Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. HET BELEID

2.1. De beleidsagenda 2007

Een wezenlijke doelstelling van het kabinet is dat Nederland veiliger wordt. De veiligheid en stabiliteit in Nederland hangt samen met een veilige internationale omgeving en een stabiele internationale rechtsorde. De Nederlandse regering wenst daaraan een actieve en geloofwaardige bijdrage te leveren. De omvangrijke inzet van de krijgsmacht in het buitenland getuigt daarvan.


De krijgsmacht staat ook paraat als de veiligheid binnen onze eigen landsgrenzen in het geding komt. De krijgsmacht heeft zich ontwikkeld tot een structurele veiligheidspartner voor civiele autoriteiten. Het afgelopen jaar zijn de bestaande civiel-militaire afspraken geïntensiveerd en hebben nieuwe vormen van samenwerking gestalte gekregen. De gegarandeerde bijdrage van Defensie aan veiligheid binnen de landsgrenzen loopt hiermee op tot ongeveer 25% van het totale aantal militairen.


Om bij te dragen aan een veilige omgeving en aan de wederopbouw, stuurt Nederland in het kader van de International Security Assistance Force (ISAF) voor twee jaar tussen de 1 400 en 1 600 militairen naar de Afghaanse provincie Uruzgan. Deze risicovolle operatie betekent een grote krachtsinspanning voor de Nederlandse krijgsmacht. Vanwege het grote beslag dat deze inzet legt op de capaciteiten van de krijgsmacht, zal in 2007 beperkt worden bijgedragen aan andere crisisbeheersingsoperaties. Nederland zal in 2007 in ieder geval ook bijdragen aan de EU-operatie Althea in Bosnië-Herzegovina, de VN-operatie UNMIS in Soedan en aan NTM-I in Irak. Zoals nu voorzien, zullen in 2007 ruim 5 100 militairen in internationale operaties worden ingezet. Daarnaast worden ongeveer 1 300 militairen beschikbaar gesteld voor de Nato Respons Force (NRF) en de EU-battlegroups.


Naast de operationele inzet, werkt Defensie ook aan de grootste reorganisatie uit haar geschiedenis die gepaard gaat met het verlies van 11 700 functies, de sluiting van bases en de afstoting van operationele capaciteiten. Op grond van de Prinsjesdagbrief 2003 (29 200 X, nr. 4)is de koers ingezet naar een nieuw evenwicht in een kleinere, maar kwalitatief hoogwaardige en volledig inzetbare krijgsmacht. Defensie zet alle zeilen bij om het nieuwe evenwicht te bereiken tussen de taken van de krijgsmacht en de beschikbare middelen. Het is een forse opgave, maar het is nodig om een stabiele basis te leggen voor het doelgericht verder ontwikkelen en versterken van de capaciteiten van de Nederlandse krijgsmacht in de komende jaren.


De actualiseringsbrief «Nieuw evenwicht, nieuwe ontwikkelingen; naar een toekomstbestendige krijgsmacht» (30 300 X, nr. 107) schetst zes krijgsmachtbrede ontwikkelingsrichtingen die de komende jaren van invloed zullen zijn op het vermogen om operaties doeltreffend en doelmatig uit te voeren. Zij kunnen houvast bieden bij het denken over de toekomst van Defensie. Met deze schets wordt niet beoogd thans beslag te leggen op toekomstige begrotingsmiddelen. Defensie is tijdens het algemeen overleg over de actualiseringsbrief van 27 juni 2006 verzocht de financiële consequenties daarvan voorafgaand aan de begrotingsbehandeling zichtbaar te maken. De Kamer is hierover inmiddels geïnformeerd (30 300 X, nr. 132).


De actualiseringsbrief licht ook enige maatregelen toe om dringende operationele knelpunten op te lossen:

– de verwerving van twee extra Hercules C-130 vliegtuigen ten behoeve van het tactische transport;

– de verwerving van een bare base-capaciteit om toch gebruik te kunnen maken van vliegvelden in primitieve of slechte staat;

– meer bemanningen en onderhoudspersoneel voor Chinook-helikopters en C-130 transportvliegtuigen;

– de verwerving van middelen voor zelfbescherming ten behoeve van de Uruzgan-missie;

– de verwerving van middelen voor datacommunicatie voor mobiel optreden;

– de vervroegde vervanging van delen van het verbindingssysteem Titaan;

– extra formatieplaatsen voor inlichtingenpersoneel, informatieoperaties en Cimic;

– de uitbreiding van de bestelling van vier naar zes Chinooks, ter vervanging van de twee toestellen die verloren zijn gegaan.

Deze maatregelen zijn budgetneutraal genomen, dat wil zeggen binnen de huidig voorziene financiële kaders, en zijn verwerkt in de begroting.


Defensie onderkent voor 2007 de volgende beleidsprioriteiten:

1. Het verbeteren en verbreden van de (snelle) inzetbaarheid van de krijgsmacht;

2. Het leveren van een bijdrage aan het geïntegreerde buitenlandse veiligheidsbeleid;

3. Het verdiepen van de samenwerking met civiele autoriteiten;

4. Het realiseren van een nieuw evenwicht van de krijgsmacht;

5. Het vernieuwen van het personeelsbeleid.

1. Het verbeteren en verbreden van de (snelle) inzetbaarheid van de krijgsmacht

Het verbeteren van de (snelle) inzetbaarheid van de krijgsmacht is een beleidsprioriteit uit het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord. Op grond van het Hoofdlijnenakkoord zijn voor dit doel extra middelen (€ 100 miljoen in 2007) beschikbaar gesteld. Met het Strategisch Akkoord zijn extra fondsen toegewezen voor de versterking van de Europese defensiecapaciteiten in EU- en NAVO-verband. Het belang van de verbetering en verbreding van de inzetbaarheid van de Nederlandse krijgsmacht is ook gebleken uit de operationele ervaringen van de afgelopen jaren, onder meer op de Balkan, in het Caribische gebied, in Afrika, in Irak en in Afghanistan. Ook voor de uitvoering van de nationale taken van de krijgsmacht en de ondersteuning van de civiele autoriteiten is snelle inzetbaarheid van belang.


De maatregelen die bijdragen aan de (snelle) inzetbaarheid betreffen vooral de deelgebieden strategische en tactische transportcapaciteit, optreden in netwerken, waarnemingen, inlichtingen, zelfbescherming en effectief optreden. Verder is een aantal ontwikkelingen binnen de NAVO en de EU van belang, zoals de Nederlandse bijdragen aan de NATO Response Force (NRF) en aan de EU Battle Groups. Onderstaand worden de maatregelen op deze gebieden kort aangestipt. Voor bijzonderheden wordt verwezen naar de diverse beleidsartikelen. Voor urgente (nieuwe) behoeftestellingen, bijvoorbeeld in verband met actuele operaties, kan in voorkomend geval een versnelde aanschafprocedure worden doorlopen.

