Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

ARTIKEL 4. BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

4.1 Algemene beleidsdoelstelling: Deelnemers aan het beroepsonderwijs zijn goed voorbereid voor een plaats op de arbeidsmarkt of een vervolgopleiding. Deelnemers aan de volwasseneneducatie kunnen volwaardig deelnemen aan de Nederlandse samenleving.

Omschrijving

Van de beroepsbevolking in Nederland (15–64 jaar) heeft ongeveer 29% een middelbare beroepsopleiding als hoogste vooropleiding. Elk jaar kiezen ongeveer 485 000 jongeren voor een beroepsopleiding in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). De regionale opleidingencentra (roc’s) bieden naast beroepsonderwijs ook volwasseneneducatie aan. Zo’n 127 000 volwassenen maken daar elk jaar gebruik van. De roc’s zijn daarmee een belangrijke pijler onder de Nederlandse economie én samenleving. Zij vervullen een belangrijke maatschappelijke functie gericht op een maximale participatie van jongeren en volwassenen aan de Nederlandse maatschappij.


Om er voor te zorgen dat Nederland zich ontwikkelt tot een toonaangevende kenniseconomie is het noodzakelijk dat zoveel mogelijk jongeren hun school afmaken en minimaal een startkwalificatie halen. Vernieuwing en innovatie van het beroepsonderwijs zijn hiervoor een voorwaarde. Belangrijk is vervolgens dat de mbo docent de ruimte krijgt en wordt toegerust om deze ontwikkelingen onderdeel van zijn werk te maken.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister schept via de huidige bekostiging, regelgeving, afspraken met bestuurlijke partijen en via voorlichting de juiste randvoorwaarden voor kwalitatief goed, toegankelijk, doelmatig en beheersbaar middelbaar beroepsonderwijs. Daarnaast is de minister verantwoordelijk voor het toezicht, het meten van resultaat, het afleggen van rekenschap en waar nodig interveniëren. Gemeenten ontvangen een rijksbijdrage educatie voor de inkoop van educatieve activiteiten bij roc’s. Gekozen is de verantwoordelijkheid voor de educatie te decentraliseren naar gemeenten omdat zij het beste zicht hebben op de lokale behoefte.

Kritische succesfactoren

• Goede samenwerking tussen partners in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie (bve-raad, Kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven (KBB’s), Vereniging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven (Colo), gemeenten en VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten), Het platvorm beroepsonderwijs (HPBO), Stichting van de Arbeid/sociale partners (STAR)).

• Conjuncturele ontwikkelingen

Meetbare gegevens

Tabel 4.1
 2002200320042009
1. Doorstroomvan gediplomeerde BOL-deelnemers (niveau 4) naar een vervolgopleiding HBO.Basiswaarde: 43% in het jaar 2000, percentage doorstroom mbo naar hbo. Bron: Kennis in kaart  50%56%
2. Werkloosheid van gediplomeerde mbo’ers, ander- half jaar na het beëindigen van de opleiding. Bron: Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt, ROA  14,6 %13,5%
3. Slaagkans mbo deelnemers. Basiswaarde: 0,45 in het jaar 2000, kans dat deelnemers aan een mbo-opleiding eindigen met een diploma. Bron: kwantitatieve monitorkwalificatiewinst, Stoas0,560,56 0,60

Toelichting:

Deze indicatoren geven aan in hoeverre de algemene doelstelling wordt bereikt en welke waarden uiteindelijk worden nagestreefd. Als het onderwijsnummer succesvol is ingevoerd zal zo mogelijk een indicator opgenomen worden over het aantal met succes afgeronde educatietrajecten. Op dit moment zijn deze gegevens niet beschikbaar.

4.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.2 Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 2005200620072008200920102011
Verplichtingen2 974 6763 391 3003 032 6633 057 2713 055 2763 062 3783 111 337
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven (programma + apparaat)2 848 3723 082 3373 057 3013 038 4323 057 3683 056 0093 061 617
        
Programma-uitgaven2 844 7923 078 7263 053 8153 034 9793 053 9143 052 5553 058 162
        
Instandhouding van het stelsel2 447 6682 430 4512 452 5402 458 2462 460 0972 459 0992 468 580
• BekostigingROC’s en KBB’s2 447 6682 430 4512 452 5402 458 2462 460 0972 459 0992 468 580
        
Voldoende geschikt onderwijspersoneel11 57416 77316 29916 22916 22916 22916 299
• Lerarenbeleid11 57416 77316 22916 22916 22916 22916 299
        
Meer innovatie door samenwerking tussen instellingen en hun omgeving49 276150 580143 99664 99963 40363 40363 403
• Innovatiearrangementberoepskolom17 50020 00020 00020 00020 00020 00020 000
• Innovatiebox reguliere middelen31 77648 68536 79334 72333 07833 07833 078
• Innovatiebox FESmiddelen 76 740     
• FES middelen Beroepsonderwijs in bedrijf  82 250    
• Overig 5 1554 95310 27610 32510 32510 325
        
Minder deelnemers die de school voortijdig verlaten35 713117 019164 298230 519250 912251 256251 815
• Rmc’s/Gsb35 71338 42738 87039 38339 91140 45441 014
• IBO bve 26 51066 86176 49497 40997 40997 409
• Leerplichtverlenging tot 18 jaar  40 000112 000112 000112 000112 000
• Convenantenmet top 12 rmc-regio’s 10 0006 000    
• Bestrijden vsv en versterken bbl(ESF) 40 00010 000    
• Overig2 0827 3702 5672 6421 5921 3931 392
        
Aantrekkelijk beroepsonderwijs dat aansluit op de behoeften van de deelnemers, de arbeidsmarkt, de samenleving en het vervolgonderwijs.16 41851 65853 15050 15048 15048 15048 150
• Herontwerp kwalificatiestructuur5 0005 0005 0002 000   
• Examens mbo11 41811 53411 30011 30011 30011 30011 300
• Stage- en Simulatieplaatsen (stagebox) 35 00035 00035 00035 00035 00035 000
• Overig 1241 8501 8501 8501 8501 850
        
Bevorderen Leven Lang Leren (projectdirectie Leren & Werken)4 34427 8957 050    
• duale trajecten + EVC4 34420 1004 900    
• overige instrumenten 7 7952 150    
        
Meedoen in de samenleving259 100262 984202 204201 513202 049201 003197 132
• Inkoop educatieactiviteiten258 700248 399183 887183 969184 011184 011184 017
• Alfabetisering4004 0004 0004 0004 0004 0004 000
• Gehandicapten (lgf) 5 5146 1626 1626 1626 1626 162
• Overig 5 0718 1557 3827 8766 8302 953
        
