Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4 Doelmatige en duurzame energiehuishouding

Algemene doelstelling

Een doelmatige en duurzame energiehuishouding

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Voor afnemers geldt dat energie betrouwbaar en tegen redelijke prijzen beschikbaar moet zijn. EZ streeft dan ook naar een duurzame en doelmatige energiehuishouding die goed scoort op economische efficiëntie, milieukwaliteit en nationale en internationale voorzieningszekerheid. Marktwerking zet de energiebedrijven aan tot maximale prestaties. Daarnaast is een sterke overheid nodig die zorgdraagt voor de borging van de publieke belangen, voorzieningszekerheid en een adequate marktordening, via goede regelgeving, goede regulering en goed toezicht. Het energiebeleid wordt meer en meer internationaal. Dit kom tot uiting op het vlak van liberalisering en het bewerkstelligen van een Europees level playing field. Om de internationale voorzieningszekerheid te verhogen, intensiveert EZ de dialoog met energieleveranciers en bijvoorbeeld de OPEC-landen. EZ zet daarnaast actief in op de energietransitiepaden, ambitieuze energiebesparingsresultaten en spreekt de markt aan op zijn rol en verantwoordelijkheid. Bedrijven worden actief bij de energietransitie betrokken. Ook van belang zijn afspraken over emissiehandel om tot een duurzame energiehuishouding te komen en de internationale klimaatdoelstellingen gezamenlijk te behalen.

Verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

• Het zodanig ordenen van de energiemarkten dat maximaal wordt bijgedragen aan duurzame economische groei en een betrouwbare en efficiënte energievoorziening.

• Het bevorderen van effectieve concurrentie op de elektriciteits- en gasmarkt met het doel de afnemers (burgers en bedrijven) optimaal te laten profiteren van de liberalisering.

• De internationale component van het energiebeleid. EZ en BZ trekken bij het bevorderen van energievoorzieningszekerheid samen op. BZ is betrokken op grond van zijn verantwoordelijkheid voor geopolitieke, veiligheidspolitieke en ontwikkelingspolitieke vraagstukken en is daarnaast verantwoordelijk voor de algehele samenhang in het Nederlandse buitenland beleid.

• Het creëren van de randvoorwaarden waardoor leverings- en voorzieningszekerheid van energie gewaarborgd kunnen worden. Het gaat dan om een sterk investeringsklimaat in Nederland (voor o.a. LNG, gasopslag, nieuwe elektriciteitscentrales, transportcapaciteit elektriciteit en gas productiecapaciteit gas) en op internationaal gebied het kweken van onderling begrip, economische samenwerking en het tot stand brengen van investeringsrelaties.

• Vormgeven van de transitie naar een duurzamere energiehuishouding en schoon fossiel.

• In samenwerking met VROM, VenW en LNV realiseren van de Kyoto-doelstellingen

• Coördinatie van de, in samenwerking met VROM, VenW en LNV, te realiseren energie-efficiëntie doelen.

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling is afhankelijk van:

• draagvlak bij burgers, bedrijven en publieke instellingen voor duurzame energie en energiebesparingsmaatregelen

• succes op het gebied van internationale samenwerking

• de mate van concurrentie op de energiemarkt en de totstandkoming van een Europees level playing field

• de mate waarin op Europees niveau afspraken op het gebied van klimaat, besparing, duurzame energie, voorzieningszekerheid, investeringsklimaat en toegang tot energie kunnen worden gemaakt

• de ontwikkeling van technologie en kostenreductie op het gebied van duurzame energie

• de nadere invulling van Kyoto-afspraken en de afspraken die gemaakt worden in het kader van post-Kyoto