Strategische en tactische transportcapaciteit

Het huidige en toekomstige optreden van de krijgsmacht wordt gekenmerkt door – onder meer – snel optreden over lange afstanden zowel naar als in het operatiegebied. In het inzetgebied is vaak sprake van een gebrekkige transportinfrastructuur en van moeilijke terreinomstandigheden. In veel gevallen zullen risico’s en dreigingen aanwezig zijn. Deze situatie maakt een uitgebreide en robuuste organieke militaire transportcapaciteit die aan hoge eisen voldoet, noodzakelijk. De huidige organieke transportcapaciteit van de Nederlandse krijgsmacht wordt weliswaar versterkt, maar aanvullende maatregelen zijn nodig, onder meer om het voortzettingsvermogen te vergroten. Om de strategische en tactische transportcapaciteit van de Nederlandse krijgsmacht te verbeteren worden de onderstaande maatregelen genomen of in gang gezet.

Defensiebreed

– Deelname aan de Strategic Airlift Interim Solution (SALIS) van de NAVO voor het inhuren van civiele buitenprofiel luchttransportcapaciteit;

– Het onderzoeken van de mogelijkheden om door middel van internationale samenwerking de strategische luchttransportcapaciteiten te vergroten.

Zeestrijdkrachten

– Het operationeel gereedstellen van het Landing Platform Dock 2 (LPD2)/Amfibisch Transportschip 2 (ATS2) Hr. Ms. Johan de Witt;

– Het doorgaan met de voorbereiding van de invoering van de NH-90 maritieme helikopter;

– Het starten van de vervanging van het bevoorradingsschip Hr. Ms. Zuiderkruis door een defensiebreed inzetbaar logistiek ondersteuningsschip (marinestudie);

– Het vervangen van de diverse typen amfibische landingsvaartuigen;

– Het invoeren van het merendeel van de gepantserde terreinvoertuigen bij het Korps mariniers.

Landstrijdkrachten

– Het voltooien van de invoering van de wissellaadsystemen bij de land- en zeestrijdkrachten, waaronder het project Fysieke Distributie ter verbetering van de logistieke bevoorrading.

Luchtstrijdkrachten

– Het verbeteren van de inzetbaarheid van de Chinook-helikopters via meer bemanningen en meer onderhoudspersoneel. Evenals in de voorgaande jaren is voor de verbetering van de inzetbaarheid structureel € 5 miljoen herschikt binnen de defensiebegroting;

– Het starten van de verwerving van extra Chinook-helikopters en de standaardisatie van de Chinookvloot;

– Het modificeren van de extra verworven derde en vierde C-130 voor tactisch transport;

– Het verbeteren van de inzetbaarheid van de KDC-10 en de C-130-transportvliegtuigen via vergroting van het aantal bemanningen per toestel;

– Het starten van de verwerving van een bare base-capaciteit voor het opereren van vliegvelden met een gebrekkige infrastructuur;

– Het operationeel gereedstellen van de in 2005 verworven derde DC-10;

– Het voorbereiden van de oprichting van het Defensie Helikopter Commando per 1 januari 2008 op de vliegbasis Gilze-Rijen en het aldaar concentreren van de defensiehelikopters, met uitzondering van de fregattenversie van de NH-90-helikopter (de NATO Frigate Helicopter, NFH) en de AB-412-reddingshelikopters.

Optreden in netwerken

Nederland richt zich op operaties in alle delen van het geweldsspectrum en op kwalitatief en vaak ook technologisch hoogwaardige militaire bijdragen. Interoperabiliteit tussen de diverse internationale en nationale partners, bijvoorbeeld voor bevelvoerings-, communicatie- en informatiesystemen, is een randvoorwaarde voor succesvol optreden. Een belangrijk onderdeel hiervan is de ontwikkeling van genetwerkte informatievoorziening. In internationaal verband wordt dit aangeduid met de term Network Enabled Capabilities, afgekort NEC. Binnen de defensieomgeving bestaat deze behoefte al langer en is een netwerk – internetachtige – benadering van de informatievoorziening in stapsgewijze ontwikkeling. Deze netcentrische benadering maakt het mogelijk informatie uit functionele systemen van verschillende diensten uit te wisselen. NEC kent internationale, nationale en interdepartementale toepassingen. Om de netwerkcapaciteiten van de Nederlandse krijgsmacht te verbeteren worden de onderstaande maatregelen genomen of in gang gezet.

Defensiebreed

– Het verwerven van het communicatie- en verbindingssysteem Titaan, inclusief extra deelsystemen daarvoor;

– Het voortzetten van de invoering van het Enterprise Resource Planning (ERP) systeem;

– Het starten van de invoering van het lange termijn deel van het project militaire satellietcommunicatie (MilSatCom);

– Het voortzetten van de invoering van het Soldier Modernisation Programme (SMP);

– Het vervolgen van het interdepartementale onderzoek naar de civiele toepasbaarheid van het NEC-concept.

Zeestrijdkrachten

– Het verder invoeren van het communicatie- en informatiesysteem (NIMCIS) voor het Korps Mariniers;

– Het starten van de implementatie van commandovoerings-, communicatie- en informatiesystemen (netwerken) bij de oppervlaktevloot, waaronder het verder invoeren van het datalink- en communicatiesysteem Link 16.

Landstrijdkrachten

– Het verwerven van het Battlefield Management System (BMS) voor commandovoering te velde en, in relatie daarmee:

– Het verwerven van datacommunicatiemiddelen voor mobiel optreden (DCMO);

– Het invoeren van commandovoerings- en communicatiemiddelen en geautomatiseerde systemen (BMC4I) voor de grondgebonden luchtverdediging.

Luchtstrijdkrachten

– Het verder invoeren van het datalink- en communicatiesysteem Link 16 bij vliegende en grondgebonden systemen;

– Het verwerven van een nieuw communicatiesysteem voor de Patriot-raketeenheden.

Waarnemingen, inlichtingen en zelfbescherming

De Nederlandse krijgsmacht voert complexe operaties uit waarbij een hoge mate van onvoorspelbaarheid kan optreden. Het belang van actuele waarnemingen en inlichtingen voor de Nederlandse krijgsmacht is aanzienlijk toegenomen. Een versterking van de – vaak in een netwerk ondergebrachte – waarnemings- en inlichtingenketen bij de krijgsmacht is nodig. Dit jaar heeft de zogenaamde onderzoeksgroep Dessens onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid, de effectiviteit en de doelmatigheid van de inlichtingen- en veiligheidscapaciteit binnen Defensie en die van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) in het bijzonder. Defensie heeft intern onderzoek gedaan naar de operationele inlichtingenketen bij de krijgsmacht, inclusief de operationele ondersteuning door de MIVD. De studies zijn complementair en zullen de komende maanden in interdepartementaal overleg worden beoordeeld en verwerkt in een plan van aanpak. De Kamer zal, in aanvulling op het gestelde in de actualiseringsbrief «Nieuw evenwicht, nieuwe ontwikkelingen», separaat over de resultaten worden geïnformeerd.


