Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

ARTIKEL 1. PRIMAIR ONDERWIJS

1.1 Algemene beleidsdoelstelling: het primair onderwijs bereidt voor op de leerloopbaan die het beste aansluit bij de talenten van de kinderen en levert een belangrijke bijdrage aan hun huidige en hun latere zelfstandige deelname aan de Nederlandse samenleving.

Omschrijving

Alle kinderen hebben recht op passend en kwalitatief goed primair onderwijs in deugdelijk toegeruste scholen ( Grondwet, art 23). De overheid houdt daarvoor een stelsel van (speciale) basisscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in stand en waarborgt de kwaliteit van het onderwijs. Voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, heeft de overheid de taak om ondersteuning te bieden en onderwijsachterstanden te voorkomen. De overheid verplicht ouders door middel van de Leerplichtwet om hun kinderen onderwijs te laten volgen. In de Koers Primair Onderwijs ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 151) worden de richting en de hoofdlijnen van het beleid voor het primair onderwijs in de komende jaren geschetst.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor een deugdelijk toegerust stelsel van kwalitatief goed en toegankelijk primair onderwijs.

Kritische succesfactoren

• Onderwijsarbeidsmarkt: voldoende en goed onderwijspersoneel.

• Demografische ontwikkelingen, zoals veranderingen in de samenstelling van de leerlingenpopulatie en het lerarenbestand.

Meetbare gegevens

Tabel 1.1
 199920012003200520072010
1. Positie op internationale ranglijst «gemiddelde score op science» in groep 6 van het basisonderwijsBasiswaarde: –  6  top 5
Bron: TIMMS      
2. Positie op internationale ranglijst «gemiddelde wiskundeprestaties in groep 6» van het basisonderwijsBasiswaarde: –  10  top 5
Bron: TIMMS      
3. Positie op internationale ranglijst «gemiddelde leesvaardigheid in groep 6 van het basisonderwijs»Basiswaarde: – 2   top 5
Bron: PIRLS      
4. Percentage leerlingen op basisscholen met havo of vwo-adviesBasiswaarde: –38%37%39%38% 40%
Bron: NWO cohortonderzoek      
5. Percentage leerlingen op basisscholen met adviezen tot aan vmbo gemengde leerwegBasiswaarde: –24%25%25%27% 25%
Bron: NWO cohortonderzoek      
6. Percentage leerlingen op basisscholen met havo of vwo- advies dat in leerjaar 3 feitelijk havo/vwo volgtBasiswaarde: –83% 87%  90%
Bron: NWO cohortonderzoek      
7. Percentage leerlingen op basisscholen met een lager advies dat in leerjaar 3 toch havo/vwo volgtBasiswaarde: –14% 15%  20%
Bron: NWO cohortonderzoek.      

Toelichting:

Er zijn zeven indicatoren opgenomen die een beeld geven van de prestaties van leerlingen in het primair onderwijs (overigens gaat het hier om leerlingen in het basisonderwijs; van het speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs zijn geen vergelijkbare resultaatgegevens bekend). Deze informatie wordt verzameld via internationaal (TIMMS, PIRLS) en nationaal steekproefonderzoek (NWO cohortonderzoek). Het onderzoek vindt niet elk jaar plaats: in sommige gevallen vindt het onderzoek slechts ééns in de vier tot acht jaar plaats. Toch zijn deze gegevens hier opgenomen, omdat ze een belangrijk beeld schetsen van het maatschappelijke effect van het onderwijs in deze sector. Dit betekent wel, dat bij de verantwoording in 2008 over het verslagjaar 2007 mogelijk niet altijd nieuwe gegevens gepresenteerd kunnen worden.

Het departementaal beleid moet ertoe bijdragen dat de prestaties van leerlingen in het basisonderwijs in Nederland op een hoog niveau blijven. De internationale benchmarks brengen dit nationaal prestatieniveau in beeld. Het is de ambitie dat het Nederlandse basisonderwijs tot de top vijf van de wereld behoort als het gaat om wat leerlingen presteren op gebieden als taal en rekenen.

Het is gewenst in het kader van de Lissabon-afspraken 50% van de leerlingenpopulatie naar het hoger onderwijs te begeleiden. Om deze doelstelling te bereiken, is het gewenst dat meer leerlingen in het primair onderwijs een hoger prestatieniveau bereiken en dat zij dat niveau ook vasthouden in het voortgezet onderwijs. Uit het cohortonderzoek van NWO blijkt wat de adviezen aan het einde van het basisonderwijs zijn en hoeveel leerlingen na drie jaar in het voortgezet onderwijs daadwerkelijk het geadviseerde onderwijs volgen. Voor beide indicatoren is een streefbeeld geformuleerd.


De bijdrage die de minister aan de algemene beleidsdoelstelling levert, is uitgewerkt in drie operationele beleidsdoelstellingen. Om de operationele doelstellingen te bereiken, wordt een aantal instrumenten ingezet. De resultaten van deze instrumenten dragen bij aan het behalen van de operationele doelstellingen en daarmee de algemene beleidsdoelstelling. De beleidsprestaties zijn, waar mogelijk en zinvol, verder beschreven in bijbehorende specifieke beleidsindicatoren. De effecten van het beleid worden daarnaast gemeten door onderzoeken, zie hiervoor het overzicht evaluatieonderzoeken. Een meer gedetailleerd beeld van het primair onderwijs kan worden verkregen in Bestel in Beeld (Bestel in Beeld 2005, http://www.minocw.nl/documenten/bestelinbeeld2005.pdf)

1.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.2 budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 2005200620072008200920102011
Verplichtingen7 922 7438 302 0198 237 4308 229 7068 198 4338 167 6108 135 361
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven (programma + apparaat)7 881 5888 303 1138 238 6468 230 8878 199 6498 168 8268 136 577
        
