Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Om de positieve externe effecten van innovatie en R&D te verzilveren en duurzame economische groei te realiseren voert EZ innovatiebeleid. Moderne economieën concurreren vooral op kennis en innovatie en zijn dus afhankelijk van constante vernieuwing van producten, diensten en processen. Versterking van het innovatievermogen vormt dan ook een belangrijk onderdeel van de Lissabon-agenda, waarin staat dat Europa in 2010 de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie van de wereld moet zijn. Hierbij wordt onder innovatievermogen verstaan de verzameling kennis, competenties en middelen die een bedrijf nodig heeft om innovaties te kunnen realiseren. Om het innovatievermogen te bevorderen werkt EZ aan optimale omstandigheden voor innovatie door bedrijven (fiscaal, regelgeving, etc), een transparant basispakket gericht op met name het MKB en een programmatisch pakket gericht op voor de Nederlandse economie belangrijke innovatiethema’s. EZ levert dus ondersteuning op maat, bijvoorbeeld met de nieuwe innovatievouchers.

Verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor optimale innovatiecondities voor bedrijven, de uitvoering van innovatiestimuleringsmaatregelen en samen met OCW voor een goede samenwerking tussen kennisinfrastructuur en bedrijfsleven.

Succesfactoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van onder andere:

• Conjunctuur; conjuncturele factoren beïnvloeden investeringen in R&D en innovatie.

• Bereidheid bij kennisinstellingen om bijdrage te leveren aan vercommercialisering van kennis.

• Dynamiek; door toename van het aantal starters en snelle groeiers wordt de innovativiteit van de economie beïnvloed.

Kengetallen Waarde 2003 Waarde 2004 Waarde 2005 Ambitie 2007 Ambitie in 2010
Positie van Nederland in European Innovation Scoreboard (EU-25) 8e 8e 7e 6e Top 5
Bron: Europese Commissie, Innovation Scoreboard 2005 (data gecorrigeerd voor EU-25)
R&D-uitgaven private sector als % van het BBP(EU-25) 1,01% (1,17%) 1,03% (1,16%) nog niet beschikbaar EU-25 gemiddelde 2%
R&D-uitgaven publieke sector als % van het BBP(EU-25) 0,75% (0,64%)0,75% (0,62%) nog niet beschikbaar 1%
Bron: Eurostat (database) en OECD (tussen haakjes het EU-25 gemiddelde)

Kengetallen

In bovenstaande tabel staan kengetallen die een indruk geven van het innovatievermogen van de Nederlandse economie.


In het European Innovation Scoreboard worden landen met elkaar vergeleken op een groot aantal indicatoren. Nederland scoort ten opzichte van het EU-gemiddelde goed bij het aantal octrooien, de omvang van de publieke R&D-uitgaven en het levenlang leren, maar onder het gemiddelde bij private R&D-uitgaven, de omzet met nieuwe en verbeterde producten en het aantal afgestudeerden in wetenschap en techniek. In 2005 is de positie van Nederland licht verbeterd.


De streefwaarde voor 2010 is gebaseerd op de Nederlandse invulling van de Lissabon-ambitie, die inhoudt dat Nederland ernaar streeft om in 2010 tot de kopgroep van Europa te behoren op het terrein van innovatie (Kabinetsnota «De Kenniseconomie in zicht» (2000), Innovatiebrief «In actie voor innovatie» van de Minister van EZ (2003) en Hoofdlijnenakkoord van Kabinet Balkenende II (2003).


Onze ambitie voor de R&D-uitgaven is verwoord in de Barcelona-doelstelling. Nederland ambieert voor de totale R&D-uitgaven een waarde van 3% van het BBP in 2010. Voor de private R&D-uitgaven is dit vertaald in een streefwaarde van 2% van het BBP in 2010. Voor de publieke R&D-uitgaven is de streefwaarde derhalve 1% van het BBP in 2010.

Verwijzingen beleidsstukken

• «Sterke basis voor topprestaties» ( Kamerstukken II, 2004–2005, 29 800 XIII, nr. 73)

• Tussenstand Sterke basis voor topprestaties ( Kamerstukken II, 2005–2006, 30 300 XIII, nr. 83)

• Octrooibeleid ( Kamerstukken II, 2005–2006, 30 635, nr. 1)