De onvoorspelbaarheid van de operaties, waartoe de onzekerheid over de capaciteiten en de intenties van de mogelijke opponenten behoren, leidt ook tot een verhoogde aandacht voor (zelf)beschermingscapaciteiten. De genoemde versterking van de waarnemings- en inlichtingenketen verhoogt het bewustzijn van de Nederlandse eenheden en draagt daarmee ook bij aan de verbetering van de (zelf)bescherming. Daarnaast zijn specifiek op (zelf)bescherming gerichte maatregelen nodig om de veiligheid van de eigen eenheden zo groot mogelijk te maken. In het kader van de verbetering van de waarnemings-, inlichtingen- en (zelf)beschermingscapaciteiten van de Nederlandse krijgsmacht worden de onderstaande maatregelen genomen of in gang gezet.

Defensiebreed

– Het creëren van extra formatieplaatsen voor inlichtingenpersoneel, informatieoperaties en civiel-militaire samenwerking (Cimic);

– Het ontwikkelen van aanvullende maatregelen tegen aanvallen met geïmproviseerde explosieven en met mortieren.

Zeestrijdkrachten

– Het verwerven van betere akoestische sensoren (sonar) voor de Walrusonderzeeboten (marinestudie);

– Het uitbreiden van het bestand aan inlichtingenpersoneel bij het Korps Mariniers (marinestudie).

Landstrijdkrachten

– Het verder aanschaffen van kleine tactische onbemande verkenningsvliegtuigen (Short Range Tactical Unmanned Aerial Vehicles (UAV’s)).

Luchtstrijdkrachten

– Het starten van de verwerving van onbemande verkenningsvliegtuigen voor de middellange afstand en middelbare hoogte (Medium Altitude Long Endurance (MALE UAV)) en het bijdragen aan de ontwikkeling van een NAVO-capaciteit voor lucht-grondwaarneming (NATO Alliance Ground Surveillance (AGS));

– Het verwerven van een luchtverkenningsysteem voor de F-16 jachtvliegtuigen;

– Het bijdragen aan eventuele vervolgtrajecten van de NAVO-studie naar de technische haalbaarheid van de bondgenootschappelijke bescherming tegen ballistische raketten (de Missile Defence Feasibility Study (MDFS)).

Effectief optreden

Effectief optreden vereist een gecoördineerde aansturing van de operaties van de krijgsmacht. Ook zijn capaciteiten nodig waarmee in voorkomend geval een opponent kan worden aangegrepen om bepaalde gewenste effecten te bewerkstelligen. Om de capaciteiten die nodig zijn voor effectief optreden van de Nederlandse krijgsmacht te verbeteren worden de onderstaande maatregelen genomen of in gang gezet.

Defensiebreed

– Het oprichten van een defensiebrede eenheid voor bescherming tegen nucleaire-, biologische en chemische aanvallen;

– Het onderzoeken van de mogelijkheden voor het oprichten en positioneren van een Commando grondgebonden luchtverdediging. Voor de begrotingsbehandeling zal de Kamer nader worden ingelicht over de positionering van dit commando.

Zeestrijdkrachten

– Het versterken van de personele sterkte van het Korps Mariniers (marinestudie);

– Het doorgaan met de invoering van Short Range Anti Tank (SRAT)-bewapening bij de marinierseenheden;

– Het starten van de vervanging van vier M-fregatten door vier patrouillevaartuigen (marinestudie);

– Het starten van de verwerving van scheepsgelanceerde raketten voor het bestrijden van doelen op het land (Tactical Tomahawks, marinestudie);

– Het verbeteren van de schip-schipraket (Harpoon) voor bestrijding van kleine oppervlaktedoelen.

Landstrijdkrachten

– De invoering van Medium Range Anti Tank (MRAT)-systemen;

– De invoering van Short Range Anti Tank (SRAT)-bewapening;

– Het starten van de invoering van het infanteriegevechtsvoertuig (IGV);

– Het voortzetten van de invoering van het lichte verkennings- en bewakingsvoertuig Fennek en de algemene antitank- en luchtverdedigingsversies daarvan;

– Het verder invoeren van de pantserhouwitser 2000;

– Het starten van de verwerving van raketten voor de grondgebonden luchtverdediging op de korte afstand (SHORAD).

Luchtstrijdkrachten

– Het starten van de tweede fase van de verwerving van de bewapening voor grondaanvallen door de F-16 jachtvliegtuigen en het doorgaan met de invoering van doelopsporings- en aanwijzingsapparatuur voor de F-16;

– Het aanschaffen van apparatuur voor de ondersteuning van speciale operaties door de Chinook-helikopters;

– Het doorgaan met de verbetering van de doelopsporings- en nachtzichtapparatuur van de Apache-helikopters.

– Nederland is samen met acht andere partnerlanden in gesprek over de voorbereiding van de productie- en instandhoudingsfase van de Joint Strike Fighter. Algemene afspraken hierover worden dit najaar vastgesteld in het Memorandum of Understanding (MoU) over de Production, Sustainment & Follow on Development (PSFD). Het MoU heeft geen betrekking op de feitelijke bestelling van jachtvliegtuigen; daarover wordt later beslist. Een besluit tot ondertekening van het PSFD MoU zal de Tweede Kamer door dit kabinet worden voorgelegd.

Koninklijke marechaussee

– Het versterken van het voortzettingsvermogen ten behoeve van de inzet in het kader van internationale (politie)missies.

NAVO en EU

In de NAVO zijn eveneens belangrijke initiatieven genomen om de inzetbaarheid van de bondgenootschappelijke strijdkrachten te vergroten. Nederland levert ieder jaar een bijdrage aan de snelle reactiemacht van de NAVO, de NATO Response Force (NRF). Zoals gemeld aan de Tweede Kamer (28 676, nr. 19 en 29 521, nr. 22) is dat ook voor 2007 het geval.


– Voor NRF 8 (in de eerste helft van 2007) heeft Nederland een fregat en een mijnenjager aangeboden. Nederland heeft het aanbod van het fregat nadien moeten intrekken, vanwege de afstoting van fregatten als gevolg van de marinestudie. De totale Nederlandse bijdrage bedraagt ongeveer 100 militairen (van de in totaal ongeveer 25 000 militairen van de NRF).

– Voor NRF 9 (in de tweede helft van 2007) heeft Nederland een fregat, een mijnenjager en twaalf F-16’s met ondersteuning en een explosievenopruimingsdetachement aangeboden. Het totale Nederlandse aanbod omvat ongeveer 500 militairen.


Ook de Europese Unie verbetert de inzetbaarheid van de strijdkrachten, onder meer door de oprichting van de Battle Groups. Nederland levert daar periodiek een bijdrage aan. In de eerste helft van 2007 wordt de Duits-Fins-Nederlands Battle Group operationeel en voor een half jaar aan de EU beschikbaar gesteld. Een Battle Group bestaat uit ongeveer 2 000 militairen. Zoals gemeld aan de Tweede Kamer (30 363, nr. 1)bestaat de Nederlandse bijdrage aan de Duits-Fins-Nederlands Battle Group uit ongeveer 750 militairen plus nationale ondersteuning.


