Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

ARTIKEL 3. VOORTGEZET ONDERWIJS

3.1 Algemene beleidsdoelstelling: leerlingen zijn goed voorbereid voor een vervolgopleiding uiteindelijk leidend tot de arbeidsmarkt.

Omschrijving

Het voortgezet onderwijs omvat het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en het praktijkonderwijs (pro).


Het voortgezet onderwijs telt ruim 900 000 leerlingen van 12 tot 18 jaar. Hun carrière in het voortgezet onderwijs is vaak beslissend voor hun succes in hun vervolgopleiding of latere werk. Met het overgrote deel van deze leerlingen gaat het prima op school, maar een fors aantal heeft extra zorg of begeleiding nodig om de schoolcarrière tot een goed einde te brengen, liefst met een diploma op zak.

Het voortgezet onderwijs biedt de leerlingen verschillende leerroutes aan, zodat zij een diploma halen dat past bij hun talenten en wensen. Uit het basisonderwijs stromen elk jaar zo’n 200 000 leerlingen de onderbouw binnen. Na 4, 5 of 6 jaar verlaat deze stroom het voortgezet onderwijs. Vele leerlingen stromen door met het vmbo-diploma naar het mbo, of vervolgen met het havo/vwo. Vanuit het havo/vwo starten veel leerlingen met een hbo- of een wo-opleiding.

De jaren op het voortgezet onderwijs vormen een interessante, maar gezien de leeftijdsfase van de leerlingen toch ook moeilijke periode. Voor de resultaten die de leerlingen in het vo bereiken is het belangrijk dat de leerlingen alle lessen volgen (inspecties op school worden strenger), niet tussentijds vertrekken (verlengen leerplicht tot 18 jaar), de lessen boeiend zijn (kundige docenten, leerwerk trajecten, maatschappelijke stage), dreigende problemen snel worden gesignaleerd (adequate Zorg Advies Teams) en aangepakt (Operatie Jong). De school heeft ook een verantwoordelijkheid om de leerlingen te begeleiden (praktijkonderwijs) naar het werk of naar het vervolgonderwijs. Wat doet de school hieraan voor de leerlingen?

Leraren en directeuren staan gelukkig steeds minder alleen in hun taak. We mogen verwachten dat de omgeving van de school meedenkt en verantwoordelijkheid neemt. Op haar beurt stelt de school zich open op. De school geeft haar omgeving de mogelijkheid om te mee te denken en te doen over de invulling van haar opleidende en opvoedende taak, om te controleren of de zaak goed gaat: de zogenoemde horizontale verantwoording. Het goed functioneren van deze horizontale relatie is een belangrijk aandachtspunt in de ontwikkeling naar nieuwe bestuurlijke verhoudingen (governance). Het voortgezet onderwijs wordt betaald door de centrale overheid. Namens de maatschappij let de Inspectie van het Onderwijs op de kwaliteit; daarnaast ziet de accountant toe op de rechtmatigheid van de uitgaven.


Het toezicht wordt binnen de sector voortgezet onderwijs, evenals in andere sectoren, door een aantal betrokkenen uitgeoefend:

– het bevoegd gezag van een instelling (het zogeheten intern toezicht);

– belanghebbenden (stakeholders) bij goed onderwijs (horizontale verantwoording);

– landelijke toezichthouders (de Inspectie van het Onderwijs, Cfi en de Auditdienst). Voor het goed functioneren van de totale jeugdketen is het van belang dat de Inspectie van het Onderwijs goed samenwerkt met de andere inspecties in het Jeugddomein.

De Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer controleren het beleid van de minister en het Ministerie.

In het stelsel van toezicht is sprake van proportionaliteit: des te beter het interne toezicht en de horizontale verantwoording functioneren, des te minder het verticale toezicht nodig is.

Zoals eerder aangegeven zal in 2007 worden voortgebouwd op de ervaringen van 2006 met geïntegreerd toezicht door landelijke toezichthouders en op de bevindingen rond horizontale verantwoording.

De bevindingen uit het stelsel van toezicht als geheel (inclusief het monitoren van signalen) leveren een beeld van de kwaliteit van het onderwijs en voor een risicoanalyse op stelselniveau.

Controle is nodig, maar wél binnen redelijke grenzen. Dat geldt ook voor voortgezet onderwijs. Daarom streven we naar deregulering en decentralisatie. Bij elk beleidsvoorstel wordt gestreefd naar maximale effectiviteit en minimale administratieve lasten.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister van OCW is verantwoordelijk voor het goed presteren van het vo-bestel, de bekostiging en de doelmatigheid. De scholen krijgen zoveel mogelijk vrijheid om hun onderwijs zelf vorm te geven teneinde het beste uit de leerling te halen. Die keuzes moeten wél worden verantwoord aan betrokkenen: met name ouders, leerlingen, personeel en inspectie.

Kritische succesfactoren

• Onderwijsarbeidsmarkt: de aantrekkingskracht van banen in het onderwijs op onderwijzend personeel en toekomstig/potentieel onderwijzend personeel.

• Demografische ontwikkelingen, zoals veranderingen in de samenstelling van de leerlingenpopulatie en het lerarenbestand.