Programma-uitgaven7 875 8708 297 0288 232 9988 225 7778 194 5388 163 7348 131 484
        
Stelselonderhoud7 488 4567 776 5737 740 0567 809 4487 806 2287 795 4557 764 422
• Personele bekostiging6 413 2286 566 2736 610 5276 634 2926 622 2606 604 5136 590 115
• Materiële bekostiging966 3971 037 3641 032 3811 036 2051 037 1891 035 0661 031 789
• Onderwijspersoneelsbeleid23 03322 89924 25922 00719 73219 78919 789
• Flankerend beleid invoering lumpsumfinanciering59 762114 83547 35091 689103 864110 70197 314
• Invoering onderwijsnummer7 6725 9584 3581 558000
• Versterken positie ouders2 4172 6253 2443 3943 3942 9542 954
• Overig15 94626 61917 93720 30319 78922 43222 461
        
Kwaliteiten innovatie76 61881 13687 14584 52376 18471 68471 686
• Innovatiein het primair onderwijs9184 4751 8800000
• Vergroten kwaliteitszorg675200500500500500500
• Verbreding techniek in het basisonderwijs1502307 2608 5004 50000
• Cultuur en school5 8127 6507 3500000
• Schoolbegeleiding65 47368 26169 80575 52371 18471 18471 186
• Actief burgerschap en integratie03203500000
• Overig3 590000000
        
School en omgeving268 161332 480364 268306 871288 001274 952275 169
• Wsns: onderwijs aan leerlingen met een specifieke zorgbehoefte (alleen specifieke projecten)*7 3255 5325 8475 7615 6995 5435 543
• Lgf: onderwijs aan leerlingen met een handicap of gedragsstoornis (alleen specifieke projecten)*27 39638 45743 56643 74544 34744 56444 791
• Onderwijsachterstandenbeleid(alleen middelen voor gemeenten en specifieke projecten)*205 481194 030211 811212 133202 723189 613189 603
• Eerste opvang aan leerplichtige asielzoekers2 1821 1961 1641 1491 1491 1491 149
• Veiligheidop school8 75821 45021 45021 45021 45021 45021 450
• Brede scholen en dagarrangementen39543 35433 20010 200200200200
• Tussenschoolse opvang8 1194 1818 7125 9155 9155 9155 915
• Faciliteiten zieke leerlingen6 0856 1306 1306 1306 1306 1306 130
• Buitenschoolse opvang018 00032 0000000
• Overig2 420150388388388388388
        
Programmakosten overig42 63544 73735 30432 94632 81932 90632 816
• Informatie Beheer Groep11 49720 36415 74415 04614 75614 84514 756
• Cfi31 13824 37319 56017 90018 06318 06118 060
        
Voorcalculatorische uitdelingen062 1026 225– 8 011– 8 694– 11 263– 12 609
        
Apparaatsuitgaven5 7186 0855 6485 1105 1115 0925 093
Ontvangsten43 151104 40151 90633 00619 6062 0062 006

* NB: De reguliere financiering aan scholen voor «Weer Samen Naar School» (wsns), «Leerlinggebonden financiering» (lgf) en Onderwijsachterstandenbeleid zijn per 1 augustus 2006 onderdeel geworden van lumpsum en daarom opgenomen in «Personele bekostiging» en «Materiële bekostiging».

Tabel 1.3 budgetflexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20072008200920102011
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)8 191 4698 200 8428 170 4138 142 0918 111 277
Totaal juridisch verplicht8 021 8658 018 8747 991 2327 975 7127 958 880
Totaal bestuurlijk gebonden169 604181 968179 181165 629150 847
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0007501 550
Stelselonderhoud7 740 0567 809 4487 806 2287 795 4557 764 422
• Juridisch verplicht7 661 0017 684 0327 671 1397 655 3837 638 347
• Bestuurlijk gebonden79 055125 416135 089139 622125 125
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden000450950
      
Kwaliteiten innovatie87 14584 52376 18471 68471 686
• Juridisch verplicht77 44575 52371 18471 18471 186
• Bestuurlijk gebonden9 7009 0005 000500500
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
School en omgeving364 268306 871288 001274 952275 169
• Juridisch verplicht283 420259 319248 909249 144249 347
• Bestuurlijk gebonden80 84847 55239 09225 50825 222
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden000300600

1.3 Operationele doelstellingen

1.3.1 Stelselonderhoud: toerusten van scholen

Motivatie

Om scholen in staat te stellen te voldoen aan de toegankelijkheids- en kwaliteitseisen, heeft de overheid de wettelijke verantwoordelijkheid de door haar bekostigde scholen deugdelijk toe te rusten door middel van personele en materiële bekostiging. Om scholen en schoolbesturen beter te laten inspelen op specifieke omstandigheden en onderwijs op maat te bieden, is een omslag naar meer verantwoordelijkheid voor de sector primair onderwijs nodig. Ten eerste is daarvoor een andere manier van bekostigen noodzakelijk. Vanaf 1 augustus 2006 is daarom de lumpsumbekostiging in de sector primair onderwijs ingevoerd. Bij meer ruimte en verantwoordelijkheid voor de sector passen nieuwe checks and balances. Dit betekent dat de horizontale en de verticale verantwoording van het school(bestuur) worden versterkt.

De overheid heeft – hoewel grondwettelijk niet verplicht – ook een verantwoordelijkheid genomen voor het toerusten van Nederlandse scholen in het buitenland.

