educatie tot de wetenschapper, en van de kunstenaar tot de leraar. Verder heeft het innovatieplatform verkend welke toekomstige hervormingen en investeringen het platform noodzakelijk acht om binnen afzienbare termijn tot de Europese top te gaan behoren als het gaat om kennis en innovatie. Het volgende kabinet bepaalt welke publieke en private investeringen in onderwijs, onderzoek en innovatie wenselijk en mogelijk zijn.

Kwaliteit primair onderwijs

De Inspectie van het Onderwijs concludeert in haar Onderwijsverslag 2004–2005 dat de kwaliteit van het onderwijsproces en van de onderwijsprestaties in het primair onderwijs (in internationaal perspectief) op veel punten goed is. Maar er zijn ook knelpunten, zoals technisch lezen en rekenen. Die knelpunten pakken we aan. Zo spreekt de Inspectie van het Onderwijs scholen aan die onvoldoende presteren op het gebied van technisch lezen. Verder brengt zij de problemen in kaart rond het rekenonderwijs.

De Inspectie van het Onderwijs stelt vast dat iets meer dan de helft van de basisscholen de kwaliteitszorg op orde heeft. Dat zijn er even veel als vorig jaar, maar duidelijk meer dan een aantal jaren geleden. Professionele kwaliteitszorg voorkomt dat scholen slecht presteren. De Onderwijsraad brengt in 2007 advies uit over de wijze waarop scholen hun kwaliteitszorg verder kunnen versterken. Vooral de zeer zwakke scholen vragen extra aandacht. Deze slagen er zelf niet in hun kwaliteit op tijd te verbeteren. Gelukkig is het percentage zeer zwakke scholen de laatste jaren gedaald van ongeveer 4% naar 2%, maar alertheid blijft vereist. De Inspectie van het Onderwijs houdt speciaal toezicht op deze scholen; blijft een school zeer zwak, dan meldt de Inspectie van het Onderwijs dit aan de minister, zodat deze aanvullende maatregelen kan treffen.

Onderwijsachterstandenbeleid

Doel van het vernieuwde onderwijsachterstandenbeleid is dat scholen in het basisonderwijs achterstanden bij leerlingen vroegtijdig kunnen opsporen en aanpakken. In 2007 zetten we daarvoor de nieuwe gewichtenregeling in, maar ook de voor- en vroegschoolse educatie (vve) en de schakelklassen. Voor 2006 en 2007 zetten we in totaal € 18 miljoen in om het vve-personeel verder te professionaliseren. Eind 2010 moet 70% van de kinderen uit de doelgroep deelnemen aan een vve-programma dat hun (taal)ontwikkeling vroegtijdig stimuleert. Uit de FES-middelen komt € 45 miljoen beschikbaar voor vve waarmee gemeenten de beoogde 70% al eerder kunnen bereiken.

De nieuwe gewichtenregeling wordt vanaf 1 augustus 2006 stapsgewijs ingevoerd. De regeling neemt het opleidingsniveau van de ouders als criterium, en sluit daardoor beter aan bij feitelijke achterstanden van leerlingen in het basisonderwijs. De regeling heeft per 2007 voor het eerst consequenties voor de bekostiging van basisscholen.

Leerlingen die hun schoolloopbaan beginnen met een grote achterstand in de Nederlandse taal, kunnen vanaf het schooljaar 2005–2006 steeds vaker terecht in schakelklassen. Daar volgen ze gedurende één schooljaar in een aparte groep intensief taalonderwijs, of ze krijgen extra lessen in de vorm van een verlengde schooldag. In de periode 2006–2010 richten gemeenten jaarlijks 600 schakelklassen in. Eind 2010 hebben in totaal 36 000 leerlingen deelgenomen aan de schakelklassen.

Brede scholen en dagarrangementen

Brede scholen zijn lokale initiatieven. Door voorlichting (onder andere door middel van de website www.bredeschool.nl) levert OCW een bijdrage aan de lokale initiatieven. Het programma dagarrangementen (2006–2008) levert een bijdrage in de vorm van goede voorbeelden voor onder andere brede scholen. In 2006 en 2007 is in totaal € 36 miljoen (FES-middelen) beschikbaar voor aanpassingen in de huisvesting van scholen met als doel deze voorzieningen geschikt te maken voor multifunctioneel gebruik. In het najaar van 2006 zal in het kader van het FES een plan worden uitgewerkt voor brede scholen. Nadat het CPB dit plan heeft getoetst neemt het kabinet begin 2007 een definitief besluit over mogelijke financiering van dit project.

Kwaliteit voortgezet onderwijs

De prestaties van het voortgezet onderwijs in Nederland zijn, ook in internationaal opzicht, hoog als het gaat om de kwaliteit van het leerstofaanbod, het onderwijsleerproces en het schoolklimaat. De scholen leggen een grote belangstelling aan de dag voor vernieuwingen. Volgens de Inspectie van het Onderwijs is de kwaliteit van het onderwijs de afgelopen jaren op hetzelfde niveau gebleven.

Om de kwaliteit verder te bevorderen, krijgen scholen meer ruimte om maatwerk te leveren. In maart 2006 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Onderbouw voortgezet onderwijs aangenomen ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 323, nr. 2). Vanaf 1 augustus 2006 gelden 58 in plaats van de huidige 300 kerndoelen. Daaraan moeten scholen in de eerste twee leerjaren tenminste 1425 uur van de verplichte 2080 uur besteden. De globalere formulering van de kerndoelen geeft leraren de mogelijkheid om ze op elk niveau en voor elke leerstijl uit te werken. Het wetsvoorstel doet daarmee een beroep op de professionaliteit en verantwoordelijkheid van scholen in het algemeen en van leraren in het bijzonder.

Bepaalde sociale, economische of culturele achtergronden kunnen de schoolloopbaan van jongeren belemmeren. Om dat te voorkomen ontvangen scholen tot 2007 extra geld uit de zogenaamde «cumi-vo-regeling». Dat geld is bestemd voor allochtone jongeren die korter dan acht jaar in Nederland zijn. De cumi-vo-regeling wordt vervangen door de «Regeling leerplusarrangement vo en nieuwkomers vo»: scholen krijgen in deze nieuwe regeling extra geld als een bepaald percentage van hun leerlingen (allochtoon én autochtoon) afkomstig is uit een achterstandswijk. Scholen met veel leerlingen uit deze gebieden hebben vaak te maken met een opeenstapeling van problemen. Met de nieuwe regeling komt het geld daar terecht waar dit het hardst nodig is. Het is de bedoeling dat scholen in deze gebieden even goed presteren als de overige scholen in het voortgezet onderwijs. De nieuwe regeling kent een lagere administratieve last voor scholen omdat het de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie (gba) als uitgangspunt neemt. Daarnaast ontvangen scholen extra geld voor de opvang van nieuwkomers, om ze de Nederlandse taal te leren en ze zo goed mogelijk voor te bereiden op hun verdere schoolloopbaan.

Informatie- en communicatietechnologie in het onderwijs, in relatie tot maatschappelijke vraagstukken

Per 1 januari 2006 zijn de stichtingen Kennisnet en Ict op School gefuseerd. Kennis, ervaring en netwerk zijn nu gebundeld in één organisatie. In het traject Educatieve Contentketen is meer kwalitatief goed webbased leermateriaal beschikbaar gekomen voor onderwijsinstellingen, dat direct te gebruiken is in het onderwijs. De samenwerking tussen Surf en Kennisnet ict op School heeft de ontwikkeling en het gebruik van breedbanddiensten gestimuleerd. Tweeduizend creatieve talenten van scholen in Nederland doen mee aan de gamewedstrijd create-a-game en de videowedstrijd expose-your-talent. Er zijn verder videoportalen ontwikkeld die alle scholen eenvoudig toegang bieden tot materiaal van het Nederlands instituut voor beeld en geluid, met onder andere polygoonjournaals.