Meer eigen verantwoordelijkheid van deelnemers voor hun leerloopbaan4 3812 2171 8862 2551 9252 2961 968
• Versterking loopbaan oriëntatie en begeleiding1 000311361361361361361
• Overig3 3811 9061 5251 8941 5641 9351 607
        
Programmakosten overig16 31819 14912 39210 99811 07911 04910 815
• Uitvoeringsorganisatie IB-Groep6 9326 5585 3493 9673 9953 9653 731
• Uitvoeringsorganisatie CFI9 38612 5917 0437 0317 0847 0847 084
        
Apparaatsuitgaven3 5803 6113 4863 4533 4543 4543 455
Ontvangsten2 85276 74082 2500000

Tabel 4.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20072008200920102011
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)3 041 4232 784 5852 784 7622 752 4702 726 764
Totaal juridisch verplicht2 805 2663 023 9813 042 8353 041 5063 047 347
Totaal bestuurlijk gebonden236 157239 396258 073289 036320 583
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
Instandhouding van het stelsel2 452 5402 458 2462 460 0972 459 0992 468 580
• Juridisch verplicht2 448 1862 453 7122 455 7422 455 9842 464 712
• Bestuurlijk gebonden4 3544 5344 3553 1153 868
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Voldoende geschikt onderwijspersoneel16 29916 22916 22916 22916 299
• Juridisch verplicht15 68015 68015 68015 68015 680
• Bestuurlijk gebonden619619619619619
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Meer innovatie door samenwerking tussen instellingen en hun omgeving143 99664 99963 40363 40363 403
• Juridisch verplicht39 63435 63933 294216216
• Bestuurlijk gebonden104 36229 36030 10963 18763 187
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Minder deelnemers die de school voortijdig verlaten164 298230 519250 912251 256251 815
• Juridisch verplicht54 97739 38239 91040 45441 014
• Bestuurlijk gebonden109 321191 137211 002210 802210 801
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Aantrekkelijk beroepsonderwijs dat aansluit op de behoeften van de deelnemers, de arbeidsmarkt, de samenleving en het vervolgonderwijs. 53 15050 15048 15048 15048 150 
• Juridisch verplicht46 40046 40046 40046 40011 400
• Bestuurlijk gebonden6 7503 7501 7501 75036 750
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Bevorderen Leven Lang Leren (projectdirectie Leren & Werken)7 050    
• Juridisch verplicht5 330    
• Bestuurlijk gebonden1 720    
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0    
      
Meedoen in de samenleving202 204201 513202 049201 003197 132
• Juridisch verplicht195 059193 772193 736193 736193 742
• Bestuurlijk gebonden7 1457 7418 3137 2673 390
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Meer eigen verantwoordelijkheid van deelnemers voor hun leerloopbaan1 8862 2551 9252 2961 968
• Juridisch verplicht00000
• Bestuurlijk gebonden1 8862 2551 9252 2961 968
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

4.3 Operationele doelstellingen

4.3.1 Instandhouding van het stelsel

Motivatie

Het stelsel van het beroepsonderwijs wordt zodanig toegerust dat roc’s en kbb’s kunnen voldoen aan de door de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) gestelde toegankelijkheids-, doelmatigheids- en kwaliteitseisen bij het verzorgen van beroepsonderwijs en het ontwikkelen en onderhouden van een landelijke kwalificatiestructuur.

Instrumenten

Bekostiging

• Het verzamelen van bekostigingsgegevens, conform de richtlijnen die hiervoor zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wet Educatie en Beroepsonderwijs.

• Het verstrekken van een bedrag per roc en kbb via de lumpsum.

De bekostiging van onderwijsinstellingen, kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven en gemeenten is gebaseerd op de WEB en de rekenregels zijn uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit WEB. Er zijn aparte bekostigingsmodellen voor de onderwijsinstellingen en de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. De middelen voor het beroepsonderwijs (het vastgestelde macrobudget) worden verdeeld over de onderwijsinstellingen aan de hand van het aantal ingeschreven deelnemers en het aantal diploma’s. Bij de verdeling wordt rekening gehouden met de opleidingen, de leerweg en het niveau van het diploma. De kbb’s worden door OCW bekostigd op basis van het aantal kwalificaties dat ze hebben ontwikkeld, het aantal leerbedrijven dat ze hebben erkend en het aantal bpv-plaatsen bij leerbedrijven dat door deelnemers is bezet. Vanaf het bekostigingsjaar 2007 wordt voorzien in een overgangsbekostiging als gevolg van de ontwikkeling van een nieuwe kwalificatiestructuur (zie paragraaf 4.3.5). Aanpassing van het macro-budget voor de onderwijsinstellingen en de kenniscentra kan plaatsvinden op grond van beleidsmatige overwegingen en in verband met autonome ontwikkelingen (deelnemersontwikkelingen). Het historisch bepaalde budget vormt de basis. (zie ook het eindrapport van het IOO (instituut voor overheidsuitgaven) Beoordeling allocatiesysteem mbo, 28 juni 2005, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 27 451, nr. 44.

• Vanaf 2006 starten de voorbereidingen voor het groot onderhoud van het bekostigingsmodel voor het mbo

Het groot onderhoud moet leiden tot wetgeving in 2008. Dan is er de beschikking over zowel het onderwijsnummer als over de resultaten van de experimenten die in het kader van de vernieuwing van de kwalificatiestructuur plaatsvinden. Daarmee kunnen andere wijzen van bekostiging en dus ook andere prikkels in beeld komen. Het groot onderhoud is erop gericht uiterlijk 2010 een integraal vernieuwd allocatiemodel beschikbaar te hebben. Dat jaartal is het richtpunt, omdat de nieuwe kwalificatiestructuur dan volledig is ingevoerd en het herontwerp mbo is gerealiseerd.

Regelgeving

• Deregulering; Wetsvoorstel DAL (Deregulering en vermindering Administratieve Lasten).

Het wetsvoorstel DAL is voor de zomer 2006 naar de Raad van State gestuurd en gaat vervolgens in het najaar van 2006 naar de Tweede Kamer. Beoogd wordt het wetsvoorstel in augustus 2007 in werking te laten treden.

