Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Artikel 6. Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging

6.1. Algemene beleidsdoelstelling

6.1.1. Klimaatverandering door menselijke beïnvloeding tegengaan net als verzuring van het milieu en de aantasting van de gezondheid door luchtverontreiniging, door emissies door de industrie, de landbouw, het verkeer, de binnenvaart, de gebouwde omgeving en de consumenten te beperken

Omschrijving

Om een duurzame samenleving te bereiken, waarin mens en natuur minder nadelige (gezondheids)effecten ondervinden van temperatuurstijging en van de uitstoot van schadelijke stoffen.

De overheid geeft het noodzakelijke wettelijke stelsel vorm, voert onderhandelingen over internationale verplichtingen in EU of andere internationale kaders en faciliteert, ook in financiële zin, de uitvoering van het beleid. VROM zet hierbij in op samenwerking in mondiaal en Europees kader en stimuleert dat milieubelangen meegenomen worden in de besluitvorming door overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Verantwoordelijkheid

De Minister van VROM is direct verantwoordelijk voor het vormgeven van wettelijke kaders en het voldoen aan internationale verplichtingen. De Minister van VROM is indirect verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid als het gaat om aan de overheid gelieerde uitvoeringsinstanties.

Succesfactoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van:

• Voldoende medestanders in de internationale onderhandelingen over (middel)lange termijndoelen;

• Technische haalbaarheid van internationaal vastgestelde emissiereducties en plafonds;

• De mate waarin Nederland in staat is om met de andere lidstaten afstemming van Europese richtlijnen te bewerkstelligen.

Meetbare gegevens

Het algemene effect van dit doel is dat klimaatverandering door menselijke beïnvloeding en aantasting van mens en milieu door luchtverontreiniging wordt tegengegaan en dat er minder schadelijke stoffen worden uitgestoten. Concrete effectgegevens zijn opgenomen bij de operationele doelen.

Tabel 6.1. budgettaire gevolgen van beleid
Bedragen x € 1 0002005200620072008200920102011
Verplichtingen:137 69693 32441 66937 12137 20137 45224 242
Uitgaven:59 86880 720101 784104 662110 37498 37185 540
Waarvan juridisch verplicht  48 20016 40017 6006 5005 600
Programma:55 13576 12397 356100 232105 94393 94181 110
Realisatie Kyotoklimaatverplichtingen:42 15954 12774 44881 66787 33782 37673 314
Binnenlandse klimaatinstrumenten25 64620 43024 53721 63724 11617 95711 016
Clean Development Mechanism16 51333 69749 91160 03063 22164 41962 298
        
Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken:9 67514 99515 71512 14612 1875 1463 646
        
Beperken aantasting van de ozonlaag:0250250250250250250
        
Beperken van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging:3 3016 7516 9436 1696 1696 1693 900
Apparaat artikel 6 (DGM)4 7334 5974 4284 4304 4314 4304 430
Ontvangsten:8 0009 4688 0007 0007 04100

Grafiek 6.1. budgetflex in % per operationeel doel in het begrotingsjaar 2007



kst99340_2_06.gif

Operationeel doel:

1. Realisatie Kyoto klimaatverplichtingen

2. Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken

3. Beperken aantasting van de ozonlaag

4. Beperken van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging

Toelichting

Bij het operationeel doel «Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken» zitten de bestuurlijk gebonden bedragen met name in de uitvoeringssfeer, bijvoorbeeld in het kader van het project intensivering ondersteuning bevoegd gezag in zijn streven naar vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Bij het operationeel doel «Beperken van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging» zitten de bestuurlijk gebonden uitgaven deels in de uitvoeringssfeer, bijvoorbeeld kosten die gepaard gaan met het uitvoeren van regelingen, deels in contributies ten behoeve van internationale organisaties.

6.2. Operationele doelstellingen

6.2.1. Realisatie Kyoto-klimaatverplichtingen

Motivering

Om klimaatverandering door menselijke beïnvloeding tegen te gaan.

