Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Artikel 10. Versterken van het (inter)nationale milieubeleid

10.1. Algemene beleidsdoelstelling

Omschrijving

Om de herkenbaarheid, de effectiviteit en de efficiency van en het draagvlak voor het nationale en internationale milieubeleid te vergroten, opdat de diverse maatschappelijke actoren zich (meer) inzetten voor het bereiken van de gewenste milieudoelen. In aanvulling op de doelen van de artikelen 6 t/m 9 richt dit algemene milieudoel zich op de kaderstellende en aanvullende coördinatie van de beleidsontwikkeling en het ontwikkelen en toepassen van milieubreed instrumentarium.

Een brede, integrale aanpak verhoogt de effectiviteit en efficiency van milieubeleid. VROM heeft ook een aanjagende rol, bijvoorbeeld door als grootschalige consument met een totaal inkoopvolume van 30 miljard euro per jaar de markt voor duurzame producten te beïnvloeden.

Verantwoordelijkheid

De Staatssecretaris van VROM is ingevolge de portefeuilleverdeling in het kabinet Balkenende II in het bijzonder belast met:

• Milieu, duurzaamheid en coördinatie van het beleid gericht op het bevorderen en bewaken van duurzaamheid in de fysieke leefomgeving;

• De internationale aspecten van het milieubeleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Milieuraad en relevante VN bijeenkomsten.

De coördinatie van het internationaal milieubeleid ten behoeve van het politieke optreden en vertegenwoordiging van de Staatssecretaris van VROM in de desbetreffende internationale gremia ligt bij de Minister van Buitenlandse Zaken.

Meetbare gegevens

Waar mogelijk en zinvol zijn deze opgenomen bij de operationele doelen.

Tabel 10.1. Budgettaire gevolgen van beleid
Bedragen x € 1 0002005200620072008200920102011
Verplichtingen:89 51776 81075 11773 44276 97074 85171 813
Uitgaven:110 71492 78083 69678 33976 32071 85171 813
Waarvan juridisch verplicht  22 4007 1007 1005 1005 100
Programma:101 52882 80573 74068 22766 20661 73861 700
Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium:90 35370 22958 44952 95751 86347 94547 907
        
Internationaal milieubeleid:4 7806 3886 8916 9406 0665 5165 516
Internationaal milieubeleid (HGIS-deel)4 7805 4225 0745 0735 0745 0745 074
Internationaal milieubeleid (niet HGIS-deel) 9661 8171 867992442442
        
Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB:6 3956 1888 4008 3308 2778 2778 277
        
Overheidsbeleid voor duurzame ontwikkeling:0000000
Apparaat:9 1869 9759 95610 11210 11410 11310 113
Apparaat artikel 10 (DGM)9 1865 3625 1245 1255 1275 1265 126
Apparaat internationale Zaken (IZ) 4 6134 8324 9874 9874 9874 987
Ontvangsten:5 51711 0976 5372 0002 00000

Grafiek 10.1. budgetflex in % per operationeel doel in het begrotingsjaar 2007



kst99340_2_10.gif

Operationeel doel:

1. Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium

2. Internationaal milieubeleid

3. Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB

4. Overheidsbeleid voor duurzame ontwikkeling

Toelichting

Bij het operationeel doel «Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB» zitten de bestuurlijk gebonden uitgaven deels in de uitvoeringssfeer, bijvoorbeeld kosten die gepaard gaan met het uitvoeren van regelingen.

10.2.1. Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium

Motivering

Om de effectiviteit van het milieubeleid ook in de toekomst te vergroten moet het beleid zo goed mogelijk aansluiten bij ontwikkelingen in de samenleving. Daartoe worden verkenningen uitgevoerd en algemene strategieën voor milieubeleid ontwikkeld. Hierbij wordt de internationale dimensie uitdrukkelijk betrokken.