Instrumenten

• Personele bekostiging: Scholen ontvangen op basis van leerlingaantallen en leerlingkenmerken een lumpsumbekostiging van de rijksoverheid om onderwijspersoneel aan te kunnen stellen. Daarnaast ontvangen scholen middelen voor personeels- en arbeidsmarktbeleid. Hiermee zijn zij in staat hun personeelsbeleid toe te spitsen op de specifieke omstandigheden van de school.

• Materiële bekostiging: Het rijk verstrekt schoolbesturen een lumpsumbekostiging voor de materiële instandhouding van scholen, die gebaseerd is op programma’s van eisen. In 2006 heeft een evaluatie van de programma’s van eisen ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 246, nr. 7) plaatsgevonden.

• Onderwijspersoneelsbeleid: De hiervoor in te zetten instrumenten en activiteiten voor 2007 worden toegelicht in artikel 9, Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid. Dit geldt tevens voor de meetbare gegevens.

• Flankerend beleid invoering lumpsumfinanciering: Met ingang van 1 augustus 2006 is het formatiebudgetsysteem afgeschaft en omgezet in lumpsumbekostiging. In januari 2006 bleek dat nog niet alle schoolbesturen voldoende waren voorbereid op de invoering van lumpsumbekostiging. Daarom wordt het «flankerend beleid invoering lumpsumbekostiging» gedurende het eerste jaar van de lumpsumbekostiging, het schooljaar 2006–2007, voortgezet. Tegelijk met de invoering van lumpsumbekostiging gaat een vierjarige overgangsregeling van start, om herverdeeleffecten te verzachten. Als laatste waarborg is een vangnet ingericht. De effecten worden gevolgd via het geïntegreerde toezicht en door middel van evaluaties van de jaarverslagen.

• Invoering onderwijsnummer: Een onderwijsnummer zal worden ingevoerd om bij te dragen aan een betere controle op de rechtmatigheid van de bekostiging, een beter inzicht in het functioneren van het onderwijsbestel en onderwijsbeleid aan de hand van goede beleidsinformatie en het verlagen van de administratieve lasten voor de scholen. De systemen van de uitvoeringsorganisaties en de softwarepakketten van de scholen zullen worden aangepast. In overleg met de ketenpartners in dit project en op basis van de ervaringen in het voortgezet onderwijs en de beroeps- en volwasseneneducatie worden twee schooljaren uitgetrokken voor de voorbereiding. Procesmanagers zullen de scholen ondersteunen bij de invoering.

• Versterken positie ouders: In 2007 zal één informatie- en servicefunctie voor alle ouders in het primair en voortgezet onderwijs beschikbaar komen. De vier landelijke ouderorganisaties versterken de medezeggenschapsfunctie van ouders door het geven van cursussen en ondersteuning en voeren projecten «deskundigheidsbevordering ouders» uit. Daarnaast wordt jaarlijks door het ministerie de Gids voor ouders en verzorgers uitgebracht. De activiteiten zijn vastgelegd in de Intentieverklaring school-ouderbetrokkenheid ( Kamerstukken 2005–2006, Bijlage bij kamerstuk 30 183, nr. 2)

Meetbare gegevens

Tabel 1.4
 2001200220032004200520062007
1. Rapportcijfer ouders over de school van hun kindBasiswaarde: –7,57,57,67,67,77,67,7
Bron: Onderwijsmeter.       

Toelichting

Ouders worden jaarlijks gevraagd naar hun oordeel over de kwaliteit van de school van hun kind. In 2006 is het rapportcijfer 7,6. Het is de ambitie om dit cijfer in de toekomst minimaal te behouden. Daarbij zal het toekomstig realisatiecijfer overigens niet alleen beïnvloed worden door het departementaal beleid, waaronder specifiek het beleid met betrekking tot de ouderbetrokkenheid, maar ook door factoren waar het departement minder direct invloed op kan en wil uitoefenen.

Tabel 1.5 Leerlingen primair onderwijs (x 1 000)
 2005200620072008200920102011
Leerlingen basisonderwijs       
– geen gewicht1 199,21 209,61 218,21 225,81 225,91 223,21 223,2
– 0.25158,9152,1147,0143,3139,5136,6136,6
– 0.30,00,00,00,00,00,00,0
– 0.41,11,11,11,11,11,11,1
– 0.72,92,92,92,92,92,92,9
– 0.9186,9186,3185,6185,1183,4181,6181,6
– 1.20,00,00,00,00,00,00,0
Subtotaal1 549,01 551,91 554,81 558,21 552,91 545,31 545,3
Leerlingen trekkende bevolking0,30,30,30,30,30,30,3
Totaal1 549,31 552,21 555,11 558,51 553,21 545,61 545,6
Leerlingen in het speciaal basisonderwijs48,347,045,744,643,642,542,5
– waarvan anderstalige leerlingen9,29,08,98,88,78,68,7
Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs59,559,960,160,260,460,660,6
– waarvan anderstalige leerlingen11,111,010,910,910,810,710,7
Ambulant begeleide leerlingen26,426,526,526,526,526,526,5
Aantal leerlingen in eerste opvang leerplichtige asielzoekers0,90,90,90,90,90,90,9

Bron: Referentieraming 2006, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren.

NB: De gewichtenregeling is herzien per 1 augustus 2006. Hierdoor zijn twee nieuwe gewichten (0.3 en 1.2) ingevoerd en zal geleidelijk tot en met 1 oktober 2009 de oude gewichtenregeling worden afgebouwd. Omdat de bovengenoemde aantallen zijn berekend op basis van de laatste telling per 1 oktober 2005, zijn er nog geen aantallen voor de nieuwe gewichten bekend.