• Innovatiebevorderend inkoopbeleid bij de overheid ( Kamerstukken II, 2005–2006, 30 300 XIII, nr. 87)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 2: Een sterk innovatievermogen (in € mln)
 20052006 2007 2008 2009 2010 2011
Verplichtingen (totaal) 420,6 794,0 570,6493,5 474,7 499,2 519,6
Programma-uitgaven 369,1 731,2 514,6 436,3417,4 441,9 462,3
Markt en Spelregels       
OD 1: Kennisbescherming Basispakket       
OD 2: Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen en benutten       
– Innovatievouchers/IPC’s11,3 37,8 37,8 6,3 6,3 6,3 6,3
– SKO/SKB 4,1      
– Technopartner algemeen0,2 3,5 2,8 4,5 4,5 3,0 3,0
– Seed-regeling 20,6 30,1 24,0 24,024,0 24,0 24,0
– Subsidieregeling Kennisexploitatie (SKE) 16,0 12,6 4,5 10,010,0 10,0 10,0
– Bijdrage aan Syntens11,4 57,9 31,5 31,5 31,5 31,5 32,5
– ICT-kennis en -innovatie 0,8 1,81,3 1,2 1,2 1,2 1,2
Programmatisch pakket       
OD 3: Topprestaties op innovatiethema’s       
– Innovatieomnibus (algemeen) 0,2 67,5 124,4 114,0 99,4 107,9107,4
– Innovatiesubsidie Samenwerkingsprojecten 91,8 62,1     
– Bijdrage aan Technologische Topinsituten (TTI’s) 28,6 29,6     
– Innovatieve onderzoeksprogramma’s (IOP’s) 16,7 17,8     
– Bijdrage aan STW 19,5 19,619,6 19,6 19,6 19,6 19,6
– Point One (voorheen micro-elektronicastimulering) 45,5 43,1 43,143,1 36,3 36,3 36,3
– Point One (boegbeeld)  19,0 8,8 3,4   
– Holst centrum12,5 50,4      
– WCFS+  33,0     
– Scheidingstechnologie  15,0     
– Uitdagersfaciliteit 12,2 12,2 12,2 12,2 12,2 12,2
– Smartmix  51,4 51,3 51,3 51,3 51,351,3
– Bijdrage aan TNO 28,6 28,5 28,428,4 28,4 28,4 28,4
– Bijdrage aan GTI’s6,1 8,9 6,1 6,1 6,1 6,1 6,1
– Civiele luchtvaartontwikkeling 1,8 5,0 5,05,0 5,0 5,0 5,0
– Luchtvaartkredietfaciliteit  70,0     
– Bijdrage aan NIVR 4,1 8,88,8 8,6 8,5 8,9 13,0
– Ruimtevaart33,0 92,7 25,3 40,3 45,6 65,5 65,5
– Bijdrage aan instituten 0,5 0,5 0,5 0,50,5 0,6 0,4
– IS opkomende markten 6,06,1 6,1 6,1 6,1 6,1 6,1
– Overige kredieten  2,5 2,6 2,7 2,8 2,9 18,4
– Overige uitgaven 1,5 2,3 0,7 1,32,0 2,5 2,9
Algemeen       
– Onderzoek en beleidsexperimenten 8,3 8,4 11,7 10,9 12,912,9 12,9
        
Apparaatuitgaven 51,5 62,955,9 57,2 57,3 57,3 57,3
– Personeel Innovatie 8,4 8,4 8,28,2 8,2 8,2 8,2
– Uitgaven TWA-netwerk2,5 3,1 3,1 3,8 3,8 3,8 3,8
– Bijdrage aan agentschappen 25,8 29,5 24,824,8 24,9 24,9 24,9
– Bijdrage aan OCNL, WIPO en EOB 14,7 21,2 19,1 19,7 19,7 19,719,7
– Adviesraad voor Wetenschap en Techniek 0,7 0,7 0,7 0,7 0,7 0,7
        
Uitgaven (totaal) 498,9 581,2 647,6 676,5636,7 561,8 519,4
Waarvan programma-uitgaven442,7 518,7 593,7 614,9 579,5 503,6 464,2
Waarvan juridisch verplicht*)   462,7 349,9 278,6161,9 121,7
OD 1        
OD 249,8 90,0 101,0 90,7 73,4 75,0 72,7
OD 3 386,3 421,2 482,1 513,9 496,7 418,1 379,8
Algemeen 6,6 7,5 10,7 10,3 9,4 10,512,4
        
Ontvangsten (totaal) 106,7 177,6215,7 213,8 193,1 94,1 42,8
Terugontvangsten SenterNovem 0,5      
Ontvangsten Rijksoctrooiwet 28,225,4 25,4 25,4 25,4 25,4 25,4
Ontvangsten TOP 8,9 18,8 18,8 18,8 18,8 18,8 10,0
Ontvangsten uitdagersfacilteit     0,4 1,32,6
Ontvangsten luchtvaartkredietregeling     5,6 3,2
Ontvangsten uit Fes 62,0124,8 165,6 166,4 146,5 41,3  
Ontvangsten EET 6,6 7,0 4,3 1,6 0,4   
Diverse ontvangsten 0,5 1,6 1,6 1,6 1,6 1,61,6

* Dit betreft uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2006 zijn aangegaan en de bijdragen aan instellingen en instituten.

