Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. HET BELEID

2.1. De beleidsagenda

INLEIDING

Duurzame ruimtelijke ontwikkeling

De ambitie van dit Kabinet is om het sociaal-, ruimtelijk en economisch potentieel van Nederland te ontwikkelen en de internationale concurrentiekracht op een duurzame en innovatieve wijze te vergroten. De afgelopen drie jaar hebben we daarom koers gezet naar een meer ontwikkelingsgerichte aanpak van de ruimtelijke vragen in ons land. Een aanpak met een grotere verantwoordelijkheid van marktpartijen en overheden, dicht bij burgers. Een duidelijke koerswijziging, vastgelegd in de Nota Ruimte, die zich laat samenvatten met: «decentraal wat kan, centraal wat moet». We starten niet meer bij wat er niet kan, maar kijken wat er wél kan. Dat betekent géén afscheid van rijksregie. Die blijft nodig waar het gaat om krachtige steden, de economische kerngebieden in relatie tot de hoofdinfrastructuur, de gezondheid en veiligheid en de nationale landschappen. Zorgvuldigheid in onze omgang met de schaarse ruimte, de natuur, het milieu en de landschappen is van nationaal belang.

De omstandigheden waaronder het beleid tot stand komt, zijn in ontwikkeling. We kiezen voor een moderne benadering in de aanpak van problemen: zakelijk, niet dogmatisch, resultaatgericht en met een nuchtere afweging van kosten en baten. Een benadering waarin ruimte wordt gegeven aan de verantwoordelijkheid van bedrijfsleven en andere overheden. Een aanpak die aansluit bij de groeiende rol van de EU en die bovendien aansluit bij de wensen, opvattingen en mogelijkheden van burgers. Beleid met als doel dat mensen nu en in de toekomst gezond en veilig kunnen (samen)leven.

Naar «nieuwe evenwichten»

Door de schaarste aan ruimte moeten we in Nederland extra ons best doen om de leefomgeving die we wensen en de omstandigheden waarin we wonen goed te ontwikkelen. Om – zoals het kabinet wil – «nieuwe evenwichten» te realiseren in de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. In het komende jaar willen we de hoofdlijnen van het ingezette beleid geborgd en geïmplementeerd hebben. Dat doen we in 2007 onder andere met de verdere uitvoering van de Nota Ruimte, de uitvoering van de Toekomstagenda Milieu, de modernisering van het huurbeleid, de visie op de woningmarkt, de laatste stappen voor de invoering van de omgevingsvergunning en het gezamenlijk optreden van de rijksinspecties.

Daarbij realiseren we ons dat Nederland, dat kleine stukje aarde aan de Noordzee, niet op zichzelf staat. Onze milieuproblemen bijvoorbeeld vragen steeds meer om Europese en mondiale afspraken en het Europees beleid heeft steeds meer – en soms onbedoeld – impact op de Nederlandse ruimte en de gebouwde omgeving. Dat is de internationale context waarmee we rekening moeten houden, willen we hier in Nederland gezond en veilig blijven wonen en leven.


In deze beleidsagenda laten we zien wat onze politieke prioriteiten voor 2007 zijn. Dat doen we aan de hand van de volgende thema’s:

• Ruimte voor ontwikkeling;

• Krachtige steden;

• Ruimte voor wonen;

• Ontkoppeling en eco efficiënte economie;

• Internationale VROM agenda

• Modernisering regelgeving;

• Betere naleving.

RUIMTE VOOR ONTWIKKELING (artikelen 4, 5 en 11)

Met de Nota Ruimte waait er een nieuwe wind door ruimtelijk Nederland. Door «decentraal wat kan, centraal wat moet» is de blik gericht op het mogelijk maken van ruimtelijke ontwikkelingen, met een scherp oog voor de beschermde gebieden. De medeoverheden kunnen de door hen gewenste gebiedsontwikkeling zo optimaal vormgeven, en krijgen in 2007 daarbij nieuwe instrumenten ter beschikking, zoals de grondexploitatiewet en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Deze instrumenten vergroten de effectiviteit van het ruimtelijke beleid door vereenvoudiging van de procedures en stroomlijning van de beleidsuitvoering van de verschillende bestuursniveaus. Uiteraard blijft er voor een belangrijk aantal onderwerpen nog een centrale rol van het rijk. De versterkte samenwerking tussen de departementen met de in de Nota Ruimte geïntroduceerde programma-aanpak heeft zijn vruchten afgeworpen. Het Kabinet neemt ontwikkelingsgericht en gecoördineerd belangrijke ruimtelijke beslissingen in bijvoorbeeld de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Het gaat hierbij onder meer om de verdere ruimtelijke ontwikkeling van Almere, Schiphol en de Zuidplaspolder, en om een aantal grote infrastructurele projecten (zoals de A4 door Midden-Delfland). Hierbij is er oog voor de ruimtelijke kwaliteit, onder andere ook via het Actieprogramma Ruimte en Cultuur (2005–2008).