In 2004 is het Europees Defensie Agentschap (EDA) opgericht. Het EDA speelt een centrale rol bij de versterking van militaire capaciteiten in Europees verband. Het agentschap moet de versnippering van Europese defensie-inspanningen tegengaan. Met behulp van het EDA kan de ontwikkeling, de verwerving en de exploitatie van defensiematerieel door de EU-lidstaten worden geharmoniseerd. Defensie is nauw betrokken bij de totstandkoming van de langetermijnvisie op Europese capaciteitenontwikkeling, de toekomst van de Europese defensie-industrie en een Europese strategie voor defensieonderzoek en- technologieontwikkeling. Een gezamenlijk onderzoeks- en technologieprogramma inzake de bescherming van eigen eenheden (force protection) is in voorbereiding en zal naar verwachting op 1 januari 2007 van start gaan. Ook op de gebieden commando- en bevelvoering, inlichtingen, onbemande vliegtuigen, infanteriegevechtsvoertuigen en een nieuwe generatie radio’s neemt het EDA initiatieven voor onderzoek en technologieontwikkeling.

2. Het leveren van een bijdrage aan het geïntegreerde buitenlandse- (en) veiligheidsbeleid

De vraagstukken op het gebied van buitenlands beleid, ontwikkelingssamenwerking en veiligheidsbeleid zijn nauw met elkaar verbonden. Het voorkomen en oplossen van de hedendaagse conflicten en problemen vraagt een geïntegreerde en vaak regionale, soms zelfs lokale, inzet van de beschikbare Nederlandse beleidsinstrumenten. Deze kunnen van diplomatieke, economische, financiële, humanitaire, juridische en militaire aard zijn. In de gezamenlijke brief van Ontwikkelingssamenwerking en de ministeries van Buitenlandse Zaken, Economische Zaken en Defensie over wederopbouw (30 075, nr. 1) is de Kamer daarover geïnformeerd. De krijgsmacht draagt bij aan wederopbouw, bijvoorbeeld door het creëren van een veilige en stabiele omgeving, ontwapenings- en demobilisatieprogramma’s, de opbouw van een veiligheidsapparaat en de hervorming van de veiligheidssector. De inzet van militairen voor deze doeleinden kan worden gefinancierd uit het Stabiliteitsfonds.


In overeenstemming met de brief over wederopbouw en de afgesproken versterking van de geïntegreerde aanpak van veiligheid en ontwikkeling, heeft de krijgsmacht de beschikking over een pool van zestig militaire deskundigen voor het uitvoeren van SSR/DDR-projecten. Daarbij worden ook reservisten met een specifieke deskundigheid ingeschakeld. Van deze pool kunnen dertig militairen gelijktijdig worden uitgezonden. Er is een interdepartementaal team opgericht dat zich bezighoudt met de vulling van de pool en de opleidingen daarvoor. Dit team richt zich ook op het identificeren van geschikte SSR/DDR-projecten. Eind 2006 wordt een evaluatie uitgevoerd van het functioneren van de SSR-pool en het SSR-team. Daarbij zal ook worden bezien of militairen uit de SSR-pool op reguliere functies moeten blijven. De in Irak, Afrika en Afghanistan opgedane SSR/DDR-ervaringen van de krijgsmacht worden bij de evaluatie betrokken.


In 2006 is de Europese Gendarmerie Eenheid (European Gendarmerie Force (EGF)) operationeel gesteld. Deze eenheid kan ter beschikking worden gesteld van de EU, de VN, de OVSE en de NAVO. De EGF kan als gewapend politie-element in een civiele missie worden ingezet in de overgang van peace-enforcement naar peacebuilding of in een zelfstandige politieoperatie. De EGF draagt bij aan het vermogen om SSR/DDR-operaties uit te voeren. De Nederlandse krijgsmacht stelt permanent veertig tot zestig functionarissen van de Koninklijke marechaussee aan de EGF ter beschikking.

3. Het verdiepen van de samenwerking met civiele autoriteiten

De brief «Defensie en nationale veiligheid» (29 800 X, nr. 84)beschrijft de huidige en toekomstige invulling van de derde hoofdtaak van Defensie: de ondersteuning van civiele autoriteiten. In het project «Intensivering Civiel-Militaire Samenwerking (ICMS)» onderzochten de ministeries van Defensie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de mogelijkheden om de civiel-militaire interactie verder te verstevigen en uit te breiden. Het resultaat is een uitgebreid pakket aan maatregelen dat eind mei 2006 aan de Kamer is aangeboden (30 300 X, nr. 106). Ten opzichte van het convenant Civiel-Militaire Bestuursafspraken (CMBA) uit 2005, neemt door de ICMS-afspraken de minimaal gegarandeerde ondersteuning door de krijgsmacht toe van 3 000 tot ongeveer 4 600 militairen.


De toenemende nationale rol van de krijgsmacht krijgt tevens gestalte in de omvorming van de Nederlandse kustwachtorganisatie. Het bestaande samenwerkingsverband tussen zeven betrokken departementen maakt plaats voor één gezamenlijke organisatie. De beschikking over de middelen komt daarbij in één hand te liggen bij Defensie. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat voert de regie over de totstandkoming van geïntegreerde beleidsplannen, activiteitenplannen en de (meerjarige) begroting. De nieuwe Nederlandse kustwachtorganisatie gaat per 1 januari 2007 van start.

Ook op het gebied van terrorismebestrijding is grote vooruitgang geboekt. De brief aan de Kamer over de actualisering van het eindrapport «Defensie en terrorisme» (27 925, nr. 215)heeft laten zien dat bijna alle aangekondigde maatregelen zijn of worden uitgevoerd. Ook wordt in de brief een doorkijk gegeven naar enkele initiatieven voor bijdragen aan terrorismebestrijding door Defensie. Te denken valt aan de bijdrage aan en ondersteuning van de Dienst Speciale Interventies (DSI) met defensiepersoneel en -middelen. Ook behoren het zoeken naar explosieven, de verdediging en voorkoming van maritiem terrorisme en het helpen opstellen van evacuatieplannen voor ambassades in risicogebieden tot de opties. Deze mogelijkheden worden door de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, Buitenlandse Zaken, Justitie, Defensie en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding gezamenlijk verder bezien.