Toezicht

• Governance

De activiteiten op het terrein van «goed bestuur» in de bve-sector worden vanaf 2007 voortgezet. De belangrijkste zaken betreffen de afronding van de scheiding van de rollen van intern toezichthouder en bestuurder binnen instellingen, en volledige invoering governancecode van de bve-sector. Ten tweede de eerste openbare benchmark van de bve-sector, te gebruiken als instrument bij de horizontale verantwoording. Ten derde het proportioneel toezicht. Ten vierde de invoering van het onderwijsnummer. Er wordt naar gestreefd het onderwijsnummer met ingang van het studiejaar 2006/2007 in productie te nemen.

Meetbare gegevens

Tabel 4.4
 20042005200620072008200920102011
1. Aantal deelnemers mbo (maal 1000)449,2457,5460,8485,3489,6491,9492,4493,4
Bol-vt300,2314,8322,2339,3345,1348,6351,6354,2
Bbl133,5127,8124,0131,6130,1128,2126,7125,2
Bol-dt15,514,914,614,514,314,214,114,0
Bron: Referentieraming 2006, Leerlingen-/studentenraming ten behoeve van begroting 2007.        
2. Gemiddelde prijs per mbo deelnemer6 1006 2126 3156 1616 2336 2676 2496 246
Bron: Lumpsum budget en gewogen bekostigingsdeelnemers bol, bbl.        
3. Percentage gediplomeerden61,5%64,1%63,6%61,5%61,3%61,6%61,5%61,3%
Bron: Bestel in Beeld (TK, 2002–2003, 12 345, nr. 9)        
4. Percentage ROC’s dat voldoende scoort op instellingsniveau        
– Toegankelijkheid61%88%   88%  
– Opleidingsresultaten50%62%   70%  
– Kwaliteitsborging en verbetering25%31%   40%  
Bron: Bestel in beeld 2005        
5. Aantal erkende leerbedrijven (maal 1000)176       
Bron: Colo        

Toelichting:

De onderdelen 1 tot en met 3 betreffen ramingsgegevens.

Het aantal deelnemers aan het mbo, de gemiddelde prijs per mbo deelnemer en het percentage gediplomeerden zijn indicatoren op basis waarvan een globale inschatting kan worden gemaakt van de toegankelijkheid, de doelmatigheid en de kwaliteit van het beroepsonderwijs.

Tot op heden is er geen streefwaarde afgesproken met Kenniscentra beroepsonderwijs-bedrijfsleven over het aantal erkende leerbedrijven. Het aantal (bezette) beroepspraktijkvorming plaatsen (bpv-plaatsen) binnen het aantal erkende leerbedrijven is een betere indicator. Deze gegevens zijn nu nog niet beschikbaar, maar er wordt aan gewerkt deze in de toekomst wel beschikbaar te hebben.

4.3.2 Voldoende geschikt onderwijspersoneel

Motivering

De overheid is verantwoordelijk voor de randvoorwaarden voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid. De instellingen zijn primair verantwoordelijk voor het personeelsbeleid. Het beleid is gericht op versterking van de ondernemende professional (competentieontwikkeling) voor het verzorgen van innovatief beroepsonderwijs en educatie, het behoud en het voorkomen van uitstroom van personeel als gevolg van arbeidsongeschiktheid, het terugdringen van het ziekteverzuim en het aantrekken van voldoende bekwaam personeel dat zich al werkend voor de onderwijsfunctie in de sector kwalificeert. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar Koers BVE (27 451, nr. 33), Programma Onderwijspersoneel. Een goed werkende onderwijsarbeidsmarkt; beleidsplan Onderwijspersoneel (bijlage bij 29 200 VIII, nr. 151) en het arboplusconvenant bve.

Instrumenten

• Middelen voor duale opleidingstrajecten, op- en doorscholing onderwijsondersteunend personeel, mobiliteit, bekwaamheidsdossiers en versterken integraal personeelsbeleid (IPB),

In het kader van de beperking van regelgeving is in 2005 besloten om deze middelen aan het decentrale (lumpsum) budget van de instellingen toe te voegen, om de instellingen in staat te stellen een actief arbeidsmarkt- en een versterkt (integraal) personeelsbeleid te voeren. De regeling duale opleidingstrajecten wordt niet verlengd en er wordt geen nieuwe regeling zij-instroom gepubliceerd. Als gevolg hiervan worden de indicatoren «duale opleidingstrajecten» en «aantal zij-instroom trajecten» niet meer specifiek gemeten en niet meer opgenomen in onderstaande tabel «meetbare gegevens».

• Plan van aanpak versterking IPB 2005–2007 van de Bve-raad en de uitvoering hiervan,

• Arbeidsmarktbarometer,

• Arboplusconvenant bve, vermindering ziekteverzuimpercentage.

Door middel van deze instrumenten worden onder andere het aantal vervulde vacatures gemeten en de gegevens met betrekking tot ziekteverzuim geregistreerd.

Meetbare gegevens

Tabel 4.5
 2004200520062007
1. Openstaande vacatures voor lerarenBasiswaarde: 0,4% in 2004, de onvervulde vacaturevoorraad als percentage van de totale formatie0,410,620,60,6
Bron: Arbeidsmarktbarometer bve-sectorRegioplan    
2. Ziekteverzuimpercentage o.b.v. 2 jaar ziekteverzuimBasiswaarde: 7,26% in juni 2002, verzuimgegevens bve5,75,9 5,8
Bron: Arboplusconvenant Onderwijs, Sector bve (23 december 2004) en Verzuimgegevens bve-sector (februari 2006)    
3. Oordeel over docentenBasiswaarde: 3,3 in 2001, oordeel van mbo’ers uitgedrukt op een vijfpuntsschaal. 3,3 3,4
Bron: Odin 2001, JOB (verschijnt tweejaarlijks)    
4. Een eenduidig beleid voor beloningsdifferentiatieBasiswaarde: 7% in 2004, percentage instellingen. 7  20
Bron: Beleidsplan Onderwijspersoneel, Ministerie van OCW (juni 2004)    

1 Geldt voor het schooljaar 2003–2004.

2 Geldt voor het schooljaar 2004–2005

Toelichting

1. Ongeveer 48% van de leraren in de sector is vijftig jaar of ouder. In het schooljaar 2004–2005 was de openstaande vacature-intensiteit voor leraren 0,6% in vergelijking met 0,4% in 2003–2004. Vanwege de toenemende vergrijzing en de daarmee gepaard gaande uitstroom is het niet realistisch de komende jaren een streefwaarde voor het percentage openstaande vacatures van onder de 0,6% op te nemen. Voor 2006 en verder wordt er daarom naar gestreefd het percentage rond de 0,6% te houden.

