Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.1 Beleidsagenda

2.1.1. Hoofdlijnen van beleid

Verbinden door vertrouwen (Beleidsagenda 2007)

Het LNV-beleidsprogramma 2004–2007, dat u met de begroting 2004 is aangeboden, heeft als titel «Vitaal en samen». De kern van de beleidsopgave luidde: «het realiseren van een duurzame landbouw, een vitale natuur, een vertrouwd platteland en een hoogwaardig voedselaanbod op een samenhangende wijze te combineren met de wensen van burgers op het gebied van wonen, werken en vrije tijd. Door een integrale benadering kunnen nieuwe verbindingen worden gelegd tussen landbouw, natuur en landschap. Vitaliteit zag en zie ik als een absolute voorwaarde voor de beleidsterreinen die vallen onder LNV. Het «Samen» kwam voort uit de filosofie dat de overheid beperkt is in haar mogelijkheden, anderen nodig heeft om maatschappelijke doelen te bereiken en een belangrijke rol heeft in het samenbrengen van mensen.


De meeste concrete beleidsvoornemens uit «Vitaal en samen» zijn de afgelopen jaren uitgevoerd. Nu ligt vooral de nadruk op de begrippen «vertrouwen» en «verbinden».


In de beleidsagenda’s van 2005 en 2006 is aandacht besteed aan «vertrouwen». Aan hoe welvaart en concurrentievermogen van een land afhangen van één overheersend aspect van de cultuur, namelijk de mate van onderling vertrouwen tussen burgers. Het «van zorgen voor, naar zorgen dat»-principe dat zo’n centrale rol speelt in mijn beleid, is er op gericht dat onderling vertrouwen te versterken. Door mensen om de tafel te brengen, maatschappelijke dialogen te organiseren en aan ontstane initiatieven van burgers ruimte te geven door belemmeringen weg te nemen, kan de overheid veel tot stand helpen brengen.


De Spaanse socioloog Manuel Castells heeft in zijn boek «The Rise of the Network Society» beschreven dat de sociale structuur in de wereld ingrijpend aan het veranderen is door vooral de opkomst van informatietechnologie. Hij ziet twee belangrijke gevolgen hiervan. De eerste is het ontstaan van een economie op wereldschaal. Een nieuwe economische ordening die weinig respect heeft voor landsgrenzen, reputaties en tradities en diep ingrijpt in het dagelijks leven van mensen. Het tweede gevolg: een toenemende sociale fragmentarisering. Vergaande decentralisatie en de desintegratie van grote verticale organisaties hebben geleid tot kleine flexibele netwerken van kleine verspreide eenheden. De vaste verbindingen die men gewend was, zijn verdwenen en een netwerkeconomie is ontstaan. Deze netwerkeconomie wordt in wezen door niemand beheerst, het is een autonoom gegeven. «Politici en bestuurders moeten leren hoe om te gaan met deze nieuwe werkelijkheid. Ze moeten trachten de verbanden te doorzien, proberen nieuwe verbindingen te leggen, mensen, bedrijven en instellingen aan elkaar te knopen», aldus Castells.


Het «samen» uit het beleidsprogramma duidt op deze verbindingen. Door samen te werken ontstaat het vertrouwen dat nodig is om slagvaardig, efficiënt en ook plezierig te kunnen opereren. Ik leg daarom de nadruk op het leggen van verbindingen tussen personen en functies. Meer in het bijzonder op mijn eigen beleidsterrein:

• De stedeling en het platteland en ons landschap

• De consument en zijn voedsel

• De ondernemer en de markt

• De burger en de natuur

• De landbouw en het landschap


Vaak bestaan die verbindingen nu nog niet. Zo heeft de consument vaak geen inzicht waar zijn voedsel vandaan komt, hoe het gemaakt is en wat er in verwerkt is. Gezien het essentieel belang van voedsel voor mensen is het belangrijk binding met dat voedsel te houden. Te weten dat melk van een koe komt en boerenkool van het land. Met eigen ogen zien hoe boeren en tuinders op veilige en schone wijze voedsel produceren geeft vertrouwen en zekerheid.


Soms is men zich te weinig bewust van een bepaalde verbinding of is deze verdwenen. Landbouw en landschap bijvoorbeeld. Boeren beheren tweederde van ons grondoppervlak. Naast melk, graan en aardappelen «produceren» zij rust, ruimte en een keur aan cultuurlandschappen. Tot nu toe betaalt de samenleving daar weinig voor. Dat cultuurlandschap wordt als een gegeven beschouwd. Maar omdat ruimte in ons land schaars is, moet meer geïnvesteerd worden in een mooi, toegankelijk cultuurlandschap. En boeren dienen waardering te ondervinden voor de essentiële rol die zij daarbij vervullen.


Deze twee voorbeelden illustreren de dieper liggende belangen bij bepaalde verbindingen. Die verbindingen leiden tot vertrouwen. Dit is het algemene kader waarbinnen wij vanuit LNV werken aan het versterken van de concurrentiekracht, de vernieuwing van het platteland en de versterking van de positie van de natuur. Dit alles in onderlinge samenhang en niet gescheiden. Juist op het vlak van verbindingen tussen natuur, platteland en landbouw doen zich tal van mogelijkheden voor in de vorm van verbreding van de landbouw, van een combinatie van functies en van versterking van de concurrentiekracht gekoppeld aan verbetering van de vitaliteit, de inkomensvorming en daarmee de leefbaarheid van dorpen op het platteland.


Om zelf die verbindingen te onderzoeken en te versterken heb ik het Programma Ontmoetingen ontwikkeld. Met dit programma investeer ik in publieke relaties in brede zin, en met name in gesprekspartners die voor LNV nieuw zijn. Het doel is om het werkveld, de spanningsvelden en dilemma’s van LNV onder de aandacht te brengen van een breed publiek en daarover in gesprek te gaan. Aanvullend toets ik of de publieke waarden, en de tot de taak van de overheid behorende waarden met betrekking tot de landbouw, het platteland en de natuur door deze gesprekspartners worden gesteund en nagaan of eventuele waarden moeten worden toegevoegd.

Het Nederlandse landschap speelt een cruciale rol in het leggen van verbindingen. Het landschap is de fysieke grondlegger voor alle ruimtelijke ingrepen. Door allerlei oorzaken is het Nederlandse landschap er de afgelopen decennia niet mooier op geworden. Door de ruimtelijke druk zijn de landschappelijke kwaliteiten terug gelopen. Om krachtige verbindingen te realiseren heb ik gekozen tot het opzetten van een Programma Landschap. Het programma Landschap heeft als hoofddoel de kwaliteit van het Nederlands landschap verhogen, met als speerpunt het in beeld brengen van de maatschappelijke baten van de Rijksinvesteringen.


Ook het verbinden van beleid en uitvoering heeft mijn aandacht. Een belangrijk deel van de realisatie van LNV-beleid is inmiddels gedecentraliseerd. Zo wordt het beleid dichter bij de praktijk en bij ondernemers en burgers gebracht. De inwerkingtreding van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) per 1 januari 2007 is daarbij een belangrijke mijlpaal. Ook in de periode daarna is het zaak dat het opereren van LNV en de signalen uit de praktijk over de werking van het beleid met elkaar verbonden blijven. Door goed te luisteren naar deze signalen kan het ministerie het contact met de maatschappij versterken.

Administratieve lasten

De administratieve lasten zijn inmiddels met 33% gereduceerd. Daarmee is in kwantitatieve zin nu reeds een resultaat geboekt dat duidelijk uitgaat boven de doelstelling van 25%. Het grootste deel van het laag- en middelhoog hangende fruit is geoogst. Dit betekent echter geenszins dat de ambitie om de administratieve lasten verder te reduceren vermindert. De additionele reducties zullen echter voor een belangrijk deel in meer kwalitatieve trajecten worden gerealiseerd, zoals in de voortgang van de aanpak van de beleefde lasten, de verdere stroomlijning van het wetgevingsstelsel, het verbeteren van de dienstverlening en het verder reduceren van de handhavings- en inspectiedruk. Daarnaast zal ook de aanpak van interbestuurlijke lasten meer op de voorgrond treden en wordt op EU-niveau het traject van vereenvoudiging van het GLB voortgezet.