Tabel 1.6 (Gesaldeerde) uitgaven per leerling, excl. IB-Groep, CFI en apparaatskosten (x € 1 000)
 2005200620072008200920102011
WPO: basisonderwijs en speciaal basisonderwijs4,34,44,44,44,44,44,4
WEC: (voortgezet) speciaal onderwijs16,218,319,019,019,019,019,1
Primair onderwijs4,74,94,94,95,05,04,9

Bron: Referentieraming 2006, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren.

NB: De berekeningswijze is als volgt: gesaldeerde uitgaven in de respectievelijke jaren in constante prijzen gedeeld door het aantal leerlingen per 1 oktober van de respectievelijke jaren. In tegenstelling tot eerdere begrotingen wordt er geen onderscheid meer gemaakt naar de uitgaven per leerling in het basisonderwijs en in het speciaal basisonderwijs. Door de invoering van lumpsum is deze splitsing niet meer zinvol.

Tabel 1.7 Aantal scholen in het primair onderwijs
 2005200620072008200920102011
Scholen voor basisonderwijs6 9546 9546 9546 9546 9546 9546 954
Scholen voor speciaal basisonderwijs326326326326326326326
Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs323323323323323323323
Totaal primair onderwijs7 6037 6037 6037 6037 6037 6037 603

Bron: Cfi-tellingen, op teldatum 1 augustus van de respectievelijke jaren.

1.3.2 Kwaliteit en innovatie: waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs

Motivatie

Het onderwijs bereidt de leerling voor op de Nederlandse samenleving. Het primair onderwijs moet het voor de leerling mogelijk maken naar die vorm van voortgezet onderwijs te gaan die het beste aansluit bij zijn of haar talenten. Dit vraagt om kwalitatief goed primair onderwijs. De bestedingsruimte van scholen is verruimd door centrale innovatiemiddelen aan het lumpsumbudget van de scholen toe te voegen. Zo kunnen scholen beter verantwoordelijk zijn voor hun eigen kwaliteit en innovatie. De Inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Dit wordt nader toegelicht in artikel 19.

De Inspectie van het Onderwijs constateert in het Onderwijsverslag over 2004/2005 dat de kwaliteit van het basisonderwijs heel behoorlijk is en dat ten opzichte van vorig jaar weinig is veranderd. Voor een klein aantal scholen (ongeveer 2%) geldt dat zij niet voldoen aan de basisnormen voor kwaliteit. In het afgelopen jaar zijn afspraken gemaakt met de Inspectie van het Onderwijs over een effectieve aanpak van zeer zwakke scholen, gericht op versnelling.

Scholen voor speciaal basisonderwijs en de in de regionale expertisecentra georganiseerde scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs werken met veel inzet aan de verbetering van de kwaliteit. Deze scholen zijn echter gemiddeld nog te weinig doelgericht. De Inspectie van het Onderwijs volgt nauwgezet de ontwikkelingen op dit gebied.

Het eind 2005 opgerichte PO Platform Kwaliteit en Innovatie voert het innovatieplan 2006–2007 uit. Met dit plan worden scholen in staat gesteld om eigen innovatieprojecten uit te voeren. Deze aanpak is gericht op het op gang brengen van een krachtige innovatiebeweging van onderop. Het PO Platform Kwaliteit en Innovatie zal zoveel mogelijk innovatieprojecten bundelen, zodat versnippering van initiatieven wordt vermeden. Daarnaast zullen beleidsthema’s worden geagendeerd om tussen OCW en het PO Platform fasegewijs afspraken te maken over te bereiken resultaten, gecoördineerde vormgeving en uitvoering. In de rapportage Koers PO ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 259) wordt de voortgang van het PO Platform Kwaliteit en Innovatie gemeld.

Instrumenten

• Innovatie in het primair onderwijs: Innovatie heeft als doel de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren en het onderwijs te laten aansluiten op de eisen van deze tijd. Onder verantwoordelijkheid van het PO Platform Kwaliteit en Innovatie wordt het raamplan Innovatie uitgevoerd. Dit raamplan biedt scholen mogelijkheden om van elkaar te leren en diepteprojecten uit te voeren.

• Vergroten kwaliteitszorg: Scholen worden gestimuleerd de kwaliteit van het onderwijs systematisch te bewaken en te verbeteren. Onder verantwoordelijkheid van het PO Platform Kwaliteit en Innovatie worden scholen ondersteund bij de ontwikkeling van de kwaliteitszorg in het primair onderwijs.

• Verbreding techniek in het basisonderwijs: Het programma «Verbreding Techniek in het Basisonderwijs» (VTB) stimuleert scholen in het primair onderwijs bèta en techniek een structurele plek te geven in het onderwijs aan leerlingen van groep 1 tot en met groep 8. Het programma levert een bijdrage aan het doel om meer kinderen te laten kiezen voor bèta en techniek (Deltaplan bèta/techniek, artikel 6 en 7 «Hoger Onderwijs»). Vanuit het FES (fonds economische structuurversterking) wordt in totaal € 20 miljoen geïnvesteerd om leerkrachten op het gebied van techniek in het primair onderwijs bij te scholen en om kennismobiliteit vanuit het bèta- en techniekveld richting basisscholen te bevorderen.

• Cultuur en school: Het doel van «cultuur en school» is een bijdrage te leveren aan de culturele vorming van kinderen. Daarbij wordt gestreefd naar een structurele verankering van cultuureducatie in het onderwijsprogramma. Indicatoren en effectgegevens zijn opgenomen in artikel 14 «Cultuur».