In 2007 en daarna komt het aan op de verdere uitvoering van de Nota Ruimte. Gemeenten en provincies worden uitgedaagd om hun activiteiten door te zetten en de nieuwe mogelijkheden en instrumenten daarbij ten volle te benutten. VROM ondersteunt met kennis, kunde en zo mogelijk geld. Zo worden diverse activiteiten om het gebiedsgericht werken te stimuleren gebundeld in een «agenda gebiedsontwikkeling» (o.a. instellen Forum gebiedsontwikkeling en opstellen van «reiswijzer gebiedsontwikkeling»). Het Kabinet heeft besloten voor de periode van 2007 tot 2010, € 250 miljoen beschikbaar te stellen voor integrale gebiedsontwikkeling. Het gaat hier om integrale projecten met een belang voor de nationale ruimtelijke hoofdstructuur . Met deze gelden wordt de uitvoering van de Nota Ruimte gestimuleerd en wordt integrale gebiedsontwikkeling steviger verankerd. Het Kabinet zet steviger in op integrale gebiedsontwikkelingsprojecten waar meerdere belangen vanuit beleid en vastgoed samenkomen. Het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf (GOB) is in 2006 van start gegaan en is – onder aansturing van 5 departementen (VROM, V&W, EZ, LNV, Fin) – ondergebracht bij VROM. Het GOB zal in 2007 actief zijn in de projecten Valkenburg, Bloemendaler Polder en Almere.


VROM werkt samen met andere departementen – mede naar aanleiding van de Motie Lemstra (kamerstukken I, 29 435) aan een strategische visie op de Randstad. Dit past geheel in de versterking van de stedelijke netwerken. In dat licht is relevant dat de «Holland Acht» met hun Manifest van het najaar 2005 de (bestuurlijke) randvoorwaarden voor een effectieve versterking van de internationale economische concurrentiekracht van de Randstad hebben geagendeerd. De Ministers van VROM, V&W en BZK bespreken in het kader van de middenbestuur discussie – samen met de Holland Acht de bijdrage van een andere bestuurlijke organisatie in de Randstad aan de concurrentiekracht voor de Randstad. Maar ook voor de kortere termijn werkt het Rijk aan de versterking van die concurrentiekracht door de uitvoering van de programma’s in de Noord- en Zuidvleugel.


In Europees verband wordt in 2007 de door Nederland geëntameerde «Rotterdam-agenda» voortgezet met een bespreking van een analyse van Europese ruimtelijke trends en processen. Doel van de Rotterdam-agenda is onder andere een bijdrage te leveren aan de versterking van de concurrentiepositie van de Europese economieën (Lissabon strategie) door het groeipotentieel van regio’s en steden te mobiliseren.


De nationale ruimtelijke beleidsopgaven hangen ook samen met de verwachte veranderingen van het klimaat. Het weer wordt grilliger, wereldwijd en ook in Nederland. Om de ruimtelijke inrichting van Nederland en de daarmee samenhangende investeringsbeslissingen hierop aan te passen, heeft het Kabinet in 2006 besloten een Nationaal Programma Adaptatie Ruimte en Klimaat te starten. De stijging van de zeespiegel en toenemende afvoeren van de grote rivieren leiden ook tot een grotere aandacht voor waterveiligheid. Het Kabinet zal in januari 2007 een besluit nemen over de toekenning van middelen (uit het FES) voor het voorstel «kennis voor klimaat».

Vanaf 2007 kunnen de eerste subsidieaanvragen voor projecten over de Waddenzee worden ingediend bij het Waddenfonds.

Belangrijkste prestaties in 2007

• Uitvoering van de Nota Ruimte en de tweede uitvoeringsagenda (2006–2008) daarbij, onder andere door de uitvoering van de «agenda gebiedsontwikkeling»;

• Toekenning aan projecten voor integrale gebiedsontwikkeling waarvoor in deze periode 2007–2010 € 250 mln beschikbaar is voor de uitvoering van de Nota Ruimte. Deze € 250 mln is versneld ingezet uit de met 100 mln opgehoogde, gereserveerde middelen in het FES voor de periode 2011–2014 (in totaal € 1 miljard).

• Nadere invulling van de strategische lange termijnvisie op de Randstad als geheel;

• Vaststelling nationale adaptatieagenda 2007–2014 voor het klimaatbestendig maken van Nederland voor de langere termijn en het opstellen van uitvoeringsprogramma daarvoor.

KRACHTIGE STEDEN (artikelen 2, 5 7, 8, 10 en 13)

Het Kabinet streeft mede in het kader van het Grotestedenbeleid naar steden waar het goed wonen, werken en recreëren is en waar deze functies ook goed bereikbaar zijn. Steden waar mensen, (internationale) bedrijven en culturele instellingen zich willen en kunnen vestigen. VROM is binnen het GSB verantwoordelijk voor het fysieke domein en stelt geld, kennis en kunde ter beschikking en helpt zo mee de voorwaarden te scheppen waarin steden problemen aan kunnen pakken en kansen kunnen grijpen. De inspanningen beginnen effect te sorteren. De gerichte inzet van middelen (zoals het investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV) en Besluit Locatie gebonden Subsidies (BLS)), de harde prestatieafspraken, de ondersteuning in de vorm van impulsteams en wetgeving (Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek, de zogenaamde «Rotterdamwet») en de focus op 56 wijken zorgen voor een positieve ontwikkeling in de steden. Ten opzichte van de rest van het land wonen er in de steden nu meer hoger opgeleiden en is de inkomenspositie verbeterd. Het aandeel koopwoningen in de totale productie neemt in de steden sneller toe dan landelijk. Per saldo trekken minder mensen de stad uit. Door de ontwikkeling van de gebieden rond de stations van de hoge snelheidslijnen («NSP budget») en toekenning van budget voor investeringen in de ruimtelijke kwaliteit van stedelijke centra («BIRK budget») zijn deze gebieden duidelijk aantrekkelijker geworden. Ook vanuit de rijkshuisvesting wordt, waar passend binnen de huisvestingsbehoeften, bijgedragen, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van nieuwe rijkshuisvestingsprojecten (al dan niet in PPS-verband) of door herbestemming van overtollige rijkskantoren.