3.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.1 budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 2005200620072008200920102011
Verplichtingen7 460 6005 739 7255 836 4445 713 8815 646 9945 631 8185 617 411
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven (programma + apparaat)5 570 7615 770 9995 869 4815 744 9905 678 1115 662 9345 648 328
        
Programma-uitgaven5 565 1985 764 8935 864 6775 740 2885 673 4085 658 2315 643 624
        
Stelselonderhoud: school centraal/bevrijd5 445 8485 579 2265 616 2425 487 5045 420 2295 405 7695 392 174
• Personele en materiële bekostiging5 386 1355 516 5565 523 5075 391 6625 341 8775 331 7165 318 120
• Onderwijsondersteuningen projecten51 51651 62667 90071 00754 16750 26850 269
• Innovatie4 3327 5007 5007 5007 5007 5007 500
• Harmonisatie BSM  15 00015 00015 00015 00015 000
• Onderbouwonderdeel van stelsel onderhoud  
• Tweede fase2 0651 7441 2851 2851 2851 2851 285
• Internationaal: internationale leerwegen  400400400  
• Kwaliteitszorg/voortzetting Q5 project (incl. ISIS in 2005 en 2006)1 8001 800650650   
        
Schooltypen sluiten goed op elkaar aan, soepele schakels34 34458 66140 50040 50040 50039 80039 800
• Doorontwikkeling VMBO16 06640 58220 50020 50020 50020 50020 500
• Examens18 27818 07920 00020 00020 00019 30019 300
        
Leerlingen met gedrags, leer- en sociale/emotionele problemen worden specifiek behandeld56 70088 700169 400175 200175 400175 500175 400
• Leerplusarrangement/nieuwkomers  75 00075 00075 00075 00075 000
• Uitvoeren maatregelen Plan van Aanpak Veiligheid56 70086 70086 70086 40086 40086 40086 400
• Jeugdbeleiden Zorg- en Adviesteams 2 0002 000    
• VSV/verlenging leerplicht (zie BVE)  5 70013 80014 00014 10014 000
        
Het leeraanbod gericht op soc. en maatsch. vaardigheden neemt toe en de leerling krijgt vaker te maken met maatsch. praktijk3 1779 75415 12913 62913 62913 62913 629
• Bevorderen maatschappelijke stages2 3929 25413 62913 62913 62913 62913 629
• Sport7855001 500    
        
Programmakosten overig25 12928 55223 40623 45523 65023 53322 621
• Uitvoeringsorganisatie IBG14 59018 50414 88814 95815 07214 95614 044
• Uitvoeringsorganisatie CFI10 53910 0488 5188 4978 5788 5778 577
        
Apparaatsuitgaven5 5636 1064 8044 7024 7034 7034 704
Ontvangsten4 886111 696129 19623 8616 3611 3611 361

Tabel 3.2 budgetflexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20072008200920102011
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)5 841 2715 716 8335 649 7585 634 6985 621 003
Totaal juridisch verplicht5 655 4835 605 3535 556 5795 545 1965 530 338
Totaal bestuurlijk gebonden185 601111 10692 80589 12890 291
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden187374374374374
Stelselonderhoud: de school centraal/bevrijd5 616 2425 487 5045 420 2295 405 7695 392 174
• Juridisch verplicht5 430 4545 376 0245 327 0505 316 2675 301 509
• Bestuurlijk gebonden185 601111 10692 80589 12890 291
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden187374374374374
      
Schooltypen sluiten goed op elkaar aan, soepele schakels40 50040 50040 50039 80039 800
• Juridisch verplicht40 50040 50040 50039 80039 800
• Bestuurlijk gebonden     
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Leerlingen met gedrags-, leer- en sociale/emotionele problemen worden specifiek behandeld169 400175 200175 400175 500175 400
• Juridisch verplicht169 400175 200175 400175 500175 400
• Bestuurlijk gebonden     
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Het leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden neemt toe en de leerling krijgt vaker te maken met maatschappelijke praktijk15 12913 62913 62913 62913 629
• Juridisch verplicht15 12913 62913 62913 62913 629
• Bestuurlijk gebonden     
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

3.3 Operationele doelstellingen

3.3.1 Stelselonderhoud: de school centraal/bevrijd

Motivatie

Door de school als instituut «te bevrijden van ketens» (Koers VO: Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 151), krijgt de school de ruimte om zelf invulling te geven aan de manier waarop voor haar doelgroep leerlingen het meest effectief geleerd wordt (het hoe). De centrale overheid legt op hoofdlijnen vast wát geleerd moet worden.

Instrumenten

Personele en materiële bekostiging

Voor de leerlingen ontvangen de scholen van de rijksoverheid een bedrag voor de personele en materiële kosten. Hiermee worden de scholen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen en te voorzien in kosten van de materiële instandhouding, zoals gebouwonderhoud, inventaris en leermiddelen, energiekosten, ict voorzieningen en schoonmaak.

Het voortgezet onderwijs kent al 10 jaar de lumpsumbekostiging voor de reguliere uitgaven. Deze bekostigingswijze garandeert de scholen een grote mate van vrijheid in de bestedingen.


Landelijke onderwijsondersteunende activiteiten en projecten

De scholen voor voortgezet onderwijs worden verantwoordelijk voor de aansturing van de landelijke onderwijsondersteuning, zodat de scholen zelf kunnen kiezen welke kant ze op willen. De sloa-instellingen gaan dus vraaggestuurder werken, via de sectororganisatie krijgen de scholen meer verantwoordelijkheid voor de programmering. Het proces zal in 2009 starten en in 2013 afgerond zijn ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 8).

Leren door te experimenteren (€ 25 miljoen)

Thema: Doeltreffendheid hoogbegaafde leerlingen

De uit het FES-fonds beschikbare middelen zullen in 2007, 2008 en 2009 worden ingezet voor onderzoek naar de doeltreffendheid van maatregelen ter ondersteuning en begeleiding van leerlingen met een ontwikkelingsvoorsprong en hoogbegaafde leerlingen in het funderend onderwijs (hoogbegaafdheid kan pas vanaf circa 8 jaar worden vastgesteld). Maatregelen voor hoogbegaafde leerlingen die onderwerp van onderzoek kunnen zijn, zijn bijvoorbeeld versnelling van de onderwijsloopbaan, verbreding van het onderwijsaanbod, plusklassen en de begaafdheids-profielscholen in het voortgezet onderwijs.