Fiscale aspecten

In het wetsvoorstel «Werken aan winst» heeft het kabinet fiscale maatregelen voorgesteld om de internationale concurrentiepositie van Nederland te versterken en daarmee de positie van Nederland als vestigingsplaats voor ondernemingen te verbeteren. Voorgesteld wordt een forse verlaging van het vennootschapsbelastingtarief (Vpb-tarief) van 29,1% naar 25,5%. Het bestaande MBK-tarief in de Vpb voor winsten tot € 25 000 wordt verlaagd van 24,5% naar 20% en voor winsten van € 25 000–€ 60 000 wordt een tussentarief ingevoerd van 23,5%. Voor zelfstandigen die onder de inkomstenbelasting vallen wordt een MKB-winstvrijstelling ingevoerd van 10%. Ter versterking van het innovatiebeleid van het kabinet wordt in de Vpb een optionele octrooibox ingevoerd, waarvan de winst wordt belast tegen een tarief van 10%. Voorts wordt een optionele rentebox ingevoerd, waarvan de winst wordt belast tegen een tarief van 5%. De maatregelen zullen ingaan per 1 januari 2007. Bovenstaande maatregelen zijn voor de internationaal georiënteerde Agrosector van groot belang.


Financiering van het Vpb-pakket vindt deels plaats uit grondslagverbredende maatregelen en deels uit lastenverlichting. Zo zal de afschrijving op gebouwen in eigenlijk gebruik worden beperkt tot 50% van de WOZ-waarde en op gebouwen die worden verhuurd tot 100% van de WOZ-waarde.


Voor de landbouwsector is in het Vpb-pakket € 75 miljoen aan specifieke maatregelen opgenomen. Dit bedrag betreft met name een compensatie voor de grondslagverbredende maatregelen. Invulling van dit bedrag zal plaatsvinden door middel van een drietal maatregelen. Ten eerste zal de beperking van de afschrijving op gebouwen in eigen gebruik tot 50% van de WOZ-waarde niet van toepassing zijn op VAMIL-investeringen in gebouwen (met name Groen Label Kasen en duurzame stallen). De VAMIL-investeringen in gebouwen kunnen dan, net als nu, tot de restwaarde worden afgeschreven. Ten tweede zal de milieu-investeringsaftrek (MIA) worden verbreed met dierenwelzijn- en plattelandsinvesteringen en zullen de aftrekpercentages worden verhoogd. Het aftrekpercentage voor de Groen Label Kas zal worden verhoogd naar 50% en voor investeringen in duurzame stallen naar 60%, welk percentage eveneens zal gelden voor plattelandsinvesteringen. Ten derde zal een integrale vrijstelling van de overdrachtsbelasting voor bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond worden ingevoerd. Voor de twee eerstgenoemde maatregelen zal in verband met een onderzoek naar staatssteunaspecten instemming nodig zijn van de Europese Commissie.


De Milieuinvesteringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving (VAMIL) zullen vanaf 1 januari 2007 worden ingezet op de duurzame maatlat veehouderij (MDV) en mogelijk ook het Borgstellingsfonds+. Deze maatlat is in samenwerking met VROM ontwikkeld. Dierenwelzijn en milieu zijn binnen de maatlat de twee duurzaamheidsthema’s waarmee gestart wordt. Op termijn kunnen ook andere duurzaamheidsthema’s worden toegevoegd. De maatlat biedt dan ook goede mogelijkheden om dierenwelzijn en milieu te stimuleren. Het ligt verder in de bedoeling duurzame veehouderij in de loop van 2007 voor Groen Beleggen in aanmerking te laten komen. Met de inzet van de maatlat worden investeringen in duurzame ontwikkeling, vooral bij nieuwbouw en verbouw van huisvestingssystemen voor dieren, ondersteund en worden innovaties uitgelokt.


Vanaf 1 januari 2007 zullen rundvee, schapen, geiten, varkens en paarden onder het algemene BTW-tarief, nu 19% gaan vallen. Voor dieren die bestemd zijn voor de voortbrenging of productie van voedingsmiddelen dan wel gebruikt worden in de landbouw blijft het verlaagde BTW-tarief, nu 6% gelden. Het algemene BTW-tarief zal onder meer an toepassing zijn voor ren-, rij-, spring-, dressuur en manegepaarden, en voor leveringen van rundvee, geiten, schapen en varkens voor hobby-doeleinden. Een en ander vloeit voort uit EU-regelgeving.

Internationaal

Europese en mondiale samenwerking staan ook in 2007 hoog op de agenda van LNV en maken dan ook integraal deel uit van deze begroting.


In de periode 2003–2005 is het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) fundamenteel hervormd. De Europese Commissie zal begin 2008 een evaluatierapport presenteren over de implementatie van de overeengekomen hervormingen van het GLB. Naar verwachting zal zij voorstellen voor een brede «review» van het GLB presenteren. Nederland zal zich daarom in 2007 moeten prepareren op de discussies, die medio 2007 waarschijnlijk in Brussel gaan spelen.


In multilateraal verband streeft LNV naar een meer duurzame rurale en landbouwontwikkeling (people, planet, profit) in met name ontwikkelingslanden en Oost Europa. Partnerschappen voor met name verbetering van de markttoegang, integraal ketenbeheer en de bestrijding van dierziekten (zoals Aviaire Influenza in Azië en Oost-Europa), zijn daarbij instrumenten die ook in 2007 zullen worden ingezet.


Verder zal de EU in 2007 tot partnerschapovereenkomsten dienen te komen met haar grote handelspartners om de illegale kap en handel aan te pakken (FLEGT). De inzet voor legaal hout maakt onderdeel uit van een samenhangende inzet van LNV gericht op het behoud en duurzaam beheer van bossen. Het VN-Bossenforum, dat door Nederland (in casu LNV) in 2006–2007 wordt voorgezeten, heeft daarbij de opdracht om te komen tot een wereldwijd internationaal instrument voor duurzaam beheer van alle bossen. De Internationale Tropisch Hout Raad (ITTO) vormt een prima kader voor het bevorderen van duurzaam bosbeheer en de handel in hout uit duurzaam beheerde tropische bossen.


In juni 2007 zal verder in Den Haag de 14e Conferentie worden gehouden van landen die het CITES-verdrag hebben geratificeerd. Met ons gastheerschap onderstrepen we het belang van een effectieve en strikte regulering van handel in bedreigde planten- en diersoorten.

Groen ondernemen, innovatieve kracht

Innovatie en kennis

Drijvende kracht achter duurzame ontwikkeling is innovatief ondernemerschap. Innovatie is in de eerste plaats een opdracht voor bedrijven en ondernemers. De opdracht en verantwoordelijkheid voor LNV is te zorgen voor een goed innovatieklimaat voor het verbinden, afstemmen en waar nodig uitlokken van initiatieven en structuren bij het bedrijfsleven. De overheid moet ook ruimte bieden aan ondernemers. Het kenmerk van innovatie is de bereidheid en de mogelijkheid om door koppeling van kennis aan initiatief te komen tot vernieuwingen, tot ongedachte nieuwe combinaties die voor die tijd onmogelijk leken of niet waren opgekomen en tot een nieuwe samenstelling leiden van oude onderdelen of vernieuwing van die onderdelen.


Voor het (beroeps)onderwijs is een belangrijke rol weggelegd, niet alleen voor de opleiding van toekomstige beroepsbeoefenaren, maar ook als partij bij regionale kenniscirculatie en innovatie. Leerlingen en docenten komen immers meer dan voorheen in contact met de beroepspraktijk en onderzoek via onder andere stages, leerbedrijven en kenniskringen.