• Schoolbegeleiding: Schoolbegeleiding kan door scholen worden ingezet voor de verbetering van de kwaliteit van hun onderwijs. Schoolbegeleiding omvat begeleidingsactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten, advisering, informatieverstrekking en evaluatie, evenals activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen. Per 1 augustus 2006 is de vraaggestuurde financiering van schoolbegeleiding ingevoerd. Vanaf die datum ontvangen de scholen het rijksbudget voor schoolbegeleiding en kunnen dan zélf besluiten of en bij wie zij schoolbegeleiding willen inkopen. Tot 1 januari 2008 is er sprake van een overgangssituatie; tot die datum ontvangen de schoolbegeleidingsdiensten nog 50% van het rijksbudget voor schoolbegeleiding.

• Actief burgerschap en integratie: OCW biedt scholen handreikingen om invulling te geven aan de wettelijke plicht (Wet van 9 december 2005, houdende opneming in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs van de verplichting voor scholen om bij te dragen aan de integratie van leerlingen in de Nederlandse samenleving, Staatsblad 2005, 678, 29 666) om aandacht te besteden aan actief burgerschap en sociale cohesie. In 2007 zal het ontwikkel- en onderzoeksproject «Burgerschapsvorming in de basisschool» verder worden ontwikkeld en uitgevoerd. Het doel van het project is om een leerplan te ontwikkelen dat scholen voor primair onderwijs steunt in het structureel vormgeven van hun pedagogische doelstelling om de leerlingen voor te bereiden op actief democratisch burgerschap. Dit leerplan zal na afloop van het project (in 2009) op 10% van de basisscholen in Nederland (ongeveer 700) zijn ingevoerd. Er zijn ook andere initiatieven, bekostigd uit het kennisbudget en uit sloa-middelen op beleidsartikel 3 «voortgezet onderwijs». Zo kunnen scholen voor good practices en lesmaterialen terecht op de website www.burgerschap.kennisnet.nl. De stichting leerplanontwikkeling ontwikkelt samen met de onderwijspraktijk en ondersteunende instellingen kernleerplannen.

Meetbare gegevens

Tabel 1.8
Meetbare gegevens2004200520062007
1. Innovatiein het primair onderwijs: percentage scholen dat een projectsubsidie ontvangt voor «scholen leren van elkaar»Basiswaarde: 0% in 20040%5%10%
Bron: Projectenorganisaties    
2. Vergroten kwaliteitszorg: percentage scholen dat het systeem van kwaliteitszorg goed op orde heeft naar de kwaliteitsnormen, die de Inspectie van het Onderwijs hanteert op basis van de wettelijke bevoegdheid van de Inspectie van het Onderwijs en conform de door de Inspectie van het Onderwijs gekozen methodiek van het bezoeken van scholen*Basiswaarde: 45% in 2003–200445%45%50%55%
Bron: Onderwijsverslag    

* NB: De systematiek van de Inspectie van het Onderwijs is gewijzigd. Dit leidt tot kleine verschillen met de percentages genoemd in de begroting 2006.

Toelichting

• Innovatie in het primair onderwijs: het genoemde percentage is gebaseerd op het aantal scholen dat in aanmerking kan komen voor een projectsubsidie gegeven het beschikbare budget. De projectsubsidies worden verleend voor «leren van elkaar» (breedteprojecten) en «het uitdiepen van innovatieve thema’s» (diepteprojecten). De subsidie wordt pas verstrekt indien voldaan is aan de voorwaarden voor «scholen leren van elkaar» . De uitkomsten van «scholen leren van elkaar» worden verspreid zodat 4 000 scholen (50%) actief opbrengsten kunnen gebruiken in het onderwijs.

• Vergroten kwaliteitszorg: van 2002 tot 1 augustus 2006 heeft het project Q*Primair gefunctioneerd. Q*Primair had versterking van kwaliteitszorg in het primair onderwijs tot doel. De genoemde meetbare gegevens en streefwaarde in de voorgaande begrotingen zijn gebaseerd op de activiteiten van Q*Primair. De activiteiten van Q*Primair gaan onderdeel uit maken van de activiteiten van het PO Platform Kwaliteit en Innovatie. Het PO Platform ontwikkelt een stapsgewijze aanpak gericht op de ambitie om het overgrote deel van de scholen (90%) een voldoende te laten scoren op kwaliteitszorg volgens de normen van de Inspectie van het Onderwijs. Eind schooljaar 2006–07 heeft 55% van alle scholen een voldoende. Afspraken zullen worden gemaakt over een aanpak om het realisatieniveau stapsgewijs te verhogen, met aparte aandacht voor zeer zwakke scholen.

1.3.3 School en omgeving: ondersteunen van leerlingen die extra zorg nodig hebben, het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden en het stimuleren van sluitende dagarrangementen.

Motivatie

Ook voor leerlingen die zonder extra zorg niet goed in staat zijn onderwijs te volgen, is het noodzakelijk dat zij passend onderwijs kunnen volgen. Het gaat hier bijvoorbeeld om leerlingen met leermoeilijkheden of grote leerachterstanden of om leerlingen met een handicap of stoornis die een belemmering kunnen zijn bij het volgen van regulier onderwijs.

De school is een centrale schakel in een keten van voorzieningen voor álle kinderen van 0 tot 12 jaar. Het is van belang dat op lokaal en op landelijk niveau samenhangend jeugdbeleid wordt gerealiseerd.

Door meer samenhang te bewerkstelligen in de voorzieningen voor 0- tot 12-jarigen worden de ontwikkelingskansen van kinderen vergroot. Een sluitend, afwisselend dagprogramma bieden aan kinderen, al dan niet binnen een brede school, vergemakkelijkt de combinatie van arbeid en zorg voor de ouders van jonge kinderen. Ook draagt samenhang bij aan het voorkomen van achterstanden, uitval, leer- en gedragsmoeilijkheden.