Thema: Efficiency in het onderwijs

Het doel van dit thema is: hoe kan met de bestaande middelen, gegeven de inhoud van het onder-wijsproces, meer onderwijs worden geboden en hoe krijgen we hier meer op de feiten gebaseerde kennis over? Het voorstel richt zich primair op het voortgezet onderwijs. Het betreft hier onderzoek en experimenten gericht op het efficiënter organiseren van het onderwijsproces. De verwachting is dat met name het verder integreren van ict in de scholen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verhogen van het rendement van de primaire en secundaire processen in de school.

Bèta en techniek (€ 20 miljoen)

Thema: aanpassing van de fysieke leeromgeving vo aan eisen bèta/techniek

Uit de FES-middelen zal € 20 miljoen ter beschikking komen voor het moderniseren van de lokalen bèta en techniek op havo- en vwo-scholen, zodat uitdagend en praktijkgericht onderwijs kan worden gegeven. Uit onderzoek (EB Management, 2005) is gebleken dat 50% van de vo-scholen in matige of slechte omstandigheden zitten voor wat betreft de bèta- en technische infrastructuur. Dit staat een goed en stimulerend onderwijs in de weg en is negatief van invloed op de keuze van leerlingen voor een bèta- of technische vervolgopleiding (bijvoorbeeld ROA, Technotopics, 2006). De beschikbare gelden maken het mogelijk om een financiële impuls te bieden bij het oplossen van dit knelpunt bij 100 scholen.

Er wordt uitgegaan van een substantiële cofinanciering vanuit de scholen zelf, de gemeentelijke overheid of partners in het bedrijfsleven.


Innovatie

Tal van scholen ontwikkelen nieuwe vormen van onderwijs die het talent van jongeren optimaal aanboren, en die aansluiten op de aspiratie en leerstijlen van hun leerlingen. De scholen maken daarbij gebruik van de ruimte die de regelgeving biedt, ze durven traditionele patronen te doorbreken en werken veelal samen met partners in de omgeving, onder andere bedrijven, jeugdzorg, woningcorporaties, vrijwilligerswerk, sport- en cultuurinstellingen. Zo ontwikkelt zich van onderop een beweging waarin scholen zelf innoveren, elkaar daarover informeren en elkaar aansteken.

Het innovatiebeleid is ervoor bedoeld deze processen te stimuleren, door hier impulsen aan te geven die worden ontwikkeld door de georganiseerde sector. Nu is dat nog de Schoolmanagers_VO, straks de VO_Raad. De sector ontwikkelt een innovatiestrategie die de hierboven omschreven beweging ondersteunt en versterkt. OCW verleent– op basis van een jaarlijks innovatieplan van de sector – financiële ondersteuning aan die innovatiestrategie. Daarbij geldt als belangrijkste voorwaarde dat dit plan maatschappelijk (door belanghebbenden bij goed voortgezet onderwijs) en wetenschappelijk gelegitimeerd is. Zie ook de Innovatiebrief vo: Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 800 VIII, nr. 251.


Harmonisatie BSM

In Koers VO ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 151) en de notitie Vmbo-het betere werk (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 30 079, nr. 1) is ingegaan op de intra- en intersectorale programmering (ruimte voor regionale invulling).

De vmbo-scholen willen naast de verplichte (eindexamen) vakken vrije ruimte om voor leerlingen het beste vakkenpakket samen te stellen. De verschillende niveaus van de materiële exploitatiebekostiging staan flexibel opereren van de school in de weg. Daarom worden deze niveaus geharmoniseerd. Alle afdelingen binnen een sector ontvangen hetzelfde bedrag per leerling voor de materiële exploitatie (met uitzondering van het tarief voor de sector techniek). Het gelijktrekken van de tarieven binnen elke sector kost ca. € 15 miljoen structureel.


Onderbouw

Per 1 augustus 2006 is de regeling onderbouw vo ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 323, nrs. 2 en 3) in werking getreden, inclusief nieuwe kerndoelen en aangepaste normen voor de minimale onderwijstijd. Daarmee wordt meer ruimte geboden voor variëteit (maatwerk voor leerlingen, schooleigen keuzes) en voor professionaliteit van het onderwijspersoneel. De doelstelling is dat scholen optimaal gebruik maken van de vergrote beleidsruimte om zodoende maatwerk te bieden voor leerlingen en de aanpak te kiezen, die in de schoolspecifieke context het meest succesvol en wenselijk is.


Reinier is sterk in wis- en natuurkunde, vooral als hij dit kan gebruiken om een technisch product te ontwerpen en te maken. De theorie vindt hij op zich wel interessant, maar vooral in de samenhang en de technische toepassing wordt het écht boeiend. Reinier heeft geluk. Op zijn school heeft een aantal docenten wiskunde, natuurkunde, scheikunde en techniek de handen ineengeslagen om modules «industrieel ontwerpen» aan te bieden in plaats van de afzonderlijke vakken. De school van Reinier maakt dan goed gebruik van de ruimte die de regeling onderbouw vo biedt.


Het onderwijs wordt op verschillende manieren verzorgd om aan te sluiten bij verschillende interesses en leerstijlen. De ruimte om extra tijd te besteden aan onderwijs dat leerlingen prikkelt tot uitblinken, wordt aangegrepen.