VROM blijft zich in 2007 en daarna gericht inzetten op krachtige steden. Economisch gezien worden de Randstad en andere Nederlandse steden geconfronteerd met een toenemende concurrentie van buitenlandse grootstedelijke gebieden en steden. Investeringen in de leefbaarheid, de dynamiek en het vestigingsklimaat van de stad en de steden blijven daarom hard nodig. Zo maakt VROM afspraken over de rijksinzet in de stedelijke netwerken en besteedt het ministerie blijvend aandacht aan de (vroegtijdige) afstemming van rijksinvesteringen op die gemaakte afspraken.


De stedelijke vernieuwing blijft de komende jaren een urgent thema. De problematiek in de oude stadswijken blijft, ondanks de positieve resultaten, groot en divers. Hoe belangrijk ook, maar met alleen andere woningen is de burger die geconfronteerd wordt met een cumulatie van problemen niet geholpen. Daarom wil het Kabinet aan de slag met experimenten in een aantal wijken om met een gebiedsgerichte gebundelde inzet de problemen op de terreinen van wonen, leren, werken, veiligheid en welzijn te helpen oplossen. De bewindslieden van vrijwel alle departementen werken hiervoor samen met de gemeenten en andere belangrijke partners als vitale coalities in de wijk. De stedelijke vernieuwingsopgave wordt overigens nog vergroot door de te verwachten – regionaal gedifferentieerde – ontspanning op de woningmarkt en de krimpende bevolking in diverse delen van ons land. Minder gewilde wijken en buurten komen hierdoor nog verder onder druk te staan. In het najaar van 2006 brengt VROM een raming en onderbouwing uit van de behoefte aan stedelijke vernieuwing vanaf 2010.


Aantrekkelijke steden zijn steden met groen en water. Burgers vragen daar voortdurend naar. Hun welbevinden hangt hier nauw mee samen en het vestigingsklimaat van (internationaal opererende) bedrijven en instellingen wordt erdoor bevorderd. Een groene en waterrijke omgeving geeft de mogelijkheid om te spelen, te sporten, te recreëren en andere mensen te ontmoeten. Daarnaast dragen groen en water bij aan rijksdoelstellingen op het gebied van natuur en wateropgaven om Nederland klimaatbestendig te maken. In dat kader werkt VROM in samenwerking met de ministeries van LNV, BZK en V&W en een groot aantal andere instanties aan meer groen in en om de stad, inclusief de transformatie van rijksbufferzones tot grootschalige groen/blauwe gebieden.

Belangrijkste prestaties in 2007

• In de stedelijke netwerken, de stadscentra en oude stadswijken blijft geïnvesteerd worden met GSB/ISV-, BLS-, NSP- en BIRK-gelden om de woningvoorraad te herstructureren, de leefbaarheid in de woonomgeving te verbeteren, het vestigingsklimaat voor bedrijven te bevorderen en de steden aantrekkelijker te maken voor alle groepen in de samenleving, ook de midden- en hogere inkomens;

• Om het perspectief voor bewoners in oude wijken op een beter leven in de toekomst te bevorderen, gaat het Kabinet aan de slag met experimenten in een aantal wijken door een integrale aanpak op de terreinen van wonen, leren, werken, veiligheid en welzijn;

• Een interdepartementaal programma voor groen in en om de stad wordt uitgewerkt als invulling van de intentieverklaring «Groen Partnerschap». Ook wordt met diverse partners een interdepartementaal programma «Ruimte voor sport en bewegen» uitgewerkt.

RUIMTE VOOR WONEN (artikelen 1 en 3)

Het Kabinet zet met het oog op het doorbreken van de stagnatie van de woningmarkt het ingezette beleid door en legt met de visie «Ruimte geven, bescherming bieden; een visie op de woningmarkt» nieuwe accenten. De woningproductie moet weer op peil komen en het aanbod moet flexibeler kunnen worden aangepast aan de vraag en de bestaande woningvoorraad moet effectiever en efficiënter worden verdeeld. Daardoor kan de woningmarkt zich ontspannen en krijgen burgers – waaronder starters èn oudere bewoners – meer ruimte om te kiezen voor een betaalbare en kwalitatief passende woning.


VROM heeft zich in de afgelopen jaren gericht op heldere woningbouwafspraken, de gerichte inzet van subsidies (BLS budget), het faciliteren van bouwprocessen door de inzet van aanjaagteams en stimulansen voor verhuurders om te investeren in woningbouw door de modernisering van het huurbeleid. Daarnaast is meer ruimte gegeven aan woningcorporaties voor hun maatschappelijk ondernemerschap, maar heeft het Kabinet ook maatregelen aangekondigd die hen stimuleren om hun grote maatschappelijke vermogen meer te laten renderen. Ook is voor starters op de woningmarkt een tijdelijke ondersteunende maatregel getroffen met de startersleningen. De drempel voor starters op de koopwoningmarkt kan daarnaast worden verlaagd door de verruiming van de wet Bevordering eigen woningbezit (BEW+).