De nieuwe afspraken over civiel-militaire samenwerking tonen hoe de overheid haar slagkracht op veiligheidsgebied aanzienlijk kan vergroten door middelen en diensten horizontaal te ontsluiten en daar bindende afspraken over te maken. Het jaar 2007 staat voor een belangrijk deel in het teken van de operationalisering van de vele maatregelen. Er is een regeling getroffen met het ministerie van Verkeer en Waterstaat over de inzet van onbemande vliegtuigen in het civiele luchtruim boven Nederland voor bewakings- en observatietaken. Verder gelden, naast het operationeel stellen van de nieuwe nationale kustwacht en de Dienst Speciale Interventies, de volgende doelstellingen:


– een eenheid van bataljonsomvang is op afroep beschikbaar voor de verscherpte bewaking en de beveiliging van objecten, routes en grenzen;

– het militaire luchtverkeersleidingscentrum in Nieuw Milligen kan als back-up dienen voor 60 à 70% van de luchtverkeersleiding van Schiphol;

– twee «schepen van de wacht» zijn beschikbaar voor het boarden van zeeschepen, het onderscheppen van kleine vaartuigen en voor het detecteren en ruimen van zeemijnen;

– in overeenstemming met de ICMS-afspraken is genie-, staf-, transport- en medische capaciteit beschikbaar voor de ondersteuning van civiele autoriteiten bij rampenbestrijding;

– in de volgende grootschalige interdepartementale crisisbeheersingsoefening (Voyager 2007) wordt op alle niveaus de civiele toepasbaarheid beproefd van het militaire concept van netcentrische informatievoorziening;

– alle vormen van nationale inzet van de krijgsmacht zijn verwerkt in een geactualiseerd CMBA-convenant.


Ook is afgesproken dat nadere advisering zal plaatsvinden over de optimale invulling van de gewenste helikopterondersteuning voor rampenbestrijding en crisisbeheersing, voor inzet van de bijzondere bijstandseenheden en voor de uitvoering van politietaken. Daarbij worden ook de wenselijkheid en mogelijkheid bezien de diversiteit aan typen overheidshelikopters te beperken en te komen tot één organisatie voor, bijvoorbeeld, de aanschaf en het beheer van de genoemde overheidshelikopters.

4. Het realiseren van een nieuw evenwicht van de krijgsmacht

De herstructurering van Defensie behelst vergaande maatregelen die moeten leiden tot een nieuw evenwicht tussen de defensietaken en de daarvoor beschikbare middelen. Door het terugdringen van de exploitatielasten blijft de krijgsmacht betaalbaar en ontstaat ruimte om de inzetbaarheid van de krijgsmacht te vergroten. Het nieuwe evenwicht tussen de taken en de middelen verschaft de krijgsmacht een stabiele basis om de komende jaren door middel van gerichte investeringen de capaciteiten verder te ontwikkelen.


De maatregelen die moeten leiden tot een nieuw evenwicht zijn voortvarend door Defensie opgepakt. De reductie van de aangekondigde 11 700 functies is voor een zeer groot deel voltooid. De aangekondigde sluiting van de grote defensielocaties vliegkamp Valkenburg en de vliegbases Soesterberg en Twenthe vindt in 2007 plaats. De transporthelikopters van de krijgsmacht worden verplaatst naar Gilze-Rijen, alwaar het Defensie Helikopter Commando (DHC) wordt opgericht. De F-16’s van de vliegbasis Twenthe zijn verplaatst naar de vliegbasis Volkel. De kazernecomplexen in Ede worden in 2007 ontruimd. De locatie Seedorf is al in 2006 gesloten. De taakstelling voor de verkoop van af te stoten roerende en onroerende zaken wordt voorspoedig uitgevoerd wat bijdraagt aan het bekostigen van de investeringen in nieuw materieel. Ondertussen stroomt nieuw en modern defensiematerieel de krijgsmacht binnen of wordt binnen afzienbare tijd verworven. Het investeringspercentage is van 16,1% in 2003 gestegen naar 19,9% in 2005 en zal de komende jaren naar verwachting boven de 20% uitkomen. In 2006 zijn de besturingsrelaties tussen de bestuursstaf, de Operationele Commando’s (OC’s), het Commando Dienstencentra (CDC) en de Defensie Materieelorganisatie (DMO) volledig in werking getreden. In 2007 worden deze relaties versterkt en nader verfijnd. In 2006 zijn met de afronding van de reorganisaties bij de eenheden van het Commando Koninklijke marechaussee flinke stappen gezet naar de implementatie van het Beleidsplan KMar 2010. Daarbij ligt in 2007 het accent op de herstructurering van de P&O-organisatie en de ontwikkeling van cultuur en leiderschap binnen het Commando Koninklijke marechaussee.


In de brief «Nieuw evenwicht op koers» van oktober 2005 (30 300 X, nr. 15)kon een positieve tussenstand van de reorganisatie worden geschetst. Nu, ruim drie maanden voordat het nieuwe evenwicht een feit moet zijn, kan worden geconstateerd dat de deelprojecten in het algemeen op koers liggen of zijn voltooid. Het overgrote deel van de maatregelen uit deze brief krijgt met de uitvoering van deze begroting zijn beslag. Op dit moment is de organisatie (O) en de personele sterkte (P) in kwalitatief opzicht nog niet volledig op elkaar afgestemd. Voor een deel van de benodigde arbeidsplaatsen moet nog de juiste personele bezetting gevonden worden en een aantal personeelsleden zal nog een herplaatsingtraject moeten doorlopen. De eindsprint is ingezet om het beoogde nieuwe evenwicht daadwerkelijk te bereiken. De benodigde omvang van de organisatie, de personele sterkte en het bijbehorende financiële kader (F) zullen naar verwachting in 2007 met elkaar in evenwicht zijn (het zogenaamde O=P=F). De centrale besturingsfilosofie in combinatie met het integrale personeelssysteem (PeopleSoft) dragen daaraan bij.


Met de zogenaamde migratieplannen wordt de Tweede Kamer regelmatig ingelicht over de voortgang van de reorganisatie. Zoals herhaaldelijk is verklaard, óók in de recente kwartaalrapportage over de migratieplannen en in de brief «Nieuw evenwicht, nieuwe ontwikkelingen», zijn gedwongen ontslagen niet uitgesloten. Dit geldt zeker ook voor de eindfase van de reorganisatie. Een bijgesteld overzicht van de migratieplannen, dat aansluit bij de begroting van 2007, wordt de Kamer met de rapportage over het tweede kwartaal 2006 aangeboden.


De Prinsjesdagbrief 2003 zette de grootste bezuinigingsoperatie uit de geschiedenis van Defensie in werking. Als gevolg van deze operatie zijn vrijwel alle onderdelen van Defensie de afgelopen jaren geconfronteerd met ingrijpende veranderingen. Veel personeelsleden zijn van werkplek veranderd of hebben moeten wennen aan veranderende werkomstandigheden. Het spreekt vanzelf dat deze operatie veel van de organisatie en het personeel heeft gevraagd en nog steeds vraagt. Defensie voert haar taken niettemin loyaal en met goed gevolg uit. De crisisbeheersingsoperaties zijn al die tijd gewoon doorgegaan. Tegelijkertijd is de bijdrage van Defensie aan het geïntegreerde buitenlandse- en veiligheidsbeleid versterkt en is de binnenlandse rol van de krijgsmacht uitgebreid.