Uit de FES-middelen voor 2006 is voor de komende jaren per saldo € 90 miljoen uitgetrokken voor het project «Beelden voor de Toekomst». Voor het onderwijs komt daarmee een grote hoeveelheid digitaal materiaal beschikbaar uit audiovisuele collecties.

In de tweede helft van 2006 en in 2007 wordt het actieplan Verbonden met informatie- en communicatietechnologie uitgevoerd. Het gaat om de toepassing van informatie- en communicatietechnologie in de leerprocessen en in de bedrijfsvoering van onderwijsinstellingen. Het actieplan bevordert de originaliteit en creativiteit bij jongeren (talentontwikkeling) met als doel het onderwijs aantrekkelijker te maken en docenten te professionaliseren in het gebruik van informatie- en communicatietechnologie in de les.

Terugdringen voortijdig schoolverlaten

Op 28 april 2006 heeft de Tweede Kamer de perspectievennota Aanval op de uitval ontvangen ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 26 695, nr. 32). Het perspectief in de nota is gebaseerd op kwalitatieve en kwantitatieve analyses van de groep voortijdig schoolverlaters. In de nota en in de bijbehorende actieagenda kondigen we een aantal acties aan voor de korte en middellange termijn.

Om leerlingen zoveel mogelijk in het onderwijs te houden, pakken we achterstanden al in de voor- en vroegschoolse educatie aan. Daarnaast worden de overgangen tussen primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs vergemakkelijkt. Met een goede registratie, goed spijbelbeleid en handhaving van de leerplicht kan een jongere niet ongemerkt van school verdwijnen. In de klas is maatwerk het devies: leerlingen krijgen onderwijs dat aansluit bij hun mogelijkheden en talenten. De praktijk is daarbij vaak een uitstekende leerschool.

Van de jongeren die toch de school verlaten, heeft meer dan de helft werk. Zij worden gestimuleerd om zich verder te scholen. De jongeren die de school vroegtijdig verlaten maar geen werk hebben, worden aan het leren en werken geholpen met een maatwerkaanpak van scholen, zorginstellingen, CWI, sociale dienst, justitie en werkgevers. In 2006 sluit OCW met twaalf regio’s convenanten af om het aantal voortijdig schoolverlaters met 10% terug te dringen in het schooljaar 2006/2007. Daarnaast voeren we met ingang van augustus 2007 de zogenaamde «kwalificatieplicht» in voor alle leerlingen tot 18 jaar. Leerlingen tot 18 jaar zijn leerplichtig tot het moment dat ze een startkwalificatie hebben behaald. De gemeenten krijgen de (juridische) mogelijkheid om een leerwerkplicht in te voeren. Verder wordt in 2007 de zorgstructuur versterkt en kan het mbo het aantal zorgadviesteams uitbreiden.

Kwaliteit bve

Het mbo vernieuwt zich ingrijpend om leerlingen beter toe te rusten voor hun beroep en voor het vormgeven van hun verdere loopbaan. De toekomstige vakman of -vrouw leert die zaken die hij of zij op de werkvloer nodig heeft. Centraal staat de omslag naar competenties: vakkennis en vakvaardigheden, maar ook sociale vaardigheden, taalvaardigheid en een goede werkhouding. Het beroepsgerichte competentieonderwijs leidt tot aantrekkelijker onderwijs voor leerlingen, maatwerk en betere perspectieven op de arbeidsmarkt. De competenties maken altijd een stevig deel uit van elk kwalificatieprofiel, elke opleiding en elk examen in het mbo. Tot 1 augustus 2008 is er een overgangssituatie. In deze situatie kunnen instellingen ervaring opdoen met nieuwe, «experimentele» opleidingen.

Waar mogelijk koppelen onderwijsinstellingen de onderwijsinhoudelijke vernieuwing aan andere vernieuwingen binnen het mbo. Het kan gaan om bijvoorbeeld vernieuwingen op het pedagogische en didactische vlak, veranderingen in het personeelsbeleid, verbeteringen in de bedrijfsvoering of de vormgeving van de beroepspraktijkvorming. Het beroepsonderwijs wordt er beter, leuker en doelmatiger van.

Vernieuwingen in het onderwijs moeten van onderop tot stand komen. Dat betekent dat de onderwijsinstellingen samen met belanghebbenden, waaronder het regionale bedrijfsleven, concrete innovatiedoelstellingen afspreken en resultaten behalen. Hierdoor ontstaat een breed gedragen innovatief beroepsonderwijs, dat aantrekkelijk is voor de leerlingen en voor het bedrijfsleven. Vanaf 2006 hebben de onderwijsinstellingen in de sector middelbaar beroepsonderwijs (mbo) hiervoor geld gekregen (innovatiebox). Zij kunnen dat in hun regio besteden aan een aantal breed geformuleerde innovatiethema’s, die zijn vastgesteld met de sector. Verantwoording vindt achteraf plaats (zowel horizontaal als verticaal) en de resultaten worden landelijk gemonitord.

Leerrechten

De Tweede Kamer heeft op 20 juni 2006 ingestemd met het wetsvoorstel «Financiering in het hoger onderwijs». Dit wetsvoorstel is gericht op invoering van de leerrechten in het hoger onderwijs, de aanpassing van de collegegeldsystematiek en wijziging van het stelsel van studiefinanciering. Vanaf september 2007 krijgt elke student leerrechten om één bachelor- en één masteropleiding te kunnen volgen en afronden. Hogescholen en universiteiten krijgen geld voor de studenten met leerrechten.

Kwaliteit hoger onderwijs

De Onderwijsraad geeft in haar advies De helft van Nederland hoger opgeleid ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 410, nr. 41) aan dat in het hoger onderwijs de afgelopen jaren het aantal contacturen in bepaalde opleidingen sterk is afgenomen. Bovendien besteden studenten – de medische en technische studenten uitgezonderd – vaak minder dan de genormeerde 40 uur per week aan hun studie. Dat is volgens de Onderwijsraad een belangrijke oorzaak van het lage rendement. De student moet zich meer betrokken voelen bij zijn of haar studie en méér uren studeren.

Een bezield hoger onderwijs is nu nog te veel een ideaal en te weinig een realiteit. De hele gemeenschap van hoger onderwijs, docenten, studenten en onderzoekers moet in het teken staan van vorming, excellentie en bezieling. Daarvoor zijn zowel student als opleiding verantwoordelijk. We moeten streven naar meer en betere hoger opgeleiden. In deze begroting wordt daarvoor een bedrag uitgetrokken dat oploopt tot € 173 miljoen in 2010. Binnen het aantal hoger opgeleiden heeft de instroom én uitstroom in de opleidingen bèta en techniek extra prioriteit. Voor het Deltaplan bèta/techniek wordt in 2007 € 60 miljoen uitgetrokken, aangevuld met nog eens € 60 miljoen uit de FES-middelen.

In deze kabinetsperiode zijn diverse maatregelen in gang gezet die rendement en kwaliteit van het hoger onderwijs moeten verbeteren. De studiekeuze-informatie voor studenten wordt verbeterd, studenten krijgen leerrechten en vanaf 2007 een collegegeldkrediet. Dit geeft hen meer financiële ruimte zodat ze meer tijd aan de studie kunnen besteden. Aan de kant van de opleidingen gaat het om zowel lopende experimenten als nieuwe initiatieven met selectie en collegegeldverhoging voor opleidingen met een erkende evidente meerwaarde. Najaar 2006 zullen pilots starten met «associatedegreeprogramma’s». De invoering van deze programma’s kan de instroom in het hoger onderwijs vergroten. De verwachting is dat deze tweejarige programma’s vooral aantrekkelijk zijn voor werkenden en voor mbo’ers die aarzelen of zij nog door zullen studeren. Voor velen van hen is het perspectief om nog vier jaar te moeten studeren voor een hbo-bachelordiploma weinig aantrekkelijk. De eerste associatedegreeprogramma’s starten in september 2006. In 2007 volgen er meer.