Deze maatregelen hebben grotere en gerichter prikkels gegeven aan marktpartijen om meer woningen te bouwen. Inmiddels lijkt de neerwaartse trend van de woningbouw gekeerd. Daar waar vorig jaar nog rond de 60 000 nieuwbouwwoningen werden opgeleverd, zijn het afgelopen jaar 71 000 woningen toegevoegd. Een bouwvolume van rond de 80 000 woningen is echter vereist om uiteindelijk het (landelijk) woningtekort terug te dringen tot 1,5% in 2010. Ook daarna is een dergelijke opgave nodig om ontspanning op de woningmarkt te behouden.


Het wettelijke traject rond de modernisering van het huurbeleid is het sluitstuk van alle in gang gezette maatregelen. Door de huurtoeslag blijft de betaalbaarheid voor mensen met een lager inkomen tot de woningmarkt geborgd. VROM monitort nauwlettend de uitvoering van de woningbouwafspraken. Gemeenten en woningcorporaties worden aangesproken als zij achterlopen en zo nodig worden zij ondersteund met aanjaagteams om een stagnerend bouwproces vlot te trekken.


Maar er kan meer om de woningmarkt beter te laten functioneren. Om goed voorbereid te zijn op onzekere trends in de toekomst, is flexibiliteit van het aanbod van woningen en woonmilieus van belang en de steeds grotere regionale verschillen qua demografische ontwikkeling (meer of minder ontspanning, hogere of lagere bevolkingsdruk) nopen tot maatwerk. Ook zijn er mogelijkheden om de woningvoorraad beter te verdelen. De Minister van VROM zal het komende jaar een nadere uitwerking geven aan de aanvullende maatregelen die zij in de kabinetsvisie op de woningmarkt heeft beschreven rond het blijvend bevorderen van voldoende beschikbare woningen, het beter afstemmen van de kwaliteit van woningen en woonomgeving op de woonwensen en het verbinden van de gescheiden huur- en koopmarkten.

Belangrijkste prestaties in 2007

• De uitvoering van de woningbouwafspraken wordt ook in 2007 nauwlettend gemonitord;

• Het wettelijke traject rond de modernisering van het huurbeleid wordt afgerond;

• Aanvullende maatregelen die zijn aangekondigd in de visie op de woningmarkt worden nader uitgewerkt, waarbij prioriteit wordt gegeven aan de volgende voorstellen:

– Passend wonen: flexibilisering huurcontracten, waarmee huurders worden verleid om een woning en huurprijs te kiezen die past bij hun financiële draagkracht;

– Onderzoek naar mogelijkheden om de gescheiden huur- en koopmarkten meer met elkaar te verbinden via bijvoorbeeld vouchers en verschillende eigendomsvormen.

ONTKOPPELING EN EEN ECO-EFFICIENTE ECONOMIE (artikelen 6, 7, 8, 9, 10 en 11)

Het Kabinet heeft in de afgelopen jaren een begin gemaakt met een moderner milieubeleid. Slim, zakelijk en doeltreffend is het karakter van de door het Kabinet uitgebrachte Toekomstagenda Milieu. Minder regels, een modern instrumentarium dat aansluit bij de beleving van burgers en bedrijven, en een kansgerichte, innovatiebevorderende benadering waarin beperking van de milieudruk de economische groei kan versterken (milieu als kans), vormen daarbij de rode draad. Op deze manier komt de realisatie van de doelen van het nationaal milieubeleidsplan (NMP 4) dichterbij. Ontwikkeling, maar op een duurzame manier is het credo. Ook bij economische groei moet de milieudruk afnemen. Het Kabinet levert zijn bijdrage. Zo zal het Kabinet uiterlijk tot 2010 bij 100% van de rijksaankopen en -investeringen duurzaamheid als zwaarwegend criterium meenemen. In 2007 wordt het actieprogramma duurzame ontwikkeling afgerond.


Dat neemt niet weg, dat Nederland geconfronteerd wordt met forse problemen rond luchtkwaliteit en de energievoorziening. Tegelijkertijd moeten wij oog houden voor problemen voor de lange termijn als het veranderende klimaat en de aantasting van biodiversiteit.


Ondanks dat Nederland ten opzichte van andere landen in Europa het meeste investeert in het milieu, blijkt het erg moeilijk om de Europese normen te halen. Dit bleek afgelopen jaar in het kader van de luchtkwaliteit. Ondanks dat onze lucht schoner is dan ooit, zijn de concentraties fijn stof en NOx in delen van het land te hoog, veroorzaakt door het feit dat we nu eenmaal in een dichtbevolkt land wonen en werken. Luchtvervuiling tast dan al snel de volksgezondheid aan. Tegelijkertijd kan het niet zo zijn dat door de Europese normen de uiterst noodzakelijke investeringen in de bouw van woningen en infrastructuur geen doorgang kunnen vinden. Het Kabinet heeft de gesignaleerde problemen voortvarend aangepakt. Een wetsvoorstel luchtkwaliteit is in procedure gebracht waardoor de kaders worden geschapen die het mogelijk maken om èn de lucht schoner te krijgen èn ruimtelijke projecten door te kunnen laten gaan. Tegelijkertijd is met de beschikbaarstelling van de met 150 mln opgehoogde € 900 mln (in totaal 1 050 mln) voor de periode 2005–2015 een omvangrijk pakket maatregelen genomen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het Kabinet zal in januari 2007 een besluit nemen over de toekenning van extra additionele middelen (uit het FES) voor luchtkwaliteit. Ondanks alle nuttige maatregelen die op nationaal en lokaal niveau genomen worden, is het Kabinet ervan overtuigd dat uiteindelijk de aanpak van de vervuiling bij de bron het meest effectief zal blijken om de luchtverontreiniging terug te dringen. Door het bronbeleid op Europees niveau te regelen, wordt de (internationale) concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven niet aangetast.