Verwezen wordt nog naar de Projectgroep Onderbouw VO, het magazine, het ontwikkelen van voorbeelduitwerkingen van kerndoelen en het (doen) ontwikkelen van experimentele (flexibele) leermiddelen; zie www.onderbouwvo.nl.


Tweede fase

De tweede fase van havo en vwo is in 1998 ingevoerd om het onderwijsprogramma te moderniseren en de aansluiting met het hoger onderwijs te verbeteren. Uit diverse onderzoeken is echter gebleken dat de nieuwe opzet nog een aantal knelpunten vertoonde. Deze hebben vooral te maken met de overladenheid en versnippering van het programma. Ook blijkt het lastig om het goed te organiseren en was er een te geringe keuzevrijheid voor scholen. Om op deze punten tot verbetering te komen (ondermeer afschaffing deelvakken en invoering profielkeuzevak), is in nauwe samenspraak met het onderwijsveld een wijziging van de wet aangebracht, die op 1 augustus 2007 zal ingaan.

Op die datum gaan de scholen voor havo en vwo dus in het vierde leerjaar met de gewijzigde opzet van start.

Zie ook de wijziging van de WVO ter aanpassing van de profielen in tweede fase vwo en havo Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 30 187, nr. 2.


Internationaal: internationale leerwegen

De Onderwijsraad heeft een advies uitgebracht over de bevordering van internationale leerwegen en het internationale baccalaureaat. Daarin wordt aanbevolen de komende jaren extra inspanningen te verrichten voor ontwikkeling van deze leerwegen. Er komen enkele experimenten internationaal baccalaureaat voor Nederlandse leerlingen. Verwezen wordt naar:

– Onderwijsraadadvies, 2005: Internationaliseringsagenda voor het onderwijs 2006–2011.

– Onderwijsraadadvies, 2006: Internationale leerwegen en het internationale baccalaureaat.

– Beleidsreactie internationaliseringsagenda: Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 22 452, nr. 24.


Op de basisschool waren Kemel en Henriëtte al geïnteresseerd in wat er elders in de wereld gebeurde. Later wilden ze ook zeker in andere landen gaan werken en wonen. Internationalisering van het onderwijs is het ontwikkelen en benutten van talenten, die op een steeds internationaler getinte arbeidsmarkt bijdragen aan een sterkere kenniseconomie. Het verwerven van interculturele vaardigheden en begrip voor andere culturen binnen en buiten Europa is minstens zo belangrijk. Er komen steeds meer scholen waar kinderen als Kemel en Henriëtte terecht kunnen.


Kwaliteitszorg/voortzetting Q5 project

Als gevolg van de wetgeving voor schoolplan, schoolgids en klachtenprocedure horen alle scholen een kwaliteitszorgsysteem te hebben. In de meeste gevallen maakt het systeem deel uit van het schoolplan, maar het daadwerkelijk uitvoeren van kwaliteitszorg is nog lang niet op alle scholen aan de orde.

Op scholen waar dat wel gebeurt vullen leerlingen vragenlijsten in over wat er beter kan op school; docenten worden door leerlingen beoordeeld. Mede dankzij het Q5 project is de nodige vooruitgang geboekt met de invoering van daadwerkelijke kwaliteitszorg op scholen, maar nog niet genoeg (ongeveer 2/3 van de vo scholen). Ook andere leerlingen hebben recht op een school waar systematisch gekeken wordt of de kwaliteit goed is en wat er beter kan.

Tabel 3.3 diverse kerncijfers voortgezet onderwijs
 2005200620072008200920102011
1. Totaal aantal ingeschreven leerlingen*904 100903 700900 300887 900881 200876 000877 500
Nader te verdelen in:       
1A. VMBO, incl. LWOO395 500389 800384 800376 700371 800368 000371 000
1B. HAVO226 300228 100227 800224 700223 200221 500220 000
1C. VWO255 100257 800259 200257 500256 600256 000255 000
1D. PRO27 20028 00028 50029 00029 60030 50031 500
2. Uitgaven per onderwijsdeelnemer (x € 1)6 1776 2606 3806 4406 4406 4606 440
3. Totaal aantal scholen656654649648648648648
4. Gemiddeld aantal leerlingen per school1 3781 3821 3871 3701 3601 3521 354

* Op de teldatum. T.b.v. de nadere verdeling in de diverse schoolsoorten zijn de leerlingen uit de brugklassen toebedeeld. In de leerlingraming is nog geen rekening gehouden met een beperking van het aantal te financieren zorgleerlingen.


Tabel 3.4
Meetbare gegevens stelsel20042005200620072008 e.v.
Percentage gediplomeerdenBasiswaarde: 2004: circa 94% (hoog slagingspercentage gediplomeerden)93,9%Handhaving van het hoge percentage gediplomeerden 
Bron: Landelijke gegevens over geslaagden en gezakten jaar 2004 van de onderwijsinspectie*    
Percentage zittenblijversBasiswaarde: 2004 (= 27 500; slechts circa 5%)5,2%Handhaving van het lage percentages zittenblijvers 
Bron: Kerncijfers OCW2001–2005     
Percentage doorstroom na het 1e jaar mbo van vmbo-geslaagdenPmOntwikkeling doorstroompercentages in samenhang met de invoering van het onderwijsnummer  
Percentage doorstroom na het 1e jaar mbo van havo-geslaagdenPm 
Percentage doorstroom na het 1e jaar hbo van havo-geslaagdenPm    
Percentage doorstroom na het 1e jaar hbo van vwo-geslaagdenPm    
Percentage doorstroom na het 1e jaar wo van vwo-geslaagdenPm    
Basiswaarden: (gegevens van CFi)**    
Mening van Nederlanders over de kwaliteit van het onderwijsBasiswaarde: 20056,5In 2010 een waarderingscijfer van 7 
Bron: Kerncijfers OCW 2001–2005     

* Betreft het percentage gediplomeerden ten opzichte van het totaal aantal examenkandidaten. Binnen het voortgezet onderwijs variëren de slagingspercentages: vmbo (incl. lwoo) = 95%, havo = 91%, vwo = 94%; pro = geen diploma.