• de ontwikkeling van de olie- en gasprijzen op de wereldmarkt

Tabel budgettaire gevolgen van het beleid

Artikel 4: Doelmatige en duurzame energiehuishouding (in € mln)
 2005 20062007 2008 2009 2010 2011
Verplichtingen (totaal) 740,7 944,3 789,6 878,7 952,1 900,4890,2
Waarvan garantieverplichtingen 278,0 76,082,0 82,0 82,0 82,0 82,0
Programma-uitgaven 704,7 917,9 762,7 851,8925,2 873,5 863,3
Markt en spelregels       
OD 1: Bevorderen van een optimale ordening en werking van de energiemarkten       
– Comp. Demkolec/stadsverwarming 76,0 19,5 19,5 19,5 19,519,5 19,5
OD 2: Zekerstellen van voorzieningszekerheid op korte en lange termijn       
– Doorsluis COVA-heffing (garantieverplichting) 78,0 76,0 82,0 82,0 82,082,0 82,0
– Beheer Mijnschadestichtingen 0,00,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1
– O&O Bodembeheer 3,4 2,2 2,3 2,3 2,3 2,3 2,3
– Bijdrage aan diverse instituten 0,1 1,1 1,11,1 1,1 1,1 1,1
Basispakket       
OD 3: Verduurzaming van de energiehuishouding        
– Programma energie-efficiency 10,0 7,1 7,1 7,1 7,1 7,17,1
– Programma efficiency DG OI-deel 3,4 2,92,9 2,9 2,9 2,9 2,9
– Programma duurzame energie 15,5 6,2 9,2 11,2 11,2 11,211,2
– Bijdrage MEP 176,0 685,0 538,0628,0 670,0 640,0 622,0
– Garantie leningen TenneT inzake MEP (garantieverplichting) 200,0      
– Overige uitgaven duurzame energie0,2 1,3 1,3 1,3 1,3 1,3 1,3
– CO2-reductieplan 9,8      27,0
– Joint Implementation 24,6 35,6 4,8 1,933,3 11,6 0,5
– Lange Termijn Onderzoek46,5 47,1 52,4 52,4 52,4 52,4 52,4
– TransitieManagement 24,1      
– Bijdrage aan ECN 31,731,1 31,1 31,1 31,1 31,1 31,1
Algemeen       
Bijdrage Algeme Energie Raad 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1
– Diverse proggrammauitgaven energie (HFR)   8,18,1 8,1 8,1  
– O&O Energie 5,3 2,72,8 2,8 2,8 2,8 2,8
        
Apparaatuitgaven35,9 26,5 26,9 26,9 26,9 26,9 26,9
– Personeel DG ET 7,9 7,4 7,2 7,2 7,27,2 7,2
– Bijdrage aan agentschappen 19,010,9 9,6 9,6 9,6 9,6 9,6
– Bijdrage JI DG ET aan SenterNovem 0,9      
– Uitvoeringskosten SenterNovem DG OI 4,1 4,1 5,6 5,6 5,6 5,6 5,6
– Apparaatuitgaven SodM 4,0 4,1 4,6 4,64,6 4,6 4,6
        
Uitgaven (totaal) 503,4957,8 850,7 940,2 1 006,7 962,2 939,7
Waarvan programma-uitgaven 467,1 927,4 824,5 913,2979,8 935,3 914,1
Waarvan juridisch verplicht*  181,9 156,7 136,0 121,3 101,3
OD 176,0 19,5 19,5 19,5 19,5 19,5 19,5
OD 281,4 80,3 85,4 85,4 85,4 85,4 85,4
OD 3293,7 815,6 699,0 790,5 851,4 818,5 806,4
Algemeen 16,0 11,9 20,5 17,8 23,4 11,82,8
        
Ontvangsten (totaal) 7 232,6 4 892,9 7 097,25 805,1 2 858,2 2 379,6 2 387,9
– Terugontvangsten Senternovem 1,2      
– Ontvangsten COVA 78,076,0 82,0 82,0 82,0 82,0 82,0
– Aardgasbaten 9 706,5 8 156,8 10 100,07 700,0 4 350,0 3 450,0 3 400,0
– Bijdrage aan het Fes** – 2 562,2 – 3 402,0– 3 131,0 – 2 149,0 – 1 779,0 – 1 411,0– 1 391,0
– Ontvangsten zoutwinning 1,9 1,81,8 1,8 1,8 1,8 1,8
– Ontvangsten Fes5,8 11,2 44,3 80,1 113,3 166,7 205,0
– Diverse ontvangsten 1,3 49,2 0,2 90,290,2 90,2 90,2

* Dit betreft uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2006 zijn aangegaan en de bijdragen aan instellingen en instituten.