Het Kabinet beseft dat voor het in stand houden van onze welvaart en economie sterk ingezet moet worden op een meer duurzame energievoorziening. De stijgende energieprijzen, de uitstoot van schadelijke(broeikas)gassen, de daarmee verdere aantasting van het klimaat en de gebleken toenemende afhankelijkheid van ons land en Europa van olie- en gas-exporterende landen hebben dit nog eens onderstreept. In 2006 heeft het Kabinet in totaal € 250 mln extra beschikbaar gesteld voor de bevordering van een duurzame energiehuishouding; de energiesector heeft eveneens zo’n bedrag toegezegd. Deze middelen worden aangewend voor energiebesparing, CO2-opslag en hernieuwbare energiebronnen. Maar met het toekomstperspectief van het toenemende energiegebruik in de wereld voor ogen, met alle gevolgen voor het klimaat en de geopolitiek van dien, kunnen wij in Nederland het ons niet permitteren om welke vorm van energieopwekking dan ook uit te sluiten. Bij het overwegen van investeringen in kernenergie moeten de nadelen hiervan (radioactief afval en veiligheid) uitdrukkelijk worden meegewogen.


De Europese milieuagenda zal in 2007 een sterk accent leggen op klimaat- en energiebeleid, zoals de EU-inzet in de internationale klimaatonderhandelingen, de verdere ontwikkeling van het emissiehandelssysteem en hernieuwbare energie (biomassa, thermische energie). Dit sluit goed aan op het ingezette kabinetsbeleid. In dat kader ijvert VROM voor een meer kansgerichte benadering van het EU-milieubeleid (eco-efficiënte innovaties: «clean, clever, competitive»).

Mondiaal groeit de zorg over de steeds sneller voortschrijdende aantasting van de biodiversiteit. De laatste vijftig jaar hebben de toenemende vraag naar water, voedsel, hout en vezels meer veranderingen in ecosystemen teweeggebracht dan ooit tevoren. Biodiversiteit is niet alleen belangrijk als voedsel- en grondstoffenbron, maar ook voor waterberging, kust- en bodembescherming, CO2-binding, plaagregulatie, bestuiving en klimaatregulering. Internationale en regionale biodiversiteitsinitiatieven zullen door het ministerie van LNV en VROM worden ondersteund.


Tenslotte beperkt het Kabinet op een nuchtere manier de risico’s voor de gezondheid. Bedrijven worden aangespoord open en eerlijk te communiceren met omwonenden over de risico’s van hun bedrijven voor de omgeving. Nieuwe regelgeving wordt ontwikkeld voor het transport van gevaarlijke stoffen overeenkomstig de Nota vervoer gevaarlijke stoffen. Maatregelen zijn getroffen om asbest aan te pakken en met het nieuwe stoffenbeleid stelt het Kabinet grenzen aan gezondheidsrisico’s. Verder richt VROM in samenwerking met de ministeries van VWS en LNV een Expertisecentrum Gezondheid en Milieu op, zodat relevante informatie over gezondheid en milieu eenvoudig toegankelijk is voor overheden, handhavers, uitvoerders en burgers.

Belangrijkste prestaties in 2007

• Begin 2007 wordt een voortgangsrapportage Toekomstagenda Milieu uitgebracht waarin de voorstellen uit deze agenda concreet zijn uitgewerkt. Ook zal per beleidsdoel worden aangegeven met welke indicator de effectiviteit voortaan jaarlijks zal worden gemeten;

• Alle betrokken overheden zullen gezamenlijk het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit uitvoeren;

• In Europees verband zet VROM in op het zo spoedig mogelijk van kracht worden van de Euro-6 norm waarmee benzine- en dieselvoertuigen nagenoeg geen luchtverontreinigende stoffen meer uitstoten;

• In 2007 moeten alle maatregelen gericht op een duurzame energievoorziening hun eerste vruchten afwerpen, zoals het opvoeren van het aandeel biobrandstoffen in de op de Nederlandse markt gebrachte benzine en diesel (van 2% in 2007, 5,75% in 2010) en het programma innovatieve biobrandstoffen dat eind 2006 wordt opengesteld.

INTERNATIONALE VROM AGENDA (artikelen 5, 10 en 12)

Europese – maar ook bredere internationale – besluitvorming is voor de ontwikkeling van VROM beleid op vele werkterreinen van groot belang. Daarom zet VROM in Europa in toenemende mate in op het vroegtijdig signaleren van, en betrokken zijn bij, nieuwe Europese initiatieven. Op deze manier kunnen de consequenties van nieuwe Europese initiatieven tijdig worden doordacht en kan een effectieve inzet in de onderhandelingen worden bepaald. Ook de lange(re) termijn ontwikkelingen worden scherp in het oog gehouden, zodat reacties daarop kunnen worden ingepast in de beleidsontwikkeling op de kortere termijn. In het bredere internationale (met name VN-)verband draagt VROM bij aan het tot stand komen en aanscherpen van multilaterale afspraken in het kader van de bevordering van mondiale duurzame ontwikkeling.