Wisselwerking tussen wetenschap, beleid en praktijk, tussen bedrijven en kennisinstellingen en tussen beroepsonderwijs en hoger onderwijs is essentieel. In de Groene Kenniscoöperatie wordt daaraan gewerkt. Via deze Groene Kenniscoöperatie werken Agrarische Onderwijscentra, HBO-groen en Wageningen UR samen op het gebied van onderwijsvernieuwing en kenniscirculatie, en de ICT-ondersteuning daarvan. Hierover zijn met de gezamenlijke groene kennisinstellingen binnen de Groene Kenniscoöperatie meerjarenafspraken gemaakt (2006–2010). Een project «kennisbenutting» is gestart om te bevorderen dat ontwikkelde kennis een maximaal maatschappelijk effect heeft. Onderzoeksresultaten moeten bruikbaar en gemakkelijk beschikbaar zijn: publicatie van resultaten op Internet wordt een voorwaarde voor financiering. Netwerken die gebruik en uitwisseling van kennis aanjagen krijgen steun, zoals ondernemers die samen leerkringen starten, bijvoorbeeld in de melkveehouderij en in de tuinbouw.


Het kennisstelsel wordt gewaarborgd door structureel een belangrijk deel van de onderzoeksinfrastructuur voor voedsel en groen te financieren via de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) als onderdeel van Wageningen UR. Het Kabinet wil de samenhang in het beleidsondersteunende onderzoek versterken, o.a. in het overheidsbrede traject voor meer vraaggestuurd onderzoek (Brugfunctie TNO en Grote Technologische Instituten).


Een departementale aanpak van innovatie is ontwikkeld en samen met het bedrijfsleven worden innovatie-agenda’s opgezet. Extra aandacht gaat uit naar het door het Innovatieplatform genoemde sleutelgebied Flowers & Food, waarvoor samen met het ministerie van Economische Zaken een innovatieprogramma is opgesteld. De deelgebieden Food and Nutrition, Tuinbouw, en Groene Genetica (veredeling) ontwikkelen innovatieagenda’s.


Om innovatie echt ingang te doen vinden is het ontsluiten van kennis voor initiatiefnemers en intermediairen van wezenlijk belang. Ik zal het initiatief nemen om in samenspraak met de provincies concrete acties te benoemen om de toegang tot kennis en kennisontwikkelaars op de werkvelden van LNV te verbeteren. Wellicht kan mijn ministerie een rol spelen als «kennismakelaar» in de regio.

Duurzaam ondernemen

De LNV-beleidsvisie ten aanzien van duurzaam ondernemen is ik in de nota «Kiezen voor landbouw» uitgebreid uiteengezet. Het is een voorbeeld van de verbindende rol die ik voor de overheid zie weggelegd. Verbinden van mensen en kennis. Door de kennis breed beschikbaar te maken help ik de ondernemer zich te wapenen tegen de onzekerheden van de toekomst. Daarbij zijn de drie elementen van duurzaam ondernemen – people, planet, profit – leidend. De ontwikkelingen rond het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) zullen de komende jaren van groot belang zijn voor de duurzaamheid van de agrosector.


Om de ondernemers in het algemeen beter te faciliteren is het zogenaamde ondernemersprogramma opgezet. Onder deze noemer worden het subsidiestelsel vereenvoudigd, de elektronische dienstverlening sterk verbeterd en de administratieve lastendruk verder verminderd.

Specifieke aandacht zal ook in 2007 uitgaan naar jonge agrariërs. De Investeringsregeling Jonge Agrariërs zal daarom gecontinueerd worden.


LNV richt zich op de totstandkoming in de markt van een vorstschadeverzekering vóór de winter van 2007. Daarbij zal het rijk voor een deel garant staan zodat de verzekeringspremie laag kan blijven.

Dierlijke sectoren

Voor de dierlijke sectoren staat een doorgaande ontwikkeling van verduurzaming in het beleid centraal. Samen met de sectoren worden innovatieagenda’s opgesteld en goede initiatieven worden ondersteund.

Samen met VROM zal ik de introductie van luchtwassers stimuleren om niet alleen fijn stof, maar ook geurhinder en de uitstoot van ammoniak sterk te reduceren.

Het verbeteren van dierenwelzijn blijft een speerpunt dat zoveel mogelijk in Europees verband wordt aangepakt. Ik zal de Europese Commissie steunen in de uitwerking van het Actieplan dierenwelzijn. Specifiek aandacht wordt besteed aan het zo snel mogelijk overbodig maken het castreren van biggen. Het naleven van de Transportverordening zodat dieren op verantwoorde wijze binnen Europa worden vervoerd heeft grote aandacht.


De aanpak ter verbetering van het welzijn van gezelschapsdieren is een mooi voorbeeld van de verbinding tussen samenleving en overheid. Vanuit een gezamenlijke doelstelling en aanpak kunnen overheid en maatschappelijke organisaties samen meer bereiken dat ieder apart. Het Actieplan van het Forum Gezelschapsdieren zal worden uitgevoerd. Goede informatie en voorlichting, kwaliteitsverbetering door de sector zelf (certificering) en betere handhaving zijn de belangrijkste elementen van deze aanpak.


Het mestbeleid vraagt veel van de agrarische ondernemers, zeker in de beginfase. In 2007 zal door middel van een officiële evaluatie de tussenbalans worden opgemaakt. Er is een koers ingezet die voldoet aan de eisen vanuit de Europese Commissie en perspectief biedt voor de komende jaren. Waar er ruimte ontstaat voor verbetering en stroomlijning zal die worden benut. Het betreft onder andere de verhandeling van de overige meststoffen die vaak ontstaan als bijproduct van de voedingsmiddelenindustrie.

Ook bij de be- en verwerking van dierlijke mest ontstaan nieuwe mogelijkheden. Ik zal deze ontwikkelingen actief ondersteunen. Zowel in Europees verband als via onderzoek. Ik overweeg een nieuwe openstelling van de regeling waarbij bedrijven die alle mest verwerken en afzetten buiten de Nederlandse landbouw in aanmerking kunnen komen voor gedeeltelijke vrijstelling voor de aankoop van mestrechten.

De ontwikkelingen rond co-vergisting wil ik verder stimuleren. Samen met het bedrijfsleven streef ik in dat kader naar uitbreiding van de positieve lijst voor organische stoffen die met mest vergist mogen worden. In Europa pleit ik voor het creëren van mogelijkheden om producten uit mestverwerking aan te merken als kunstmestvervanger. Daarnaast laat ik onderzoeken of naast maïs alle landbouwgewassen vergist kunnen worden waarbij het restant als meststof kan worden afgezet. Ik streef ernaar de resultaten van dit onderzoek te betrekken bij de vereenvoudiging van de kwaliteitsregels voor het verhandelen van meststoffen per 1 januari a.s. Ten algemene laat ik een integrale strategische studie uitvoeren naar de perspectieven van co-vergisting. Het bedrijfsleven kan de uitkomsten gebruiken bij haar keuzes en het geeft de overheid inzicht op welke wijze deze ontwikkeling kan worden begeleid en ondersteund.

Glastuinbouw

De toegenomen kosten in de glastuinbouw als gevolg van de snel gestegen energieprijzen geven aanleiding tot zorgen. Een versnelde transitie naar minder gebruik van fossiele brandstoffen in de glastuinbouw is dringend gewenst. Hiertoe is het nodig dat innovatieve energieconcepten- en systemen worden doorontwikkeld en zijn forse investeringen noodzakelijk. Het kabinet wil de glastuinbouwsector helpen de transitie aan te gaan door een krachtige investeringsimpuls te geven. Deze impuls richt zich op het gebruik van alternatieve energiebronnen (aardwarmte en biobrandstoffen), innovatieve samenwerking middels aanleg van gezamenlijke energie-infrastructuur en innovatieve energiebesparingsmaatregelen op bedrijfsniveau.

In de periode 2007–2009 wordt in totaal € 210 mln. beschikbaar gesteld, waarvan € 105 mln. via de LNV-begroting. Daarnaast kunnen bedrijven die investeren in innovatieve energiebesparingsmaatregelen gebruik maken van het bestaand fiscaal instrumentarium. Dit zal naar verwachting eveneens € 105 mln. beslaan.