** Op «Bijdrage aan het Fes» is in 2007 en 2008 1 mld als ontvangst uit het Fes-fonds geraamd zoals het Kabinet dit voorjaar heeft besloten.

Grafiek budgetflexibiliteit per operationeel doel



kst99342_2_05.gif
Budgettair belang fiscale maatregelen (in € mln)
 2005 (raming MN 2006)2005 (realisatie/ aangepaste raming) 2006 2007 20082009 2010 2011
Energie-investeringsaftrek (EIA) 77117 139 139 139 139 139 139

Markt en spelregels

Het zorgen voor een stabiele macro-economische omgeving, goed werkende (internationale) markten, heldere wet- en regelgeving en een aantrekkelijk fiscaal klimaat.

OD 1

Bevorderen van een optimale ordening en werking van de energiemarkten

Motivatie

Goed werkende elektriciteits- en gasmarkten betekenen dat leveranciers efficiënt produceren, afnemers geen te hoge prijs hoeven betalen en vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd.

Instrumenten

• Elektriciteitswet 1998 en Gaswet

• Splitsingswet

• Het marktmodel: model ter verbetering van de structuur op de consumentenmarkt voor energie o.a. verbeteren administratieve processen, transparantie en «slimme meter».

• Monitoring en regulering energiemarkten door DTe

• Participatie in internationale fora, zoals het Pentalateral Energy Forum en de Vervoer Telecom en Energie-raad (VTE-raad)


In 2007 zal EZ voornamelijk inzetten op de volgende acties:

• Aanpassen van en toezicht houden op het marktmodel. ( Kamerstukken II, 28 982, nr. 51):

• Aanpassen van de technische codes en (methode)besluiten DTe vóór eind 2007. De gezamenlijke netbeheerders dienen op basis van (gewijzigde) wettelijke kaders voorstellen te doen voor de inrichting en voorwaarden van de onderlinge werkrelaties. DTe dient hieraan goedkeuring te verlenen. De sector heeft zelf aangegeven een aantal verbeteringen per 1.1 2008 geregeld te willen hebben.

• Aanpassen wetgeving, waarin de ordening van de metermarkt is vastgelegd.

• Vastleggen herziene spelregels administratieve processen in de retailmarkt, middels invoeren van

– het leveranciersmodel, dus één contactpersoon voor de consument,

– het capaciteitstarief, waarmee de consument een vastrecht betaalt gebaseerd op grootte van zijn aansluiting.

• Uitrollen van «de slimme» meter, waarmee energiebesparing bevorderd kan worden. Netbeheerders krijgen de verplichting op afstand afleesbare energiemeters te plaatsen bij eindgebruikers. Tegelijkertijd wordt de wettelijke factureringsfrequentie verhoogt van één naar zes keer per jaar. De slimme meter biedt een enorme potentie voor innovatieve dienstverlening en efficiënter energieverbruik omdat vraag- en aanbodsturing mogelijk wordt.

• Implementatie splitsing: wetsvoorstel ligt voor in de Eerste Kamer.

• Blijvend overleg voeren met de sector over de effectiviteit van te nemen/genomen maatregelen en het monitoren van actuele ontwikkelingen, teneinde samen met de sector verder te werken aan een goed functionerende retailmarkt.


Monitoring door DTe

• DTe monitort de mate van marktwerking, transparantie en non-discriminatoir gebruik van de netten en rapporteert hierover voor 1 mei in haar jaarverslag aan de Minister van Economische Zaken.

• Blijvende monitoring van prestatie-indicatoren op het gebied van concentratiegraad in de retailsector en de groothandelssector. Dit om een goed beeld van de marktwerking te kunnen geven, waarmee EZ verder kan werken aan een goed functionerende markt.

• Mogelijk aanpassen van de Elektriciteits- en Gaswet op basis van de uitkomsten van de evaluaties van beide wetten, die in 2007 bekend gemaakt zullen worden.


Bevorderen werking groothandelsmarkt voor gas, ( Kamerstukken II, 29 023, nr. 22)

• Verder verbeteren binnenlandse marktwerking door meer gasgerelateerde investeringen en een betere integratie in de Noordwest-Europese gasmarkt. Hier wordt het vergunningeninstrument ingezet om tot meer investeringen te komen.