Daarnaast komt uit de FES-middelen € 50 miljoen beschikbaar voor projecten die rendement en excellentie van het onderwijs verhogen, bijvoorbeeld door docenten van hoge kwaliteit aan te trekken, studiebegeleiding te intensiveren of verbindingen te leggen tussen onderwijs en toponderzoek.

Excellente wetenschap

Om excellentie te bereiken in de wetenschap, stellen we de onderzoeker centraal. Het moet voor onderzoekers en onderzoeksgroepen lonen om boven het maaiveld uit te steken. Excellente wetenschappers en sterke onderzoeksgroepen moeten meer armslag krijgen. Uit de enveloppemiddelen is hiervoor vanaf 2007 € 100 miljoen per jaar beschikbaar,€ 50 miljoen op de OCW-begroting en € 50 miljoen op de EZ-begroting. Met dit geld willen we excellente wetenschap en innovatie bevorderen. Daarvoor is onlangs de subsidieregeling «smart mix» gepubliceerd (Staatscourant van 27 maart 2006, nr. 61, p. 11). Een eerste call is inmiddels uitgegaan. NWO en SenterNovem voeren de regeling gezamenlijk uit. Uit de eerste geldstroom wordt € 100 miljoen vrijgemaakt en herverdeeld over de universiteiten die in de tweede en (delen van) de derde geldstroom het meeste succes hebben. Daarnaast kunnen we een deel van de aardgasbaten (FES-middelen) over 2005 inzetten om excellente wetenschap en innovatie te stimuleren (besluitvorming 2006). Zo investeren we in onderzoek naar en kennistransfer van een nieuwe generatie gametechnologie (het GATE-project) en in het project Grootschalige Researchfaciliteiten. Uit de FES-middelen voor 2006 is € 210 miljoen beschikbaar voor innovatieclaims. Op het terrein van OCW wordt € 35 miljoen ingezet voor het project Parelsnoer, een innovatief onderzoeksproject in de zorg: alle universitaire medische centra bundelen hun expertise voor een aantal ziekten en ontsluiten die voor medisch gebruik, wetenschappelijk onderzoek en commerciële toepassingen. Bovendien gaat € 15 miljoen naar het project ITER. Nederlandse bedrijven ontwikkelen higtechinstrumenten voor de bouw van een internationale proefcentrale voor fusie-energie in Frankrijk. Daarnaast werkt het kabinet nog aan een plan voor de voortzetting van het Nationaal Genomics Initiative (NGI). Nadat het CPB en de Commissie van Wijzen het plan hebben getoetst, neemt het kabinet begin 2007 hierover een besluit. Om verdere inhoudelijke dynamisering mogelijk te maken is de Commissie Dynamisering om advies gevraagd. De commissie heeft dit advies op 11 april aangeboden aan de Tweede Kamer ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 27 406, nr. 82).

Om excellent onderzoek mogelijk te maken en door te dringen tot de top van de Europese kenniseconomie, hebben we jong talent hard nodig. Het moet voor jong talent aantrekkelijker worden om te promoveren. We moeten jonge onderzoekers perspectieven bieden, binnen en buiten de wetenschap en we moeten alle talent benutten, dus ook dat van vrouwen en allochtone onderzoekers. Dat staat in de nota Onderzoekstalent op waarde geschat die in 2005 is uitgebracht ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 11). De nota bevat een samenhangend pakket aan maatregelen die in de komende tijd zullen worden ingevoerd. Zo komt er in de periode 2007 tot en met 2010 een programma voor «creatieve promovendi», waarin talentvolle afgestudeerden kunnen starten met hun promotie op een onderwerp naar keuze. Voor dit programma is jaarlijks € 4 miljoen beschikbaar. De maatregelen zijn een aanvulling op de bestaande programma’s voor talentvolle onderzoekers, Rubicon, Vernieuwingsimpuls en Casimir.

Geven voor weten, geven voor cultuur

In Nederland is het nog niet gebruikelijk dat particuliere filantropische financieringsbronnen worden ingezet voor de wetenschap en de cultuur. Daar komt langzaam verandering in. Op 15 juni 2005 heeft het Innovatieplatform het rapport Geven voor weten: de vierde route; particuliere middelen voor de wetenschap ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 27 406, nr. 62) gepubliceerd. Dit rapport bevat aanbevelingen die moeten bewerkstelligen dat er meer filantropisch geld voor de wetenschap beschikbaar komt, zodat Nederland aantrekkelijker wordt voor toponderzoekers. Inmiddels heeft een taskforce een eerste advies uitgebracht, dat vooral ingaat op de voorstellen voor ondersteunende maatregelen met een fiscaal karakter. Verder is een route uitgestippeld voor een cultuuromslag. Het kabinetsstandpunt over dit eerste advies is voor de zomer 2006 naar de Tweede Kamer gestuurd. December 2006 zal de taskforce een afsluitend advies uitbrengen.

In de cultuursector zijn particuliere gelden een belangrijke bron van inkomsten. Particulieren en bedrijven kunnen met giften en sponsoring de cultuur ondersteunen. Particuliere fondsen, zoals het Prins Bernhard Cultuurfonds en het VSB-fonds, steunen ontwikkelingen op het gebied van cultuur. Verder kent de overheid verschillende stimuleringsmaatregelen, zoals cultureel beleggen, de code cultuursponsoring ter ondersteuning van sponsoractiviteiten van culturele instellingen en overige fiscale instrumenten (zoals cultureel schenken en nalaten). Toch zijn de mogelijkheden van een zogenaamd cultuurmecenaat nog relatief onbekend, zowel bij de private sector als bij culturele instellingen. Culturele instellingen worden met opleiding, voorlichting en begeleiding ondersteund om deze mogelijkheden beter te benutten. Over het mecenaat en cultureel beleggen ontvangt de Tweede Kamer dit najaar nog een aparte brief.

2.2 Naar een vaardige samenleving

Aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt: een leven lang leren

Om een betere aansluiting te realiseren tussen onderwijs en arbeidsmarkt heeft het kabinet in 2005 € 300 miljoen uit het FES beschikbaar gesteld voor het funderend onderwijs; daarvan is € 237 miljoen uitgetrokken voor een praktijkgerichte leeromgeving in het vmbo en praktijkonderwijs. Circa 85% van de scholen in kwestie past nog dit jaar de praktijkleeromgeving aan. De leerlingen volgen dus in de loop van 2006 en 2007 onderwijs in een uitdagender leeromgeving, die beter aansluit bij de beroepspraktijk en die voortijdige schooluitval zal verminderen. Deze leeromgeving komt ook ten goede aan het werkklimaat van docenten. Na voltooiing van deze operatie beschikken alle scholen over een adequate praktijkleeromgeving.

In 2006 kreeg het mbo nog eens € 81 miljoen uit het FES voor de komende jaren voor onder meer docentstages, leren in bedrijf en lesmateriaal voor competentiegericht beroepsonderwijs. Verder hebben het kabinet en de sociale partners zich tijdens de werktop van december 2005 gecommitteerd aan de stageproblematiek. Het kabinet stelt vanaf 2006 € 35 miljoen per jaar beschikbaar aan het mbo, bestemd voor stage- en simulatieplaatsen voor moeilijk plaatsbare leerlingen.


Om goede vaklieden op te leiden moeten onderwijsinstellingen en bedrijven intensiever samenwerken. Daarom willen we de betrokkenheid en invloed van het bedrijfsleven (het beroepenveld) bij het onderwijs vergroten. Het bedrijfsleven beïnvloedt de landelijk vast te stellen leerdoelen per kwalificatie, het feitelijke opleidingenaanbod, het opleidingsprogramma, de uitvoering, de begeleiding van leerlingen, het examen en de kwaliteitsbeoordeling.