Grafiek budgetflexibiliteit per operationeel doel



kst99342_2_03.gif
Budgettair belang fiscale maatregelen (in € mln)
 2005 (raming MN 2006) 2005 (realisatie/ aangepaste raming) 2006 2007 2008 20092010 2011
Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) 88 8 8 8 8 8 8
Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) 381 362 393 417417 417 417 417

Markt en spelregels

Het zorgen voor een stabiele macro-economische omgeving, met ondermeer goed werkende (internationale) markten, heldere wet- en regelgeving en een aantrekkelijk fiscaal klimaat.

OD 1

Kennisbescherming

Motivatie

Om kennisbescherming en het stimuleren van het gebruik van kennis door anderen te realiseren werkt EZ aan een uitgebalanceerd intellectueel eigendomsysteem. Een goed gebruik van het systeem van intellectueel eigendom versterkt de Nederlandse innovatiekracht. Met name starters en het MKB kunnen profiteren van de voordelen van het octrooisysteem.

Instrumenten

• Wetgeving: Rijksoctrooiwet ’95, Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom, Europees Octrooiverdrag en Agreement on Trade Related aspects of Intellectual Property Rights..

• Octrooicentrum Nederland (OCNL): de organisatie die het Nederlandse Octrooisysteem uitvoert en het gebruik ervan stimuleert.


In 2007 gaat bijzondere aandacht uit naar de volgende activiteiten:

Rijksoctrooiwet: De Rijksoctrooiwet 1995 wordt aangepast en mogelijk in 2007 met de Tweede Kamer besproken. De essentie van de aanpassing is de drempelkosten bij de aanvraag te verlagen, de kwaliteit van het octrooi te verhogen (afschaffen 6-jarig octrooi) en de taksen voor de instandhouding progressiever te maken.

Kennisexploitatie evenement: begin 2007 vindt een groot kennisexploitatie evenement plaats als uitvloeisel van het Innovatieplatform en in samenwerking met onder andere de VSNU en OCW. Doel is om de resultaten van de afgelopen jaren op dit beleidsterrein te presenteren en aan te geven welke problemen in de periode 2007 en verder moeten worden aangepakt.

Toekomst communautair Europees octrooibestel: de Europese Commissie komt eind 2006 met voorstellen voor de toekomst van het octrooibestel in Europa. De belangrijkste items zijn de vermindering van de relatief en absoluut hoge aanvraagkosten, met name vertalingen, en de realisatie van één gemeenschappelijke rechtspraak. Inzet voor Nederland blijft een gemeenschapsoctrooi. Voor de nabije toekomst is het vertalingenprotocol (minder vertaalkosten) en de EPLA (European Patent Litigation Agreement), voor het stroomlijnen van de rechtspraak van groot belang.

Toekomst mondiaal octrooibestel: verdere harmonisatie-afspraken op mondiaal niveau bevinden zich in een impasse. In 2007 moeten wat Nederland betreft oplossingen worden gevonden voor de noodzakelijke harmonisatie van de inhoud van het octrooirecht tussen alle octrooibureau’s. De ontwikkelingslanden stellen daarbij als voorwaarde dat veel meer tegemoet wordt gekomen aan hun belangen. Daarnaast bestaat wereldwijd bezorgheid over de sterke toename van het aantal octrooiaanvragen gerelateerd aan de afnemende kwaliteit hiervan.

Ethische aspecten: in 2007 zal een notitie verschijnen over ethische aspecten van octrooiverlening voor biotechnologische uitvindingen. Deze notitie is toegezegd aan de Eerste en Tweede Kamer bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ter implementatie van richtlijn 98/44/EG betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen.

Kengetallen Waarde 2000 Waarde 2002 Waarde 2004 Ambitie 2008 Ambitie 2010
Aandeel van innovatieve bedrijven dat de laatste drie jaar één of meer octrooien heeft aangevraagd; industrie19% (20%) Niet beschikbaar 20% (n.n.b) EU-15 gem.EU-15 gem.
Aandeel van innovatieve bedrijven dat de laatste drie jaar één of meer octrooien heeft aangevraagd; diensten 10% (11%) Niet beschikbaar 9% (n.n.b.)EU-15 gem. EU-15 gem.

Bron: Eurostat (database) en CBS (tussen haakjes het EU-15 gemiddelde).