Daarnaast, en deels ook in samenhang hiermee, is van belang dat het proces van herstructurering en modernisering van het tuinbouwcluster niet stagneert, maar verder vorm krijgt. Hier ligt een gezamenlijke opgave voor bedrijfsleven en overheden, zoals ook is verwoord in de gezamenlijke «Greenportvisie».

Ook om andere redenen (en breder dan glastuinbouw) is voortgaande inzet op verduurzaming van belang. Innovatie is een belangrijk instrument om tot deze verduurzaming te komen. Goede voorbeelden zijn naast het programma «Kas als energiebron» het project Kennis op de Akker (KODA) en de Kennis- en Innovatieagenda Flowers & Food.

Daarnaast wordt in het kader van het convenant Gewasbescherming en het doelgroepenoverleg Glastuinbouw en Milieu gewerkt aan verdere verduurzaming. Hier blijkt dat ook langs andere wegen dan technische innovaties aanzienlijke verbeteringen mogelijk zijn. Zo leidt het project «Schone bronnen» van VEWIN, Unie van Waterschappen, LTO en Nefyto tot gezamenlijk inzicht in zowel het probleem dat bepaalde stoffen in het water veroorzaken, als mogelijke oplossingen daarvoor. Met deze aanpak wordt actief geanticipeerd op de Kaderrichtlijn Water, onder het motto: voorkomen is beter dan genezen.


Het fytosanitair beleid heeft de afgelopen 2 jaar extra versterking gekregen. Dit heeft ondermeer geleid tot overeenstemming tussen bedrijfsleven en overheid over de uitkomsten van het project «Plantkeur». Deze overeenstemming betreft een andere inrichting van de keuringen voor fytosanitair en kwaliteit. De implementatie van Plantkeur is inmiddels ter hand genomen.

Biologische landbouw

Biologische landbouw heeft een nauwe band met de natuurlijke omgeving en de bewuste consument. Biologische veehouders en natuurbeheerders werken al geruime tijd samen ten voordele van beiden. Veel biologische ondernemers staan in direct contact met de sociale omgeving, er zit een verhaal achter de producten dat burgers en consumenten aanspreekt. Vaak gaat de verbinding nog verder door het leveren van diensten als zorg en recreatie en door het verkorten van de keten met directe huisverkoop. De verbinding is duidelijk, maar kent ook een hogere prijs. Daarom is mijn inzet gericht op de consument, en op kwaliteitsverbetering in de keten. Dit loopt via de Task Force Marktontwikkeling Biologische Landbouw. LNV geeft het goede voorbeeld door 100% biologische catering op het ministerie in Den Haag vanaf 2007.

Visserij

De komende jaren zal de druk op de overheid blijven bestaan om de visserij te ondersteunen in de overgang naar een kleinere, maatschappelijk aanvaarde, en beter renderende sector. Het imago van vis ondergaat een positieve herwaardering. Vis is gezond en lekker. Een aantal zaken moet de sector zelf oppakken. De mogelijkheden van de overheid om het proces te ondersteunen door belemmerende nationale en Europese regelgeving te versoepelen of weg te nemen zijn beperkt.


In de visserij op de Noordzee is een grote cultuuromslag dringend noodzakelijk. Dat concludeert de Task Force Duurzame Noordzeevisserij in het advies, van begin 2006. De belangrijkste opgave is tweeledig: rendementsverbetering en tegelijkertijd werken aan een in alle opzichten duurzame visserij. Innovatie van de keten, energie-efficiency, alternatieve vangsttechnieken, kwaliteitsverbetering en het onderling delen van kennis daarover zijn doorslaggevende factoren in dit proces.


Om innovatie verder te stimuleren wordt een Visserij Innovatie Platform ingesteld. Daarnaast draagt LNV, via een garantieregeling en middelen ter stimulering van aanpassing en vernieuwing van de sector (incl. pulskor), bij aan de noodzakelijke cultuuromslag. Hiervoor is met ingang van 2007 jaarlijks € 7 mln. aan de LNV-begroting toegevoegd.


In lijn met het advies van de Task Force Duurzame Noordzeevisserij blijft LNV zich inzetten om verbinding te brengen tussen de visserij, de keten, en de maatschappelijke organisaties en zo het zelfregulerend vermogen te vergroten. Daarbij is de consument het sluitstuk van de keten.


De schelpdiersector heeft op grond van het beleidsbesluit «ruimte voor een zilte oogst» tot 2020 de tijd zich om te vormen tot een rendabele bedrijfstak, die ecologisch verantwoord werkt en brede maatschappelijke acceptatie heeft. De sector heeft de handschoen opgepakt en ontwikkelt, onder meer via het innovatieplatform aquacultuur, initiatieven om naar die situatie toe te groeien. De mosselsector heeft een eigen innovatieagenda opgesteld en er lopen tal van experimenten met alternatieve visserijmethoden. De eerste resultaten daarvan zullen in de loop van 2007 zichtbaar worden en een rol spelen bij de verdere implementatie van het schelpdierbeleid.


LNV zal een aantal proefprojecten ondersteunen die leiden tot betere afspraken over duurzaam beheer en duurzame benutting van de visbestanden in de binnenwateren. Voor het IJsselmeer zal in 2007 een visstandbeheercommissie worden opgericht. Verder draagt LNV in het kader van de Europese Aalverordening bij aan het doorlichten van de omvang van het nationale palingbestand en stemt beheermaatregelen hierop af.

Veilig voedsel, bewuste keus

Het voedselkwaliteitsbeleid verbindt verschillende waarden die raken aan voedsel en voedselproductie. Veiligheid van voedsel moet onbetwistbaar zijn en blijven. Maar ik constateer dat de samenleving de kwaliteit van voedsel steeds vaker afmeet aan de mate waarin bij de productie daarvan rekening is gehouden met andere waarden als gezondheid, dierenwelzijn (scharrelvlees), natuur en milieu, landschap (koeien in de wei), authenticiteit (rauwmelkse kaas en streekproducten) en eerlijke handel en arbeidsomstandigheden (fair trade). Daarmee is voedselkwaliteit een dynamisch domein geworden, waarbij gezocht moet worden naar een juist evenwicht tussen en samenhang in de genoemde voedselwaarden. Het beleid voor voedselkwaliteit is niet alleen gericht op producenten en product maar nadrukkelijk ook op consumenten. Onder meer het Voedingscentrum is gevraagd om tot 2010 aandacht te besteden aan de diverse waarden van Voedselkwaliteit en invloed die consumenten daarop hebben.


Voedselveiligheid is de basis van voedselkwaliteit. Instrumenten en maatregelen moeten daarop worden afgestemd. Naar aanleiding van de in 2006 uitgevoerde onderzoeken naar bredere afweging, en het in 2006 geformuleerde kabinetsstandpunt over «Nuchter omgaan met risico’s» zullen maatregelen en instrumenten worden bepaald die aan dit bredere perspectief invulling kunnen geven.


Voor het vertrouwen in voedsel van goede kwaliteit is ook transparantie vereist. In 2006 is ervaring opgedaan met de openbaarmaking van controlegegevens. Na evaluatie hiervan zal in 2007 de openbaarmaking van controlegegevens verder worden vormgegeven en zal – met de VWA en het ministerie van VWS – gezocht worden naar verbreding van dit instrument.


Bijzondere aandacht wil ik besteden aan het verbinden van de jeugd met voedsel en natuur. De smaaklessen maken kinderen bewust van voedsel en het productieproces. Een kind gaat anders over mayonaise denken als het heeft gezien hoeveel olie daar ingaat. Bewuster met voedsel omgaan zal kinderen de mogelijkheid geven gezonder te eten. Niet omdat het moet, maar omdat ze het zelf willen. Voor de periode tot medio 2007 (schooljaar 2006–2007) zal worden ingezet op het bereiken van tenminste 500 basisscholen met smaaklespakketten. In het verlengde hiervan wordt een actieprogramma opgesteld om de doelstelling voor de langere termijn (bereik van tenminste 25% van de jongeren door middel van smaaklessen) te kunnen realiseren. Hiermee zal in het schooljaar 2007–2008 een begin worden gemaakt.