5. Het vernieuwen van het personeelsbeleid

De kwaliteit van het militair en burgerpersoneel blijft voor Defensie een belangrijke verworvenheid waarin onafgebroken moet worden geïnvesteerd. De komende jaren zullen de samenstelling en de kwaliteit van het personeelsbestand verder worden aangepast aan de eisen die de nieuwe organisatie stelt. Voor het burgerpersoneel komt het accent daarbij te liggen bij de intensivering van het mobiliteitsbeleid en de versterking van de persoonlijke ontwikkeling. Ten aanzien van het militaire personeel zal vanaf 2007 volop worden geïnvesteerd in de invoering van het nieuwe flexibele personeelssysteem (FPS). Dit flexibele personeelssysteem is gericht op een zodanige sturing en beheersing van de samenstelling van het personeelsbestand dat de vereiste taken op de vereiste professionele manier kunnen worden uitgevoerd. Met dit systeem kunnen de verdere verjonging van het personeelsbestand en een evenwichtige personeelsopbouw tot stand komen die nodig zijn voor het uitvoeren en voortzetten van de operationele taken van de krijgsmacht. Er wordt immers veel gevraagd van het defensiepersoneel. Uitzenden en expeditionaire inzet zijn aan de orde van de dag. Het personeel wordt geconfronteerd met een ritmiek van voorbereiding, inzet en recuperatie. Er zitten grenzen aan de mogelijkheden van het betrokken personeel. Het nieuwe personeelssysteem moet de door het militaire personeel ervaren uitzenddruk verdisconteren. Ten aanzien van de invoering van het FPS wordt het volgende implementatietraject gehanteerd (brief aan de Kamer van 27 juni 2006, 30 300 X, nr. 124):


– in het vierde kwartaal 2006 vindt naar verwachting het parlementaire overleg plaats over de wijziging van de Militaire Ambtenaren Wet (MAW) en de daarin genoemde sturingsinstrumenten van het FPS;

– eind 2006 zal de kwalitatieve onevenwichtigheid in het personeelsbestand in beeld zijn gebracht;

– voor 1 januari 2007 worden met de centrales van overheidspersoneel afspraken gemaakt over de rechtspositionele kaders en het implementatietraject van het FPS;

– eerste kwartaal 2007: vaststelling van de inrichtingseisen voor het functiebestand;

– vanaf eerste kwartaal 2007 start de gefaseerde invoering van het FPS en wordt stapsgewijs met behulp van de in de MAW opgenomen sturingsinstrumenten de kwalitatieve onevenwichtigheid in het personeelsbestand opgeheven;

– tweede kwartaal 2007: nieuw instromend personeel wordt aangesteld bij de krijgsmacht in plaats van bij een krijgsmachtdeel. Het onderscheid tussen de aanstelling voor bepaalde tijd (BT) en voor onbepaalde tijd (OT) verdwijnt. Met het oog hierop zal vanaf november 2006 de wervingsstrategie worden aangepast;

– tweede kwartaal 2007: start van de uitvoering van het overgangsbeleid voor het zittend personeel;

– vanaf medio 2007: verbijzondering van de personeelsinstrumenten toegesneden op het gedachtegoed van het FPS, zoals het intensiveren van de loopbaanbegeleiding, meer maatwerk bij het aanbieden van opleidingen die gericht zijn op de persoonlijke ontwikkeling en het nader vormgeven van het leeftijdsbewust personeelsbeleid.


Binnen het personeelssysteem krijgt de militair meer keuzemogelijkheden om zijn loopbaan zelf in te richten. Ook zal de loopbaan worden ondersteund door een scala van opleidingen. Het gaat hier niet alleen om functie- en loopbaanopleidingen, maar ook om opleidingen die gericht zijn op de persoonlijke ontwikkeling. Op deze wijze wordt de militair in staat gesteld te investeren in zijn loopbaan binnen Defensie dan wel buiten Defensie. Het personeelssysteem draagt daarmee bij aan het vergroten van de meerwaarde van de militair. Daarmee zal personeel, ook in de moeilijk te vervullen categorieën, beter voor de organisatie kunnen worden behouden. De Kamer heeft onlangs een brief ontvangen over het integrale opleidingsbeleid voor militairen, waarin nader op de uitvoering daarvan wordt ingegaan (30 300 X, nr. 105).


De medewerkers worden gestimuleerd om langer door te werken. Er moeten dus maatregelen zijn die dit verantwoord mogelijk maken. Het bestaande leeftijdsbewust personeelsbeleid wordt daarom in overleg met de centrales van overheidspersoneel geëvalueerd en, waar nodig, geactualiseerd.


Stapsgewijs worden resultaten behaald met de uitvoering van het actieplan Gender. Zo zijn meer vrouwen ingestroomd in de algemene militaire opleidingen en in de lagere officiersrangen. Ook is het percentage vrouwelijke burgermedewerkers gestegen. Er zijn echter verbeteringen mogelijk, zoals bij het behouden van vrouwelijke militairen voor de organisatie en bij het doorstromen van vrouwen naar de hogere rangen en posities. De ambities van Defensie voor het komend jaar zijn onder meer het verbeteren van de mogelijkheden voor militairen om arbeid en zorg te combineren en het verbeteren van de werkomgeving voor vrouwen en mannen. Ook zal – naast het hogere management – het middenkader worden ingeschakeld bij de uitvoering van het actieplan Gender.

Financiële gevolgen van het Defensiebeleid

Om de aansluiting van de begroting 2007 met de begroting 2006 (in totalen) mogelijk te maken, is hieronder een overzicht opgenomen met de mutaties.

Bedragen x € 1 miljoen
TOTAAL DEFENSIE2005200620072008200920102011
Standen ingediende ontwerp 20067 742,17 768,77 837,17 717,37 665,37 633,27 621,7
Amendement Herben       
Gewijzigde stand OB 20067 742,17 768,77 837,17 717,37 665,37 633,27 621,7
Najaarsnotamutaties 2005        
Overhevelingen van en naar andere departementen– 0,5      
Afdracht baten-lastendiensten aan moederdepartement30,7      
        
Slotwetmutaties 2005– 78,9      
        
Beleidsmatige mutaties       
Intertemporele compensatie arbeidsvoorwaarden – 135,9– 67,4– 66,9– 60,6– 57,0– 47,0
Intertemporele compensatie UKW – 8,2– 18,6– 20,1– 23,6– 38,4– 35,3
Bijdrage ten behoeve van civiel-militaire samenwerking 23,431,233,642,953,345,0
Vervanging operationele verliezen 30,050,025,025,025,025,0
Herziening personele sterkte CKMAR naar aanleiding van het amendement Herben 1,08,015,015,015,015,0
Verwerking moties algemene politieke beschouwingen – 3,9– 4,0– 4,0– 4,0– 3,9– 3,9
HGIS-besluitvorming eindejaarsmarge 22,3     
Overhevelingen van Buitenlandse Zaken 45,720,220,220,220,220,2
Overhevelingen naar Buitenlandse Zaken  – 60,0– 60,0– 60,0– 60,0– 60,0
Overhevelingen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties  15,0    
Bijdrage voor de gepantserde patrouillevoertuigen ten behoeve van ISAF 25,0     
Totaal beleidsmatige mutaties – 0,6– 25,6– 57,2– 45,1– 45,8– 41,0
Technische mutaties       
Doorwerking eindejaarsmarge 53,5     
Loonbijstelling 65,847,140,933,827,421,4
Prijsbijstelling 59,162,761,161,361,161,0
Overloop interimuitkering 2005 15,0     
Overhevelingen van en naar andere departementen – 2,2– 4,2– 2,8– 3,2– 3,2– 3,2
Ramingsbijstelling ontvangsten – 19,1– 5,23,1– 0,4– 9,7– 11,8
Totaal technische mutaties 172,1100,4102,391,575,667,4
Afrondingsverschillen – 0,1– 0,2– 0,10,10,10,2
Standen ontwerpbegroting 20077 693,47 940,17 911,77 762,37 711,87 663,17 648,3