Instrumenten

• Maken van een jaarlijkse tussentijdse afweging waarmee de voortgang van het klimaatbeleid wordt bewaakt. De Tweede Kamer zal via een brief over de resultaten van deze afweging worden geïnformeerd;

• Opstellen van een beleidsbrief van VROM en EZ aan de Tweede Kamer over instrumentering en aanverwante zaken rond schoon fossiel en CO2-opslag;

• Reparatie van nationale wet- en regelgeving inzake emissiehandel;

• Nationale evaluatie van emissiehandel en opstellen van een beleidsbrief. Start met implementatie van verbeteringen en met de voorbereiding van het ZBO-schap van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa), als daartoe besloten wordt naar aanleiding van de evaluatie;

• Nu de totale reductiedoelstelling bij het Clean Development Mechanism (CDM) is afgedekt met raamcontracten en Memoranda of Understanding (MoU) met China en Indonesië, worden in 2007 m.n. de laatste koopcontracten getekend en gaan de daadwerkelijke leveringen plaatsvinden van de voor 2007 gecontracteerde emissiereducties.


NB: bepaalde maatregelen die genomen worden ter uitvoering van de Beleidsnota Verkeersemissies en die genoemd worden bij operationeel doel 8.2.4 – Bevorderen van duurzame mobiliteit (zie aldaar), dragen tevens bij aan het realiseren van de Kyoto-klimaatverplichtingen.

Meetbare gegevens

In de periode 2008–2012 moet de emissie van de broeikasgassen CO2, CH4, N2O, HFK’s, PFK’s en SF6 met 6% worden gereduceerd ten opzichte van het basisjaar 1990 (voor HFK’s, PFK’s en SF6 is dat 1995). Dit betekent een maximaal toegestaan emissieniveau van 202 Mton CO2-equivalenten per jaar in de periode 2008–2012. Om dit niveau te bereiken heeft Nederland ervoor gekozen de nationale emissies te beperken tot gemiddeld 222 Mton, en daarnaast gemiddeld 20 Mton per jaar buiten Nederland te reduceren door middel van Joint Implementation (JI) en het Clean Development Mechanism (CDM).


Begin 2004 is de binnenlandse taakstelling «vertaald» naar streefwaarden voor de departementen. Hiermee is transparant geworden welke inspanning per sector/doelgroep wordt gevraagd. In de Evaluatienota Klimaatbeleid 2005 en in de brief aan de Tweede Kamer over de nadere integrale afweging klimaatbeleid van 21 april 2006, kamerstukken II,2005–2006, 28 240, nr. 43, zijn deze streefwaarden op grond van rekenkundige aanpassingen in het kader van het National Inventory Report 2005 bijgesteld.


De nieuwe streefwaarden zijn nu als volgt:

Tabel 6.2. Prestatiegegevens binnenlands klimaatbeleid
Industrie/elektriciteit109,2 Mton
Landbouw7,6 (8,2)* Mton
Gebouwde omgeving28,3 Mton
Verkeer38,7 Mton
Totale max. CO2-emissie184,4 Mton
Overige broeikasgassen35,4 Mton
Maximale emissie broeikasgassen219,8 Mton

* Bij toename van het areaal glastuinbouw tot 11 500 hectare of meer, wordt de CO2-streefwaarde voor de landbouw verhoogd van 7,6 Mton tot maximaal 8,2 Mton.


Tabel 6.3. Prestatiegegevens CDM (x 1 Mton)
 Getekende koopcontractenDoor de Executive Board goedgekeurde projectenGegenereerde emissiereductiesDoor de Executive Board gecertificeerde emissiereducties
20031,9 0,3 
20041,52,50,8 
200522,53,01,5 
Subtotaal25,95,52,6 
     
200634,149,54,02,6
20077,012,07,64,0
2008  10,37,6
2009  10,810,3
2010  10,810,8
2011  10,910,8
2012  10,010,9
2013   10,0
Subtotaal41,161,564,4 
     
Totaal67,067,067,067,0

6.2.2. Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken

Motivering

Om klimaatverandering door menselijke beïnvloeding tegen te gaan.

Instrumenten

• Verschijnen van het kabinetsstandpunt naar aanleiding van een interdepartementaal beleidsonderzoek ten behoeve van post-Kyoto klimaatbeleid. De opvattingen van burgers zullen hierbij worden gepeild;

• Inzetten in internationale fora op het in samenhang realiseren van de ambities voor klimaat, energievoorzieningszekerheid, luchtkwaliteit en concurrentie.