Instrumenten

• Over de implementatie van de Toekomstagenda Milieu ( kamerstukken II, 2005–2006, 30 535, nr. 2) brengt het Kabinet begin 2007 een voortgangsrapportage uit, waarin de voorstellen uit deze agenda concreet zijn uitgewerkt. In deze voortgangsrapportage zal per beleidsdoel ook worden aangegeven met welke indicator de effectiviteit jaarlijks zal worden gemeten. De voortgang zal in 2007 worden geëvalueerd met relevante stakeholders zodat er tijdig bijsturing kan plaatsvinden. Op dat moment kunnen door de maatschappelijke partners nieuwe agendapunten voor het toekomstig milieubeleid worden aangedragen;

• VROM zal de met advies van de RMNO opgestelde strategische onderzoeksagenda in 2007 uitvoeren, o.a. in de vraagsturing richting TNO en in het werkprogramma van MNP en RIVM;

• Verder uitvoeren van het meerjarenprogramma Herijking en Modernisering van de VROM-regelgeving. Dit leidt in 2007 tot de volgende beoogde beleidsresultaten:

– Publicatie (begin 2007) en invoering van de Activiteiten AMvB waarmee bestaande AMvB’s met algemene regels (8.40 AMvB’s) worden samengevoegd en waarmee voor nog zo’n 60 000 bedrijven de vergunningplicht vervalt (waarvan 40 000 landbouwbedrijven die onder een separaat besluit vallen);

– Publicatie van het wetsvoorstel Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Omgevingsvergunning) met bijbehorende uitvoeringsbesluiten waarmee een groot aantal vergunningstelsels op het gebied van omgevingsrecht wordt geïntegreerd. Het wetsvoorstel is in 2006 aan de Raad van State en de Tweede Kamer aangeboden. Publicatie in het Staatsblad is voorzien eerste helft 2007. Op basis van ervaringen uit pilots worden de acties uit het gezamenlijke implementatieplan (met IPO, VNG, UvW en bedrijfsleven) uitgevoerd. Bij een voorspoedige parlementaire behandeling en pilotfase kan het wetsvoorstel op 1 januari 2008 in werking treden;

– ICT-aspecten Omgevingsvergunning: met het Digitaal Omgevingsloket wordt de elektronische dienstverlening rondom de omgevingsvergunning (en watervergunning) landelijk geïmplementeerd. Dienstverlening wordt vanuit het perspectief van de aanvrager (burger en ondernemer) vormgegeven;

– Publicatie van het Wetsvoorstel ter implementatie van de EU richtlijn Milieuaansprakelijkheid;

– Publicatie van het Besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. 1994.

• Begin 2007 stelt het Kabinet in overleg met het bedrijfsleven en de planbureaus drie toekomstscenario’s op waarmee inzicht wordt verkregen in de marktontwikkeling, technologieontwikkeling en toekomstig nationaal en internationaal beleid en de effecten daarvan. De keuze voor sectoren zal afhangen van de omvang van de milieuopgave, het in te zetten instrumentarium, de mate van onzekerheid van het beleid en de interesse van de sector.

• Ontwikkelen van private vergroening. Dit is een aanpak waarbij bedrijven zelf de mogelijkheid krijgen om milieukosten onderling te verrekenen en eventuele opbrengsten ten behoeve van milieuverbetering in te zetten. Na afronding in 2006 van een quick scan naar nieuwe toepassingsgebieden wordt in 2007 in overleg met branches besloten waar private vergroening nader wordt uitgewerkt.

• In 2007 zal de tevredenheid van participanten en burgers inzake het milieubeleid opnieuw worden gemonitord, na de nulmeting in 2006;

• In 2007 zullen naar verwachting voor de SMOM-regeling 10 programmasubsidies en ca 75 projectsubsidies worden toegekend. Er wordt gestreefd naar inzet van 15% van het SMOM-budget voor projecten en programma’s met een vernieuwend karakter (bijvoorbeeld naar thema, aanpak, doelgroep, samenwerkingspartners). Voor de subsidiëring in het kader van de SMOM is in 2007 € 7,8 mln beschikbaar.

Meetbare gegevens

In de «comply or explain»-brief 2006 is uitgelegd waarom het voor dit operationele doel moeilijk is om zinvolle meetbare gegevens op te nemen. Voor 2 deelterreinen zijn onderstaande prestatie-indicatoren beschikbaar:

• Voor het meerjarenprogramma Herijking en Modernisering Regelgeving worden t/m 2009 in totaal 94 projecten uitgevoerd. Daarvan zijn er inmiddels 20 afgerond en zullen er in 2007 25 afgerond worden.

• Voor de prestatiegegevens m.b.t. reductie van de administratieve lasten wordt verwezen naar de tabel in de beleidsagenda.

10.2.2. Internationaal milieubeleid (IZ)

Motivering

Om grensoverschrijdende milieuproblemen en nationale beleidstekorten effectief aan te pakken vindt internationale samenwerking plaats. Milieuverbetering is een belangrijke voorwaarde om gezondheid, welzijn, veiligheid en duurzame ontwikkeling (hier en elders) te bereiken.