** De kwaliteit van de VO-scholen komt met name tot uiting in de resultaten van hun gediplomeerden in het vervolgonderwijs. Daarom zijn de betreffende doorstroompercentages opgenomen onder de meetbare gegevens stelsel. Deze worden gebaseerd op het onderwijsnummer. Zij kunnen voor het eerst worden gepresenteerd na de succesvolle invoering van het onderwijsnummer in alle betrokken onderwijssectoren. De invoering van het onderwijsnummer in het Hoger Onderwijs zal mogelijk in 2008/2009 een feit zijn.

Tabel 3.5
Meetbare gegevens20042005200620072008 2009 e.v.
Onderbouw: percentage scholen dat alle kerndoelen aanbiedtBasiswaarde: n.v.t.n.v.t.n.v.t.100%100%100%100%
Bron: Inspectie van het Onderwijs      
Internationale leerwegen: aantal scholen met tweetalig onderwijsBasiswaarde: 2004: 555565758595> 100
Bron: Europees Platform      
Kwaliteitszorg/voortzetting Q5 project: percentage scholen met voldoende kwaliteitszorgBasiswaarde: 2004: 363663657585> 90
Bron: Inspectievan het Onderwijs      

Er zullen voor de tweede fase twee evaluaties worden verricht, waarvan één gericht op het geheel van de tweede fase en één specifiek op het vak lichamelijke opvoeding. Laatstgenoemde evaluatie, te voltooien per 2010. De bredere evaluatie zal, uiterlijk 2012, een verslag geven van de doeltreffendheid en effecten van deze wet in de praktijk.

3.3.2 Schooltypen sluiten goed op elkaar aan, soepele schakels

Motivatie

Als leerlingen de basisschool verlaten, mogen ze verwachten, dat het onderwijs in het voortgezet onderwijs goed aansluit op dat van de basisschool en dat hun talenten maximaal benut worden. Een deel van de leerlingen gaat naar het vwo en hoeft daarom pas in het derde leerjaar te kiezen voor een profiel. Een ander deel gaat naar het vmbo en weet dat ze volgend jaar al een keuze moeten maken uit de leerwegen. Beide groepen verwachten geen drempels tussen de onderbouw en de bovenbouw. Wel moeten de leerlingen en hun ouders zich goed realiseren dat de keuze voor een profiel of leerweg een keuze is, die de rest van je lerende en werkende leven stevig beïnvloedt. Je kiest bij het vmbo voor een technisch, administratief of verzorgend beroep; bij het vwo voor een alfa of een bèta richting.

Instrumenten

Doorontwikkeling vmbo

Voor de leerlingen van de vmbo-opleidingen wordt veel inspanningen geleverd om deze doorlopende leerlijn vanuit het basisonderwijs naar het mbo of de havo te realiseren. Er lopen nu negen projecten die daaraan bijdragen. Leerlingen kunnen een stageplaats zoeken die omgezet kan worden in een leerwerkplek wanneer zij naar het mbo gaan. Door ook het bedrijfsleven sterker te betrekken bij de samenhang tussen het vmbo en mbo, worden de kansen groter.

Dat geldt ook als de bedrijven duidelijk weten te maken waaraan zij behoefte hebben. Niet alleen blijft de opleiding in het vmbo en mbo bij de tijd, maar de leerling ziet de praktijk ook vertaald in de school.


Max volgt de vmbo-opleiding Voertuigentechniek. Daar wil hij over een jaar mee verder gaan in het mbo. Maar nu hoort hij van vrienden dat veel stof op het mbo nog eens dunnetjes wordt overgedaan. De kans is groot, dat hij na het vmbo toch niet verder wil. Als het aan hem ligt, worden de vmbo- en mbo-programma’s samengevoegd tot één doorlopende leerlijn. Dan kan hij – wie weet in een jaar minder! – ook het mbo-diploma behalen.


Er komt ruimte voor regionale programmering, waarbij het vmbo, het mbo en het bedrijfsleven gaan samenwerken. De onderwijsprogramma’s worden flexibeler. De hoofdlijnen zijn gebaseerd op:

– Koers VO: Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 151;

– Vmbo-het betere werk: Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 30 079, nr. 1.

Examens

Het huidige stelsel van centrale examinering in het voortgezet onderwijs wordt in het onderwijsveld en in de Kamer breed gesteund en is een belangrijke pijler voor de kwaliteit. Alle betrokkenen onderkennen de maatschappelijke waarde van het diploma en benadrukken het belang van deze kwaliteitsborging in het voortgezet onderwijs waarmee de doorstroomrechten van de leerling zijn verzekerd. Evenals kerndoelen en onderwijstijd is examens één van de ankerpunten voor het stelsel van voortgezet onderwijs. Zo wordt onderkend dat de examenopgaven, wat inhoud en vorm betreft, meer aansluiting moeten vinden bij de wijze van leren van de moderne leerling en meer ruimte moeten bieden aan scholen voor een eigen invulling van het onderwijsproces.

Na globalisering van de examenprogramma’s (eindtermen) voor het havo/vwo is nu ook gestart met globalisering van de examenprogramma’s voor de leerwegen van het vmbo.