Om de werkgelegenheid en economische groei te bevorderen, heeft het kabinet in december 2005 € 40 miljoen beschikbaar gesteld voor fiscale maatregelen die stages en scholing van werkenden moeten bevorderen. In het kader van «beroepsonderwijs en bedrijf», een ketenaanpak gericht op maatwerk in leerwerktrajecten, komt uit de FES-middelen in 2006 € 115 miljoen beschikbaar (waarvan € 32,5 miljoen voor het ministerie van Economische Zaken). Bij goede resultaten in 2008 wordt hetzelfde bedrag hier nog eens voor uitgetrokken. Verder is om een leven lang leren te stimuleren voor een periode van twee jaar de interdepartementale projectdirectie Leren en Werken opgericht. Inmiddels heeft het kabinet in intentieverklaringen afspraken gemaakt voor ruim 18 000 leerwerkplekken. Daarnaast is het de bedoeling dat er een regionale infrastructuur voor loopbaanadvies en -begeleiding ontstaat en de daarbij behorende toetsing op elders verworven competenties (evc-procedures). Er zijn afspraken gemaakt voor ruim 14 000 evc-procedures. De verwachting is dat ook de invoering van associate degreeprogramma’s (zie ook de paragraaf Kwaliteit hoger onderwijs) het leren door werkenden zal bevorderen.

In het hoger onderwijs is de aansluiting op de arbeidsmarkt – het «arbeidsnabije» onderwijs – essentieel voor de kwaliteit. In het voorstel voor de nieuwe Wet op het hoger onderwijs en onderzoek (WHOO) zijn de plichten van de instellingsbesturen aangescherpt: zij moeten hun onderwijsinhoud meer afstemmen op de wensen van het werkveld. Eind 2006 hebben werkgeversorganisaties en onderwijskoepels daarover een convenant afgesloten. Verder stimuleren we het arbeidsnabije hoger beroepsonderwijs met «kenniscirculatie»: hogescholen doen ontwerp- en ontwikkelonderzoek voor het werkveld.

Om alle informatie over leren, werken, stages en oriëntatiemogelijkheden bijeen te brengen, ontwikkelen we een onlinemarktplaats voor leren en werken. De onlinemarktplaats brengt jongeren en volwassenen, studenten en ouders, opleiders en intermediairs bij elkaar. Zij wisselen informatie en instrumenten uit die zij nodig hebben bij de keuze van opleiding, werk of stage, of bij de begeleiding en ondersteuning van oriëntatie- en keuzeprocessen. Daarnaast spoort de projectdirectie succesvolle scholingsprojecten op en plant deze over naar andere regio’s of sectoren.

Cultuur en school

Het project «Cultuur en School» richt zich op een structurele versterking van de samenwerking tussen scholen en culturele instellingen. Op die manier komen alle kinderen en jongeren via het onderwijs met kunst, cultuur en erfgoed in aanraking. In het primair onderwijs neemt inmiddels 80% van de scholen deel aan de Regeling versterking cultuureducatie. Scholen die in 2004/2005 gestart zijn, beschikken over meer activiteiten, meer interne cultuurcoördinatoren en meer beleid op schrift.

In het voortgezet onderwijs worden de ckv-vouchers voor 76% benut. Verder zijn er zogenaamde «cultuurprofielscholen» ontstaan en werken scholen en culturele instellingen samen in het kader van de brede school. Ten slotte ondersteunt «Cultuur en School» de culturele sector met projecten als «Beroepskunstenaars in de Klas» en «Erfgoed à la Carte». Vanaf 2007 zet «Cultuur en School» daarvoor extra geld in.

2.3 Naar een creatieve samenleving

Een mooier Nederland

Nederland verandert snel als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Iedere generatie bouwt voort op de overgeleverde historische lagen. In de snel veranderende leefomgeving vormen zowel historische structuren en objecten als nieuwe toevoegingen duidelijke ankerpunten. Cultuurbeleid en ruimtelijk beleid hebben een goede basis door de uitvoering in één programma: het Actieprogramma Ruimte en Cultuur. Door de actieve verbinding van cultuurbeleid en ruimtelijke ontwikkeling zal het culturele bewustzijn in de samenleving worden versterkt. Dit moet voor stedelijke en landelijke gebieden een hogere ruimtelijke kwaliteit opleveren: een mooier Nederland dat voldoet aan de hoge eisen die burgers aan wonen en hun woonomgeving stellen.

De programmatische samenwerking tussen OCW en zes andere departementen wordt in 2007 voortgezet. Voor actuele culturele opgaven op het gebied van bijvoorbeeld waterberging en landschap, cultuurvoorzieningen en vestigingsklimaat of wijkontwikkeling en kwaliteit van de openbare ruimte, worden interdepartementale projecten in gang gezet.

Diversiteit cultuur

Cultuur bepaalt in hoge mate onze identiteit: wie wij zijn, bij wie we horen en waarom, maar ook van wie we ons onderscheiden. Niet voor niets bewaren we geschriften, beelden, gebouwen en landschappen uit het verleden: het cultureel erfgoed vertelt mensen waar ze vandaan komen. Cultuur heeft een belangrijk aandeel in de individuele en sociale ontplooiing van mensen. Burgers leren een leven lang, ook via media, in bibliotheken, musea en archieven. Waarden en normen worden overgedragen (en betwist) via internet, televisie, boeken en muziek. En deelname aan culturele activiteiten bevordert individuele autonomie en betrokkenheid bij de samenleving.

Daarom is culturele diversiteit één van de prioriteiten binnen het cultuurbeleid. Kunst, cultuur en media dragen op een positieve manier bij aan de veelkleurige samenleving, door interculturele verbindingen te leggen en diversiteit in het beleid te verankeren. Instellingen worden niet verplicht om doelgroepenbeleid in te voeren. Het gaat erom dat de sector als geheel de samenleving weerspiegelt. Dat vraagt om een integrale aanpak, gericht op aanbod, bestuur en organisatie en publiek. Instellingen als Netwerk CS, Kunst en Zaken en Atana ondersteunen de culturele instellingen hierbij. «Cultuur en School» is daarbij ook een belangrijk aanknopingspunt.

De pilot «Huis voor de Culturele Dialoog» wordt een artistiek platform waarvan het uitgangspunt is dat groepen met een uiteenlopende achtergrond elkaar leren kennen via tentoonstellingen, literatuur, muziek, poëzie, dans, film en nieuwe media. Het Huis krijgt een vestiging in de vier grote steden, maar ook andere gemeenten kunnen zich hierbij aansluiten. In een pilot wordt voor de periode 2006–2008 de eerste programmering en organisatie opgezet.

Creativiteit rendeert

Creativiteit draagt bij aan het innovatieve vermogen en de ondernemingszin van de samenleving. Het kabinet ziet creativiteit als een essentieel element in de moderne kenniseconomie. Daarom is het volgens het kabinet een logische ontwikkeling om creativiteit te stimuleren. Onze creatieve bedrijfstakken groeien snel: er werken nu al meer dan 230 000 mensen, met een totale omzet van ruim € 8 miljard per jaar. Ons land loopt internationaal voorop in sectoren als vormgeving, architectuur en dance (zowel evenementen als geluidsdragers). In het najaar van 2005 hebben OCW en EZ in de beleidsbrief Ons creatieve vermogen ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 27 406, nr. 57) maatregelen aangekondigd die de wisselwerking tussen cultuur en economie een stevige impuls geven. Het kabinet stelt in 2007 € 8 miljoen beschikbaar voor projecten van creatieve en andere bedrijfstakken, kennisinstellingen en decentrale overheden, waarbij netwerkvorming, kennisuitwisseling en samenwerking tussen de creatieve organisaties en het bedrijfsleven centraal staan. Het doel is om de economische waarde van cultuur beter te benutten en culturele sectoren als bedrijfstak te versterken.