Verschillende voorzieningen sluiten nog onvoldoende op elkaar aan: scholen, opvang- en zorginstellingen, sport- en cultuuraanbieders en medeoverheden (gemeenten en provincies) stuiten op problemen bij het realiseren van meer samenhang in het aanbod. Het kabinet ondersteunt lokale initiatieven en stimuleert dat er meer brede scholen ontstaan.

Daarnaast is het van belang voor leerlingen en personeel dat het leren plaatsvindt in een veilig schoolklimaat. De «Evaluatie van de zorgstructuur» is aanleiding geweest voor een fundamentele discussie over de inrichting van het onderwijs aan zorgleerlingen ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 21 860, nr. 75 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 27 728, nr. 75). Het naast elkaar bestaan van drie verschillende zorgstructuren binnen het onderwijs leidt tot knelpunten in de afstemming en leerlingen vallen tussen wal en schip. Verkend wordt of de invoering van een zorgplicht een oplossing kan bieden. Op grond van de zorgplicht krijgen schoolbesturen de verantwoordelijkheid om voor elke leerling die zich aanmeldt of staat ingeschreven bij één van de scholen binnen het bestuur een passend onderwijsarrangement te bieden. Indien de school het arrangement niet (volledig) zelf kan bieden, dan moet de school in overleg met scholen in de buurt tot een arrangement komen.

Instrumenten

• Weer samen naar school: in de Wet op het primair onderwijs is geregeld dat scholen voor basisonderwijs en scholen voor speciaal basisonderwijs in samenwerkingsverbanden werken om leerlingen die (tijdelijk) extra zorg nodig hebben, een continuüm aan zorg te bieden. De financiering hiervoor is opgenomen in het lumpsumbudget van scholen. Apart opgenomen zijn de middelen die hiervoor aan de samenwerkingsverbanden worden toegekend. Aanvullend hierop worden middelen beschikbaar gesteld voor de verbetering van de leerlingenzorg, bijvoorbeeld voor de verbetering van de handelingsbekwaamheid van de leerkracht, voor een evaluatiekader voor de leerlingenzorg en voor het omgaan met leesproblemen en dyslexie bij een leerling.

• Leerlinggebonden financiering: op grond van de Wet op de expertisecentra kunnen ouders ervoor kiezen hun geïndiceerde kind bij het speciaal onderwijs in te schrijven of bij het reguliere onderwijs met een leerlinggebonden budget. De reguliere financiering is opgenomen in het lumpsumbudget van de scholen. Apart opgenomen zijn middelen die niet direct naar de scholen gaan, maar naar bijvoorbeeld de regionale expertise centra en naar de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling (LCTI).

• Onderwijsachterstandenbeleid: dit instrument dient ter voorkoming en bestrijding van achterstanden die zijn opgelopen door sociale, culturele en economische omstandigheden. Het bestrijden van deze achterstanden vindt plaats via gemeenten (voorschoolse educatie en schakelklassen) en via scholen (gewichtenregeling, vroegschoolse educatie inclusief extra middelen uit motie Verhagen). De middelen voor 31 grote steden worden verdeeld via de «Brede Doeluitkering Sociaal Integratie Veiligheid». De middelen voor de scholen zijn opgenomen in het lumpsumbudget van de scholen. De middelen voor«voor- en vroegschoolse educatie» worden tevens ingezet als preventie tegen latere schooluitval. In artikel 4 (Beroeps- en Volwasseneneducatie) is een verdieping van het onderwerp«voortijdig schoolverlaten» opgenomen. In 2006 is de gewichtenregeling aangepast. In het schooljaar 2006/2007 wordt een begin gemaakt met het geleidelijk invoeren van de nieuwe gewichtenregeling. Eind 2010 moet 70% van de kinderen uit de doelgroep deelnemen aan een VVE-programma dat hun (taal)ontwikkeling vroegtijdig stimuleert. Tot augustus 2006 waren gemeenten verantwoordelijk voor de voorschool èn de vroegschool. Na augustus zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de financiering van de voorschoolse educatie en de scholen voor de vroegschoolse educatie. Gemeenten trekken daarom na augustus 2006 geleidelijk middelen terug uit de vroegschool. Uit de FES-middelen komt € 45 miljoen extra beschikbaar voor VVE. Deze middelen worden ingezet om dit uitgroeiproces te versnellen. Gemeenten kunnen dan sneller het volledige budget inzetten op de voorschool en hierdoor voor de voorschoolse programma’s al eerder een doelgroepbereik van 70% halen.

• Eerste opvang aan leerplichtige asielzoekers: Gemeenten ontvangen een specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de kosten voor de eerste opvang van vreemdelingen aan een school die gelegen is in de desbetreffende gemeente. Gebleken is dat gemeenten problemen hebben met de uitvoering van de regeling. Om die reden is in overleg met betrokken partijen besloten om de regeling na 1 augustus 2007 niet te verlengen maar de beschikbare middelen met ingang van de genoemde datum in de vorm van aanvullende formatie rechtstreeks aan de scholen toe te kennen.

• Veiligheid op school: Subsidiëring van het Centrum School en Veiligheid. Subsidiëring van extra inzet voor schoolmaatschappelijk werk voor de opvang van risicoleerlingen. Bekostiging van 1000 extra ZMOK-plaatsen.

• Brede scholen en dagarrangementen: Brede scholen zijn lokale initiatieven. Door voorlichting (onder andere door middel van de website www.bredeschool.nl) levert OCW een bijdrage aan de lokale initiatieven. Het programma dagarrangementen (2006–2008) levert een bijdrage in de vorm van goede voorbeelden voor onder andere brede scholen. In 2006 en 2007 is in totaal € 36 miljoen (FES-middelen) beschikbaar voor aanpassingen in de huisvesting van scholen met als doel deze voorzieningen geschikt te maken voor multifunctioneel gebruik.