Daarnaast wordt in vervolg op de succesvolle inzet van ict bij de examens voor de beroepsgerichte programma’s in de basisberoepsgerichte- en kaderberoepsgerichte leerweg (het centraal schriftelijk praktisch eindexamen), een start gemaakt met een pilot. In het havo en vwo wordt ook langzaam ervaring opgedaan met nieuwe examens waarin ict-componenten zijn verwerkt of waarbij de afname geheel of gedeeltelijk met de computer plaats gaat vinden. Het streven is, om iedere leerling in welke leerweg of profiel hij of zij examen doet, in 2010 minimaal één examen te laten afleggen dat wordt afgenomen met de computer.


Niet alleen inhoudelijk wordt er drastisch geïnnoveerd, ook in de vorm wordt gezocht naar vernieuwing. Vormen die scholen de mogelijkheid moeten bieden de leerlingen maatwerk te leveren; een beproefde vorm is intussen de examenperiode van 2 maanden voor de afname van de centraal schriftelijk praktische examens in de basisberoepsgerichte- en kaderberoepsgerichte leerweg. Er wordt nu ook een start gemaakt met de productie van dergelijke examens voor de gemengde leerweg. Een andere vergaande vorm van flexibilisering en maatwerk wordt uitgeprobeerd in een pilot voor 15 scholen voor vmbo-theoretische leerweg, havo, vwo en vavo. Hierbij kan een leerling gedurende meerdere momenten in het jaar examen doen in één of meerdere vakken.

De hoofdlijnen zijn gebaseerd op:

– Koers VO: Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 151;

– Uitwerkingsnotitie Examens Voortgezet Onderwijs, Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 800 VIII, nr. 152;

– Vmbo-het betere werk: Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 30 079, nr. 1.

Tabel 3.6
Meetbare gegevens doorontwikkeling vmbo2004200520062007 e.v.
Aantal vmbo-scholen in samenwerking met rocBasiswaarde: 2004: 25%25%50%75%100%
Bron: < > Platform beroepsvakken    
Aantal examens vmboBasiswaarde: 2005: 0% 0%50%100%
Bron: CEVO/CITO/stichting Platforms BV1    

Meetbare gegevens: examens

Alle activiteiten worden nauwlettend gevolgd en geëvalueerd op basis waarvan de minister besluit om de innovatie al of niet op te nemen in de examinering.

In 2007 zijn concreet de volgende resultaten te verwachten:

• evaluatie experiment examens algemeen vormende vakken en ict in de basisberoepsgerichte leerweg;

• eerste productie van een centraal schriftelijk praktisch examen voor de gemengde leerweg;

• afname en evaluatie van de examens natuurkunde op de pilotscholen;

• afname en evaluatie van het eerste jaar met meerdere examenmomenten binnen het experiment;

• nieuwe examenprogramma’s voor de leerwegen van het vmbo.

3.3.3 Leerlingen met gedrags-, leer- en sociale/emotionele problemen worden specifiek behandeld.

Motivatie

Vrijwel alle leerlingen die het voortgezet onderwijs verlaten, hebben een diploma vmbo, havo of vwo op zak. Voor circa 10% van de leerlingen heeft de school een extra inspanning moeten leveren om de leerling dat diploma te laten halen. Voor deze leerlingen met leer- en gedragsproblemen worden daarom extra voorzieningen getroffen. Zo ontvangen scholen voor het tegengaan van probleemcumulatie vanaf 1 januari 2007 extra middelen in het kader van het Leerplusarrangement. Daarnaast worden scholen in het kader van het veiligheidsbeleid extra gefaciliteerd door ondermeer het organiseren van Reboundvoorzieningen.

Ten slotte heeft 91% van de vo-scholen een Zorg- en Adviesteam (ZAT) waarin structureel wordt samengewerkt tussen de school, instellingen voor welzijn (maatschappelijk werk), jeugdgezondheidszorg (schoolarts of schoolverpleegkundige), leerplicht, bureau jeugdzorg en politie. Dit interdisciplinaire overleg wordt benut als de school problemen bij kinderen en jongeren constateert waarvoor ze zelf geen expertise in huis heeft.


De school van Max heeft net als 91% van de vo-scholen een Zorg- en Adviesteam (ZAT). Emma heeft thuis en op school problemen. Besloten wordt om haar casus in te brengen in het ZAT. Aan tafel zit ook bureau Jeugdzorg waar Emma nog niet mee in aanraking was gekomen, maar haar broer Erik wel. De casussen van Emma en Erik lijken op elkaar. Maar Erik is door traag handelen van zorgverleners in het verleden compleet ontspoord. Door het snel samenbrengen van de verschillende disciplines binnen het ZAT, kan via Bureau Jeugdzorg snel een behandelplan voor Emma worden opgesteld dat in combinatie met het onderwijsprogramma kan worden uitgevoerd. In tegenstelling tot Erik is er voor Emma goede hoop dat zij op tijd wordt geholpen.

Instrumenten

Leerplusarrangement en opvang nieuwkomers

De ene school heeft het zwaarder dan de andere, door andere factoren dan feitelijke leerachterstanden. Met de aanvullende bekostiging van het Leerplusarrangement worden scholen die te maken hebben met opeenstapeling van problemen (bij een bepaald percentage leerlingen uit achterstandswijken) in staat gesteld om maatwerk te leveren (maximaliseren van de schoolprestaties door onder meer het voeren van expliciet taalbeleid), voortijdig schoolverlaten tegen te gaan en uiteindelijk even goed te presteren als de overige scholen. De samenwerking met de omgeving van de school is hierbij belangrijk. Samen met bijvoorbeeld de ouders, de gemeente en de jeugdwelzijnsorganisaties kan aan deze leerlingen passend onderwijs worden gegeven. Ook is er aanvullende bekostiging voor de eerste opvang van nieuwkomers om ze de Nederlandse taal te leren (invoering per 1 januari 2007).