Multimediale taak voor de publieke omroep

Digitalisering heeft een nieuwe fase ingeluid voor een massamedium als de publieke omroep. In het digitale medialandschap is het de opgave om het publieke media-aanbod langs verschillende wegen en in verschillende vormen bij de burger te brengen. Crossmediale programmering voor radio, televisie en internet is het devies. De publieke omroep mag zijn taak vervullen via alle mogelijke media en combinaties daarvan. Mensen krijgen immers steeds meer controle over moment, plaats en inhoud van hun mediagebruik. Het aanbod van de publieke omroep moet bij die ontwikkeling aansluiten. De succesvolle dienst «Uitzending gemist» van de publieke omroep biedt mensen bijvoorbeeld de mogelijkheid om bepaalde uitgezonden programma’s op een later tijdstip te bekijken. Maar ook een aanbod aan themakanalen zal op deze verandering van de vraag inspelen.

Mediaconcentraties en «crossownership»

In 2007 wordt de Mediawet gewijzigd om vérgaande vormen van mediaconcentratie te voorkomen, maar ook om dagbladuitgevers en commerciële omroepen de kans te bieden zich multimediaal te ontwikkelen. Dit past bij crossmediale strategieën van bedrijven in het digitaliserende medialandschap. De wetswijziging heeft betrekking op de drie markten die het meest relevant zijn voor de nieuwsvoorziening van de burgers: dagbladen, radio en televisie.

De bestaande passage voor «crossownership» uit de Mediawet verdwijnt. De nieuwe regeling stelt een grens aan concentraties op de dagbladmarkt bij 35%. Voor de drie markten gezamenlijk gaat een maximummarktaandeel gelden van 90%: concentraties die leiden tot een hoger marktaandeel voor één partij zijn niet toegestaan. Dit garandeert dat op alle drie markten ten minste drie (grote) aanbieders zullen overblijven. Daarmee wordt voorkomen dat te veel opiniemacht in handen komt van te weinig partijen. Bovendien draagt de wijziging bij aan de pluriformiteit van de nieuws- en informatievoorziening in ons land.

2.4 Werken aan talenten

Professionalisering onderwijspersoneel

Het onderwijs vraagt om zelfbewuste, kritische en vernieuwende leraren, die in staat zijn het onderwijs zo in te richten dat kinderen, jongeren en volwassenen hun talenten optimaal kunnen benutten en ontwikkelen. Daarom blijft OCW investeren in het onderwijspersoneel.

Al voor het tweede achtereenvolgende jaar zijn er geen tekorten en vinden bijna alle leraren die hun diploma halen snel een baan. Wel zijn er verschillen per regio. Voor het voortgezet onderwijs wordt echter weer een fors tekort voorzien. In 2010 kan het tekort oplopen tot circa 5% van het totaal aantal banen.

Ook in 2007 ondersteunen we scholen om een samenhangend arbeidsmarktbeleid te voeren in de regio. Verder investeren we in het behoud van pas afgestudeerden van de lerarenopleiding basisonderwijs en in doorstroom van leraren uit het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs. Bovendien krijgen scholen meer financiële mogelijkheden om het personeel in de school op te leiden of zodanig op te scholen dat ze breder inzetbaar worden binnen de school.

Met de HBO-raad en VSNU hebben we prestatieafspraken gemaakt om de kwaliteit van de lerarenopleidingen te verbeteren. Het gaat onder meer om verbetering van de reken- en taalvaardigheid van pabo-studenten en om de borging van de kwaliteit van het opleiden in de school. In 2007 en 2008 moeten op dat terrein belangrijke resultaten zijn bereikt.

Leraren moeten niet alleen ruimte hebben om hun vakkennis en professionaliteit te onderhouden, ze moeten ook veel meer de kans krijgen hun bijdrage te leveren aan schoolontwikkeling en de innovatie van het onderwijs én hun beroep. Zij moeten het initiatief kunnen nemen tot discussie en tot vernieuwing. De tijd van «over hen en zonder hen» is voorbij. Een aansprekend voorbeeld is het interactieve traject «Onderwijs aan het woord», een initiatief van de beroepsgroep (SBL/bonden) om de leraar te vragen wat hij nodig heeft om zijn beroep goed uit te kunnen oefenen.

Op 30 juni 2006 zijn de uitkomsten van «Onderwijs aan het woord» aan OCW aangeboden in de zogenoemde onderwijsagenda van de beroepsgroep «Waar wij voor staan». De beroepsgroep agendeert voor de komende jaren de volgende vier thema’s: het beroep, professionalisering en persoonlijke ontwikkeling, onderwijsvernieuwing en de randvoorwaarden. De beroepsgroep heeft daarmee een krachtig signaal afgegeven. Over de manier waarop de ambities uit deze onderwijsagenda kunnen worden ondersteund, spreken we in de komende periode met de beroepsgroep, de sociale partners en andere relevante actoren in het onderwijs.

Invoering lumpsum in het primair onderwijs

Besturen in het primair onderwijs krijgen vanaf augustus 2006 voor hun scholen een vooraf vastgesteld budget. De besteding is vrij. Oormerken en schotten zijn opgeheven. Het declaratiestelsel voor de personele bekostiging verdwijnt. Dat leidt tot vermindering van regels en minder administratieve last. Besturen verantwoorden zich in een jaarverslag. De inbreng van ouders en personeel is verbeterd door versterking van de medezeggenschap. Daarnaast investeren we in versterking van het management. Schoolleiding, ouders, personeel en bestuur bepalen zo samen wat het beste is voor de school.

OCW ontregelt

Deze kabinetsperiode heeft OCW de Tweede Kamer een pakket aan maatregelen voorgesteld waarbij de administratieve lasten voor bedrijven afnemen met 28%. De administratieve lasten die OCW veroorzaakt voor burgers nemen af met 29% als het gaat om geld, en met 28% als het gaat om uren. De administratieve lasten voor instellingen nemen af met 29%. De maatregelen hebben grotendeels al in 2007 effect. In 2010 zijn OCW-instellingen zelfs 39% minder tijd kwijt aan administratieve verplichtingen voor OCW. Dat staat gelijk aan ongeveer 1 850 fulltime leraren, wetenschappers of kunstenaars op jaarbasis.

Het is belangrijk dat scholen ook zelf een instrument in handen hebben waarmee ze inzicht krijgen in de mate waarin hun bureaucratische processen effectief zijn ingericht. Daarom hebben we de zogenaamde «bureaucratiebenchmark» in het leven geroepen, die in 2007 beschikbaar komt.

Servicegericht uitvoeren

In het voorjaar van 2007 heeft CFI voor alle onderwijsvelden zogenoemde instellingsportals gerealiseerd, waar besturen alle centraal ter beschikking gestelde gegevens voor hun bekostiging kunnen vinden, verrijkt met kengetallen en benchmarkgegevens. Om de administratieve lasten te verminderen, wordt de elektronische gegevensverzameling verdergaand geautomatiseerd, onder andere via webportals. Ten slotte publiceren we in 2007 alle bekostigingsbeschikkingen in één nieuw overzicht (de zogenaamde verzamelbeschikking), te beginnen in het primair onderwijs.

2.5 Naar nieuwe bestuurlijke verhoudingen

De kwaliteit van het Nederlandse onderwijs is een belangrijk thema in het maatschappelijke en politieke debat. Onderwijsgevenden en schoolmanagers opereren in een complexe omgeving, en worden geconfronteerd met uiteenlopende wensen, eisen en voorschriften, van ouders, leerlingen, managers, bestuurders, toezichthouders, overheidsorganisaties, vervolgonderwijs en sociaal-maatschappelijke instellingen. Het is zaak dat deze complexe omgeving het onderwijs niet in de weg zit, maar juist het gezamenlijke belang bevordert: onderwijs dat de talenten van leerlingen maximaal ontplooit.

In 2004 heeft de WRR hiervoor al aandacht gevraagd in zijn rapport Bewijzen van goede dienstverlening. De feitelijke dienstverlening komt in de knel, zo stelt de WRR, doordat de taken, eisen en behoeften van belanghebbenden onvoldoende op elkaar aansluiten of elkaar tegenwerken.