• Tussenschoolse opvang: Schoolbesturen zijn sinds het schooljaar 2006/2007 verantwoordelijk voor het (laten) organiseren van een overblijfvoorziening. Voor de scholing van overblijfmedewerkers kunnen schoolbesturen een subsidie aanvragen. Scholen voor speciaal basisonderwijs ontvangen extra middelen om gedurende de middagpauze twee extra onderwijsassistenten in te zetten. Deze middelen staan in tabel 1.1 onder «personele bekostiging». De € 30 miljoen die eerder beschikbaar is gesteld voor het laten organiseren van tussenschoolse opvang, is opgenomen onder «materiële bekostiging».

• Faciliteiten zieke leerlingen: Schoolbegeleidingsdiensten ontvangen middelen om het onderwijsprogramma voor zieke leerlingen te faciliteren. De thuisschool kan ondersteuning inroepen van de schoolbegeleidingsdienst indien de leerling is opgenomen in een (niet-academisch) ziekenhuis of ziek thuis zit. De academische ziekenhuizen ontvangen rechtstreeks middelen voor de educatieve voorzieningen van leerlingen die daar zijn opgenomen.

• Buitenschoolse opvang: Voor het uitvoeren van de motie Van Aartsen/Bos (Motie om scholen te verplichten voor- en naschoolse opvang te bieden of faciliteiten daartoe te bieden ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300, nr. 14) wordt artikel 45 van de Wet op het primair onderwijs gewijzigd. De wijziging houdt in dat scholen de aansluiting met buitenschoolse opvang moeten regelen voor ouders die dit wensen. Doel hiervan is om bestaande organisatorische problemen voor ouders op te lossen zodat deze dan meer tijd zullen hebben voor betaalde arbeid en hun arbeidsdeelname mogelijk willen en kunnen verhogen. Het voornemen is dat per 1 januari 2007 scholen een inspanningsverplichting hebben, per 1 augustus 2007 geldt een resultaatsverplichting. Per 1 augustus 2007 moeten dus alle scholen (100%) aansluiting met de buitenschoolse opvang bieden voor ouders die dit wensen. Voor de invoering van de motie Van Aartsen/Bos is voor het schooljaar 2006–2007 een bedrag van € 50 miljoen gereserveerd voor basisscholen. Hiermee kan op iedere basisschool een onderwijsondersteunend medewerker een jaar lang circa vijf uur per week coördinatiewerkzaamheden uitvoeren.

Meetbare gegevens

Tabel 1.9
 2004200520062007200820092010
1. Weer samen naar school: de school voert de zorg planmatig uitBasiswaarde: 80% in 200480%76%80%80%   
Bron: Onderwijsverslag       
2. Weer samen naar school: de leraren stemmen de instructie en verwerking af op de verschillen in ontwikkeling tussen de leerlingenBasiswaarde: 50% in 200450%47%50%50%   
Bron: Onderwijsverslag       
3. Weer samen naar school: aantal leerlingen op een plaatsingslijst van het speciaal basisonderwijs op 1 oktoberBasiswaarde: 620 in 2001725500   
Bron: Inspectie van het Onderwijs       
4. Leerlinggebonden financiering: percentage leerlingen met een handicap, dat wordt ingeschreven in het reguliere onderwijsBasiswaarde: –  25%25%   
Bron: Cfi       
5. Onderwijsachterstandenbeleid: percentage doel- groepleerlingen onder 2 tot 6-jarigen, dat feitelijk deelneemt aan een vve-programmaBasiswaarde: 0% in 2000 50%    70%
Bron: SCP       
6. Onderwijsachterstandenbeleid: aantal leerlingen deelgenomen aan schakelklassenBasiswaarde: 0 in 2006  09 0009 0009 0009 000
Bron: Effectmeting schakelklassen       
7. Onderwijsachterstandenbeleid: reductie taalachterstand doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschoolBasiswaarde: 1 tot 2 jaar afhankelijk van de categorie achterstandsleerling  – 25% – 30% – 35%
Bron: NWO cohortonderzoek       
8. Veiligheid op school: percentage scholen met preventieve maatregelenBasiswaarde: 80% in 2003  90%90%   
Bron: Quick Scan van Regioplan 2006/2007       
9. Brede scholen en dagarrangementen: aantal brede scholen (streefwaarde gemeenten)Basiswaarde: 500 in 2004500600    1 200
Bron: Jaarbericht Brede scholen in Nederland       
10. Tussenschoolse opvang: aantal overblijfmedewerkers dat op jaarbasis scholing ontvangtBasiswaarde: –7 34210 5105 0005 000   
Bron: Aanvragen subsidieregeling scholing overblijfmedewerkers (CFI)       
11. Buitenschoolse opvang: percentage scholen dat buitenschoolse opvang laat organiseren voor ouders die dit wensen.Basiswaarde: 29% in 2005 29% 100%   
Bron: Rapport Kinderopvang van acht tot half zeven? Een onderzoek onder basisschooldirecteuren, november 2005       

Toelichting:

• Weer samen naar school: Vanaf 2005 is het toezichtskader primair onderwijs van de Inspectie van het Onderwijs gewijzigd. Naar aanleiding daarvan zijn door de Inspectie van het Onderwijs de gemiddelde scores van de scholen op de kwaliteitsindicatoren herberekend. Dit geldt voor de indicatoren «de school voert de zorg planmatig uit» en «de leraren stemmen de instructie en de verwerking af op de verschillen in ontwikkeling tussen de leerlingen». De omvang van de indicator «aantal leerlingen op een plaatsingslijst van het speciaal basisonderwijs» wordt jaarlijks per 1 oktober gemeten door de Inspectie van het Onderwijs. De doelstelling is dat er geen kinderen op een plaatsingslijst staan.