Verwezen wordt nog naar: Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 27 020, nr. 44; Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 27 020, nr. 46; Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 27 020, nr. 54.

Uitvoeren maatregelen Plan van Aanpak Veiligheid

Een veilig schoolklimaat is een noodzakelijke voorwaarde voor leerlingen en docenten om goed te kunnen presteren. De schoolleiding is de eerstverantwoordelijke voor het bevorderen van de veiligheid op school, natuurlijk in gezamenlijkheid met leerlingen, ouders en de omgeving van de school. Om deze verantwoordelijkheid waar te maken, worden scholen door OCW ondersteund. Alle samenwerkingsverbanden vo ontvangen extra bekostiging voor het realiseren van reboundvoorzieningen waar leerlingen met een moeilijk gedrag tijdelijk onderwijs en opvang krijgen (operatie Jong). Daarnaast worden scholen ondersteund bij de nadere invulling en de implementatie van hun veiligheidsbeleid, bijvoorbeeld doordat zij extra middelen voor leerlingbegeleiding ontvangen, maar ook met het Centrum School en Veiligheid waar scholen terecht kunnen voor informatie en advies. De Onderwijsinspectie ziet toe op de veiligheid op school en op het beleid van scholen op dat terrein.

Verwezen wordt nog naar:

• Plan van aanpak veiligheid in het onderwijs en de opvang van risicoleerlingen ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 240, nr. 5);

• Voortgangsrapportage plan van aanpak veiligheid ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 240, nr. 8).

Jeugdbeleid en Zorg- en Adviesteams (ZAT’s)

De afgelopen jaren is in het kader van de uitvoering van de Jeugdagenda van Operatie Jong via het project Zorgstructuren in en rond de school (ZioS) gewerkt aan de realisatie van een landelijk dekkend zorgnetwerk in en rond scholen dat voldoet aan bepaalde samenhangende kwaliteitseisen. Hierin staat de leerling centraal. Er kan snel passende hulp worden geboden als dat nodig is. Elke leerling krijgt de zorg en begeleiding die hij of zij nodig heeft.

Het aantal ZAT’s rondom scholen is de laatste jaren flink gestegen. In 2006 en in 2007 wordt op basis van de tot nu toe behaalde resultaten in ZioS in 21 proeflocaties met succesvolle ZAT’s met twee keer € 2 miljoen in de onderwijssectoren po, vo en bve geëxperimenteerd met een kwaliteitsimpuls voor de ZAT’s (de uitvoerende regie van het ZAT stevig verankeren en deskundigheidsbevordering van leden van het ZAT). In 2008 zijn de resultaten uit de experimenten zichtbaar en is bekend is voor welke aanpak landelijk kan worden gekozen.

Verwezen wordt naar:

• Kabinetsnotitie Operatie Jong: sterk en resultaatgericht voor de jeugd ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 284, nr. 2);

• Brief aan Tweede Kamer van 22 november 2004 over de Jeugdagenda ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 284, nr. 5);

• Voortgang plan van aanpak zorgstructuren in Voortgangsrapportage Operatie Jong 2005 ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 284, nr. 10);

• Jeugdagenda, versnelde aanpak knelpunten Jeugdbeleid (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 284, nr. 14);

• Jeudagenda, voortgang plan van aanpak zorgstructuren in Voortgangsrapportage Operatie Jong 2006 ( Tweede Kamer 2005–2006, 29 284 nr. 21).

Voortijdig schoolverlaten: verlenging leerplicht

Voor een uitgebreide toelichting op de aanpak van het voortijdig schoolverlaten wordt verwezen naar hoofdstuk IV: Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. In het voortgezet onderwijs wordt ter ondersteuning van het beleid gericht op het tegengaan van vsv de volledige leerplicht verlengd tot het moment dat de in Nederland wonende kinderen 18 jaar zijn.

Meetbare gegevens

Leerplusarrangement en opvang nieuwkomers: de trends en ontwikkelingen worden gevolgd aan de hand van een kwantitatieve monitor. Naar verwachting verschijnen de resultaten van de nulmeting van de kwantitatieve monitor medio 2007. Na vier jaar vindt een kwalitatieve evaluatie plaats van de regeling. Het evaluatieonderzoek geeft inzicht in de relatie tussen inzet van middelen Leerplusarrangement en de ontwikkeling op scholen.

Uitvoeren Plan van aanpak Veiligheid: de resultaten van de 1e veiligheidsmonitor komen na de zomer van 2006 beschikbaar. Dit is een nulmeting, de monitor zal vervolgens iedere twee jaar worden uitgevoerd, zodat de ontwikkelingen goed kunnen worden gevolgd.

3.3.4 Het leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden neemt toe + Leerling krijgt vaker te maken met maatschappelijke praktijk.

Motivatie

Leerlingen halen niet alleen een diploma: daarnaast ontwikkelen ze zich ook tot volwassen en zelfstandige mensen. De ouders zijn eerstverantwoordelijk voor de opvoeding, maar de school levert ook een bijdrage. Naast de lessen zorgt een maatschappelijke stage voor hun ontwikkeling en voor hun kennis van de maatschappij. Ook de sportbeoefening is bepalend voor hun ontwikkeling.