Begin 2007 komt een rapportage gereed over de «Staat van voedselkwaliteit in Nederland». Dit rapport zal bezien welke opvattingen er in de samenleving leven over waarden van voedsel: voor welke doelgroep zijn welke waarden belangrijk. De resultaten daarvan hebben ongetwijfeld betekenis voor het beleid ten aanzien van voedselkwaliteit.

Dierziektebestrijding

Het dierziektebestrijdingsbeleid is de aflopen jaren maatschappelijk meer acceptabel gemaakt. De uitbraken die in Nederland in de afgelopen tien jaar plaats hebben gehad, hebben duidelijk gemaakt dat de maatschappij het doden van grote aantallen gezonde dieren niet meer accepteert. Ook is duidelijk geworden dat in Nederland weliswaar het overgrote deel van de landbouwhuisdieren om economische redenen wordt gehouden, maar dat het aantal houders van landbouwhuisdieren voor niet-economisch doeleinden zeer groot is. Er zijn naar schatting enkele honderdduizenden van deze hobbydierhouders, mensen die vanzelfsprekend een heel andere belang hebben dan commerciële dierhouders. Nederland heeft er dan ook veel aan gedaan om het alternatief voor ruiming, vaccinatie van dieren die een risico lopen, Europees en wereldwijd geaccepteerd te krijgen. Mede dankzij die inspanningen is het nu mogelijk te vaccineren tegen een aantal belangrijke dierziekten. In 2007 heeft het doen ontwikkelen van vaccins tegen vogelgriep die ook in noodsituaties toegepast kunnen worden prioriteit.

Vaccinontwikkeling

Wereldwijd groeit de ongerustheid over een mogelijk catastrofale grieppandemie: een snelle uitbraak van een zeer ernstige, menselijke griepvariant. Nieuw is dat nu een ernstig ziekmakend vogelgriepvirus H5N1 zich snel over de wereld verspreid zonder dat er adequate bestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn. Dit H5N1-virus blijkt in staat ook een reeks zoogdiersoorten, inclusief de mens, te kunnen besmetten en daarbij nu al dodelijke slachtoffers te kunnen maken. De beste preventie voor het uitbreken van een grieppandemie is de bestrijding van vogelgriep onder gehouden vogels. Vaccinatie speelt daarbij een grote rol.

Er is € 15 mln. uitgebrokken voor een vierjarig onderzoek voor versnelde ontwikkeling van veterinaire vogelgriepvaccins die gericht en grootschalig kunnen worden ingezet bij vogels en andere diersoorten die in de overgang van dier–dier naar mens–mens transmissie een rol kunnen spelen. Het onderzoek bouwt voort op eens tevig fundament an Nederlandse kennis over veterinaire vaccins en zal dat fundament verder uitbreiden en versterken.

Vertrouwd platteland, verrassend perspectief

Het jaar 2007 zal voor het platteland vooral in het teken staan van de inwerkingtreding van het ILG. Daarmee wordt de decentralisatie van de inrichting van het landelijk gebied een feit. Onder regie van de provincies zal op lokaal en provinciaal niveau samenwerking plaatsvinden tussen diegenen die zelf in het gebied wonen en werken. Overheden, ondernemers en maatschappelijke organisaties zullen elkaar moeten vinden om gezamenlijk tot mooie resultaten te komen. Een duidelijk voorbeeld van verbinden. Tot 2013 krijgen de provincies de tijd om de doelen zoals met het Rijk vastgelegd te bereiken. Expliciet heeft het Rijk hiermee een groot vertrouwen naar de provincies vorm gegeven. Desgevraagd zal mijn ministerie de provincies daarbij ondersteunen en adviseren, zodat we er gezamenlijk voor zorgen dat het ILG een succes wordt.

Met inwerkingtreding van de WILG komen diverse instrumenten en regelingen te vervallen.

Platteland Ontwikkelingsprogramma (POP2)

In 2007 zal het tweede Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP2) operationeel worden voor de periode 2007–2013. Dit programma vormt de basis voor Europese medefinanciering van onderdelen van het plattelandsbeleid in Nederland zoals neergelegd in Kiezen voor Landbouw, Agenda en Meerjarenprogramma Vitaal Platteland alsmede provinciale beleidsvisies. De basis voor het POP2 is neergelegd in de Nationale Plattelandsstrategie. Ik streef er naar het POP2 in te zetten op ondersteuning van de integrale (agrarische) transformatieopgave, waarvoor de doelen van de Lissabonstrategie een belangrijk uitgangspunt vormen. Innovatie en versterking van ondernemerschap zijn daarom belangrijke ijkpunten binnen het aanstaande POP. Geheel in de filosofie van Kiezen voor Landbouw zal het POP in belangrijke mate worden gericht op versterking van het agrarisch ondernemerschap en op de rol van de landbouw voor het behoud van natuur en landschap. Voor het POP komt in de hele programmaperiode naar verwachting 490 miljoen euro aan cofinanciering uit het EU-Plattelandsfonds voor Nederland beschikbaar.

Reconstructie Zandgebieden

In de reconstructie van de zandgebieden komt het in samenhang versterken van de concurrentiekracht, de vernieuwing van het platteland en de versterking van de positie van de natuur bij uitstek naar voren. De uitvoering is nu goed op stoom. Dit biedt kansen voor ondernemers, maatschappelijke groepen en burgers. Onder regie van de provincies worden in gebieden het geld en nieuwe instrumenten als ruimte voor ruimte ingezet voor landbouwontwikkelingsgebieden de natuurkwaliteit, verbetering van het landschap en de leefbaarheid van dorpen.

Begin 2007 wordt de evaluatie van de reconstructie zandgebieden afgerond waarin ook lering wordt getrokken uit regionale ervaringen.

Landschap

In de Agenda Vitaal Platteland en in de nota Ruimte is onderscheid gemaakt tussen het beleid voor behoud en ontwikkeling in de Nationale Landschappen en het generieke landschapsbeleid. Een grote zorg voor het behoud en ontwikkeling van het Nederlandse landschap zit in de gebieden buiten de Nationale Landschappen. Deze gebieden vallen ook onder de kwaliteitsagenda landschap. Want ook in deze gebieden bevinden zich karakteristieke landschappen. Het Nederlandse landschap is interessant, omdat het land voor bijna 100% met mensenhanden is ingericht en hiermee een product is van de samenleving.

De zorg voor mogelijk kwaliteitsverlies van het landschap wordt breed gevoeld in onze samenleving. We zien het landschap langs de snelwegen ingevuld worden met bedrijventerreinen en we maken ons zorgen over de toekomst van de landbouw, die vanouds de belangrijkste beheerder is van 70% van de Nederlandse open ruimte. Bovendien staan we de komende tijd voor een aantal grote transformaties in ons land als gevolg van klimaatverandering, de grote wateropgave, veiligheid en wellicht ontwikkelingen in de energiesector. Deze transformaties zullen de toekomst van het Nederlandse landschap voor een belangrijk deel beïnvloeden. Onder andere via het actieprogramma Ruimte en Cultuur 2005–2008 krijgt ruimtelijke kwaliteit de aandacht die het verdient. LNV wil voor het landschapsbeleid adequaat gebruik maken van de bewegingen, opvattingen en signalen in de samenleving.