2. Daarnaast is het beleid gericht op vermindering van ziekteverzuim. In het Arboplusconvenant bve is een reductie van 20% op 1 april 2007 ten opzichte van juni 2002 afgesproken.

3. Via de tweejaarlijkse Odin-monitor wordt het oordeel van mbo-deelnemers over de docenten gemeten. Sinds 2001 krijgt de docent een 3,3 (op een schaal van 1 tot 5). Voor 2007 wordt gestreefd naar een cijfer van 3,4.

4. Een eenduidig beleid voor beloningsdifferentiatie ontbreekt nog op de meeste instellingen, hetgeen de komende periode ook ontwikkeld dient te worden. Er wordt gestreefd naar een toename van het aantal instellingen met een eenduidig beleid voor beloningsdifferentiatie van 7% in 2004 naar 20% in 2007.

4.3.3 Meer innovatie door samenwerking tussen instellingen en hun omgeving

Motivering

Het waar gewenst bundelen van de afzonderlijke regelingen en budgetten voor innovatie in het (middelbaar-)beroepsonderwijs in een innovatiebox. Onderwijsinstellingen worden hiermee rechtstreeks gesubsidieerd om zelf in overleg met hun samenwerkingspartners in de regio innovatie vorm te geven. Het gaat om innovatieprojecten die breed worden opgepakt met als doel het innovatieresultaat te laten verankeren in de eigen organisatie. Richtinggevend voor deze regionale innovaties zijn de landelijke thema’s opgenomen in de innovatieagenda en zoals vastgelegd in de regeling innovatiebox. Daarnaast is er nog een afzonderlijke innovatie-stimulering, het innovatiearrangement, bedoeld om nog niet eerder ontwikkelde, experimentele innovatieprojecten op regionaal dan wel sectoraal niveau financieel te ondersteunen, die zonder deze aanvullende middelen onvoldoende kans zouden hebben.

Instrumenten

• In 2006 wordt door middel van een regeling een innovatiebox ingesteld voor de bve-sector.

De regeling kent een looptijd tot en met 2009. Voor de sectoren vmbo en hbo zal vanaf 2007 bij de inzet van de innovatieregelingen aansluiting worden gezocht bij de inhoudelijke thema’s van de innovatieagenda.

• In 2006 wordt de regeling innovatiearrangement gecontinueerd. De uitvoering blijft ongewijzigd.

Het Platform Beroepsonderwijs (HPBO) zal in goede samenwerking met de Stichting van de Arbeid (STAR) zorg dragen voor de uitvoering van de innovatiearrangementen. In het innovatiearrangement 2006 wordt inhoudelijk een link gelegd met de thema’s van de innovatieagenda. Alleen samenwerkingsverbanden van onderwijsinstellingen (vmbo-mbo-hbo) met bedrijven komen in aanmerking voor een bijdrage uit het innovatiearrangement onder de voorwaarde dat er sprake is van co-financiering van de betrokken partijen. Het innovatiearrangement wordt vooralsnog voor onbepaalde tijd gecontinueerd. Het eindperspectief van het innovatiearrangement blijft het inzakken in de innovatiebox, maar het tijdstip waarop dat gebeurt, geschiedt in overleg met de betrokken bestuurlijke partijen.

Meetbare gegevens

De resultaten van de innovatiebox worden jaarlijks gemonitord. Deze monitor is in september 2007 voor het eerst beschikbaar. In 2006 worden de plannen en geformuleerde doelen per thema geïnventariseerd. In 2007 worden de plannen voor 2007 in kaart gebracht en wordt gerapporteerd over de realisatie van de in 2006 gestelde doelen.

4.3.4 Minder deelnemers die de school voortijdig verlaten

Motivering

Uit een oogpunt van economische ontwikkeling en maatschappelijke cohesie is het van belang dat zoveel mogelijk jongeren minimaal een startkwalificatie behalen. Dit is een diploma op minimaal havo, vwo of mbo-2 niveau. Teveel jongeren hebben zo’n diploma nog niet gehaald als ze de school verlaten, dat beperkt hun mogelijkheden op de arbeidsmarkt aanzienlijk. Met het gevoerde beleid wordt voortgang geboekt, maar niet genoeg. Daarom wordt de aanpak van voortijdig schoolverlaten geïntensiveerd. Hierover is de Kamer op 28 april 2006 geïnformeerd via de perspectievennota Aanval op de uitval ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 26 695, nr. 32). Een voortijdige schoolverlater (vsv’er) is gedefinieerd als een jongere van 12 tot 23 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs minimaal 1 maand heeft verlaten. Uitval van jongeren kent een bredere problematiek dan uitsluitend voortijdig schoolverlaten. Met de Operatie Jong werkt dit kabinet aan een samenhangende aanpak van de jeugdproblematiek. Binnen deze samenhangende aanpak werkt OCW vanuit zijn verantwoordelijkheid aan beter onderwijs om het voortijdig schoolverlaten tegen te gaan.

Instrumenten

• Preventieve maatregelen in het primair onderwijs (artikel 1), het voortgezet onderwijs (artikel 3) en het middelbaar beroepsonderwijs ter voorkóming van voortijdig schoolverlaten. Bijvoorbeeld de aanpak van taalachterstanden op jonge leeftijd (voor- en vroegschoolse educatie), de invoering van zorgadviesteams (ZAT’s), meer aandacht voor zorgleerlingen via het leerwegondersteunend onderwijs en meer praktijkgericht beroepsonderwijs in een doorlopende leerlijn.

• Regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (mc’s) en grote stedenbeleid:

De huidige structurele inzet voor de registratie van vsv’ers en trajectbegeleiding door rmc’s wordt voortgezet.

• Interdepartementaal beleidsonderzoek bve (IBO bve):

In het kader van het IBO bve is structureel extra geld (zie tabel budgettaire gevolgen van beleid) beschikbaar voor:

1. Versterking van begeleiding van zorgleerlingen in het mbo. Hiermee kunnen deze leerlingen vergelijkbare begeleiding krijgen zoals die nu in het vmbo bij het leerwegondersteunend onderwijs wordt geboden. Dit bevordert een succesvolle doorstroom van vmbo naar mbo.

2. Maatwerk voor (potentiële) vsv’ers in het mbo. Het is belangrijk en urgent om ook in het mbo voor (potentiële) uitvallers een op maatwerk toegespitste aanpak in te richten, die effectief aansluit bij de diverse achtergronden en (opvoed)culturen van de jongere. In het mbo is nu slechts sprake van losse projecten die nauwelijks een vervolg kunnen krijgen.