Met governance in het onderwijs geven we hier een antwoord op: de bestuurlijke context van het onderwijs wordt zó ingericht dat de condities verbeteren om de vaak hardnekkige problemen in het onderwijs aan te pakken. We streven naar een situatie waarin schoolbesturen, schoolmanagers en leraren meer ruimte krijgen om zélf te bepalen hoe zij het onderwijs inrichten («onderwijs op maat»). In dat toekomstbeeld neemt het aantal regels en voorschriften van OCW af en wordt het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs versoberd. Daarbij borgen we het publieke belang van het onderwijs door eisen te blijven stellen aan de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs. Verder stelt het kabinet uit de FES-middelen een onderzoeksbudget beschikbaar om meer evidence based onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen te ontwikkelen en om de efficiëncy in het primair en voortgezet onderwijs te vergroten.

De governanceprincipes werken onvoldoende als ze worden afgedwongen. Daarom starten we in het najaar van 2006 een intensief en open inhoudelijk debat met organisaties in het onderwijs, maar ook met de leraren, leerlingen, onderwijzers en jeugdhulpverleners zelf.

2.6 Internationaal beleid

De prioriteiten in de beleidsagenda bepalen ook de richting voor onze inzet in internationaal verband. Binnen de Europese Unie geven we prioriteit aan samenwerking met een duidelijke meerwaarde. Bijzondere aandacht gaat uit naar de invloed van EU-regelgeving op OCW-terreinen. Belangrijke onderwerpen die spelen zijn de verkenning naar de mogelijkheden van een Europees Instituut voor Technologie (EIT), de intergouvernementele samenwerking op het terrein van het hoger onderwijs (Bolognaproces) en het beroepsonderwijs (Kopenhagen/Maastrichtproces), de invulling van het Werkplan Cultuur en de besluitvorming over de richtlijn «Televisie zonder grenzen». De kwaliteit van het beleid neemt toe als we in internationaal verband onze kennis en ervaring uitwisselen. Daarom maken we meer werk van onze inzet in multilaterale organisaties zoals de OESO. Om de betrokkenheid van het departement en van de OCW-sectoren bij de Europese besluitvorming te vergroten, versterken we onze positie in Brussel.

2.7 Slotwoord

Talenten ontwikkelen is het fundament voor de kennissamenleving. Zo stelt het Innovatieplatform in zijn project «Leren Excelleren 2006» dat we in Nederland pas echt kunnen innoveren als we de voorwaarden kunnen scheppen waarin mensen durven uit te blinken. In de inrichting van ons onderwijs, onze cultuur en onze wetenschap moet daarom de ontwikkeling van talenten het uitgangspunt zijn.

Voor het onderwijs betekent dit dat scholen en instellingen de ruimte krijgen én nemen om de unieke individuele kwaliteiten van leerlingen en studenten te ontwikkelen. Leraren, onderwijsdeelnemers, ouders en andere belanghebbende partijen krijgen de positie om hierop invloed uit te oefenen. De overheid stimuleert de ontwikkeling van talent, waarborgt daarbij de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs en ziet toe op de rechtmatige besteding van middelen.

Culturele instellingen en kunstenaars willen we in staat stellen om hun talenten in te zetten voor een hoogwaardig en divers aanbod, dat toegankelijk is voor een ieder. Ruimte bieden, kwaliteit en diversiteit bevorderen, en passend toezicht houden, zijn ook op het terrein van cultuur de belangrijkste overheidstaken.

In de wetenschap draait alles om talent, of het nu gaat om succesvolle innovaties of fundamentele wetenschappelijke doorbraken. Daarom willen we «talentgedreven» onderzoek stimuleren. Jonge, maar natuurlijk ook oudere onderzoekers, moeten kansen krijgen. Zij moeten zelf hun onderzoeksonderwerpen kunnen kiezen en niet te veel aan de leiband van hun hoogleraren hoeven te lopen. Goede carrièrekansen horen daarbij. Het is natuurlijk ook van groot belang dat we álle talent benutten, dus ook dat van vrouwen en allochtone onderzoekers. Overheid, universiteiten en kennisinstellingen spannen zich daar samen voor in.

2.8 Aansluiting ontwerpbegroting 2006 naar 2007

Tabel 1 Bijstellingen t.o.v. geautoriseerde uitgavenbegroting 2006 (x € 1 miljoen)
 200620072008200920102011
Stand ontwerpbegroting 200729 259,728 913,129 228,529 394,629 487,329 597,4
Stand geautoriseerde ontwerpbegroting 200627 946,828 234,728 224,528 353,328 441,128 418,7
Totaal verschil1 312,9678,41 004,11 041,31 046,31 178,7
Leerlingenontwikkeling85,4142,0137,9153,9162,2250,4
Expansie hoger onderwijs2,442,866,1110,4172,7172,7
FES-middelen96,0205,3146,3105,213,839,0
Volledige leerplicht voor 17-jarigen16,057,0131,0131,0131,0131,0
Risicoleerlingen mbo30,070,080,0103,0103,0103,0
Stage en simulatieplaatsen mbo35,035,035,035,035,035,0
ESF(leerweg en dagarrangementen)120,010,020,00,00,00,0
Afwikkeling oorlogskunst (commissie Ekkart)7,02,01,00,00,00,0
Vervangingsfonds– 10,0– 10,0– 10,0– 10,0– 10,0– 10,0
Studiefinanciering– 8,0– 31,6– 76,9– 104,4– 103,6– 99,6
Film7,518,120,020,020,020,0
Switch-over0,03,92,02,02,00,0
Efficiencytaakstelling huisvesting zbo’s en agentschappen– 6,7– 6,6– 6,7– 6,8– 6,7– 6,7
Herschikkingen binnen de OCW-begroting0,0– 50,0– 62,0– 69,0– 69,0– 69,0
Intertemporele compensatie303,2– 302,13,2– 3,4– 0,1– 0,9
Meevallers/ramingsbijstellingen5,4– 18,9– 18,1– 11,2– 14,7– 12,5
Totaal bijstellingen683,3167,0468,8455,7435,6552,4
Technische verschillen:      
Loon- en prijsbijstellingen625,6491,6471,2470,5462,9457,4
Overige technische verschillen4,119,864,1115,1147,8168,9
Totaal technisch629,7511,4535,3585,6610,7626,3
Totaal1 312,9678,41 004,11 041,31 046,31 178,7

Leerlingen-studentenontwikkeling

Dit betreft vooral een stijging van goedkopere naar duurdere opleidingen binnen het primair onderwijs, namelijk meer deelname aan (voortgezet) speciaal onderwijs, een sterk gestegen aantal leerlingen met «rugzakje» (lgf) in het (speciaal) basisonderwijs, en een stijging van het aantal ambulant begeleide leerlingen. Verder zorgt de nieuwe raming van het mbo voor een opwaartse bijstelling, als gevolg van meer deelname aan voltijd-bol opleidingen. Ook bij het hbo is sprake van een lichte toename ten opzichte van de raming van vorig jaar. De ramingen voor voortgezet onderwijs en wetenschappelijk onderwijs zijn op basis van realisaties wat neerwaarts bijgesteld.

Expansie hoger onderwijs

Extra middelen worden beschikbaar gesteld voor een betere toerusting van het hoger onderwijs.

FES-middelen

Zie tabel 2.

Volledige leerplicht voor 17-jarigen

Vanaf 2006 wordt er € 16 miljoen beschikbaar gesteld oplopend tot € 131 miljoen in 2011 voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Belangrijk onderdeel van de aanpak is verlenging van de leerplicht tot 18 jaar. Deze verlenging is voorzien vanaf schooljaar 2007. Over de invulling van maatregelen met betrekking tot vsv vindt in het kader van de perspectievennota nader overleg plaats.