Nationale landschappen

In de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland zijn 20 Nationale Landschappen aangewezen. Het zijn de landschappelijk meest waardevolle gebieden van ons land, deels uniek in Europa en verdienen een extra inzet van het Rijk. Ze hebben elk een unieke combinatie van cultuurhistorische en natuurlijke elementen en vertellen daarmee het verhaal van het Nederlandse landschap. Met provincies zijn afspraken gemaakt over begrenzing, uitwerken van de kwaliteiten in streekplannen en het opstellen van uitvoeringsprogramma’s. De eerste plannen zijn klaar en uitvoeringsprojecten zijn gestart. Nationale Landschappen is één van de thema’s waarover in ILG verband voor de komende 7 jaren prestatie-afspraken worden gemaakt. 2007 wordt dus in dat opzicht een belangrijk jaar voor de Nationale Landschappen. Ook monitoring van landschapskwaliteit , communicatie, kennis en ondersteuning van provincies zijn belangrijke thema’s in 2007.


Ligging, omvang en karakter van het Groene Hart rechtvaardigen extra rijksbetrokkenheid bij dit Nationale Landschap. In de Nota Ruimte is aangegeven dat een ontwikkelings- en gebiedsgerichte aanpak nodig is. Om die reden is het Groene Hart één van de vier gebieden (de overige zijn de Noordvleugel, de Zuidvleugel en ZO-Brabant/N-Limburg) waarop de programma-aanpak van toepassing is. Dat houdt in dat door een gecoördineerde rijksinzet de uitwerking van de opgaven in deze gebieden door decentrale overheden en marktpartijen wordt ondersteund. Het rijksprogramma Groene Hart (waarin ook opgenomen zijn de Nationale Landschappen Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam) wordt door mijn ministerie gecoördineerd en bevat de projecten en thema’s waar het rijk prioriteit aan wil geven. Dit programma vormt het kader voor het door de drie betrokken provincies in gang gezette Ontwikkelingsprogramma Groene Hart. In 2006 zal door de betrokken provincies in dat verband een Uitvoeringsprogramma Groene Hart worden opgesteld zodat in 2007 realisatie van een aantal belangrijke Groene Hart-projecten van start kan gaan.

Recreatie

Het recreatiebeleid is bij uitstek geschikt om een brug te slaan tussen de stedeling en het platteland. Iedereen in ons land moet kunnen recreëren en vakantie houden op ons platteland. De aantrekkelijkheid van het platteland als recreatieve gebruiksruimte wordt bepaald door een mix van omgevingskwaliteiten (natuur, groen, landschap en water), de aanwezigheid van openbare recreatieve infrastructuur en de inspanningen van recreatie ondernemers en agrarische ondernemers. Er ontstaat zo een wisselwerking: het platteland biedt mensen rust ruimte en ontspanning; toerisme en recreatie worden steeds belangrijker als economische drager van het platteland. De nadruk blijft ook in 2007 liggen op het realiseren van grootschalige recreatiegebieden in de stedelijke omgeving en op de landelijke routes. Daarnaast blijf ik actief om de toegankelijkheid van het platteland te vergroten.

Water

Voor water ligt de komende jaren het accent op de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) en Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Meer concreet gaat het om het zo goed mogelijk in beeld brengen van kosten en baten voor landbouw, natuur en recreatie en het realiseren van een maximale synergie tussen maatregelen op gebied van kwaliteit en kwantiteit. LNV gaat voor voldoende (schoon) water in het landelijk gebied; zodanig dat een duurzame ontwikkeling van de sectoren in het landelijk gebied mogelijk is. Uitgangspunt is een level playing field in Europa, met een haalbare & betaalbare implementatie van de KRW. In 2007 is tevens de doorwerking van de evaluatie van het mestbeleid in 2007 in het waterspoor aan de orde.

Nieuwe paden, vitale natuur

Natuur is een essentiële levensbehoefte voor de mens. Dat realiseren we ons soms te weinig. En natuur verbindt mensen en functies. Zo wordt ons economisch vestigingsklimaat er mede door bepaald, is de luchtkwaliteit ook afhankelijk van het aantal bossen in ons land, wordt door de mogelijkheid te bewegen in het groen onze gezondheid verbeterd enzovoort. Niet voor niets heb ik vaker aangegeven dat investeringen in groen zich op vele wijzen terugbetalen. Maar die investeringen in zowel geld als aandacht zijn wel nodig om de natuur die functie te laten behouden. Daarom investeer ik veel in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar heeft ook de natuur daarbuiten mijn aandacht.


Voor natuur is het van essentieel belang dat mensen zich ermee verbonden voelen. Als de natuur van anderen, van de overheid is, zal het nooit duurzaam behouden kunnen blijven. Dat is een van de voornaamste redenen dat ik zoveel nadruk leg op agrarisch en particulier natuurbeheer. Juist ook bij de totstandbrenging van de EHS. Diegenen die letterlijk in de natuur wonen en werken worden er, door hen medeverantwoordelijk te maken, nog sterker mee verbonden. Maar de natuur dient nog beter verankerd te geraken bij mensen.


Speciale aandacht is in 2007 nodig voor jongeren en natuur. Net als bij voedsel is het van belang dat jongeren zich de waarden van natuur beter gaan realiseren. Zeker nu steeds grotere aantallen jongeren opgroeien in een stedelijke omgeving is regelmatig contact met «natuur» in de breedste zin des woord helaas géén vanzelfsprekendheid. Een versterkte inzet is hier nodig. Dat kan door fysieke voorzieningen zoals speelbossen en door het aanbieden van programma’s, zoals excursies naar natuurgebieden, en andere projecten zoals Ecokids, Wildzoekers en «Groene Hangplekken», die ik via de Regeling Draagvlak Natuur ondersteun. Maar mijn aandacht gaat ook uit naar de natuur in de directe leefomgeving en de betekenis hiervan voor spelen, gezondheid en mogelijkheden voor educatie. Samen met VROM en OCW presenteer ik nog dit jaar een vernieuwd beleid voor natuur en milieu-educatie. Ook een breder programma Jeugd, natuur en gezondheid heb ik in voorbereiding.

EHS

De vorming van de EHS ligt nog altijd goed op schema. De laatste grondaankopen worden naar verwachting in 2015 uitgevoerd, op enkele robuuste verbindingen na, die ook daarna nog moeten plaatsvinden. Voor de natte natuur zullen reeds in 2008 de laatste grondaankopen plaatsvinden om conform de nota ruimte deze gebieden in de bestemmingsplannen opgenomen te hebben. Vanaf 2007 wordt de positie van de provincies bij het realiseren van de EHS, in het kader van het ILG, nog prominenter dan zij al was. Dat geldt ook voor de aanleg van robuuste verbindingszones, als fundamenteel onderdeel van de EHS, en de aanpak van knelpunten met de Rijksinfrastructuur in deze zones, zoals omschreven in het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO). De ingezette omslag van minder verwerving naar meer agrarisch en particulier natuurbeheer wordt in 2007 geëvalueerd. Zoals in de Nota Ruimte is vermeld, zullen met provincies en terreinbeheerders afspraken worden gemaakt over de kwaliteit van de natuur.

Natuurbeschermingswet en Natura 2000

Met de inwerkingtreding van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 per 1 oktober 2005 zijn de Vogel- en Habitatrichtlijn adequaat geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Conform de Natuurbeschermingswet worden in 2007 162 Natura 2000-gebieden aangewezen en zal een begin worden gemaakt met het opstellen van beheerplannen voor deze gebieden. Het aanwijzen van de betreffende gebieden, die overigens voor meer dan 95% door de EHS overlapt worden, levert een bijdrage aan het Europese netwerk van natuurgebieden, Natura 2000.

Gegevensautoriteit Natuur

De afgelopen jaren hebben zich regelmatig spanningen voorgedaan tussen de wettelijke bescherming van flora en fauna en bedrijven met plannen voor economische (bouw)initiatieven. Vertragingen in bouwprojecten waren veelal het gevolg. Om deze reden is er bij overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties een grote behoefte aan betrouwbare informatievoorziening over de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in die gebieden waarin de komende decennia economische ontwikkelingen plaats zullen vinden. Er is besloten eenmalig € 20 mln. te reserveren voor het opzetten van een Gegevensautoriteit Natuur. Via de Gegevensautoriteit Natuur worden de initiatiefnemers van ruimtelijke economische ontwikkelingen in staat gesteld om – zonder dat sprake is van economische fricties of onevenredig hoge kosten – te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke bescherming van natuurwaarden. Daarnaast wordt via de leefgebiedenaanpak een aantal gerichte maatregelen getroffen zodat de overlevingskansen van beschermde soorten in kansrijke leefgebieden worden vergroot.