3. Zorgadviesteams in het mbo. In het voortgezet onderwijs beschikt het overgrote deel van de scholen over een zorgadviesteam. Deze aanpak, waarbij scholen in samenwerking met andere instanties (zoals jeugdzorg, GGD en maatschappelijk werk) problemen bij jongeren snel signaleren en hulp bieden, is daar succesvol. Minder dan tweederde van de roc’s heeft een zorgadviesteam. Het streven is dat alle roc’s een ZAT opzetten.

• Kwalificatieplicht (verlenging volledige leerplicht) tot de 18e verjaardag:

De huidige partiële leerplicht voor 17-jarigen blijkt in de praktijk niet handhaafbaar, omdat er slecht zicht is op de doelgroep. Daarom wordt deze vervangen door een kwalificatieplicht (volledige leerplicht) tot 18 jaar. De planning is om de benodigde wetswijziging met ingang van het schooljaar 2007/2008 van kracht te laten worden. Voor een effectieve uitvoering van deze maatregel is extra aanbod aan onderwijs, versterking van de handhaving (onder andere samenwerking tussen gemeentelijke leerplicht- en rmc-functie) en een betere registratie van verzuim en voortijdig schooluitval nodig (aansluitend bij het onderwijsnummer). Hiervoor komt in 2006 € 6 miljoen beschikbaar, oplopend tot circa € 130,5 miljoen vanaf 2008. Deze middelen worden verantwoord op de artikelen 3 (voortgezet onderwijs), 4 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie) en 11 (studiefinanciering).

• Leerwerkplicht voor jongeren van 18 tot 23 jaar:

Gemeenten worden in staat gesteld meer dwang uit te oefenen op niet leerplichtige vsv ’ers zonder werk om weer te gaan leren en/of werken. Op grond van de huidige rmc regelgeving is medewerking van de niet leerplichtige vsv’er aan het verstrekken van aanvullende informatie en aan een traject vrijblijvend. Dit wordt veranderd zodat gemeenten er voor kunnen kiezen deze groep te verplichten tot medewerking, door ze bijvoorbeeld uitsluitend van een uitkering te voorzien indien ze meedoen aan het traject. In samenhang met de verlenging van de leerplicht tot 18 jaar wordt nu een wetswijziging voorbereid die per schooljaar 2007/2008 van kracht moet worden.

• Vsv’ers die werk hebben via (nieuwe) combinaties van werken en leren alsnog een startkwalificatie laten halen. Werkloze vsv’ers via maatwerktrajecten weer aan het leren en/of werken te zetten. Dit samen met andere ketenpartners zoals gemeenten en de Centra voor Werk en Inkomen (CWI).

• Convenanten met top 12 rmc-regio’s:

Om het aantal vsv’ers op korte termijn te verminderen zijn in 2006 met de 12 rmc-regio’s met het hoogste aantal vsv’ers convenanten afgesloten om tot minimaal 10% vermindering van het aantal vsv’ers te komen aan het einde van schooljaar 2006/2007 ten opzichte van 2004/2005. Eind 2007 worden de resultaten en aanpak van deze eenmalige impuls geëvalueerd. Hiervoor is in totaal € 16 miljoen beschikbaar verdeeld over de jaren 2006 en 2007.

• «ESF»-middelen (middelen Europees Sociaal Fonds) voor beroepsbegeleidende leerweg en voortijdig schoolverlaten:

Wegens het vroegtijdig sluiten van het ESF-loket in 2006, heeft het kabinet tijdens de voorjaarsnotabesluitvorming besloten incidenteel middelen vrij te maken ter ondersteuning van projecten van onderwijsinstellingen voor versterking van de beroepsbegeleidende leerweg en aanpak voortijdig schoolverlaten. In 2006 bedraagt deze bijdrage € 40 miljoen en in 2007 € 10 miljoen.

• Aanpak jeugdwerkloosheid:

De Taskforce Jeugdwerkloosheid en het midden- en kleinbedrijf (mkb) Nederland hebben medio 2006 ruim 30 000 extra (leer)werkbanen voor jongeren gerealiseerd ten opzichte van 2003. Doelstelling is dat in 2007 in totaal 40 000 extra (leer)werkbanen gerealiseerd worden.

• Ter bevordering van de werkgelegenheid en economische groei is in de werktop van december 2005 afgesproken om € 40 miljoen beschikbaar te stellen voor fiscale maatregelen op het terrein van stages en scholing van werkenden (waaronder Erkenning Verworven Competenties (EVC)).

Meetbare gegevens

Tabel 4.6
 2004200520062010
1. Aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (Nationale indicator)Basiswaarde: 71 000 in 2002, vsv’ers64 00057 00050 00035 000
Bron: Kamerstukken II, 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 43    
2. Aantal herplaatste voortijdig schoolverlatersBasiswaarde: 20 000 in 2002, herplaatste vsv’ers.24 00029 000  
Bron: Kamerstukken II, 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 43    
3. Percentage voortijdig schoolverlaters van totale beroepsbevolking 18–24 jaar (EU-indicator)Basiswaarde: 15,5% in 2000, vsv’ers14,5%13,6% 7,8%
Bron: Kamerstukken II, 2003–2004, 29 200 VIII, nr. 43    
4. Percentage 20–24 jarigen met tenminste een startkwalificatie(EU-indicator).Basiswaarde: 71,7 in 2000, 20–24 jarigen. 74,274,7 85,0
Bron: Kerncijfers 2001–2005    

Toelichting:

1. De nationale indicator betreft het aantal nieuwe vsv’ers die gedurende een geheel schooljaar door de rmc’s zijn geregistreerd. Voortijdig schoolverlaten wordt deels veroorzaakt door onderwijsgebonden factoren en deels door andere (sociaal-maatschappelijke) factoren. Het OCW beleid richt zich op onderwijsgebonden factoren.

2. Het aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters is het aantal vsv-ers dat door rmc’s gedurende een geheel schooljaar terug is geleid naar school, werk of andere voorzieningen (bijvoorbeeld zorg). OCW stelt een specifieke uitkering beschikbaar voor de gemeentelijke rmc-functie. Voor deze indicator is geen landelijke streefwaarde afgesproken. Het gaat hier om een groep jongeren met diverse problemen buiten het onderwijs waarbij herplaatsing afhankelijk is van bijvoorbeeld schuldsanering of het beschikbaar zijn van woonruimte.