Meetbare gegevens

Vertrekpunt voor het «post-Kyoto beleid» zijn de maximale emissieniveaus die gerealiseerd moeten zijn in de Kyoto-periode 2008–2012. Het nagestreefde doel is de klimaatverandering te beperken tot een maximale temperatuurstijging van 2°C ten opzichte van de periode voor de industriële revolutie (1870). Dat betekent dat wordt gestreefd naar beleid van ontwikkelde landen gericht op emissiereducties in ordegrootte van 15–30% in 2020 en 60–80% in 2050 ten opzichte van 1990/1995. Behalen van de doelstelling is mede afhankelijk van het meedoen van belangrijke emitterende landen als India, China en Brazilië en het op gang komen van wereldwijde emissiehandel.

6.2.3. Beperken aantasting van de ozonlaag

Motivering

Om gezondheidsproblemen, met name huidkanker en oogproblemen, te voorkomen. Er is een nauwe relatie tussen aantasting van de ozonlaag en klimaatverandering door menselijke beïnvloeding.

Instrumenten

Jaarlijkse voortgangsrapportage aan de Europese Commissie.

Meetbare gegevens

Uitgangspunt van het beleid is het streven naar de terugkeer van de concentraties van ozonlaagafbrekende stoffen op het niveau van vóór het «gat in de ozonlaag» (1980–1990, de basiswaarde). Onder het Montreal Protocol zijn derhalve afspraken gemaakt over de afbouw van de productie en de consumptie van deze stoffen, waarbij voor iedere stof afzonderlijke tijdpaden voor de uiteindelijke uitfasering zijn uitgezet. Via aanpassingen van het protocol zijn deze afspraken steeds strenger gemaakt. De reductieschema’s voor ontwikkelde landen zijn strenger dan voor ontwikkelingslanden.

Ieder jaar wordt aan de Europese Commissie gerapporteerd over de productie- en consumptiecijfers van ozonlaagafbrekende stoffen (in volume en aantastingseffect). De Commissie dient deze gegevens namens de gehele EU in bij UNEP. Deze cijfers worden jaarlijks door het Ozon Secretariaat verwerkt in de «ODS Production and Consumption Figures» en geven weer of partijen voldoen aan de afgesproken reductiemaatregelen onder het Montreal Protocol. De cijfers zijn openbaar en dienen ook als input voor de controle door het nalevingscomité.

Daarnaast geeft Nederland in andere rapportages aan de Europese Commissie weer hoe zij de Verordening uitvoert (onder andere het gebruik, beperking van emissies, inspecties op de uitvoering door bedrijven en de ontwikkeling van alternatieven). Onvoldoende uitvoering leidt tot ingebrekestelling met de gebruikelijke sancties.

De effecten van het beleid zijn met name af te leiden uit de concentraties ozonlaag-aantastende stoffen in de stratosfeer en de diameter van het gat (gemeten over enkele jaren). Eind 2006 wordt de analyse van het Scientific Assessment Panel onder het Montreal Protocol verwacht. Het vorige Assessment Report is in 2003 uitgebracht. Conclusies destijds waren dat de concentraties chloor in de stratosfeer afnamen en dat het Montreal Protocol derhalve effectief leek. Enig herstel werd rond het midden van deze eeuw verwacht, alhoewel klimaatverandering en broeikasgassen dit herstel kunnen vertragen. Daarnaast geven de door partijen gerapporteerde productie en consumptiecijfers inzicht in de uitfasering van deze stoffen. Meest recente uitgave is «Production and Consumption of ODS under the Montreal Protocol, 1986–2004».

6.2.4. Beperking verzuring en grootschalige luchtverontreiniging

Motivering

Om verzuring en andere aantasting van mens en milieu door luchtverontreiniging te beperken en door emissies door de industrie, de landbouw, het verkeer, de gebouwde omgeving en de consumenten te reduceren. Uit het in 2005 verschenen Nationaal Luchtkwaliteitsplan blijkt dat Nederland voor met name fijn stof en NO2 de gestelde normen niet zal kunnen realiseren. Het is daarom noodzakelijk enerzijds een aanvullend luchtkwaliteitspakket te formuleren en anderzijds met de EC overleg te plegen over mogelijkheden tot aanpassing of uitstel van de EU-regelgeving. In een voorstel tot een samenvoegingsrichtlijn voor de drie dochterrichtlijnen zal de Commissie hierop terugkomen. Naar verwachting kan Nederland met de EU-herziening Dochterrichtlijn Lucht de normen voor fijn stof (2005) en NO2 (2010), op lokale overschrijdingen na, wel realiseren. Hiervoor is wel het aanvullend beleid van het Prinsjesdag-pakket nodig en meer ruimte binnen het EU-beleid. Over dit laatste wordt in oktober 2006 besluitvorming verwacht.