Risicoleerlingen mbo

Op mbo niveau 1 en 2 is de schooluitval het grootst en bevinden zich verhoudingsgewijs de meeste risicoleerlingen. Voor extra begeleiding en ondersteuning van deze groep worden middelen beschikbaar gesteld. De bve-begroting wordt opgehoogd met € 30 miljoen in 2006 oplopend tot € 103 miljoen 2011.

Stage- en simulatieplaatsen mbo

In de werktop van najaar 2005 heeft het kabinet met de sociale partners afgesproken om met ingang van 2006 structureel € 35 miljoen in te zetten voor 20 000 stageplaatsen voor moeilijk plaatsbare leerlingen en simulatieplaatsen.

ESF (leerweg en dagarrangementen)

Voor de regeling Dagarrangementen en Combinatiefunctie is voor de periode 2006–2008 € 100 miljoen aan het budget toegevoegd (€ 80 miljoen in 2006 en € 20 miljoen in 2008) zodat een doorlopend aanbod van opvang/onderwijs/activiteiten mogelijk is. Voor de projecten bestrijden voortijdig schoolverlaten en versterken beroepsbegeleidende leerweg (ESF) is € 40 miljoen in 2006 en € 10 miljoen in 2007 aan de bve-begroting toegevoegd.

Restitutie oorlogskunst

• € 2 miljoen in 2006 en € 1 miljoen in 2007 voor de kosten die voortvloeien uit de restitutie van de Goudstikker Collectie.

• De commissie Ekkart brengt adviezen uit inzake mogelijke restitutie van kunst(voorwerpen) die in de Tweede Wereldoorlog van eigenaar wisselden. € 5 miljoen in 2006, € 1 miljoen in 2007 en € 1 miljoen in 2008 is bedoeld voor advisering van de commissie Ekkart, de uitvoering van restitutie van cultuurgoederen uit de Tweede Wereldoorlog, en het wereldwijd bekendmaken van de termijn waarop nog restitutieverzoeken kunnen worden ingediend.

Vervangingsfonds

In 2005 zijn extra middelen uitgetrokken voor verwachte werkloosheid van I/D-werknemers als gevolg van de vermindering van gesubsidieerde arbeid aan de gemeenten. Het aantal werklozen blijkt lager dan de raming. Dit heeft een meerjarige doorwerking. Hierdoor is het budget voor de opslag voor werkloosheidskosten structureel met € 10 miljoen verlaagd.

Studiefinanciering

De raming voor de uitgaven studiefinanciering en WTOS is bijgesteld naar aanleiding van meerjarige doorwerking van de realisaties over 2005 en de eerste resultaten van de uitgaven in januari en februari 2006. Voor een groot deel is dit het gevolg van het feit dat studenten ho langzamer afstuderen dan verwacht. Hierdoor heeft de IB-Groep in 2005 en begin 2006 minder prestatiebeurs omgezet naar gift dan oorspronkelijk geraamd.

Film

In 2005 was er een onderuitputting van € 15 miljoen op de fiscale filmregeling. De helft van deze onderuitputting is in 2006 aan OCW-begroting ten behoeve van de artistieke film toegevoegd. Vanaf 2007 wordt deze fiscale filmregeling opgeheven en het totale budget van € 20 miljoen wordt aan de OCW-begroting toegevoegd. Voor de stimulering van de film zal OCW een nieuwe regeling ontwerpen. Hiervan is in 2007 € 1,9 miljoen bestemd voor de switch-over.

Switch-over

In verband met de switch-over heeft het kabinet middelen beschikbaar gesteld als overheidsbijdrage om de landelijke uitzending van de digitale ether televisie mogelijk te maken.

Efficiencytaakstelling huisvesting zbo’s en agentschappen

Daarnaast heeft OCW ook een aandeel (ongeveer structureel € 7 miljoen) in de taakstelling van € 23 miljoen voortvloeiende uit de moties van Algemene Politieke Beschouwingen ter dekking van de nota wijziging begroting 2006.

Herschikkingen binnen de OCW-begroting

Deze post betreft een herschikking binnen de bestaande middelen ter dekking van investeringen op de OCW-begroting. Deze herschikking betreft met name de beleidsartikelen primair onderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, hoger beroepsonderwijs, arbeidsmarkt en personeelsbeleid en nominaal en onvoorzien.

Intertemporele compensatie

Deze post wordt grotendeels veroorzaakt door een kasschuif van 2007 naar 2006. Het betreft een versnelde betaling van de ov-kaart van € 300 miljoen.

Meevallers/ramingsbijstellingen

Dit is een saldering van alle mee- en tegenvallers aan de uitgavenkant van de begroting. Het gaat per saldo om – € 18,9 miljoen in 2007. Het betreft met name een meevaller bij de regeling Dagarrangementen en Combinatiefuncties in het primair onderwijs.

Loon- en prijsbijstellingen

De post betreft de loon- en prijsbijstelling tranche 2006 die bij Voorjaarsnota 2006 aan de begroting van OCW is toegevoegd.

Overige technische verschillen

Deze post betreft ten eerste een verschuiving bij de studiefinanciering van relevante naar niet-relevante uitgaven. De overige technische bijstellingen betreffen grotendeels overboekingen met andere departementen (waaronder die voor inburgering naar VenI) en desalderingen met de ontvangsten.

Tabel 2 Overzicht toegevoegde FES-middelen (x € 1 miljoen)
ArtikelOnderwerp200620072008200920102011
1Aandeel PO in funderend onderwijs31,531,5    
3Aandeel PO in funderend onderwijs– 31,5– 31,5    
3Aandeel LNV in funderend onderwijs– 8,2– 8,2    
4Beroepskolom– 4,3     
5Technocentrum9,19,19,19,1  
7Transitie samenwerking TU’s10,010,010,010,010,0 
16Grootschalige researchfaciliteiten29,330,522,710,03,81,8
        
5Prijsbijstelling20060,10,10,10,1  
7Prijsbijstelling20060,10,10,10,10,1 
16Prijsbijstelling20060,10,10,10,10,1 
16BSIK3,5     
        
1Funderend onderwijs13,5– 13,5    
16BSIK26,611,56,22,5– 46,9 
16GATE1,02,02,02,02,01,0
16AUTOMOTIVE0,1     
14Beelden voor de toekomst 24,723,822,922,021,1
7Rendement & excellentie 5,05,010,015,015,0
1Deltaplan Beta & techniek 7,08,54,5  
3Deltaplan Beta & techniek 10,010,0   
6Deltaplan Beta & techniek 6,06,08,0  
3Leren door te experimenteren 7,512,55,0  
4Beroepsonderwijsin bedrijf: leerwerktrajecten voor jongeren op maat 26,3    
4Beroepsonderwijs in bedrijf: docentstages in het bedrijfsleven 16,0    
4Beroepsonderwijsin bedrijf: leer- en examenmateriaal 29,5    
4Beroepsonderwijsin bedrijf: EVC-trajecten en procedures 10,5    
1VVE 9,422,513,1  
16Parelsnoer 11,87,87,87,8 
16ITER15,0     
Totaal bijstellingen96,0205,3146,3105,213,839,0

Aandeel PO en LNV in funderend onderwijs

Deze mutaties betreft de overboeking van de FES-middelen die in eerste instantie op artikel 3 zijn geboekt en nu worden overgeboekt naar artikel 1 en LNV.

Beroepskolom

Deze mutatie betreft eveneens een overboeking naar LNV voor lesmateriaal, docentstages en leren in bedrijf.

Technocentrum

Deze middelen zijn bedoeld als voortzetting van bestaand beleid.

Transitie samenwerking TU’s

Deze middelen zijn bestemd voor de drie technische universiteiten om samen vijf toponderzoeksinstituten op te richten. Met dit geld kunnen zij dertig nieuwe hoogleraren aanstellen voor deze «Centers of Excellence». (Deze middelen waren in afwachting van een goed projectplan al gereserveerd en zijn per Voorjaarsnota overgeboekt naar de begroting van OCW).