3. De EU-indicator betreft het aandeel jongeren van 18–24 jaar zonder startkwalificatie ten opzichte van het totaal aantal jongeren in deze leeftijd in Nederland. Dit percentage wordt gemeten op basis van de enquête beroepsbevolking (EBB) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

4. Het streefcijfer in 2010 (85%) is in EU-verband afgesproken.

4.3.5 Aantrekkelijk beroepsonderwijs dat aansluit op de behoeften van de deelnemers, de arbeidsmarkt, de samenleving en het vervolgonderwijs

Motivering

Het onderwijsaanbod van instellingen moet voortdurend goed aansluiten op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, de samenleving en de beroepskolom. Tevens moet het onderwijs goed aansluiten op de gevarieerde leerbehoeften van een brede populatie deelnemers om iedereen «bij de les» te houden. Er moet vertrouwen zijn in de – landelijk geldige – diploma’s en daarmee in de kwaliteit van de examens van de opleidingen. Het vernieuwde beroepsonderwijs is meer op de praktijk gericht en meer vraaggestuurd. Om dat te bereiken richten onderwijsinstellingen nieuwe opleidingen en nieuwe examens in, die gericht zijn op de door kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven ontwikkelde nieuwe kwalificatieprofielen. Dit herontwerp kwalificatiestructuur/mbo gebeurt fasegewijs, waarbij de ervaringen worden benut voor de verdere verbetering. Instellingen zorgen samen met (leer-)bedrijven en kenniscentra voor de verbetering van de beroepspraktijkvorming, met voldoende en geschikte praktijkplaatsen (leerwerk-, stage- en waar nodig ook simulatieplaatsen) en goede begeleiding van deelnemers. De overheid stimuleert en ondersteunt deze vernieuwing en verbetering.

Instrumenten

Herontwerp kwalificatiestructuur/mbo: Regeling vaststelling kwalificatieprofielen 2006/2007. Een beschikking aan het procesmanagement herontwerp kwalificatiestructuur/mbo en de evaluatie van experimenten 2005–2006.

Via de regeling vaststelling kwalificatieprofielen 2006/2007 stelt OCW de nieuwe kwalificatieprofielen vast die voldoen aan de kwaliteitseisen. Daarnaast financiert OCW de activiteiten van het procesmanagement herontwerp kwalificatiestructuur, de activiteiten van het procesmanagement herontwerp mbo en de experimentele opleidingen mbo. OCW start tevens het wetgevingstraject herontwerp kwalificatiestructuur/mbo (ten behoeve van structurele situatie).

Examens mbo: Regeling standaarden & normering examenkwaliteit en tarieven KCE-onderzoek (onderzoek KwaliteitsCentrum Examinering) en het beschikbaar stellen van een stimuleringsbudget.

OCW financiert de vaste kosten van KCE en stelt op voorstel van KCE de standaarden voor examenkwaliteit bij ministeriële regeling vast, inclusief de normering en de tarieven voor het KCE-onderzoek. Daarnaast verstrekt OCW aan instellingen extra middelen via de lumpsum voor de borging en waar nodig verbetering van de examenkwaliteit van mbo-opleidingen.

Praktijkplaatsen: Regeling stagebox en het beschikbaar stellen van een stimuleringsbudget.

OCW faciliteert instellingen om te zorgen dat in principe elke moeilijk plaatsbare deelnemer op de niveaus 1 en 2 over een geschikte praktijkplaats beschikt. OCW faciliteert Colo (vereniging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven) om samen met de kenniscentra te zorgen voor extra scholing van leermeesters/praktijkopleiders die werkzaam zijn bij leerbedrijven.

Fes middelen: Bij augustusbesluitvorming in de MR van 24 augustus 2006, heeft het kabinet € 230 miljoen aan FES-middelen beschikbaar gesteld voor ’Beroepsonderwijs in bedrijf’. Deze middelen komen in twee tranches beschikbaar. Een eerste tranche van € 115 in 2007, waarvan € 82 250 bestemd voor OCW (zie tabel 4.2 budgettaire gevolgen van beleid) en € 32 500 voor EZ. De tweede tranche van € 115 komt in 2008 beschikbaar na een evaluatie. Deze middelen worden ingezet voor de volgende doelstellingen:

• 7000 leer/werktrajecten voor jongeren op maat en 20 000 voor volwassenen;

• Fonds «versterking beroepsonderwijs-bedrijfsleven» (inclusief regie regionale keten);

• 4200 EVC procedures;

• 5400 docentstages in het bedrijfsleven;

• Ontwikkeling van leer- en examenmateriaal per nieuwe opleiding.

De inzet van de middelen voor de activiteiten van bedrijven via het fonds «versterking beroepsonderwijs – bedrijfsleven» wordt nader toegelicht en verantwoord op de begroting van het ministerie van Economische zaken. Voor een nadere toelichting op de inzet van de middelen voor de ontwikkeling van EVC-procedures en de uitvoering van EVC-trajecten wordt verwezen naar paragraaf 4.3.6 «Bevorderen Leven Lang Leren (projectdirectie Leren & Werken)».

Meetbare gegevens

Tabel 4.7
 200520062007
1. Aantal kwalificatieprofielen, Streefwaarde: (op 31-12-2006; 280 = 100%).Basiswaarde: 55 (op 23-03-2005, crebo-geregistreerd kwalificatieprofiel)64153280
Bron: Eindrapportage proeftuinen 2004/2005 (bijlage bij TK, 27 451 nr. 47).   
2. Aandeel examens mbo van onvoldoende kwaliteit.Basiswaarde: 48 % (Aantal examens mbo met een voorwaardelijke verklaring 46%, aantal examens mbo met een afkeurende verklaring 2%), studiejaar 2004/2005; gemeten over beperkt deel van de examens mbo). Meeteenheid: verklaring KCE aan instelling betreffende de examenkwaliteit.  ≤15 %
Bron: Examenverslag 2004/2005, KCE, 2005   
3. Percentage moeilijk plaatsbare leerlingen op de mbo-niveaus 1 en 2 met een erkende stage-/simulatieplaats. Streefwaarde (31 juli 2007).Basiswaarde: geen, meeteenheid: Percentage via de landelijke monitor gemeten moeilijk plaatsbare leerlingen (mbo-niveaus 1 en 2) met een erkende stage-/simulatie- plaats.  100%
Bron: Monitor praktijkplaatsen   

Toelichting:

1. De indicatoren «aantal kwalificatieprofielen», «aandeel examens van onvoldoende kwaliteit» en «percentage moeilijk plaatsbare leerlingen op de mbo-niveaus 1 en 2 met een erkende stage-/simulatieplaats» geven een beeld van de voortgang van de ingezette vernieuwing en de kwaliteit van het beroepsonderwijs.