Toelichting

Met de gekozen streefwaarde (gemiddelde van EU-15) voor het aandeel van de innovatieve bedrijven dat in 2010 octrooien heeft aangevraagd laat Nederland zien dat het wil meetellen als het gaat om de ontwikkeling van octrooien. Hoewel er nog geen cijfers bekend zijn van andere landen, laten de cijfers voor Nederland voor 2004 zien dat het aandeel voor de industriële bedrijven is geconsolideerd ten opzichte van 2000 en dat het aandeel van de diensten iets onder het EU-15 gemiddelde blijft. In 2002 is de desbetreffende vraag niet in de CBS-enquête meegenomen.

Basispakket

Informatie, advies en het breder georiënteerde instrumentarium

OD 2:

Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen en benutten

Motivatie

Om te komen tot meer innovatieve bedrijvigheid (bedrijven die kennis ontwikkelen en benutten) en daarmee versterking van het duurzame economische groeivermogen kent EZ een aantal instrumenten die knelpunten voor bedrijven die innovatie in de weg staan, aanpakt. EZ streeft naar een eenvoudig en toegankelijk instrumentarium waarmee bedrijven snel en op maat geholpen worden t.a.v. bijvoorbeeld zaken als durfkapitaal.

Instrumenten

Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO):de WBSO compenseert bedrijven via een fiscale afdrachtskorting voor de hogere loonkosten in Nederland voor R&D-personeel.

Innovatievouchers: een innovatievoucher ondersteunt een ondernemer bij het inkopen van kennis bij een kennisinstelling naar keuze. Het instrument heeft als doel de wisselwerking tussen het MKB en kennisinstellingen te vergroten.

Innovatie Prestatie Contract (IPC):een IPC is een overeenkomst tussen de overheid en circa 30 individuele bedrijven om innovatie te stimuleren binnen deze groep bedrijven.

TechnoPartner: organisatie die het ondernemersklimaat voor technostarters (een bedrijf dat minder dan 5 jaar bestaat en actief is in een technologische branche) langs drie wegen bevordert. Ten eerste het Technopartner Label waarmee technostarters makkelijker zakelijk krediet kunnen aanvragen. Ten tweede de TechnoPartner SEED-faciliteit die zich richt op de verbetering van het aanbod van risicokapitaal voor technostarters. Ten derde de Subsidieregeling Kennisexploitatie (SKE) die zich richt op het stimuleren van kennisinstellingen om technostarters voort te brengen.

Syntens: landelijk netwerk met als doel het MKB aan te zetten tot succesvol innoveren. Syntens geeft voorlichting, advies en ondersteuning op het gebied van innovatie.

SBIR: SBIR staat voor Small Business Innovation Research Programme. Het is een Amerikaans model, waarbij de overheid opdrachten voor innovatief onderzoek op maatschappelijke thema’s aan het MKB uitbesteedt.

Launching customer: de overheid kan door haar inkoop- en aanbestedingsbeleid een bijdrage leveren aan innovatie in de marktsector. Dit is uitgewerkt in het actieplan «De overheid als Launching Customer» ( Kamerstukken II, 2005–2006, 30 300 X III, nr. 87).

Netwerk Technisch Wetenschappelijke Attachés (TWA’s): TWA’s verzamelen inlichtingen over wetenschap, technologie, innovatief ondernemerschap en innovatiebeleid ten behoeve van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en de overheid. TWA’s zijn gestationeerd in Noord-Amerika, Azië en de EU.


In 2007 gaat bijzondere aandacht uit naar de volgende activiteiten:

• De WBSO wordt voor ondernemers vereenvoudigd. Zo wordt het werkelijk uurloon vervangen door een gemiddeld uurloon. In 2006 is de evaluatie van de WBSO gestart. De resultaten zullen in 2007 worden geïmplementeerd.

• De verstrekking van maximaal 6 000 innovatievouchers aan ondernemers.

• In 2006 is uit het Fes een bedrag van € 5 mln toegekend voor een uitbreiding van de SKE-regeling, gericht op creatieve ondernemingen en kennisinstellingen. Deze regeling heeft als doel dat wetenschappelijke kennis sneller wordt benut door creatieve technostarters van binnen en buiten een kennisinstelling.

• Het TechnoPartnerprogramma wordt geïnternationaliseerd door verdere samenwerking met de VS en China.

• SBIR (Small Business Innovation Research Programma). In 2006 hebben V&W, LNV en Defensie net als EZ SBIR pilots gestart. In 2007 vindt besluitvorming plaats over structurele invoering van SBIR samen met andere departementen en kennisinstellingen als NWO, TNO en GTI’s. Het innovatieplatform heeft dit geadviseerd in haar rapport «Grenzen zoeken, grenzen verleggen» uit 2005.