Bij de onderdelen 8.2.2. en 8.2.4 is de aanpak opgenomen met betrekking tot de verbetering van lokale luchtkwaliteit respectievelijk het bevorderen van duurzame mobiliteit.

Instrumenten

• Een goede Nederlandse inzet in de onderhandelingen over de nieuwe NEC-richtlijn (in 2007/2008) met emissieplafonds voor 2020, als vervolg op de EU-evaluatie in 2006. De onderhandelingsinzet komt interdepartementaal tot stand;

• Afspraken maken met betrokken sectoren over de realisatie van de NEC-plafonds;

• Aanbieden (begin 2007) van het Luchtkwaliteitsplan 2006 (het bestrijdingsplan zoals voorgeschreven door de EU) aan de Tweede Kamer. Dit plan geeft aan hoe de overschrijdingen in 2006 van de luchtkwaliteit aangepakt worden.

Meetbare gegevens

• Algemeen: indicatoren zijn de emissieniveaus voor de diverse verzurende en luchtverontreinigende stoffen. Voor de (middel)lange termijn (2005 en 2010) zijn tussendoelen vastgesteld voor luchtkwaliteit en emissies. Over de emissiedoelen is in 2003 gerapporteerd in de notitie «Erop of eronder» (de Uitvoeringsnotitie emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2003), zie onderstaande tabel.

• Voor wat betreft SO2 en NOx wordt volgens de referentieraming met het huidige vastgestelde beleid het plafond vooralsnog niet gehaald. Bij de NEC-evaluatie in 2006 wordt bekeken in hoeverre met intensivering van het beleid de plafonds naar verwachting wel gerealiseerd kunnen worden. Hierover zal in het najaar van 2006 (rond of na Prinsjesdag, afhankelijk van afronding van het overleg met de doelgroepen) aan de Tweede Kamer worden gerapporteerd.

• Voor de prestatie-indicatoren met betrekking tot lokale luchtkwaliteit wordt verwezen naar tabel 8.2 bij onderdeel 8.2.2.

Tabel 6.4. Emissies 1980, 1990, 2000 en 2004, doelstellingen en prognose 2010 (Kton/jr)
 19801990200020042010  
     Gotenburg ProtocolNEC-RichtlijnRaming
SO24811917565505066
NOx596576414379266260277
NH3234249152134128128126
VOS569493269181191185170

Bron: Milieubalans MNP 2006


Tabel 6.5. Sectorplafonds van de doelgroepen voor 2010 (Kton)
 SO2NOxNH3VOS
Industrie11,5} 653} 61
Energie13,5
Raffinaderijen14,5
Consumenten112729
HDO* en Bouw17133
Landbouw05961
Verkeer4158355
Onverdeeld b)4,513186
Totaal a)50260128185

Bron: «Erop of eronder», uitvoeringsnotitie emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2003 (bijlage bij kamerstukken II, 2003–2004, 28 663 XI, nr. 12).

* HDO = Handel, Diensten en Overheid emissietaakstelling 2010 (Kton/jaar) volgens de NEC-richtlijn.

6.3. Overzicht beleidsonderzoeken

Tabel 6.6. Overzicht onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid:
Soort onderzoekOnderwerpAD/ODA. StartB. Afgerond
BeleidsdoorlichtingKlimaatbeleid(realisatie Kyoto-doelstelling)OD 6.2.12004–2005
    
Effecten onderzoek ex postEmissiehandelOD 6.2.12006–2007
    
Overig evaluatieonderzoek:– Convenant benchmarkingOD 6.2.12003–2004
– Toepassing schoon fossiel-technieken in NLOD 6.2.12006–2006
 – Streefwaarden sectoren overige broeikasgassenOD 6.2.12005–2006
 – Streefwaarden sectoren IndustrieOD 6.2.12006–2007
 – Demonstratieproject «CRUST»OD 6.2.12006–2006
 – UN/ECE: Heavy Metal en POP-protocollenOD 6.2.12003–2006
 – 1e Dochterrichtlijn SO2, NO2, Pb, fijn stofOD 6.2.42003–2005
 – Toekomstige verplichtingen NEC en Gothenburg protocolOD 6.2.42006–2007
 – Halen internationale emissie-plafonds SO2 c.a.OD 6.2.42006–2006
 – Richtlijn luchtkwaliteitOD 6.2.42005–2006