• Stimuleren van Europees geïntegreerde markt. Inzetten op Europese liberaliseringproces van elektriciteits- en gasmarkten en daarmee vergroten van innovatie en efficiency in de Europese energiesector. Aantrekken en verdelen van nieuwe gasstromen met als doel: Nederland «gasrotonde» van Europa. Via ministeriele regeling LNG en een nieuw reguleringsmodel voor het transport van gas wil EZ dit bereiken.

• Verder werken aan totstandkoming Noordwest-Europese gasmarkt op dezelfde manier als bij de elektriciteitsmarkt met buurlanden door belemmeringen voor gasverkeer over de grenzen weg te nemen. De ministers van de 5 betrokken landen gaan hiertoe een plan van aanpak vaststellen, dat ertoe leidt dat technische en juridische belemmeringen worden benoemd en opgelost.

• Stimuleren handel op handelsplaatsen als TTF (title Transfer Facility) en daarmee verbonden beurzen (APX, Endex). Gasunie Trade&Supply wordt gestimuleerd dit op te pakken, eventueel via een ministeriële regeling.


Bevorderen van het internationaal level playing field

• Deelnemen aan bilateraal overleg, m.n. OPEC landen.

• Met buurlanden, de Europese Commissie, Transmission System Operators (TSO’s) en toezichthouders in werkgroepen doorgaan met het wegnemen van handelsbarrières en verschillen in ordening. Uitwerken van de intenties en de afspraken van het Forum voor de Noordwest Europese elektriciteitsmarkt. Implementeren van de besluiten van de ministers van de vijf landen (Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg en Nederland), zoals bijvoorbeeld één regionaal systeem van calculatie en allocatie van interconnectiecapacteit en het wegnemen van wettelijke belemmeringen. Via Noordwest-Europese Energiemarkt streven naar geïntegreerde Europese markt.

• Participeren in Europese fora Florence (Elektriciteit) en Madrid (Gas) om Nederlandse standpunten, waaronder onafhankelijk gastransport, in te brengen.

Meetbare gegevens bij een doelmatige en duurzame energiehuishouding

Indicatoren
Indicator Basiswaarde, 2004 Waarde 4e kwartaal 2005 Streefwaarde Peildatum
Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit    
HHI*2 3502 282Stabiliseren01–01–2007
C3**84%80%Lager01–01–2007
Concentratie-graad in de retailsector gas    
HHI3502 216Stabiliseren01–01–2007
C384%79%Lager01–01–2007
Klachten geschillencommissie 1 960*3 296**Lager01–01–2007
Concentratiegraad in de groothandelssector elektriciteit     
HHI (opgestelde productiecapaciteit)1 9142020Stabiliseren 
HHI (geleverde elektriciteit aan groothandelsmarkt voor ieder uur)2 3192 232Stabiliseren 

* De verdeling over 2004 was energie 89% en water 11%.

** Totaal klachten energie en water, verdeling: energie 94% en water 6%.


Toelichting indicator:

* De Herfindahl Hirschmann Index (HHI): Een nuttige indicator voor de structuur van de markt, die inzicht biedt in de mate van mededinging op het gebied van zowel de retailmarkt voor elektriciteit en gas en de groothandelsmarkt voor elektriciteit is de zgn. HHI. De concentratiegraad van een markt wordt vaak gebruikt als indicatie voor de aan- of afwezigheid van marktmacht dan wel om het gevaar van (dreigende) marktmacht te identificeren.

De hoogte van de HHI wordt beïnvloed door het aantal actieve spelers om een bepaalde markt en de variatie in marktaandelen. De HHI kan een waarde aannemen tussen 0 en 10 000. Bij oneindig veel kleine aanbieders tendeert de HHI naar 0, terwijl in het geval van een monopolie de HHI een waarde van 10 000 heeft. Van belang is om te benadrukken dat de HHI-score niet als enige indicator gebruikt kan worden om marktmacht te bepalen. Mededingingsautoriteiten gebruiken een veelvoud van indicatoren en criteria om vast te stellen of de mededinging wordt verstoord. Vandaar dat ook nadrukkelijk wordt verwezen naar het integrale monitorrapport van de DTe dat later in het jaar gepubliceerd zal worden en dat een totaal beeld schetst. De HHI-waarde moet gezien worden als een pure indicatie en als een van de factoren in een mogelijke trend in de ontwikkeling van de markt.