Wadden

De Waddenzee is het grootste en internationaal bekendste natuurgebied dat Nederland herbergt. Ook hier speelt de verbinding met mensen die er wonen, werken en recreëren een belangrijke rol. Heel concreet is dit aan de orde bij de nominatie van de Waddenzee als werelderfgoed. Ik zal een proces in gang zetten dat in 2007 zal leiden tot een door de regio gedragen nominatie. Verder heeft dit kabinet in de Derde Nota Waddenzee een ontwikkelingsperspectief geschetst voor de natuur en de sociaal economische thema’s in het waddengebied. De regio kleurt het ontwikkelingsperspectief nader in. Het kabinet heeft de komende 20 jaar € 800 mln beschikbaar gesteld voor de realisatie van dit ontwikkelingsperspectief. In 2007 zullen op het gebied van natuur en duurzame vormen van landbouw, visserij en recreatie de eerste projectenaanvragen voor het Waddenfonds naar verwachting worden gehonoreerd.

2.1.2 Financieel kader voor 2007

deel A. Mutaties

2.1.2.1 Uitgaven

De begroting van de uitgaven voor 2007 is ten opzichte van de meerjarencijfers in de begroting 2006 bijgesteld met € 85 mln. Deze bijstelling bestaat uit de mutaties, zoals opgenomen in onderstaande tabel.

Bedragen x € 1 mln.
 200620072008200920102011
Stand begroting 20062 1352 1662 1412 1382 1182 118
1 Nota van Wijziging915– 3– 3– 3– 3
2 Ramingsbijstelling– 20– 20– 20– 20– 20– 20
3 Eindejaarsmarge– 14     
4 Nadeelcompensatie kokkelvisserij Waddenzee104     
5 Sanering kottervisserij13     
6 Dierziekten32     
7 EU-verplichtingen (Nitraatrichtlijn)121086  
8 Loon-/prijsbijstelling393535353534
9 Bijdragen derden landinrichting – 26– 26– 26– 26– 26
10 Energietransitieglastuinbouw 353535  
11 FES20171012101
12 Verduurzaming Visserij 77777
13 Welzijn Gezelschapsdieren133333
14 BTW-compensatie praktijkleren 55555
15 POP2  7777
16 Reconstructie correctie extrapolatie    17 
17 Sanering Kottervloot   – 5– 5 
18 Gegevensautoriteit Natuur20     
19 Overig114523– 48
Stand begroting 20072 3622 2512 2072 1962 1512 078

De mutaties 1 t/m 8 zijn reeds in de eerste suppletore wet samenhangende met de Voorjaarsnota 2006 aan de Kamer voorgelegd.

1. Nota van Wijziging

Het betreft een efficiency-taakstelling VWA (€ 3 mln negatief structureel) en versnelde inrichting Groene Hart als Nationaal Landschap (€ 12 mln in 2006 en € 18 mln in 2007).

2. Ramingsbijstelling

In relatie tot een aantal intensiveringen, is besloten tot een ramingsbijstelling structureel van € 20 mln. op de LNV-begroting.

3. Eindejaarsmarge

De LNV-begroting wordt uit hoofde van de negatieve eindejaarsmarge 2005 met € 14 mln. verlaagd.

4. Nadeelcompensatie kokkelvisserij Waddenzee

Om schade aan het Wadden-milieu te voorkomen, is besloten om met ingang van 1-1-2005 geen vergunningen meer te verlenen voor de mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee. Een deel van de compensatie voor de kokkelvissers voor het beëindigen van deze vergunningen is al in 2005 betaald; het resterende bedrag wordt in 2006 uitgekeerd.

5. Sanering kottervisserij

In verband met de kosten voor de sanering van de Noordzee-kottervloot, wordt in 2006 € 13,3 mln. vanuit het Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Visserij (O&S-fonds Vis) aan de LNV-begroting toegevoegd.

6. Dierziekten

Ten behoeve van destructie en preventieve maatregelen als vaccinatie in het kader van wering en bestrijding van dierziekten, is € 32 mln. aan de LNV-begroting toegevoegd. Onderzocht zal worden of het mogelijk is om deze uitgaven via het Diergezondheidsfonds (DGF) te laten lopen.

7. EU-verplichtingen (Nitraatrichtlijn)

Nederland heeft eind 2005 van de Europese Commissie een derogatiebeschikking ontvangen voor de Nitraatrichtlijn. Voor o.a. onderzoeks- en monitoringsverplichtingen die uit deze derogatie voortvloeien worden voor de periode 2006–2009 middelen aan de LNV-begroting toegevoegd.

8. Loon-/prijsbijstelling

De loon- en prijsbijstelling 2006 is overgeboekt naar de departementen.

9. Bijdragen derden landinrichting

Met de komst van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) krijgen vanaf 2007 de provincies de verantwoordelijkheid voor het realiseren van bijdragen van derden voor landinrichtingsprojecten. Dat leidt tot verlaging van de uitgaven en ontvangsten voor dit doel op de LNV-begroting.

10. Energietransitie glastuinbouw

Voor innovatieve projecten gericht op ondersteuning van de glastuinbouw in de overgang naar minder gebruik van fossiele brandstoffen worden middelen aan de LNV-begroting toegevoegd.

11. FES

Dit betreft diverse kennisprojecten in het kader van het Fonds Economische Structuurversterking (FES) te weten: AI-vaccinontwikkeling (€ 15 mln.), praktijklokalen VMBO (€ 4,3 mln), beroepskolom MBO (€ 16,3 mln.), transitie duurzame landbouw (€ 1,5 mln.), Potato Genome Sequencing (€ 3,0 mln), Phytophtora (€ 9,9 mln.), Technologisch Top Instituut (TTI) Groene Genetica (€ 20,0 mln.).

12. Verduurzaming visserij

Ten behoeve van een verdere verduurzaming in de visserijsector wordt met ingang van 2007 jaarlijks € 7 mln aan de LNV-begroting toegevoegd. Deze middelen zullen onder meer worden ingezet voor onderzoek naar en introductie van duurzame vistechnieken als de pulskor en ter dekking van mogelijke verliesdeclaraties uit hoofde van een te introduceren garantieregeling voor de visserij.

13. Welzijn Gezelschapsdieren

Om het welzijn van gezelschapsdieren beter te beschermen, worden middelen aan de LNV-begroting toegevoegd voor extra voorlichting, verstevigen en uitbreiden van de handhaving, kennisontwikkeling en het opzetten van een certificatiesysteem.

14. BTW-compensatie praktijkleren

In verband met de beëindiging van de bekostigingsrelatie tussen LNV en de Innovatie- en Praktijkcentra (IPC’s) vervalt de wettelijke status volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Hierdoor is met ingang van 1 januari 2007 BTW verschuldigd aan de IPC’s. De LNV-begroting wordt hiervoor gecompenseerd.

15. POP2

In verband met een lagere EU-bijdrage POP2 ten opzichte van POP1 is vanaf 2008 € 7 mln. aan de LNV-begroting toegevoegd.

16. Reconstructie extrapolatie

Dit betreft een technische correctie samenhangend met de extrapolatie 2010.

17. Sanering kottervloot

Dit betreft de terugbetaling aan V&W van de bijdrage in 2005 aan de sanering kottervloot (€ 10 mln).

18. Gegevensautoriteit Natuur

Er is € 20 mln. gereserveerd voor het oprichten van een Gegevensautoriteit Natuur. Met dit systeem wordt het bedrijfsleven in staat gesteld om bij geplande ruimtelijke activiteiten op een effectieve manier rekening te houden met de wettelijke verplichtingen op het gebied van de natuurregelgeving.