Instrumenten

Subsidies en bijdragen

• Subsidieregeling «Internationale milieusamenwerking» (publicatie in de Staatscourant eind 2006);

• Subsidies op basis van de begroting;

• Bijdragen aan secretariaten van diverse milieuverdragen;

• Bijdrage aan de Stichting International Reference Centre (IRC);

• Bijdragen in het Nederlands aandeel van de UNEP-contributie;

• Bijdragen aan het Internationaal Polair Programma en Internationaal Polair Jaar;

• Financiële participatie in enkele partnerschappen, aansluitend bij afspraken gemaakt tijdens de World Summit on Sustainable Development in Johannesburg 2002;

De inzet van bovenstaande financiële instrumenten is onderwerp van de jaarlijkse interdepartementale programmering in HGIS-kader.

• Internationale kennisoverdracht en -uitwisseling;

• Actieve diplomatie:

Nederland voert een actieve diplomatie, zowel binnen de EU, Pan Europees binnen het raamwerk van de VN-ECE als ook mondiaal;

• Bestuurlijk overleg:

Afstemming van het (inter)nationale beleid van de diverse overheden.

Uitvoeren en actualiseren van de Internationale VROM-agenda (die in het najaar van 2006 aan de Tweede Kamer gezonden zal worden);

• Verduurzamen van internationale geldstromen aansluitend bij de thematiek van CSD14/CSD15 (industriële ontwikkeling, energie, klimaat en luchtkwaliteit);

• Versterken van het mondiale milieubestuur door het benutten van de erkenning dat milieubehoud cruciaal is voor de realisatie van alle Millennium Development Goals en door zowel binnen de VN als op landenniveau meer aandacht te krijgen voor de formulering en implementatie van tijdsgebonden doelstellingen;

• Bij onderhandelingen inzetten op het versterken van het internationaal milieubestuur in VN-kader (m.n. UNEP);

• Follow up organiseren van de conferentie Energy for Development (EfD), die eind 2004 door OS en VROM georganiseerd werd. EfD bracht het belang in beeld van het vergroten van toegang tot energie, rekening houdend met duurzaamheidaspecten. De follow-up zal worden gestimuleerd door gebruik te maken van de tweejarencyclus van de CSD, die in 2006–2007 in het teken staat van energie, klimaat, luchtverontreiniging en industriële ontwikkeling;

• Vertalen van politieke steun aan Environment for Europe en Regional Environmental Reconstruction Programme (rerep) aan concrete steun voor activiteiten en projecten gericht op capaciteitsopbouw in Oost-Europa en Belgrado;

• Vergroten van draagvlak bij publiek en beleidsmakers voor ambitieuze klimaatdoelstellingen en verkennen van instrumenten daartoe.

10.2.3. Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB

Motivering

Om ervoor te zorgen dat elf specifieke industrietakken voldoen aan de voor 2010 afgesproken milieutaakstellingen, waarbij tevens milieuwinst in de productie- en consumptieketens wordt gerealiseerd.

Instrumenten

• Actualisatie van bestaande regelgeving en het hierdoor verkrijgen van zekerheden dat de industrie in 2010 aan de Europese NEC-verplichtingen zal voldoen. Dit betreft de uitstoot van verzurende stoffen (NOx, SO2, VOS en NH3) naar de lucht;

• In 2007 wordt duurzaam inkopen door de rijksoverheid en de andere overheden geïmplementeerd en de monitoring opgezet. Omdat de overheid een grote inkopende partij is, wordt hiermee direct en door de voorbeeldfunctie een duurzame productie bevorderd. Ook kunnen bedrijven gebruik maken van het ondersteunend materiaal dat voor de overheden is/wordt ontwikkeld;

• De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de stand van zaken van realisatie van de ambities op het gebied van duurzaam inkopen en duurzame bedrijfsvoering;

• Een op te richten commissie zal landensystemen toetsen aan de beoordelingsrichtlijn hout en ander relevant bewijsmateriaal.