Toelichting mutaties

Algemeen

Beleidsmatige mutaties voor 2007

Intertemporele compensatie arbeidsvoorwaarden

Voor de financiering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Defensie voor de periode van 1 januari 2004 tot en met 28 februari 2007 is uitgegaan van een sluitende financiering over een periode van 25 jaar, dus van 2006 tot en met 2030. Aanleiding hiervoor vormt het in deze arbeidsvoorwaardenovereenkomst opgenomen overgangsregime op het gebied van de ontslagleeftijden van militairen. Concreet betekent dit dat initieel beschikbare middelen zijn benut om op termijn de lasten van de jaarlijkse inleg van 0,18% cumulatief te dekken. Jaarlijkse verschillen worden vereffend via een intertemporele compensatie. In de eerste suppletore begroting is een prognose van deze intertemporele compensatie meegenomen.

Intertemporele compensatie UKW

In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Defensie voor de periode van 1 januari 2004 tot en met 28 februari 2007 is een ophoging van de ontslagleeftijden voor militairen overeengekomen tot een niveau van – over het algemeen – 60 jaar. In de begroting 2006 is uitgegaan van de Personeelsbrief 2003, d.w.z. een ophoging in 5 tot 7 jaar tot een individueel te bepalen leeftijd van 60–65 jaar. De meerlasten van een langer overgangsrecht en een lagere uiteindelijk te realiseren ontslagleeftijd worden gedekt via een jaarlijkse cumulatieve inleg van 0,18% van de loonsom gedurende 25 jaar, dus van 2006 tot en met 2030. Jaarlijkse verschillen tussen deze inleg en de feitelijk geraamde meerlasten worden vereffend via een intertemporele compensatie.

Bijdrage ten behoeve van civiel-militaire samenwerking

In het kader van de Intensivering Civiel-Militaire Samenwerking (ICMS) worden extra middelen beschikbaar gesteld voor onder andere havenbeveiliging, de explosievenruimingsdiensten en de bescherming tegen nucleair-biologische-chemische (NBC) aanslagen. In afwachting van de definitieve belegging van de budgetten worden deze fondsen vooralsnog gestald op het niet-beleidsartikel 80 Nominaal en onvoorzien.

Vervanging van operationele verliezen

Er is € 105 miljoen toegevoegd aan het defensiebudget ter compensatie van de uitgaven voor de vervanging van twee in Afghanistan gecrashte Chinook-transporthelikopters (2 x € 45 miljoen) en voor de gederfde verkoopopbrengst van een gecrashte Apache-helikopter (€ 15 miljoen). Voor de structurele verliezen tijdens operationele inzet is vanaf 2009 een bedrag van € 25 miljoen structureel aan het defensiebudget toegevoegd. Deze voorziening is noodzakelijk om de inzetgereedheid van de krijgsmacht op peil te houden. In juni 2006 is de Kamer geïnformeerd over een nadere regeling (27 925, nr. 219). Dit budget wordt in afwachting van de vaststelling van deze structurele regeling verantwoord onder het niet-beleidsartikel 80 Nominaal en onvoorzien.

Herziening personeel sterkte CKMAR naar aanleiding van het amendement Herben

Als gevolg van het amendement Herben zijn extra middelen beschikbaar gekomen voor herziening van het personeelsplafond van het Commando Koninklijke marechaussee. Hiermee worden op korte termijn onder andere de effecten van de autonome groei van het luchtverkeer opgevangen.

Verwerking moties algemene politieke beschouwingen

Deze mutatie betreft de bijdrage van Defensie aan de efficiency-/huisvestingstaakstelling voor zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en agentschappen. Tijdens de algemene politieke beschouwingen heeft de Tweede Kamer daartoe moties ingediend.

HGIS-besluitvorming eindejaarsmarge

Als gevolg van de onderrealisatie in 2005 is via de systematiek van de eindejaarsmarge € 22,3 miljoen toegevoegd ter financiering van lopende en nieuwe crisisbeheersingsoperaties.

Overhevelingen van en naar het ministerie van Buitenlandse Zaken

Van het ministerie van Buitenlandse Zaken is een structureel budget ontvangen voor de uitvoering van crisisbeheersingsoperaties.

Verder is uitvoering gegeven aan het besluit om de budgetten voor VN-contributies structureel over te hevelen naar de begroting van het ministerie van Buitenlandse zaken.

Overheveling van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Voor de luchtverkenningscapaciteit van de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba is in 2007 uit de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties € 15 miljoen toegevoegd aan het defensiebudget.

Bijdrage ten behoeve van gepantserde patrouillevoertuigen

In het kader van de verwerving van 25 stuks gepantserde patrouillevoertuigen ten behoeve van ISAF, is voor 2006 € 25 miljoen aan de defensiebegroting toegevoegd.

Technische mutaties voor 2007

Doorwerking eindejaarsmarge

Deze mutatie betreft de doorwerking van de eindejaarsmarge 2005 ten gunste van het budget voor 2006.

Loonbijstelling

Met de toekenning van € 65,8 miljoen voor loonbijstelling 2006 is de begroting op het loonpeil 2006 gebracht.

Prijsbijstelling

Met de toekenning van de prijsbijstelling 2006 is de begroting op het prijspeil 2006 gebracht.

Overloop interimuitkering 2005

Door de invoering van het nieuwe zorgstelsel is de interimuitkering beëindigd. Deze beëindiging leidt tot nabetalingen in 2006. Defensie is hiervoor gecompenseerd met een bedrag van € 15,0 miljoen.

Overhevelingen van en naar andere departementen

Deze mutaties betreffen een aantal kleine overhevelingen van en naar Defensie. Het gaat hier onder andere om een bijdrage aan de exploitatie van het project C2000 en aan de Onderzoeksraad voor Vrede en Veiligheid.

Ramingsbijstelling ontvangsten

De NAVO heeft de wensen voor diverse infrastructurele projecten in Nederland in aantal en omvang naar beneden bijgesteld; dit heeft gevolgen voor zowel de uitgaven- als voor de ontvangstenbegroting.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Effectenonderzoek ex postNieuw EvenwichtMei 2007November 2007

2.2 Inleiding tot de beleidsartikelen

Taken, ambitie en doelstellingen

De gronden voor de inzet van de krijgsmacht zijn opgesomd in artikel 97 van de Grondwet1. In overeenstemming hiermee zijn in de Defensienota 2000 drie hoofdtaken van de krijgsmacht onderscheiden, te weten:

1. Bescherming van de integriteit van het eigen en bondgenootschappelijke grondgebied, inclusief de Nederlandse Antillen en Aruba;

2. Bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit;

3. Ondersteuning van de civiele autoriteiten bij rechtshandhaving, rampenbestrijding en humanitaire hulp, zowel nationaal als internationaal.