• In 2007 zullen de TWA’s in samenwerking met BZK, JUS, kennisinstellingen en R&D afdelingen van ondernemingen (bv. TNO, NEDAP) extra aandacht schenken aan met name technologische innovaties op het gebied van openbare orde en veiligheid.

Kengetallen Waarde 2000 Waarde 2002 Waarde 2004   
Aandeel innovatieve bedrijven in het MKB; industrie 49%33% 38%   
Aandeel innovatieve bedrijven in het MKB; diensten 35% 22% 28%  
Bron: Eurostat (database) en CBS
Omzetaandeel van nieuwe of verbeterde producten als percentage van de totale omzet; industrie 21% 14% 12%   
Omzetaandeel van nieuwe of verbeterde producten als percentage van de totale omzet; diensten 9% 3% 5%   
Bron: Eurostat (database) en CBS

Kengetallen Waarde 2004 Waarde 2005 Ambitie 2007 Ambitie 2010
Totale door technostarters gerealiseerde omzet €  1,32 mld€ 1,55 mld (voorlopig) n.v.t. € 2,65 mld
Bron: EIM: Monitor Ondernemerschap
Gebruik in arbeidsjaren van de WBSO 55 700 55 500 Toename in lijn met R&D-uitgaven bedrijven Toename in lijn met R&D-uitgaven bedrijven
Bron: Opgave SenterNovem

Prestatie-indicatoren Waarde 2004Waarde 2005 Streefwaarde 2007
Verzilveringspercentage van totaal beschikbare innovatievouchers 92% 85% 80% (tranche 2006)
Bron: SenterNovem
 Waarde 2004 Waarde 2005 Streefwaarde 2007
Syntens: Aantal DDU’s* per € 1 mln basissubsidie 6 966 7 223 8 000
Bron: Opgave Syntens

* Direct declarabele uren.

Toelichting

Innovatieve bedrijven in het MKB en omzetaandeel van nieuwe en verbeterde producten

In 2002 is het percentage innovatieve bedrijven in het MKB (in de industrie en de diensten) sterk gedaald ten opzichte van 2000. In samenhang hiermee is ook het omzetaandeel van nieuwe en verbeterde producten (in de industrie en de diensten) sterk gedaald. In 2004 is enige verbetering opgetreden bij het percentage innovatieve bedrijven. Bij het omzetaandeel van nieuwe en verbeterde producten is die verbetering in 2004 nog niet zichtbaar (tegenover een lichte stijging in de diensten staat een lichte daling in de industrie in vergelijking met 2002). De verklaring voor de sterk gedaalde cijfers ten opzichte van 2000 lijkt gezocht te kunnen worden in economische onzekerheid bij bedrijven, samenhangend met de terroristische aanslagen op 11 september 2001 in de Verenigde Staten en de sterke teruggang van de conjunctuur in de jaren na 20008. Het lijkt erop dat veel bedrijven een pas op de plaats hebben gemaakt en innovatie-inspanningen hebben uitgesteld vanwege een verminderd vertrouwen in de economie. Er zijn nog onvoldoende gegevens voor andere landen beschikbaar om te kunnen beoordelen hoe de sterke daling in Nederland zich verhoudt tot de ontwikkeling in andere landen.


WBSO

De keuze voor de indicator WBSO in arbeidsjaren hangt samen met het doel van de WBSO, namelijk het verhogen van de R&D-intensiteit in Nederland.

In 2005 waren er 13 420 WBSO-aanvragers waarvan 955 zelfstandigen. Het streven is een toename van het aantal arbeidsjaren in lijn met R&D-uitgaven bedrijven.


Innovatievouchers

De eisen die worden gesteld bij de aanvraag van een voucher zijn zo laag mogelijk. Toch ligt het feitelijke gebruik bij de pilots op een hoog niveau. In 2006 is het systeem opgeschaald naar 6000 vouchers. Bij de helft daarvan (de vouchers van € 7500) is een eigen bijdrage van € 2500 geïntroduceerd. De overige 3000 vouchers zijn verlaagd naar € 2500 en kennen geen eigen bijdrage. Er is een behoorlijke kans dat het verzilveringspercentage zal dalen. In dat geval zal opnieuw bezien moeten worden of het aantal vouchers en de eigen bijdrage aangepast moeten worden.

Programmatisch pakket

het bereiken van topprestaties en excellentie op een aantal geselecteerde gebieden waar Nederland in de toekomst kan uitblinken.