Meetbare gegevens

• Voor een aantal relevante bedrijfstakken zijn integrale milieutaakstellingen (IMT) voor 2010 vastgelegd. Als streefwaarde is voor de meeste stoffen in de IMT vastgelegd dat de emissie in 2010 met 80 tot 90% moet zijn gereduceerd ten opzichte van 1990. Er zijn geen tussendoelen geformuleerd. Voor de verzurende stoffen zijn de resultaatsverplichtingen vastgelegd in de nota «Erop of eronder», uitvoeringsnotitie emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreini-ging 2003 (bijlage bij kamerstukken II, 2003–2004, 28 663 XI, nr. 12). Indicatoren voor het behalen van de resultaten zijn:

– De jaarlijkse emissieontwikkeling voor een groot aantal stoffen die in de IMT zijn opgenomen (bedrijven rapporteren, gesommeerd geeft dit een landelijk beeld) met bijzondere aandacht voor de NEC-stoffen;

– De mate waarin bedrijven procesafspraken nakomen (opstellen bedrijfsmilieu-plannen, jaarlijks rapporteren over voortgang);

• Door duurzaam in te kopen kan de overheid als belangrijke consument een impuls geven aan de marktpositie van duurzame producten, diensten en werken. Op die manier zal wat nu nog vooruitstrevend en soms iets duurder is, straks gewoon en betaalbaar worden voor de afnemer. De rijksoverheid heeft als ambitie om in 2010 voor 100% duurzaam in te kopen. De andere overheden streven een ambitie van 50% na. Er zijn geen tussendoelstellingen geformuleerd. Voor duurzame inkoop door het bedrijfsleven zijn er geen concrete doelstellingen.

10.2.4. Overheidsbeleid voor duurzame ontwikkeling

Motivering

Om structurele maatschappelijke veranderingen te stimuleren die leiden tot duurzame ontwikkeling. Tijdens de Wereldtop in Johannesburg (2002) zijn hierover afspraken gemaakt. Voor Nederland zijn deze voor de periode t/m 2007 uitgewerkt in het actieprogramma Duurzame Daadkracht (VROM-03-480 d.d. 16 juli 2003). Transities vormen een belangrijk instrument, het werken daaraan is door de ministeries van EZ, LNV, V&W en VROM ondergebracht bij de Interdepartementale Programmadirectie Energietransitie (IPE). Over de voortgang bij de verschillende transities wordt door IPE, dat bij het ministerie van EZ is ondergebracht, aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

Voor de sturing op duurzame ontwikkeling heeft het kabinet in 2006 de onderraad voor Ruimtelijke Ordening, Duurzaamheid en Milieu (RRODM) ingericht.

Instrumenten

• Aan de Tweede Kamer wordt gerapporteerd over de afronding van het actieprogramma Duurzame Daadkracht. In 2007 zal m.n. gewerkt worden aan stimulering van duurzame bedrijfsvoering bij de overheid, leefbaarheid in de wijken, het programma Leren voor Duurzaamheid, innovaties in de glastuinbouw en uitwerking van de thema’s die in de specials van de RRODM worden geagendeerd;

• Op basis van de in 2006 herziene Europese duurzaamheidsstrategie en de tweede duurzaamheidsverkenning (begin 2007) van de gezamenlijke planbureaus, zal het kabinet in 2007 een herziene Nationale Duurzaamheidsstrategie uitbrengen (als vervolg op Duurzame Daadkracht).

Meetbare gegevens

In de eerste Duurzaamheidsverkenning uit 2004 zijn effect-indicatoren opgenomen. In de tweede Verkenning, uit te brengen begin 2007, wordt op basis van deze indicatoren een monitoring uitgevoerd. Bovendien zullen de gezamenlijke planbureaus en betrokken wetenschappers de set van indicatoren in de tweede Verkenning kritisch bezien. De uitkomsten worden gebruikt bij het opstellen van de Nationale Duurzaamheidsstrategie.

10.3. Overzicht beleidsonderzoeken

Tabel 10.2. Overzicht onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid:
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAlg.doel/Op.doelA. StartB. Afgerond
Beleidsdoorlichting   
    
Effecten onderzoek ex post– Strategische Milieubeoordeling (SMB)OD 10.2.12009–2009
– Doelgroepenbeleid IndustrieOD 10.2.32005–2006
 – Implementatie Duurz.InkopenOD 10.2.32005–2006
    
Overig evaluatieonderzoek– Professionalisering handhavingOD 10.2.12007–2008
– Besluit financiële zekerheidOD 10.2.12006–2007
 – Financiering Facilitaire Organisatie Industrie (FOI)OD 10.2.32008–2009
 – Electronische milieu-jaarverslagleggingOD 10.2.32007–2007
 – Systematiek duurzaam geproduceerd houtOD 10.2.32006–2008
 – Organisatie duurzaamheidscriteriaOD 10.2.32008–2008