Voorbeelden van de inzet in Europa en in VN-verband zijn genoemd elders in deze agenda, zoals de Rotterdam-agenda/territoriale cohesie (onder het thema Ruimte voor Ontwikkeling) en de inzet op onder andere klimaat, luchtkwaliteit en biodiversiteit (onder het thema ontkoppeling en een eco-efficiënte economie). Daarnaast zet VROM in op een verbetering van het Europees milieubeleid en op een versterking van de milieupijler binnen de Verenigde Naties. Ook wordt in in 2007 bijgedragen aan de conferentie «Environment for Europe», waarbij aandacht wordt gevraagd voor duurzame consumptiepatronen en educatie voor duurzame ontwikkeling.

Belangrijkste prestaties in 2007

• Bij de tussentijdse herziening van het zesde EU Europese Milieuactieprogramma 2002–2012 (6e MAP) in 2007 inzetten op een evaluatie van de in het 6e MAP geïnitieerde aanpak. Belangrijke elementen in de VROM-inzet zijn achtereenvolgens het onderscheid tussen kwaliteitsdoelstellingen en dwingende bronmaatregelen, het belang van integrale «impact assessments» om inzichtelijk te krijgen wat de impact is van in te zetten beleid, een heldere afweging van kosten en baten voor zowel de sociale, de economische als de ecologische dimensie, en een goede balans tussen optreden op EU-niveau en op dat van de lidstaten;

• Vooral binnen het kader van de EU ijvert VROM in 2007 en daarna voor een versterking van de milieupijler binnen de complexe organisatie van de Verenigde Naties. Door versterking van de positie van milieu-instituties zelf (zoals die van UNEP), door een verbeterde afstemming tussen milieuverdragen, en door betere integratie van milieu in het operationele werk van andere VN-instellingen. De rol van landenprogramma’s en aandacht daarin voor hulp bij «capacity building» zijn belangrijke elementen.

MODERNISERING REGELGEVING (artikelen 2, 4, 8, 10 en 14)

VROM maakt wetten en regels om de kwaliteit van de leefomgeving in Nederland op peil te houden. De inzet is daarbij gericht op regels die werken en die lasten beperken, zodat de regels burgers en bedrijven minder geld en tijd kosten dan in het verleden. Zo vermindert VROM in de periode 2003–2007 het aantal regelingen van 400 naar 200. De bestaande AMvB’s met algemene regels (8.40 AMvB’s) worden samengevoegd en de vergunningplicht vervalt voor nog eens 60 000 bedrijven (waarvan 40 000 landbouwbedrijven die onder een separaat besluit vallen). In 2007 worden met de publicatie en invoering van de activiteiten AMvB de effecten zichtbaar.

Vermindering administratieve lastenBedragNetto % reductie totale administratieve lasten
2003–2005€ 96,1 mln5,6%
2006€ 68,7 mln4,0%
2007€ 354,5 mln20,8%
Totaal voor periode 2003–2007€ 519,3 mln30,4%

De (VROM-)omgevingsvergunning, die naar verwachting begin 2008 in werking zal treden, vormt een speerpunt in de vereenvoudiging en stroomlijning van regelgeving. Met één vergunningaanvraag, ingediend bij één loket voor alle omgevingsvergunningen en één procedure, één beschikking, één beroeps- en bezwaarprocedure en kortere doorlooptijden, wordt straks de dienstverlening aan burgers en bedrijven sterk verbeterd.


De dienstverlening wordt daarnaast verder verbeterd door de ontwikkeling van basisregistraties voor gebouwen, adressen, kadastrale percelen en geografie. Hiermee hoeven burgers en bedrijven minder vaak gegevens aan te leveren, want ze worden voor meervoudig gebruik beschikbaar gemaakt. Vanaf invoering van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening in 2007 kunnen burgers, bedrijven en mede overheden 24 uur per dag vanaf de eigen werkplek de digitale ruimtelijke plannen raadplegen en eventueel combineren met eigen informatie (door het zogenaamde DURP traject). In Europees verband is een zelfde ontwikkeling gaande. Met de implementatie van de EU-richtlijn INSPIRE in 2007 worden de ruimtelijke, volkshuisvestings- en milieugegevens binnen en tussen lidstaten geharmoniseerd.

Belangrijkste prestaties in 2007

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel Algemene bepalingen omgevingsrecht (Omgevingsvergunning) met bijbehorende uitvoeringsbesluiten en – indien goedgekeurd – publicatie waarna eerste stappen in implementatie kunnen worden gezet.