Bevorderen maatschappelijke stages

De maatschappelijke stage draagt enerzijds bij aan het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid van leerlingen, hun sociale vaardigheden en hun burgerschapsbesef. Anderzijds levert de maatschappelijke stage een bijdrage aan het vergroten van de aantrekkelijkheid van het onderwijs. Want leerlingen kunnen in deze opzet leren door te doen en kennismaken met de praktijk. Scholen worden in het schooljaar 2006/2007 via een aparte regeling rechtstreeks gefaciliteerd voor de in- en uitvoering van de maatschappelijke stage. Vanaf 2007 worden de middelen toegevoegd aan de reguliere bekostiging. Daarnaast worden scholen ondersteund bij de implementatie, bijvoorbeeld via een helpdesk, de verspreiding van good-practices en de ontwikkeling van methodieken.


Max is verzot op voetbal. De school regelt dat hij terecht kan op de sportclub om eens in de week een deel van de voetbaltraining van de E-tjes (8–11 jarigen) te verzorgen. De discipline van het op tijd komen bij de training en het respect dat hij krijgt van de jongeren zonder dat hij van zijn vuisten gebruik hoeft te maken, zorgen ook voor een beter gedrag op school.


Zie ook de brief aan de TK, voortgang maatschappelijke stage ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 41) en de brief aan de Tweede Kamer, stand van zaken maatschappelijke stage ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 800 VIII, nr. 213).

Bevorderen van sport en bewegen in het onderwijs

Sport en bewegen zijn in de opvoeding en het onderwijs aan jongeren onmisbaar voor de totale ontwikkeling, in het bijzonder voor de motorische ontwikkeling. Sport draagt bij aan diverse positieve waarden. Sport en bewegen zorgen voor de ontwikkeling van de fysieke gezondheid, door het voorkomen van sportuitval, het tegengaan van bewegingsarmoede en het tegengaan van overgewicht. Sport is goed voor de sociale gezondheid van individuen en de samenleving door het bijbrengen van waarden en normen, versterken van integratie en het bevorderen van veiligheid. Ook draagt sport bij aan de mentale gezondheid van jongeren door verbeterde gevoelens van welbevinden en zelfrespect, doorzettingsvermogen en zelfstandigheid. Sport is één van de uitingen van bijzondere, persoonlijke talenten. Leerlingen kunnen allerlei persoonlijke talenten verkennen en ontplooien op dat vlak. Tenslotte draagt sport bij aan onderwijsdoelstellingen door binding aan de school, het voorkomen van voortijdig schooluitval en schoolverzuim en de verbetering van schoolprestaties, houding en ambities.


Josine had last van overgewicht en hield niet van sporten. Tijdens de gymles kreeg Josine een break-dance-clinic van de dansschool uit het dorp; daarna konden de leerlingen 10 weken meedoen aan een kennismakingscursus na schooltijd. Dit spoort Josine aan; zij is samen met twee vriendinnen lid geworden van de dansschool. Het blijkt dat zij veel talent heeft, zij heeft er veel plezier in en ook met haar gewicht gaat het de goede kant op. Ook kan zij zich op school beter concentreren.


Verwezen wordt nog naar:

• Alliantie OCW & NOC*NSF «School&Sport samen sterker» ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 800 VIII, nr. 258).

• Nota «Tijd voor sport – Bewegen, Meedoen en Presteren» ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 30 234, nr. 2).

Tabel 3.7
Meetbare gegevens2004200520062007 e.v.
Maatschappelijke stages: percentages van alle VO-scholen dat deze satge aan hun leerlingen aanbiedt.Basiswaarde: 2004: nihil aantal scholen.020%60%> 75%
Bron: n.v.t.    

Het streven in de begroting 2006 was dat in 2007 een kwart van de scholen hun leerlingen de mogelijkheid biedt om een maatschappelijke stage te doen. In 2005 bood reeds 20% van de scholen deze mogelijkheid. De verwachting is dat het in 2006 op 75% van de scholen mogelijk is.

Tabel 3.8
Meetbare gegevens20062007200820092010
Sport en bewegen: aantal sportgeoriënteerde scholen Basiswaarde: n.v.t.50100200400600
Bron: n.v.t.     

Sportgeoriënteerde scholen zijn actief op het gebied van sport, maar hier gaan minder zware criteria gelden dan bij sportactieve scholen. De criteria hiervoor zijn nog in ontwikkeling.

3.4 Overzicht evaluatieonderzoeken

Algemene/operationele doelstellingOnderwerpPlanning onderzoekSoort onderzoek
Werking regeling onderbouwRealisatie kerndoel, onderwijstijd, voorbereiding op bovenbouw en benutting beleidsruimte door scholenTevredenheid ouders/leerlingenNulmeting 2006Monitor2007–2010Evaluatie 2010/2001Evaluatie
    
Harmonisatie bekostiging materieelToereikendheid bekostiging2006Evaluatie
    
Aanpassing tweede fase havo/vwoFunctioneren vernieuwde tweede fase  
 1. Doeltreffendheid en de effecten1. 2012Evaluatie
 2. Ervaringen met het vak lichamelijk opvoeding2. 2010Evaluatie
    
Bevordering internationale leerwegenFunctioneren Europees Platform2006Evaluatie
    
Betere afstemming vmbo- en mbo-programma’sBetere doorstroom naar geëigend niveauSeptember 2007–februari 2008Evaluatie via CINOP
    
Verminderen vsv, maatwerkvoor leerlingen, taalbeleid1. Kwantitatieve effecten1. Jaarlijkse monitor van 2007–20111. Monitor
 2. Doeltreffendheid leerplusarrangement2. 20112. Evaluatie
    
Bevorderen veilig schoolklimaatWerking plan van veiligheidTwee jaarlijkse veiligheidsmonitorMonitor/evaluatie
    
Bevorderen sport en bewegenWerking sportbeleidJaarlijksProcesevaluatie