A priori is het lastig om te bepalen wat een acceptabel niveau van de HHI is. EZ beschouwt de bandbreedte van 1800–2500 voorlopig als referentiewaarde.

** C3: gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste actieve partijen op een markt

OD 2

Zekerstellen van voorzieningszekerheid op korte en lange termijn

Motivatie

Waarborgen van de toevoer van fossiele brandstoffen (nationaal en internationaal) en de kwaliteit van voorziening en levering.

Instrumenten

• Actieve inzet in en deelname internationaal overleg (waaronder Internationaal Energie Agentschap en EU Energiehandvest)

• Oliecrisisbeleid: Aanhouden van oliecrisisvoorraden conform regelgeving van het IEA en de EU en het operationeel houden van een Nationale oliecrisis-organisatie.

• Investeringsklimaat voor de mijnbouw in Nederland:

– Kleineveldenbeleid

– Vergunningenbeleid

– Informatievoorziening

• Monitoring leverings- en voorzieningszekerheid electriciteit en gas.

In 2007 zal EZ voornamelijk inzetten op de volgende acties:

Internationaal

• Structureel interdepartementaal overleg op DG-niveau (EZ is voorzitter, BZ vice-voorzitter) over internationale en buitenlandpolitieke aspecten van voorzieningszekerheid.

• Verstevigen van de energierelaties tussen de EU en de Russische Federatie door ondermeer de uitwerking van de Memorandum Of Understanding (MOU) Rusland-NL over energie-efficiency.

• Actieve deelname aan gremia van het Internationaal Energie Agentschap in het kader van een gemeenschappelijk energiebeleid. Deelname aan werkgroepen van het Energiehandvest om samen te werken aan opheffen handelsbelemmeringen.

• Bij landenbezoeken en handelsmissies prominentere aandacht besteden aan energievoorzieningszekerheid en samenwerkingsmogelijkheden. Het versterken van de relaties met landen die voor onze energievoorziening essentieel zijn, onder meer het voortzetten en verstevigen van aangehaalde contacten met andere gasproducerende landen als Noorwegen, Russische Federatie, Algerije, Libië en Qatar.


Oliecrisisbeleid

• Toezicht houden op het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en op voorraadplichtige bedrijven.

• Verbeteren van het nationale investeringsklimaat voor elektriciteitproductie (kernenergie en kolen) en hoogspanningsverbindingen bijvoorbeeld t.a.v. de vergunningverlening.


Mijnbouwklimaat

• In 2007 de Mijnbouwwet evalueren.

• Vastleggen taken Energie Beheer Nederland B.V. en bevoegdheden Minister van Economische Zaken in de Mijnbouwwet om de vernieuwde governancestructuur van EBN vorm te geven na het opzeggen van de beheersovereenkomst door DSM.

• Kleine Veldenbeleid: gasproductie uit kleine velden bevorderen door flexibele inzet van het Groningenveld en de plicht voor Gasunie Trade&Supply om gas uit kleine velden af te nemen.

– Aantrekken van bedrijven voor nieuwe mijnbouwactiviteiten in kleine velden.

– Monitoren van Groningenplafond.

– Toezichthouden op de gaswinning onder de Waddenzee, door SodM en EZ.

• Vergunningenbeleid

– Wijzigen Wet voor gedeeltelijk intrekken van vergunningen om een actief gebruik van vergunningen na te streven.

– Monitoren Bureau Energieprojecten, die de rijksprojecten op het gebied van energie coördineren.

– Wettelijk vastleggen RijksProjectenProcedure voor energieprojecten en uitwerken van de AMvB-boringen, zodat energieprojecten sneller kunnen verlopen.

• Informatie geven aan partijen die mogelijk grondstoffen willen gaan winnen in Nederland.

– Voortgaan met digitale ontsluiting van informatie terzake mijnbouw (gas, olie en zout), zodat deze informatie voor zoveel mogelijk partijen vindbaar en beschikbaar is.