• Leerlinggebonden financiering: Ouders kunnen kiezen of zij hun geïndiceerde kind willen inschrijven in het (voortgezet) speciaal of in het regulier onderwijs met een rugzak. Hierdoor is het lastig een streefwaarde te formuleren. Op basis van internationaal onderzoek is de verwachting, dat circa 25% van de geïndiceerde leerlingen naar het regulier onderwijs gaat. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat internationaal gezien, in tegenstelling tot Nederland geen onderscheid wordt gemaakt tussen «lichte» problematiek (wsns) en «zwaardere» problematiek ((v)so/lgf). In de 25% kunnen dan ook leerlingen met lichtere problematiek zitten.

• Onderwijsachterstandenbeleid: Het is de bedoeling dat het percentage doelgroepleerlingen onder 2- tot 6-jarigen, dat feitelijk deelneemt aan een vve-programma over de periode 2006 tot 2010 groeit van 50% naar 70%. Het streven is dat in 2010 zo’n 36 000 leerlingen hebben deelgenomen aan een schakelklas. Gemiddeld zal dit over de jaren 2006 tot 2010 steeds zo’n 9000 leerlingen per jaar zijn, maar dit kan per jaar fluctueren. De taalachterstand van doelgroepleerlingen ten opzichte van niet-doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschool is afhankelijk van de categorie achterstandsleerling. De doelgroep bestaat uit allochtone leerlingen en autochtone achterstandsleerlingen, op basis van de oude gewichtenregeling. Tot en met het schooljaar 2009–2010 wordt de oude gewichtenregeling geleidelijk afgebouwd. Het doel is om de taalachterstand in jaren per categorie met steeds 5% per twee jaar te reduceren.

• Veiligheid op school: Het veiligheidsbeleid van het Ministerie van OCW is erop gericht dat veiligheid een structurele inbedding krijgt in het schoolklimaat. De aanwezigheid van preventieve maatregelen in een school duidt erop dat scholen beschikken over een (actief) veiligheidsbeleid.

• Brede scholen en dagarrangementen: Gemeenten streven naar 1200 brede scholen in 2010. OCW ondersteunt deze ambitie. Het aantal brede scholen zoals dat in het Jaarbericht wordt vermeld, is een indicator voor de mate waarin deze ambitie is gerealiseerd.

• Tussenschoolse opvang: Onderzoek van Research voor Beleid geeft aan dat gebruik van de regeling bijdraagt aan de deskundigheidsbevordering van de overblijfmedewerkers en daarmee aan de verbetering van de kwaliteit van de tussenschoolse opvang (Research voor beleid, 2004: Evaluatie van de subsidieregelingen scholing overblijfkrachten 2002, 2003). Het aantal medewerkers dat is geschoold geeft aan in hoeverre er gebruik is gemaakt van de «regeling scholing overblijfmedewerkers».

• Buitenschoolse opvang: het genoemde startpercentage is afkomstig van onderzoek onder 251 directeuren (eind 2005). Na de wetswijziging (WPO) waarmee basisscholen verantwoordelijk worden voor het organiseren van een voorziening voor buitenschoolse opvang moet 100% van de scholen hieraan voldoen. De verplichting gaat in per 1 augustus 2007.

1.4 Overzicht evaluatieonderzoeken

Operationele doelstellingOnderwerpPlanning onderzoekSoort onderzoek
Stelselonderhoud   
 Review bestuurlijke condities2008Beleidsdoorlichting
 Lumpsum2007–2010Ex-post evaluatieonderzoek
 Materiële bekostiging2006–2007Ex-post evaluatieonderzoek
 Onderwijshuisvesting2006–2007Ex-post evaluatieonderzoek
 Beleidsvoerend vermogenbasisscholen2008Ex-post evaluatieonderzoek
 Convenantsponsoring2007Ex-post evaluatieonderzoek
Kwaliteit en innovatie   
 Review innovatie en kwaliteit2008Beleidsdoorlichting
 Groepsgrootteen effecten op leerprestaties2006Ex-post evaluatieonderzoek
 Effectieve beleidscontexten voor zeer zwakke scholen2007Ex-post evaluatieonderzoek
School en omgeving   
 Review institutionele omgeving school2008Beleidsdoorlichting
 Review samenhang regulier en speciaal (basis)onderwijs2008Beleidsdoorlichting
 Vernieuwing zorgstructuren po en vo2006Overig evaluatieonderzoek
 Leerlingenstromen po2007Overig evaluatieonderzoek
 Functioneren CvI2006Ex-post evaluatieonderzoek
 Invloed ouders op onderwijs lgf-kinderen2006Ex-post evaluatieonderzoek
 Relatie school, ouders en kinderen2007Ex-post evaluatieonderzoek
 Functioneren LCTI2006Ex-post evaluatieonderzoek
 Schakelklassen2005–2009Ex-post evaluatieonderzoek
 vve-programma Startblokken en Basisontwikkeling2006Ex-post evaluatieonderzoek
 Voor- en vroegschoolse programma’s2008Ex-post evaluatieonderzoek
 Monitorvve2006, 2008, 2010Ex-post evaluatieonderzoek
 Tussenschoolse opvang2006Ex-post evaluatieonderzoek
 Brede scholen: aanpak en opbrengsten2007Ex-post evaluatieonderzoek
 Succescondities voor hoogbegaafde leerlingen2007Ex-post evaluatieonderzoek
 Diagnostisch instrument Dyslexie2007Ex-post evaluatieonderzoek