OD 3:

Topprestaties op innovatiethema’s

Motivatie

Naast algemeen innovatiebeleid voert EZ gericht beleid op een aantal gebieden dat een sterke uitstraling op de Nederlandse economie heeft. Door middel van zogenaamde innovatieprogramma’s werkt EZ aan sterke en internationaal toonaangevende clusters die een belangrijke bijdrage leveren aan toekomstige innovaties en daarmee duurzame economische groei. In de innovatieprogramma’s kan het gaan om een breed scala aan acties (bijv. aanpakken hinderlijke regelgeving, financiële ondersteuning van onderzoek, makelen en schakelen, bevorderen starters, etc.).

Instrumenten

Innovatieomnibus: het juridische kader op basis waarvan de innovatieprogramma’s financieel worden ondersteund. Begin 2008 treedt de definitieve Innovatie-omnibus regeling in werking. Een groot aantal van de huidige innovatie-instrumenten gaat (in het kader van de herijking van het instrumentarium) op in de zogenaamde Innovatieomnibus, namelijk

1. IS-regeling: stimuleert excellente technologische samenwerking tussen bedrijven en publieke kennisinstellingen.

2. Bijdrage aan Technologische Top Instituten (TTI’s): Vier TTI’s, medegefinancierd en vormgegeven door kennisinstellingen en bedrijven zorgen in meerjarige programma’s voor strategisch onderzoek op de gebieden: Telematica, Metalen, Polymeren en Voeding.

3. Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma’s (IOP’s): versterken het strategisch onderzoek door de Nederlandse kennisinstellingen in de richting van de innovatiebehoefte van het bedrijfsleven. Er lopen in 2007 nog 10 IOP’s.

4. Technologiestichting STW: via deze stichting stimuleert EZ de ontwikkeling van vraaggericht excellent technisch-wetenschappelijk onderzoek aan de Nederlandse universitaire onderzoeksinstellingen.

5. Point One (voorheen Micro-elektronicastimulering): vanuit micro-elektronica stimulering worden meerjarige nationale en internationale samenwerkingsprojecten tussen bedrijven en kennisinstellingen gestimuleerd via de EUREKA-programma’s ITEA (Information Technology for European Advancement) en MEDEA+ (Micro-electronics Development for European Applications). Voor de periode 2009–2011 zal het budget verhoogd worden met € 6,2 mln per jaar.

6. TTI Water: betreft het opzetten van een technologisch topinstituut met als doel uitvoering van onderzoek naar drink- en industriewater, afvalwaterzuivering, interactie in natuurlijke systemen en sensortechnologie van water. Van de € 35 mln Fes-bijdrage is € 17,5 mln nog in het Fes gereserveerd.

7. Centre for Translational Molecular Medicine (CTMM): heeft als doel om (inter)nationaal een leidende rol te spelen in de ontwikkeling van molecular diagnostics en molecular imaging technologieën. Deze ontwikkelingen dienen predispositie, vroegtijdige diagnose en gepersonaliseerde behandeling van patiënten mogelijk te maken. Van de € 150 mln Fes-bijdrage is € 75 mln nog in het Fes gereserveerd.

Uitdagersfaciliteit: de experimentele uitdagersfaciliteit is bedoeld voor MKB-ers met hoog innovatieve risicovolle projecten die niet in de innovatieprogramma’s passen. De regeling maakt deel uit van de Kaderregeling Subsidies Innovatieprojecten.

Smart mix: instrument waarmee toponderzoek en de wisselwerking tussen onderzoek en maatschappij wordt versterkt. Met de Smart mix zetten EZ en OCW vanaf 2007 gezamenlijk € 100 mln per jaar in. De eerste Smart mix-programma’s gaan in het voorjaar van start.

Besluit subsidies investering kennisinfrastructuur (BSIK), ICES/KIS-3: het Kabinet heeft voor de periode 2004–2008 een bedrag beschikbaar gesteld ten behoeve van voor het bedrijfsleven belangrijke innovatieprojecten (€ 800 mln voor 37 ICES/KIS-3 programma’s, waarvan € 308,9 mln naar de EZ-begroting is gegaan ten behoeve van 11 programma’s).

TNO en de Grote Technologische Instituten (GTI’s: Waterloopkundig Laboratorium/Delft Hydraulics, MARIN en het Nationaal Lucht en Ruimtevaartlaboratorium): TNO en GTI’s ontwikkelen (interdepartementale) programma’s op een aantal rijksbreed geformuleerde thema’s met als doel het bevorderen van technologisch hoogwaardig onderzoek.9 Meer vraagsturing staat centraal in de aansturing van TNO en de GTI’s.

Regieorgaan ICT: richt zich op het bevorderen van de samenhang, volume en kwaliteit in het Nederlandse ICT-onderzoek.