Deze hoofdtaken zijn ook in de Prinsjesdagbrief 2003 opgenomen en er is thans geen aanleiding de formulering te herzien. Wel is het ambitieniveau voor de krijgsmacht, dat operationele invulling aan de hoofdtaken geeft, geactualiseerd en verduidelijkt (conform de actualiseringsbrief van 2 juni 2006, «Nieuw evenwicht, nieuwe ontwikkelingen», 30 300 X, nr. 107) Concreet wordt aangegeven wat de krijgsmacht desgevraagd kan leveren. Ook de implicaties van de Marinestudie uit 2005 zijn hierin verwerkt. Voorts is de afgelopen jaren het belang van speciale operaties verder toegenomen, zowel voor de bestrijding van het terrorisme als voor de evacuatie van (Nederlandse) burgers uit brandhaarden. Ook wordt herhaaldelijk een beroep op de krijgsmacht gedaan om relatief kleinschalige, maar niet minder belangrijke bijdragen te leveren aan civiele missies en politiemissies. Het gaat hierbij vaak om de inzet van schaars kaderpersoneel.

Het ambitieniveau voor de krijgsmacht

De krijgsmacht staat garant voor:

– de bescherming van het eigen en bondgenootschappelijke grondgebied, inclusief de Nederlandse Antillen en Aruba, zo nodig met alle beschikbare middelen;

– een actieve bijdrage aan het geïntegreerde buitenlandse beleid van ons land. Het gaat hierbij om kwalitatief en technologisch hoogwaardige militaire bijdragen aan internationale operaties in alle delen van het geweldsspectrum, ook in de beginfase van een operatie. Dit betreft:

• een bijdrage aan het ambitieniveau van de NAVO. In verband hiermee zal de krijgsmacht tevens een continue bijdrage van wisselende omvang leveren aan de NATO Response Force;

• een bijdrage aan het ambitieniveau van de Europese Unie. In verband hiermee zal de krijgsmacht tevens een periodieke bijdrage leveren aan de snelle reactiecapaciteiten van de Unie, de EU Battle Groups;

• een bijdrage aan de Stand-by High Readiness Brigade (Shirbrig) van de Verenigde Naties;

• deelneming gedurende maximaal een jaar aan een operatie in het hogere deel van het geweldsspectrum met een brigade van landstrijdkrachten, twee squadrons jachtvliegtuigen of een maritieme taakgroep;

• gelijktijdige deelneming gedurende langere tijd aan maximaal drie operaties in het lagere deel van het geweldsspectrum met taakgroepen van bataljonsgrootte of, bij luchtoperaties en maritieme operaties, equivalenten hiervan;

• het optreden bij landoperaties als lead nation op brigadeniveau en – samen met andere landen – op legerkorpsniveau, bij maritieme operaties als lead nation op taakgroepniveau en bij luchtoperaties met bijdragen op gelijkwaardige niveaus als de brigade;

• de uitvoering van speciale operaties, met inbegrip van evacuatieoperaties en contraterrorisme-operaties;

• deelneming aan politiemissies, waaronder die van de Europese Gendarmerie-eenheid, met functionarissen en eenheden van het Commando Koninklijke marechaussee en aan kleinschalige missies met een civiel-militair karakter;

• beschikbaarstelling van militaire deskundigen ten behoeve van de training en advisering van veiligheidsorganisaties in andere landen;

• verlening van internationale noodhulp op verzoek van civiele autoriteiten;

– bijdragen binnen de grenzen van het Koninkrijk aan de veiligheid van onze samenleving, onder civiel gezag. Deze bijdragen zijn zowel structureel als incidenteel van aard. In totaal is op rotatiebasis ongeveer 25 procent van het militaire deel van de krijgsmacht gegarandeerd beschikbaar voor de uitvoering van nationale taken. Het gaat hierbij in het bijzonder om:

• de uitvoering van nationale taken, zoals de grensbewaking door het Commando Koninklijke marechaussee en de kustwacht;

• militaire bijstand bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde evenals de handhaving van de openbare orde en veiligheid, zoals met bijzondere bijstandseenheden en de explosievenopruiming;

• militaire bijstand bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen.


De uit het ambitieniveau voortvloeiende taken worden uitgevoerd met behulp van de vier operationele commando’s, ondersteund door het Commando Dienstencentra (CDC) en de Defensie Materieelorganisatie (DMO). Het ambitieniveau heeft zowel een kwalitatief als kwantitatief aspect en fungeert daarmee als een raamwerk voor de grootte en samenstelling van de krijgsmacht. Voor de operationele commando’s geeft het ambitieniveau een kader voor de organisatie en de taken die deze moet kunnen vervullen.


In de beleidsartikelen 21, 22 en 23 (Commando zee-, land- en luchtstrijdkrachten) is het generieke ambitieniveau van de krijgsmacht – dat voortvloeit uit nationale en internationale verplichtingen – naar operationeel commando geschikt en verbijzonderd naar het uitvoeringsjaar 2007. In deze tabellen staan in kolommen achtereenvolgens het totaal aantal eenheden, het totaal aantal operationeel gerede eenheden (uitgesplitst naar geplande inzet en operationeel gereed) en uiteindelijk het aantal organieke eenheden dat wordt samengesteld en opgewerkt naar de status operationeel gereed.


Organieke eenheden (organisatorisch verband, bestaande uit een combinatie van personeel en materieel, waarmee wordt opgewerkt tot de status operationeel gereed) of onderdelen daarvan rouleren tussen deze fasen; dat wil zeggen: een eenheid wordt samengesteld, gaat opwerken, is uiteindelijk operationeel gereed en wordt al dan niet ingezet. Na een periode in de fase operationeel gereed valt een eenheid weer terug naar de fase samenstellen en opwerken, terwijl een andere eenheid op dat moment juist weer operationeel gereed wordt (voortzettingsvermogen). Intern defensie wordt voor dit roulatieschema een gereedstellingsplan opgesteld dat rekening houdt met het generieke ambitieniveau van Defensie en de internationale verplichtingen, inclusief de daarbij behorende gereedheidstermijnen.


Voor de realisatie van het gereedstellingsplan is door Defensie een meetsystematiek en een normering ontwikkeld. Maandelijks vindt de meting en toetsing aan dit normenkader plaats. Het systeem is zodanig ingericht dat zeker is gesteld dat de informatie reproduceerbaar en verifieerbaar is. De komende twee jaar wordt dit systeem verder geoptimaliseerd en waar mogelijk geautomatiseerd.


Met deze systematiek krijgt Defensie een transparant beeld van de manier waarop het ambitieniveau wordt vertaald in het proces van gereedstelling en de beschikbare inzetbare eenheden.

1  Dit artikel luidt: «Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.»