2. Het percentage bij indicator 2 «aandeel examens van onvoldoende kwaliteit» geeft het aandeel afkeurende verklaringen op totaal van door KCE uitgereikte verklaringen weer. Basiswaarden voor studiejaar 2004/2005 waren 42% goedkeurende verklaringen, 46% voorwaardelijke verklaringen en 2% afkeurende verklaringen. Streefwaarde is het studiejaar 2006/2007.

3. Bij indicator 3 is geen basiswaarde beschikbaar. Het behaalde resultaat is pas achteraf bekend via de landelijke monitor.

4.3.6 Bevorderen Leven Lang Leren (projectdirectie Leren & Werken)

Motivering

Elke deelnemer moet de mogelijkheid krijgen om zijn of haar talenten te ontplooien in een leeromgeving die het beste past. Het gaat hierbij niet alleen om het initiële leertraject, maar ook om trajecten voor mensen die reeds werkzaam zijn of (weer) willen zijn (leven lang leren).

Instrumenten

De «Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken». Deze regeling bevordert de samenwerking tussen scholingsinstellingen, bedrijven en gemeenten om nieuwe duale trajecten, EVC-methodieken en leerwerkloketten te realiseren (zie ook artikelen 6 en 7 hoger onderwijs, paragraaf 3.4).

Realiseren on-linemarktplaats leren en werken. Doel is om een onafhankelijk en zo compleet mogelijk overzicht van informatie op het gebied van leren en werken te bieden.

Associate Degree. In het studiejaar 2006–2007 starten 11 pilots met korte programma’s in het HBO. Doel is te achterhalen hoe groot de behoefte is aan een tweejarig programma binnen de HBO-bachelor opleidingen. (Zie brief aan de Tweede Kamer: Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 410, nr. 42).

Individuele leerrekening. Er wordt een experiment uitgevoerd met een individuele leerrekening voor laagopgeleide werknemers om te achterhalen of een eigen budget lager opgeleiden motiveert tot deelnemen aan scholing.

• Om de acties te ondersteunen zal een communicatiecampagne plaatsvinden.

Fes middelen: Bij augustusbesluitvorming in de MR van 24 augustus 2006, heeft het kabinet Fes middelen beschikbaar gesteld voor Beroepsonderwijs in bedrijf (zie onder 4.3.5). Een onderdeel hiervan is dat 4 200 EVC procedures zullen worden gerealiseerd. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat via cofinanciering uit eigen bijdragen van partijen 10 000 EVC trajecten worden gerealiseerd.

De projectdirectie Leren & Werken wordt verlengd tot 1 januari 2008. Het actieplan en de begroting van de projectdirectie zullen naar aanleiding van deze verlenging worden aangepast. Hieraan wordt gewerkt.

Meetbare gegevens

Tabel 4.8
 20042005200620072010
1. Aantal nieuwe duale trajectenBasiswaarde: 0 bij oprichting projectdirectie, maart 2005, aantallen trajecten.   15 000 
Bron: monitoring door Cinop     
2. Aantal nieuwe EVC-trajecten (cumulatief) Basiswaarde: 0 bij oprichting projectdirectie maart 2005, maart 2005–december 2005; 7 500, aantallen trajecten.  5 00030 000* 
Bron: monitoringdoor Cinop     
3. Deelname aan leeractiviteiten door 25–64 jarigenBasiswaarde: 15,6 % in 2000, percentage 25–64 jarigen. 17,316,6  20,0
Bron: Kerncijfers, EU-doelstellingen     

* Inclusief FES-claim

Toelichting:

1. De samenwerkingsverbanden die zijn ontstaan naar aanleiding van de «Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken» moeten leiden tot in totaal 15 000 extra duale trajecten. Dit betreft leerwerktrajecten gericht op inpassing in het arbeidsproces of het behalen van een beroepskwalificatie.

2. Daarnaast streeft de projectdirectie Leren en Werken er naar gedurende haar bestaan 20 000 extra EVC-trajecten te realiseren.

3. Nederland streeft naar een deelnamepercentage van tenminste 20% in 2010, het niveau van de twee best presterende Europese landen in 2000. Dit is een in EU-verband afgesproken streefcijfer.

4.3.7 Meedoen in de samenleving

Motivering

Onderwijs moet bereikbaar zijn voor iedereen. Deelnemers moeten daarbij ook hun eigen verantwoordelijkheid nemen en daarop aanspreekbaar zijn. Daarbij zal rekening worden gehouden met hun specifieke kenmerken. Ook volwassenen moeten door het volgen van een opleiding of cursus kunnen meedoen in de Nederlandse samenleving. Dit kan zowel betrekking hebben op de persoonlijke ontplooiing als op het vinden van een baan.

Instrumenten

• De Nederlandse gemeenten ontvangen jaarlijks de rijksmiddelen educatie. Op grond van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) zijn zij verplicht overeenkomsten te sluiten met roc’s voor de inkoop van educatieve activiteiten. Per 1 januari 2007 treedt het nieuwe inburgeringstelsel in werking. In het kader hiervan zijn er enkele wijzigingen ten aanzien van de omvang en de inzet van het educatiebudget:

1. de middelen voor opleidingen Nederlands als tweede taal (NT2) op de niveaus 1 en 2 die tot inburgering worden gerekend, zijn overgeheveld naar de begroting van Justitie.

2. de rijksbijdrage educatie voor de grote steden (de G-31) wordt opgenomen in de brede doeluitkering (bdu) «sociaal, integratie en veiligheid» van het grotestedenbeleid. Voor de inzet op educatie is een prestatie-indicator overeengekomen; de steden bepalen vooraf hun ambitie op dit terrein.

• Onderdeel van de educatie is de alfabetisering van Nederlandssprekenden. Eind 2005 is daarom het Aanvalsplan Laaggeletterdheid 2006–2010 Van A tot Z betrokken met de Tweede Kamer besproken ( Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 800 VIII, nr. 226) en (Tweede kamer vergaderjaar 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 142). Dit plan heeft de uitvoering van het Meerjarenplan Alfabetisering 2003–2006 versneld. Het biedt tevens het beleidskader voor de bestrijding van laaggeletterdheid in de jaren 2007–2010.