Luchtvaart: EZ kent drie instrumenten ter versterking van het Nederlandse luchtvaartcluster ( Kamerstuk II, 2005–2006, 25 820 nr. 13):

1. Civiele luchtvaartontwikkeling (algemeen): behoud en versterking van de kennisbasis van het luchtvaartcluster via het Strategisch Researchprogramma (SRP).

2. Luchtvaartkredietfaciliteit: om het cluster in staat te stellen te participeren in vliegtuigbouwprogramma’s van Airbus is in totaal € 70 miljoen (jaarlijks € 14 miljoen) beschikbaar voor kredietverstrekking ( Kamerstuk 2005–2006, 25 820, nr.13).

3. Bijdrage aan NIVR: stichting die regelingen en programma’s uitvoert op het gebied van lucht- en ruimtevaart voor hoofdzakelijk het ministerie van EZ.

Internationale ruimtevaart: Nederland is in internationaal kader via het Europese Agentschap voor Ruimtevaart (ESA) en de EU betrokken bij ruimtevaartprogramma’s.

EU-Kaderprogramma: dit programma is erop gericht om het onderzoeks- en innovatievermogen te verhogen door het bevorderen van grensoverschrijdende wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen uit de lidstaten.


In 2007 gaat bijzondere aandacht uit naar de volgende activiteiten:

• In 2007 zijn innovatieprogramma’s in uitvoering op de gebieden High Tech Systemen en Materialen (HTSM), Flowers & Food, Water en Creatieve Industrie. Overwogen wordt om in 2007 ook voor Chemie en Life Sciences & Health programma’s te starten. Hieronder per thema enkele highlights.

High-tech Systemen en materialen (HTSM); op het gebied van nano-elektronica en embedded systemen is in 2006 het innovatieprogramma Point-One tot stand gekomen. Het doel van dit programma is in de wereld toonaangevend worden op dit gebied door intensieve samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen.10

Flowers & Food; de Food en Nutrition Delta is in 2006 tot stand gekomen. Binnen het FND-programma willen de betrokken bedrijven en kennisinstellingen zich richten op de onderwerpen voeding en gezondheid. Meer in het bijzonder gaat het dan om voedselkwaliteit, smaakstructuur en voedselveiligheid, kortweg «gezond, gemakkelijk en lekker». Onderdeel ervan is de uitbouw van het TTI WCFS tot WCFS+, waarvoor vanuit het Fes € 33 mln beschikbaar is. Op het gebied van Flowers is in 2006 het Technologische topinstituut (TTI) Groene Genetica opgericht. Hiervoor is een Fes-bijdrage toegekend van € 20 mln via de begroting van het ministerie van LNV. Wat betreft specifieke activiteiten op het gebied van de tuinbouw ligt het voortouw bij LNV.

Water; in 2006 zijn op initiatief van het bedrijfsleven binnen dit brede gebied voor watertechnologie en het maritieme cluster innovatieprogramma’s uitgewerkt. Ten behoeve van excellent onderzoek naar waterzuivering zijn de mogelijkheden voor een TTI verkend. Projecten binnen deze programma’s worden in 2007 gestart.

Creatieve Industrie; het Programma voor de Creatieve Industrie heeft als doel het creatieve vermogen van het Nederlandse bedrijfsleven te versterken. Voor dit programma heeft het kabinet in 2006 ruim € 15 mln uitgetrokken. Het programma is experimenteel en tijdelijk van aard. Eind 2006 rapporteren EZ en OCW de voortgang aan de Kamer. In 2007 wordt bezien of het programma een vervolg krijgt.

Chemie; in 2007 worden de plannen van de sector in nauw overleg met EZ nader geconcretiseerd. Onderdeel van het innovatieprogramma Chemie is het onderzoeksprogramma Publiek Privaat Samenwerkingsverband (PPS) Scheidingstechnologie (€ 15 mln). Doel van dit programma is het realiseren van fundamentele innovaties in de scheidingstechnologie. Het PPS zal doorbraaktechnologieën ontwikkelen die nodig zijn voor bijvoorbeeld schonere en goedkopere productie van (bio-)brand- en grondstoffen en voor het kosteneffectief produceren van voedingen farma-producten.

Life Sciences & Health; in 2006 wordt geïnventariseerd of en op welk specifiek terrein binnen Life Sciences & Health een innovatieprogramma kan worden ontwikkeld. Dit gebeurt in een brede initiatiefgroep met onder andere het in 2006 opgerichte Topinstituut Pharma (multinationals, het MKB en andere platforms). Aan TI Pharma is een Fes-bijdrage van € 130 mln toegekend. Deze bijdrage staat op de begroting van het ministerie van VWS.