BETERE NALEVING (artikel 12)

VROM zet in op het verminderen van de regelgeving. De resterende regels dienen duidelijk te zijn. Om dit te bereiken toetst VROM nieuwe regelgeving op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid. Tevens betrekt VROM signalen uit de handhavingspraktijk bij het zicht krijgen op de effecten en de eventuele aanpassing van beleid en regelgeving. Voor de goede naleving en uitvoering van regels is toezicht een belangrijk instrument. Dit blijkt uit de inspectierapportages, maar ook uit signalen van burgers. VROM houdt toezicht op de naleving van wetten en regels door het bedrijfsleven (primair toezicht) en op de uitvoering van de VROM-regelgeving door andere overheden (interbestuurlijk toezicht). Voor de uitvoering van het toezicht, heeft het Kabinet in de nieuwe Kaderstellende Visie op Toezicht zes criteria geformuleerd waaraan al het rijkstoezicht moet voldoen: transparant, onafhankelijk, professioneel, selectief, slagvaardig en samenwerkend.


VROM werkt door implementatie van deze zes criteria aan de modernisering van het rijkstoezicht. Het belangrijkste doel daarbij is om door selectiviteit en samenwerking te komen tot een effectiever en efficiënter toezicht en tot een vermindering van toezichtslasten. Door het inrichten van het één-loketprincipe met een frontoffice en andere maatregelen (o.a. stroomlijning rapportages) wordt op termijn een vermindering van de toezichtslasten met 25% mogelijk geacht. VROM introduceert in 2007 ook een nieuwe op selectiviteit gebaseerde werkwijze in het interbestuurlijk toezicht. Het uniforme systeemtoezicht op gemeenten wordt afgebouwd. Gemeenten worden in beginsel niet meer volledig doorgelicht, maar er wordt ingezoomd op specifieke thema’s die op basis van een risicobenadering zijn gekozen, bijvoorbeeld illegale bewoning. Tevens is er specifieke aandacht voor zwak presterende gemeenten. Tenslotte bevordert VROM – afhankelijk van de bereidheid in een bedrijf of branche – streng of juist op een ondersteunende wijze de naleving (compliance assistance). In de professionalisering van het rijkstoezicht zijn al resultaten geboekt met onder andere het opzetten van een gezamenlijk risicomodel voor alle rijksinspecties, de samenwerking van de inspectieacademies en het borgen van de inspectiewerkwijze met de interventie- en sanctiestrategie.

Belangrijkste prestaties in 2007:

• Toezicht op de naleving en uitvoering van regelgeving met de grootste naleeftekorten en de grootste effecten op gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. Met prioriteit wordt in het komende jaar de naleving bevorderd met betrekking tot de veiligheid van gebouwen, EVOA, risicovolle afvalstromen, bouw- en sloopafval en bodemsanering;

• Invoering van de nieuwe werkwijze in het interbestuurlijk toezicht;

• Inrichten van een frontoffice voor minimaal drie – mogelijk meer – domeinen (Afval, Chemie, Nucleair) met als doelstelling een forse vermindering van de toezichtlasten;

• Besluitvorming over het optimale schaalniveau van het toezicht door andere overheden op verschillende typen bedrijven, om deskundigheid, continuïteit en slagvaardigheid te kunnen borgen en om het uitvoeringsproces efficiënt te laten verlopen.

Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties ten opzichte van de ontwerpbegroting 2006 (bedragen in € 1000)
 200620072008200920102011art.nr
Stand Ontwerpbegroting 20063 416 4823 436 5043 515 0423 575 1173 530 6720 
        
Mutaties 1e suppletore begroting 2006:       
1. Huursubsidie en huurtoeslag55 63914 39317 14518 1298 687– 7 6633
2. Starters40 000     3
3. Uitvoeringskosten huursubsidie18 590     3
4. Bijdrage Fonds Economische Structuurversterking277 531329 555158 29571 05443 28721 604diversen
5. Aanvullende post Externe Veiligheid15 00020 00020 00020 00020 0005 00011
6. Samenwerkende Inspecties4 500     12
7. Investeringen HCvS/AZ24 03815 84317 00030 22512 8331 71613
8. Paleizen6 300     13
9. Afkoop subsidies DGW-regelingen56 963     14
10. Ramingsbijstelling– 18 000– 18 000– 18 000– 18 000– 18 000– 18 000 
11. Overige mutaties in de 1e suppletore begroting 200624 8863 89449 27465 44781 97857 045diversen
        
Nieuwe mutaties:       
12. FESmiddelen t.b.v. subsidieregeling andere overheden38 58651 414    8
13. Tegenboeking invulling Ramingsbijstelling 18 mln18 00013 11612 23012 43817 20016 9008
14. Aanpassing bovenminimale inkomens 20 000– 20 000   3
15. Toekomst Agenda Milieu modernisering 12 00012 00012 00012 00012 0007
16. Uit aanvullende post projectgelden Externe Veiligheid6 80014 80018 70027 60045 10040 00011
17. Het Waddenfonds 33 878    5
18. Programma andere overheid (PAO) 7 0007 0006 0004 000 diversen
19. Overige mutaties2 1116 84727 72127 216– 34 8343 470 214diversen
Stand ontwerpbegroting 20073 987 4263 966 1283 822 1773 852 7883 723 7233 599 916 

Belangrijkste beleidsmatige ontvangstenmutaties ten opzichte van de ontwerpbegroting 2006 (bedragen in € 1000)
 200620072008200920102011art.nr
Stand Ontwerpbegroting 2006411 077511 873623 397646 407691 413357 
        