Grootschalige researchfaciliteiten

Deze middelen die op basis van het advies van NWO geconcentreerd en grootschalig worden ingezet voor investeringen in de researchinfrastructuur.

Prijsbijstelling

Voor de FES-middelen die niet op de OCW-begroting waren gereserveerd is de bijbehorende prijsbijstelling ontvangen.

BSIK (Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur)

In de Voorjaarsnota 2006 is vanuit 2005 al een bedrag overgeboekt voor BSIK-project Delft Cluster.


Bovengenoemde FES-middelen zijn al in de Voorjaarsnota verwerkt en toegelicht.

Funderend onderwijs

Deze mutatie betreft een kasschuif zodat de gereserveerde middelen in één keer in 2006 aan de gemeenten kunnen worden verstrekt.

BSIK

Deze mutatie betreft eveneens een kasschuif om de middelen in overeenstemming te brengen met het uitgavenpatroon van het project Lofar.

GATE

Deze middelen zijn bestemd voor GATE (Game Research for Training and Entertainment).

Beelden voor de toekomst

Het project Beelden voor de toekomst behelst het conserveren, digitaliseren en toegankelijk maken van video, film, audio en foto’s, in het bijzonder ten behoeve van educatief gebruik, maar ook voor de creatieve industrie en het algemeen publiek. Vanuit het FES wordt € 154 miljoen voorgefinancierd in de periode 2007–2013. Van het project zijn inbare baten te verwachten in de periode 2014–2025. Deze baten bedragen € 65 miljoen en vloeien terug naar het FES. Per saldo komt daarmee € 90 miljoen beschikbaar.

Rendement en excellentie

Het project «rendement & excellentie» betreft het tijdelijk subsidiëren van kansrijke projecten die tot doel hebben meer rendement en/of excellentie in het hoger onderwijs te realiseren.

Deltaplan Bèta/techniek

Het aanpakken van randvoorwaardelijke knelpunten van het onderwijs in bèta & techniek, waaronder deelprojecten gericht op uitwisseling van docenten in het voortgezet en hoger onderwijs, bijscholing docenten in het primair onderwijs en bijscholen pabo-studenten, en het aanpassen van de fysieke leeromgeving in het voortgezet onderwijs voor dit type onderwijs.

Leren door te experimenteren

Het project Leren door te experimenteren betreft het opzetten van experimenten en onderzoeken op het gebied van doeltreffendheid van onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen en efficiency in het primair en voortgezet onderwijs.

Beroepsonderwijs in bedrijf

Dit project zorgt voor een verbetering van de aansluiting tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven. Het betreft:

• Het realiseren van leerwerktrajecten voor kwetsbare groepen werklozen;

• Een fonds voor vernieuwingsprojecten op het gebied van de aansluiting tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven;

• Projecten gericht op het verhogen van de kwaliteit en beschikbaarheid van stage- en leerwerkplekken en investeringen in randvoorwaarden voor leerwerk en EVC-trajecten. Bijvoorbeeld praktijkplaatsen en leer- en examenmateriaal, EVC-procedures, docentstages in het bedrijfsleven.

Voor- en vroegschoolse educatie

In totaal wordt er € 45 miljoen extra beschikbaar gesteld voor vve. Eind 2010 moet 70% van de kinderen uit de doelgroep deelnemen aan een vve-programma dat hun (taal)ontwikkeling vroegtijdig stimuleert. Met deze middelen kunnen gemeenten voor de voorschoolse programma’s al eerder 70% bereiken.

Parelsnoer

Het opzetten van een infrastructuur voor biobanken waar patiëntengroepen op een gestandaardiseerde manier opgenomen en geanalyseerd kunnen worden. Deze eenmalige investeringsimpuls maakt het mogelijk om nieuwe kennisinfrastructuur op te zetten die uiteindelijk de publieke dienstverlening kan verbeteren.

ITER (International Thermonuclear Experimental Reactor)

Ontwikkelen van een reactor voor kernfusie en kennisoverdracht aan bedrijven binnen ITER. Doel is Nederland in een kansrijke positie te brengen voor het verwerven van opdrachten van ITER en een sterke wetenschappelijke positie binnen ITER.

Tabel 3 Bijstellingen t.o.v. geautoriseerde ontvangstenbegroting 2006 (x € 1 miljoen)
 200620072008200920102011
Stand ontwerpbegroting 20071 445,31 344,71 138,61 159,01 155,51 037,1
Stand geautoriseerde ontwerpbegroting 20061 338,01 210,91 080,91 132,61 172,11 067,6
Totaal verschil107,3133,857,726,4– 16,6– 30,5
Bestaande uit:      
Leerlingenontwikkeling6,34,85,66,37,79,5
Studiefinanciering– 27,7– 33– 37– 36,1– 32,4– 33,4
FES-middelen96,0205,3146,3105,213,839,0
Intertemporele compensatie: verkoop nob10,00,00,00,040,30,0
Intertemporele compensatie: commissie Schutte35,600000
Oalt18,000000
Meevallers/ramingsbijstellingen3,2– 0,7– 1,7– 1,7– 1,7– 1,7
Totaal autonome en beleidsmatige bijstellingen141,5176,4113,273,727,813,4
Technische bijstellingen– 34,2– 42,6– 55,4– 47,3– 44,3– 43,8
Totaal107,3133,857,826,4– 16,5– 30,4

Verkoop NOB

De verkoop van de NOB bedrijfsonderdelen heeft gefaseerd plaatsgevonden. De uitkering aan de Staat van de verkoopopbrengsten vindt gefaseerd in de tijd plaats in verband met de garantietermijnen en verplichtingen die verbonden zijn aan de individuele verkooptransacties.

Commissie Schutte

Deze post betreft een kasschuif van de geraamde ontvangsten naar aanleiding van de Commissie Schutte.

Technische bijstellingen

Het betreft hier een bijstelling van de autonome ramingen en desalderingen met de uitgaven.


Tot slot volgt hieronder de meerjarenraming per beleidsartikel.

Tabel 4: De uitgavenkant van de ontwerpbegroting 2007 per beleidsartikel (x € 1 miljoen)
 200620072008200920102011
Primair onderwijs8 303,18 238,68 230,98 199,68 168,88 136,6
Voortgezet onderwijs5 771,05 869,55 745,05 678,15 662,95 648,3
Beroepsonderwijsen volwasseneneducatie3 082,33 057,33 038,43 057,43 056,03 061,6
Technocentra9,19,19,19,10,00,0
Hoger beroepsonderwijs1 879,61 968,52 003,12 051,02 072,52 112,3
Wetenschappelijk onderwijs3 408,13 467,03 518,13 568,43 619,73 670,4
Internationaal beleid17,116,616,916,916,916,9
Onderwijspersoneel174,9157,0140,9151,4151,7151,7
Informatie- en communicatietechnologie38,931,129,430,130,130,1
Studiefinanciering3 532,73 060,63 483,13 616,03 742,13  843,7
Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten303,8307,8312,8313,2311,2307,0
Lesgelden5,55,96,06,26,14,8
Cultuur807,6866,7864,3861,4865,3863,7
Media736,3759,0761,4766,5771,5773,5
Onderzoek en wetenschappen952,1934,2909,1913,5858,2822,4
Subtotaal beleidsartikelen29 022,028 748,929 068,629 238,829 333,029 443,0
Nominaal en onvoorzien46,0– 7,5– 7,5– 8,0– 8,0– 8,0
Ministerie algemeen134,8118,2114,2110,6109,3109,2
Inspecties49,046,746,446,346,346,3
Adviesraden8,06,86,76,86,86,8
Subtotaal niet-beleidsartikelen237,7164,2159,9155,8154,4154,3
Totaal ontwerpbegroting 200729 259,728 913,129 228,529 394,629 487,329 597,4