– Het continueren van het geven van voorlichting over het Nederlandse mijnbouwklimaat aan partijen die (nog) niet actief zijn binnen Nederland.


Leveringszekerheid: de mate waarin afnemers onder voorzienbare omstandigheden feitelijk kunnen rekenen op energie door o.a. monitoring leveringszekerheid:

• Opstellen van de jaarlijkse monitoringsrapportage en aanbieden aan de Europese Commissie.

• Implementeren Richtlijn 2005/89/EG, over het bewerkstelligen van voldoende productiecapaciteit, evenwicht tussen vraag en aanbod van elektriciteit (voorkomen van black-outs) en voldoende investeringen in interconnecties om de interne markt te bevorderen.

Meetbare gegevens bij het zekerstellen van voorzieningszekerheid

kengetallen
kengetal Basiswaarde 2004 Waarde 2005 Streefwaarde 2006 Streefwaarde 2007
Gewonnen volume aardgas kleine velden offshore 29 mld m3 22 mld m3 26 mld m3 22 mld m3
Gewonnen volume aardgas kleine velden onshore 16 mld m3 11 mld m3 12 mld m314 mld m3
Aantal boringen exploratie offshore11 5 14 11
Aantal boringen exploratie onshore 03 6 5
Aantal boringen productie offshore 6 812 9
Aantal boringen productie onshore 1 3 43

Kengetallen
Kengetallen Waarde 2005 Waarde 2006 Waarde 2007 Waarde 2008
Hoeveelheid    
Productie (mrd m3) 73 75 80 79
Euro/dollarkoers 1,25 1,20 1,20 1,20
Olieprijs (dollar/vat) 54,40 60 55 26

In het kader van de voorzieningszekerheid is het van belang dat zoveel mogelijk van het Nederlandse gas dat zich in kleine velden bevindt tot ontwikkeling wordt gebracht. Dat wil zeggen het in productie houden en brengen van reeds ontdekte velden en het actief zoeken naar nieuwe velden (exploreren). Zolang de balansrol van Groningen nog beschikbaar is, en de offshore infrastructuur intact is, zijn kleinere velden doorgaans nog economisch winbaar. Van beide komt het einde echter in zicht. Gas uit kleine velden dat dan nog niet gewonnen is blijft waarschijnlijk achter in de grond, dus voortvarendheid in exploitatie en exploratie is geboden. Veel van de nog te ontwikkelen en nog te ontdekken velden zijn vaak klein en complex en daardoor economisch marginaal. Voor de grotere oliemaatschappijen, die wereldwijd exploreren zijn dit soort marginale velden minder aantrekkelijk. Dit heeft de laatste jaren in geheel NW-Europa een daling in activiteit veroorzaakt. Dit gebrek aan voortvarendheid komt tot uiting in het aantal nieuwe productieputten dat wordt geboord en de intensiteit waarmee naar nieuwe velden wordt gezocht (aantal exploratieputten). Deze afname van activiteit heeft zowel in UK, Noorwegen als Nederland geleid tot initiatieven tot verbetering van het Mijnbouwklimaat en meer focus op het aantrekken van kleine oliemaatschappijen. Dit beleid blijkt succesvol. In de eerste helft van 2006 zijn de activiteiten en interesse (grote toename aantal vergunningsaanvragen) in Nederland duidelijk toegenomen. De stijgende olieprijs speelt hier zeker ook een belangrijke rol in. Het tekort aan beschikbare boorplatforms en gekwalificeerd personeel zet echter op het ogenblik een rem op de activiteiten van de oliemaatschappijen.


De verschillen in de gewonnen volumes aardgas zijn geheel door externe factoren te verklaren. De markt bepaalt de vraag. In bijvoorbeeld 2004 was er een grote vraag vanuit het buitenland en hadden we een koude winter, waardoor er meer geproduceerd is uit zowel de kleine velden als Groningse veld. Door de verwachte nieuwe activiteiten, door het ingezette beleid en stijging van olieprijs zal de productie uit de kleine velden de komende paar jaren, ondanks de afnemende voorraden, op peil gehouden moeten kunnen worden.

Basispakket

informatie, advies en het breder georiënteerde instrumentarium.