Voor de uitvoering van diverse, vooral preventieve, activiteiten uit het Aanvalsplan Laaggeletterdheid wordt geput uit verschillende onderdelen van de OCW-begroting (zoals voor- en vroegschoolse educatie, zie artikel 1 primair onderwijs). Uit de cultuur- en mediabegroting (zie de artikelen 14 en 15) worden in 2007 opnieuw extra uitgaven voor leesbevorderingsprojecten bekostigd. Voor overige uitvoeringsactiviteiten is in 2006 «de Subsidieregeling Aanvalsplan Laaggeletterdheid 2006–2010» vastgesteld. Op grond hiervan (en hun jaarlijks in te dienen activiteitenplannen) verrichten het Centrum voor Innovatie van Opleidingen (Cinop), de Stichting Lezen & Schrijven (L & S) en de Stichting Expertisecentrum ETV.nl (ETV) gecoördineerd een groot aantal uitvoerende activiteiten.

• Met ingang van 1 januari 2006 is leerlinggebonden financiering ingevoerd in het middelbaar beroepsonderwijs. Roc’s en aoc’s (Agrarische opleidingscentra) kunnen voor geïndiceerde deelnemers met een beperking leerlinggebonden financiering aanvragen.

Meetbare gegevens

Tabel 4.9
 2004200520062007200820092010
1. Educatie:– Raming aantal deelnemers educatie (maal 1000)128,5126,6126,6126,6126,6126,6126,6
Bron: Beleidsportaal en beleidstelling (exclusief nieuwkomers)       
2. Aantal verwachte aanvragen lgf-subsidie in 2006.  1 200    
Bron: CFI       

Toelichting:

a. Het effect van het Aanvalsplan Laaggeletterdheid wordt onderzocht in de jaarlijkse Monitor Alfabetisering. In het voorjaar van 2007 ontvangt de Tweede Kamer voor het eerst de aangekondigde «brede» versie van deze monitor, waarin aan de hand van zes «mijlpalen» zoveel mogelijk informatie over de resultaten wordt opgenomen. Het gaat dan onder meer om het leesniveau van leerlingen in het voortgezet onderwijs, het aantal actief betrokken werkgevers, aantal en spreiding van provinciale en gemeentelijke aanvalsplannen/leesbevorderingsplannen en het aantal deelnemers aan een basiscursus bij de roc’s.

b. Van 1 januari 2006 tot en met 1 april 2006 zijn 500 aanvragen behandeld waarvan aan 470 een lgf-subsidie is verstrekt. In augustus komt een nieuwe reeks aanvragen binnen. De verwachting is dat in 2006 in totaal 1200 aanvragen binnenkomen.

4.3.8 Meer eigen verantwoordelijkheid van deelnemers voor hun leerloopbaan

Motivering

Het is belangrijk dat de leerloopbaan van deelnemers aansluit bij de maatschappelijke behoefte naar een goed opgeleide en breed inzetbare beroepsbevolking. In overleg met de omgeving bepaalt de deelnemer zijn leerloopbaan. Hier heeft de deelnemer een eigen verantwoordelijkheid. De deelnemer wordt met loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) in staat gesteld tijdig een juiste studiekeuze te maken en tijdens de loopbaan adequate begeleiding te krijgen. De medezeggenschap van de deelnemer wordt versterkt zodat de deelnemer beter in staat is zijn belangen binnen de instelling te behartigen. Er wordt gewerkt aan imagoverbetering van het mbo-onderwijs; studiekeuzevoorlichting wordt verder vorm gegeven.

Instrumenten

• LOB: de deelnemer wordt met loopbaanoriëntatie en -begeleiding in staat gesteld tijdig een juiste studiekeuze te maken en tijdens de loopbaan adequate begeleiding te krijgen. De roc’s ontvangen extra middelen in de lumpsum voor versterking van de LOB van de deelnemer.

• Medezeggenschap: er wordt gewerkt aan wettelijke verankering van medezeggenschap van de deelnemers. Het wetsvoorstel wordt eind 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden.

• Overige instrumenten zoals financiële middelen om het imago van het mbo te verbeteren, om de keuzevoorlichting voor vo-scholieren te versterken en ten behoeve van het JOB, zodat de belangen van de deelnemers in het mbo behartigd worden.

Meetbare gegevens

Tabel 4.10
 20052009
Percentage deelnemers dat bekend is met leerling-raad op instelling.27%60%
Percentage deelnemers dat opnieuw voor dezelfde opleiding zou kiezen. 56%60%
Percentage deelnemers dat tevreden is over begeleiding bij studie. 38%55%
Percentage deelnemers dat tevreden is over begeleiding beroepskeuze of vervolgopleidingkeuze.30%50%
Basiswaarde: percentages in 2005, Percentage deelnemers  
Bron: ODIN3  

Toelichting:

ODIN (landelijke tevredenheidsonderzoek onder mbo deelnemers) is het landelijke deelnemerstevredenheidsonderzoek dat de JOB laat uitvoeren om te meten hoe mbo’ers hun onderwijs ervaren. De JOB wil met deze tweejaarlijkse meting de mening en ervaring van de mbo’ers over hun onderwijs meegeven.

4.4 Overzicht evaluatieonderzoeken

Tabel 4.11 Overzicht van evaluatieonderzoeken
Algemene/operationele doelstellingOnderwerpPlanning onderzoekSoort onderzoek
Minder deelnemers die de school voortijdig verlatenMonitor vsv, evaluatie rmc.Analyse van de werkzaamheden van de 39 rmc-regio’s inzake de aanpak van het voor- tijdig schoolverlaten, zodat ten behoeve van het landelijk beleid een zo goed mogelijk beeld ontstaat van de omvang van schooluitval, achtergrondkenmerken van vsv’ers, moment van uitval, succes van plaatsing, etc.September 2006–april 2007Deze monitor wordt jaarlijks herhaald.Ex-post evaluatieonderzoek
    
Aantrekkelijk beroepsonderwijs dat aansluit op de behoeften van de deelnemers, de arbeidsmarkt en het vervolgonderwijsSchoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt.Inzicht in de aansluiting van de opleiding op de arbeidsmarkt en vervolgopleidingen.Oktober 2006–september 2007Dit onderzoek wordt jaarlijks herhaald.Ex-post evaluatieonderzoek
    
Meedoen in de samenlevingAlfabetiseringsmonitor.Inzicht in aanbod van en deelname aan cursussen.Rapportage in het voorjaar 2007Deze monitor wordt jaarlijks herhaald t/m 2010.Ex-post evaluatieonderzoek
    
Instandhouding van het stelselDeelnemersmonitor.Het over een reeks van jaren beschikbaar hebben van informatie over ingeschreven deelnemers bve.Rapportage in het voorjaar 2007Deze monitor wordt jaarlijks herhaald.Ex-post evaluatieonderzoek