• KP7; In de eerste helft van 2007 zal het 7e EU Kaderprogramma (KP7) van start gaan. In het eerste kwartaal zal een landelijk congres worden georganiseerd om Nederlandse deelnemers (kennisinstellingen, bedrijven en overheden) te informeren over de mogelijkheden die KP7 biedt. Nieuw binnen KP7 zijn de instrumenten European Research Council, gezamenlijke technologische initiatieven en artikel 169 projecten zoals Eurostars (een synergieproject van het KP met Eureka, dat met name ten goede komt aan het MKB).

Kengetallen Waarde 2000 Waarde 2002 Waarde 2004
Aantal aangevraagde Europese octrooien per miljoen personen van de beroepsbevolking 480 (5e) 469 (4e) Nog niet beschikbaar*.
Bron: Eurostat (database) (tussen haakjes de positie van NL in de EU-25)

* Naar verwachting komen de cijfers in 2007 beschikbaar.


Kengetallen* Waarde 2000 Waarde 2002 Waarde2004
Aandeel innovatieve bedrijven dat innoveert in samenwerking met universiteiten als % van het totaal aantal innovatieve bedrijven (totaal van industrie en diensten) 6% 14% 12%
Aandeel innovatieve bedrijven dat innoveert in samenwerking met researchinstellingen als % van het totaal aantal innovatieve bedrijven (totaal van industrie en diensten) 7% 14% 9%
Bron: CBS

* Voor dit kengetal is geen ambitie opgenomen. In het najaar van 2006 komen naar verwachting de cijfers van de andere lidstaten over 2004 beschikbaar. In het jaarverslag over 2006 zal in de toelichting op deze indicator worden ingegaan op de positie van Nederland in de EU.

Toelichting

Naast de kengetallen aantal Europese octrooien en aandeel innovatieve bedrijven dat innoveert in samenwerking met universiteiten en met kennisinstellingen overweegt EZ om voor elk innovatieprogramma een identiek kengetal op te nemen. In de begroting 2008 wordt hierover nadere informatie opgenomen.


Het aantal Europese octrooien per miljoen personen van de beroepsbevolking is een belangrijke indicator voor onze positie met betrekking tot kennisontwikkeling in Europa. Omdat we tot de top willen (blijven) behoren streven we naar een positie in de top vijf van Europa. De toonaangevende clusters leveren een belangrijke bijdrage aan het realiseren van deze doelstelling.


Het kengetal samenwerking aantal innovatieve bedrijven dat innoveert in samenwerking met universiteiten, respectievelijk researchinstellingen onderstreept het belang van een goede samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen op innovatiethema’s. Deze samenwerking maakt topprestaties mogelijk en vormt daarmee een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van onze ambitie.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

 OnderzoekonderwerpAlgemene doelstelling/operationele doelstelling AfgerondVindplaats
Effectenonderzoek ex post Adviesraad Wetenschap en Techniek 2 2005 www.awt.nl
 Philips universitaire clusterprojecten 2.3 2005Samengevat in Kamerstukken II, 2005–2006, 30 000, nr. 52 «Brief EZ over technologiesteun aan micro-elektronica projecten»
 BioPartner2.3 2005 Kamerstukken II, 2005–2006, 27 406, nr. 61
 Technologische Topinstituten 2.3 2005 Kamerstukken II, 2005–2006, 30 300, nr. 66
 Rijksoctrooiwet 1995 2.12006 Kamerstukken II, 2005–2006, 30 653, nr. 1
 STW 2.2 2006 
 WBSO 2.2 2006  
 ICES/KIS-II 2.32006  
 Octrooicentrum Nederland 2.1 2007 
 Syntens 2.2 2007  
 Actieplan Life Sciences 2.3 2008 
 Ruimtevaart2.32008 

8  CBS (2006), Het Nederlandse ondernemingsklimaat in cijfers, Voorburg/Heerlen.

9  EZ voert de regie over de thema’s «High Tech systemen en Materialen» en «Energie» en is penvoerder voor de GTI’s MARIN en ECN (artikel 4). MARIN verricht onderzoek, ontwikkelt toepassingen en verspreidt kennis ten behoeve van de versterking van het innovatief vermogen van het maritieme bedrijfsleven en de overheid. V&W is penvoerder voor de instituten NLR en WL/Delft Hydraulics.

10  Dit gebeurt via vier programmalijnen op excellente R&D, open innovatie, een centrale rol voor MKB en start-ups en het bevorderen en benutten van menselijk kapitaal. Reeds lopende initiatieven zijn: het Holst Centre, het Embedded Systems Institute (ESI), MicroNed en NanoNed (BSIK-programma’s) en de grote strategische Eureka-projecten op het gebied van micro-electronicastimulering ITEA en MEDEA+.