OD 3

Verduurzaming van de energiehuishouding

Motivatie

Om een energievoorziening te krijgen die schoon en ook voor volgende generaties in voldoende mate aanwezig is. Zie het Energierapport 2005: Kamerstukken II, 2004–2005, 29 023, nr. 14:

Instrumenten

Stimuleren duurzame energie:

• Subsidie aan producenten van duurzame energie via de regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP).

• Fiscale stimulering van duurzame-energietechnologieën via de Energie-investeringsaftrek (EIA).

• Garanties van oorsprong om duurzaamheid van elektriciteit aan te kunnen tonen.

• Voorlichting aan consumenten via www.consum ent-en-energie.nl.

• Het BLOW-convenant gericht op realisatie van 1500 MW windvermogen op land in 2010.


Stimuleren Energiebesparing

• Coördinatie van het energiebesparingsbeleid van EZ, VROM, VenW en LNV.

• Beprijzing van energie via de Energiebelasting.

• Fiscale stimulering van energie-efficiënte technologieën via de Energie-investeringsaftrek (EIA).

• Afspraken met het bedrijfsleven via Meerjarenafspraken (MJA’s) en het Benchmark convenant.

• Voorlichting aan consumenten via diverse media en door labelling van apparaten.


Stimuleren reducties broeikasgassen

• Stimuleren van investeringen in klimaatvriendelijke technologieën via het CO2-reductieplan.

• Stimuleren van R&D-projecten ten behoeve van schoon fossiel en CO2-opslag.

• Maximum uitstootplafond voor de grotere industrieën en energiesector in Europa via het CO2-emissiehandelsysteem (EU ETS);

• Aankopen van emissiereducties in andere ontwikkelde landen via diverse instrumenten (Joint Implementation en gegroende Assigned Amount Units).


Stimuleren energie-innovaties

• Stimuleren van concrete demonstratieprojecten, passend binnen transitiepaden, via de Unieke Kansen Regeling (UKR).

• Stimuleren van fundamenteel en industrieel onderzoek voor de lange termijn met het instrument EOS Lange Termijn (Energie Onderzoekstrategie).

• Stimuleren van demonstratieprojecten in het energieonderzoek, via het instrument Demo.

• Stimuleren van energieonderzoek dat nieuw is en zich richt op prille, niet-conventionele ontwikkelingen, via het Nieuw Energieonderzoek (NEO).

• Prestatie-afspraken met en het verstrekken van financiële ondersteuning aan het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN).

• Stimuleren van midden- en lange termijn energieonderzoek via de Omnibusregeling.

• Stimuleren van nucleair energieonderzoek via financiering van Nuclear Research and Consultancy Group (NRG) en de Hoge Flux Reactor (HFR).


In 2007 zal EZ voornamelijk inzetten op de volgende acties:


Duurzame energie en Energietransitie

• Nadere invulling van de aanbevelingen van de Taskforce Energietransitie. Via diverse projecten op het gebied van energiebesparing, schone fossiele brandstoffen (waaronder biogas en waterstof) en duurzame energie (zoals biomassa, wind- en zonne-energie) te komen tot een duurzame energiehuishouding die voldoet aan eisen van milieubescherming, voorzieningszekerheid en economische efficiency.

• Het ondersteunen van overheden en marktpartijen bij het doorbreken van niet-financiële barrières voor de realisatie van duurzame energie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan stroomlijnen van en ondersteunen bij vergunningenprocedures, afschaffen van niet-functionele regelgeving, verminderen van administratieve lasten en het vergemakkelijken van toegang tot kennis.

• Uitwerken hoofdlijnen duurzame energiebeleid na 2010, waarbij de focus ligt op innovatie en kostenreducties van de duurzame energieopties.


Energiebesparing

• Uitvoering van het Werkprogramma energiebesparing, dit werkprogramma verschijnt najaar 2006. Zie Kamerstukken II, 2005–2006, 28,240, nr. 45.

• Implementeren aanbevelingen evaluatie EIA.

• Implementatie richtlijn Energiediensten, zie Kamerstukken II, 2004–2005, 21 501–33, nr. 80.