Mutaties 1e suppletore begroting 2006:       
18. Aanpassing raming restituties subjectsubsidies– 23 20010 7009 9003 000– 700– 7003
19. Correctie a.g.v. vertraging invoering heffingswet– 165 000     3
20. Bijdrage Fonds Economische Structuurversterking277 531     diversen
21. Overige mutaties27 400353 052177 93570 83951 22134 333diversen
        
Nieuwe mutaties:       
22. FESmiddelen t.b.v. subsidieregeling andere overheden38 58651 414    8
23. Aanpassing raming AWIR-efecten (Ontvangsten HT)7 8947 2082 9382 2292 229 3
24. Wijziging a.g.v. differentiatie heffingsgrondslag– 9 000– 22 000– 22 00022 000– 22 000– 22 0003
25. Correctie a.g.v. vertraging invoering heffingswet– 154 000154 000    3
26. Overige mutaties44 8693 04617 22521 312– 25 508665 936diversen
Stand ontwerpbegroting 2007448 2631 069 979813 665722 496696 655680 155 

Toelichting mutaties:

De mutaties 1e suppletore begroting 2006 zijn toegelicht in de 1e suppletore wet 2006 (kamerstukken II, 2005–2006, 30 560 XI, nr. 2).


Nieuwe mutaties:

Ad 12) Het Kabinet heeft aangegeven dat de luchtkwaliteit in Nederland op veel plaatsen niet in overeenstemming is met de Europese normstelling. Voor de jaren 2006 en 2007 wordt vanuit het FES in totaal € 90 mln extra beschikbaar gesteld. In concreto betreft het o.a. de uitvoering van programma’s door decentrale overheden ter verbetering van de luchtkwaliteit.


Ad 13) VROM levert met ingang van 2007 structureel € 18 mln in door middel van een ramingsbijstelling en ombuigingsmaatregelen op verschillende instrumenten.


Ad 14) In de raming van de Huurtoeslag wordt de uitgavenraming 2007 met € 20 mln verhoogd ten laste van de uitgavenraming 2008. Deze intertemporele mutatie vindt zijn oorsprong in een nog resterend tekort uit de begrotingsvoorbereiding 2005. Aangezien de ontwikkeling van de inkomens op referentieniveau gelijk wordt verondersteld aan de stijging van de inkomens op minimumniveau is er thans geen instrument voorhanden om invulling te geven aan de in de begroting 2006 verwerkte verlaging van de raming 2007.


Ad 15) Om de modernisering van het milieubeleid een impuls te geven, is cumulatief € 60 mln. beschikbaar gesteld door het kabinet. Hiermee wordt de vernieuwing van het water- en bodembeleid mogelijk gemaakt. Ook worden activiteiten verwacht gericht op versterking van het draagvlak voor het milieubeleid (communicatie, educatie en steun aan lokale initiatieven) en op het biodiversiteits- en stoffenbeleid. De exacte verdeling daarvan is nog niet helemaal uitgekristalliseerd, reden waarom het totaalbedrag nu op het artikel met het grootste aandeel is bijgeboekt. In een suppletore begroting zal nog nadere precisering plaatsvinden.


Ad 16) Het zijn middelen bestemd voor de saneringen (NH3-koelinstallaties, BRZ0- en CPR15-bedrijven), het oplossen van knelpunten (transport van NH3, Propyleen) en specifieke knelpunten langs het spoor (incl. Nota Vervoer gevaarlijke stoffen). Uitbreiding van de hulpverleningscapaciteit Drechtsteden en knelpunten bij buisleidingen.


Ad 17) Voor het Programma Andere Overheid (PAO) is in het voorjaar 2006 door het Kabinet € 25 mln uit generale middelen beschikbaar gesteld. Het betreft hier de volgende projecten: Digitale Uitwisseling in ruimtelijke Processen (DURP portaal), Digitaal omgevingsloket en Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG).


Ad 18) Het Waddenfonds zal bestaan uit € 800 mln minus de geraamde kosten van de nadeelcompensatieregeling die wordt getroffen met de kokkelvissers (€ 122,4 mln). Wanneer hiermee rekening wordt gehouden is er in het Waddenfonds de komende 20 jaar jaarlijks € 33,878 mln aan subsidie beschikbaar. Als de vergunningen t.b.v. gaswinning definitief zijn, wordt een meerjarige reeks in de begroting opgenomen.

Deze € 33,878 mln wordt in het Waddenfonds, waarvoor een apart begrotingshoofdstuk is aangemaakt, gestort


Ad 22) Het betreft ontvangsten uit het FES waarvan de uitgaven bij ad 12 zijn toegelicht.


Ad 23) Op basis van ervaringsgegevens van het subsidiejaar 2004/2005 heeft een bijstelling in de AWIR-effecten plaatsgevonden. De ramingen zijn geïndexeerd met de volume- en gemiddelde bijdrage-ontwikkeling.


Ad 24) Een differentiatie is aangebracht in de interimwet betaalbaarheidsheffing huurwoningen tussentoegelaten instellingen en private verhuurders. Aangezien deze laatste groep zich minder richt op de gereguleerde woningmarkt en het verhuren aan huurtoeslagontvangers is het gerechtvaardigd deze groep minder bij te laten dragen.


Ad 25) Het wetsvoorstel kent een langere doorlooptijd dan geraamd. Hoewel in het jaar 2006 zal worden geheven, leidt dit naar verwachting niet tot een ontvangst in het betreffende jaar. De middelen zullen een jaar later worden ontvangen.