• Samen met marktpartijen de mogelijkheden voor warmtebenutting onderzoeken. Aan de hand van de resultaten zal worden bezien of en welk beleid wenselijk en mogelijk is ten aanzien van restwarmtegebruik.


Stimuleren reducties broeikasgassen

• Implementeren van het Europese emissiehandelsysteem (Emissions Trading Scheme, EU ETS ) periode 2008–2012 en afronding van de Europese review van EU ETS periode 2005–2007.

• Invoeren van een methode voor de aankoop van gegroende Assigned Amount Units (AAU’s, uitstootrechten voor broeikasgassen onder het Kyoto-protocol) uit Oost-Europese landen. Aan de hand van de resultaten voor Joint Implementation (JI) in het voorjaar 2007 wordt duidelijk in welke mate gegroende AAU’s dienen te worden aangekocht om de JI-doelstelling van 34 Mton emissierechten te kunnen behalen.

• Actieve inbreng in de discussie klimaatdoelen na 2012.


Stimuleren energie-innovatie

• Stimuleren energie-innovatie door extra inzet van instrumenten uit het Fes-duurzaamheidspakket (Borssele gelden) en de nieuwe Fes-middelen voor innovatieve energie (€ 150 mln).

• Implementeren van de resultaten van de evaluatie/onderzoek naar de prioriteiten van EOS. Deze resultaten zijn najaar 2006 bekend.

• Het door middel van het geven van advies, het zoeken van partners en bemiddeling ondersteunen van Nederlandse indieners in het 7de Europees kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling.

• Bevorderen dat het 7de kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling aansluit op de prioriteiten van het Nederlandse energieonderzoeksbeleid door deelname aan expertgroep.

Meetbare gegevens bij Verduurzaming van de energiehuishouding

Indicatoren
Indicator Basiswaarde peildatumWaarde 2005 Streefwaarde peildatum 1 Streefwaarde peildatum 2
Duurzaam elektriciteitsverbruik* 4,5% 6,2% 9%
Bron: CBS 2004   2010
Duurzaam energieverbruik* 1,8% 2,4%  10%
Bron: CBS 2004   2020
Jaarlijkse vermindering van de groei van het energiegebruik als gevolg van energie-efficiëntiebeleid 1,0%1,0%1,2%1,3%**
Bron: ECN 2002  2008 2013
Hoeveelheid gecommitteerde jaarlijkse CO2-reductie via het CO2-reductieplan 0 Mton 3 Mton gerealiseerd  4–5 Mton
Bron: SenterNovem 1997   2008–2012
Vermeden Mton Co2-uitstoot vóór 2012 via Joint-Implementation (JI) en gegroende AAU’s:   34  
Hoeveelheid aangekochte claims op CO2-credits via JI en gegroende AAU’s 12,5 18,134  
Bron: SenterNovem resp. de contracten2004  2007 2008–2012
Absoluut plafond van CO2-uitstoot voor de grote industrieën en energiesector d.m.v. het emissiehandels-systeem 112 Mton  112 Mton
Bron: Nederlandse Emissie Autoriteit   2008–2012
Handhaven van de EU-bijdrage aan het Nederlandse energieonderzoek8,62%  7–8%
Bron: Europese Commissie2004  2007

* Uit nationale productie.

** Inclusief Maatregelen in Europees verband is dit 1,3% (2008) en 1,5%(2012).


Kengetallen Waarde 2004 Waarde 2005
Duurzame elektriciteitsverbruik uit import 9,4%8,7%
Bron: CBS   
Duurzame energieverbruik uit import 2,7% 3,3%
Bron: CBS   

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

 Onderzoek onderwerp Algemene doelstelling/operationele doelstelling 
Beleidsdoorlichting Optimale ordening energiemarkten 4.1 2006
 Duurzame energiehuishouding4.2 2005*
 Handhaving voorzieningszekerheid op de korte termijn 4.3 2007
Effectenonderzoek ex post Energie-investeringsaftrek 4.3 2007
Overig evaluatieonderzoek Elektriciteits- en gaswet4.1 2006
 Wet Voorraadvorming Aardolieproducten 4.22006
 Mijnbouwwet 4.2 2006

* Vindplaats: Kamerstukken II, 2004–2005, 30 100 XIII, nr. 1.