19. Overig

De verlaging 2011 betreft het saldo van extra budget van oplopende beheerslasten en een verlaging in verband met het aflopen van ICES2.

2.1.2.2 Ontvangsten

De begroting van de ontvangsten voor 2007 is ten opzichte van de meerjarencijfers in de begroting 2006 technisch neerwaarts bijgesteld met € 7 mln.

Bedragen x € 1 mln.
 200620072008200920102011
Stand begroting 2006478403393392392392
1 Sanering kottervisserij13     
2 Bijdragen derden landinrichting – 26– 26– 26– 26– 26
3 FES20171012101
4 Overig162– 2– 4– 4– 12
Stand begroting 2007527396375374372355

1. Sanering kottervisserij

Voor het uit de vaart nemen van kotters in verband met de sanering van de Noordzee-kottervloot, wordt in 2006 13,3 mln. vanuit het Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Visserij (O&S-fonds Vis) aan de LNV-begroting toegevoegd.

2. Bijdragen derden landinrichting

Als gevolg van het in werking treden van het Investeringsbudget Landelijk Gebied met ingang van 2007 lopen de bijdragen van derden aan uitgaven voor landinrichtingsprojecten niet meer via LNV maar via de provincies. Dit leidt tot een verlaging van de uitgaven en ontvangsten.

3. FES

Dit betreft de bijdrage voor diverse kennisprojecten in het kader van het Fonds Economische Structuurversterking (FES).

deel B. Overzichtsconstructies

Om een goed inzicht te bieden in de totale omvang van het totaal beschikbare ILG-budget en de herkomst ervan is overzichtsconstructie opgesteld over de totale ILG-periode van 2007–2013. In deze overzichtsconstructie zijn ook de bijdragen van andere departementen aan het ILG opgenomen. In het kader van het ILG is afgesproken dat de andere betrokken departementen (VROM, V&W en OCW) hun bijdragen overboeken naar de LNV-begroting en dat de minister van LNV zorgdraagt voor de jaarlijkse stortingen ten behoeve van de provincies. De bijdragen van andere departementen dienen in een aantal gevallen nog naar LNV te worden overgeheveld.

Hoewel in de begroting 2007 de budgetten meerjarig tot en met 2011 worden vastgelegd, is er in de overzichtsconstructie voor gekozen de budgetten tot en met 2013 (dus voor de gehele ILG-periode) weer te geven. Voor de jaren 2012 en 2013 zijn de budgetten opgenomen onder het voorbehoud van definitieve extrapolatie van deze budgetten in de begrotingen van 2008 en 2009.


De totale omvang van het ILG-budget komt uit op € 3,2 miljard. Hierin is de reservering ten behoeve van de tweede fase van de uitvoering Wester-Schelde inbegrepen. Dit budget is exclusief de bijdragen van onder andere de EU en exclusief de bedragen die via de PNB-leningconstructie worden aangewend.


De minister van LNV zal op basis van de bestuursovereenkomsten met de provincies namens het Rijk per provincie een verplichting aangaan voor de gehele ILG-periode. De hiertoe benodigde verplichtingenruimte zal bij Najaarsnota 2006 worden aangevraagd. Dit zal leiden tot een correctie (verplichtingenschuif) op de gepresenteerde ILG-verplichtingenbudgetten in de jaren 2007 en volgende jaren.

Meerjarig overzicht ILG-budgetten

ILG overzichtsconstructie
ODNaam2007200820092010201120122013Totaal
Reeds beschikbaar op de LNV-begroting
          
22.11Grondgebonden landbouw*16 22821 05428 34816 37924 42425 08225 175156 690
22.12Infrastructuur glastuinbouw1 0009 0008 0007 40025 400
23.11Verwerving EHS*36 30726 27628 06840 41633 35335 94837 812238 180
 Verwerven en inrichting Westerschelde9 38215 86220 68210 209p.m.p.m.p.m.56 135
23.12Inrichting EHS*48 77467 91158 05555 52062 44063 50763 496419 703
 Milieukwaliteit EHS/VHR29 04523 05011 4007 2003 6003 6003 60081 495
 Waarvan V&W verdrogin3 6003 6003 6003 600   14 400
23.13Programma beheer binnen EHS91 00196 244101 654105 591101 785107 725114 115718 115
23.14Nationale parken3 9223 9223 9233 9233 8503 8503 85027 240
 Soortenbescherming1 2001 2001 2001 2001 2001 2001 2008 400
 Beheer buiten EHS8 1988 1988 9509 71110 64911 30912 01969 034
24.11Nationale Landschappen*20 42917 47320 35921 46320 13021 14221 407142 403
 Waarvan Belvedere, incl. VROM/OCW52 2822 2822 282    6 846
24.12Landschapgeneriek2 8742 719953131313146 599
24.13Recreatie om de stad54 58045 33345 67345 92439 58240 04940 208311 349
24.14Landelijke routenetwerken5 4375 4375 4375 4375 4375 4374 75637 378
 Waarvan V&W Stichting recreatie toervaart668168168168168168104 086
 Ontwikkelen & versterken toegankelijkheid*10 3217 3216 8216 2214 0513 1672 96740 869
27.11ReconstructieZandgebieden*81 57478 87981 38374 71169 69769 68668 996524 926
          
Nog toe te voegen aan de LNV-begroting van andere departementen
          
Vrom         
22.11VROM Duurzaam ondernemen1 6591 0622 0702 0702 0702 07010 001
23.11/ 24.13VROM bufferzones EHS/rods28 3606 0725 2835 8455 8455 8455 84543 095
23.12Waarvan VROM milieukwaliteit3 3 8866 26512 21212 21212 21212 21258 999
27.12VROM Bodemsanering7   17 00017 00017 00017 00068 000
 VROM Duurzaam bodemgebruik9 3565731 1181 1181 1181 1185 401
          
V&W         
23.12V&W verdroging4    3 6003 6003 60010 800
27.12V&W Waterbodem8   9 0759 0759 0759 07536 300
          
FES         
23.11Westerschelde vanaf 2011       80 000
Totaal 428 632440 852444 089458 638431 131442 635450 5353 176 512

* inclusief terugbetaling provinciale voorfinanciering.

Toelichting

Ten aanzien van de bijdragen van de andere betrokken ministeries geldt het volgende:

1. Het ILG budget voor duurzaam ondernemen zijn vooralsnog opgenomen in de VROM begroting onder Operationeel Doel 7.2.5 Bevorderen duurzame landbouw. Dit budget zal naar de LNV-begroting worden overgeboekt.

2. De ILG budgetten voor bufferzones (Verwerven EHS; Recreatie om de stad) zijn vooralsnog opgenomen in de VROM begroting onder OD 5.2.2 «Landelijke Gebieden van nationaal belang». Dit budget zal naar de LNV-begroting worden overgeboekt.

3. De bijdrage van VROM ten behoeve van de milieukwaliteit EHS/Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) is vooralsnog opgenomen in de VROM begroting onder OD 7.2.4 «Bevorderen gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijk gebied». Dit budget zal naar de LNV-begroting worden overgeboekt.

4. De bijdrage van V&W voor verdroging, is reeds tot en met 2010 overgeheveld naar de LNV-begroting. In de begroting 2011 zullen de budgetten van 2011 tot en met 2013 worden overgeboekt.

5. In het ILG-budget voor Nationale Landschappen is een deel van het Belvedère budget opgenomen (gedurende drie jaar een bedrag van € 2 282 000). In dit budget zijn de bijdragen van VROM en OCW inbegrepen.

6. De bijdrage van V&W voor routenetwerken is een subsidie aan de Stichting Recreatie Toervaart (SRN) en loopt tot en met 2012. Dit budget is reeds overgeheveld naar de LNV-begroting.

7. Vanaf 2010 tot en met 2013 is er vanuit de VROM-begroting onder OD 7.2.2 «Saneren verontreinigde bodems» voorlopig jaarlijks 17 mln beschikbaar voor bodemsanering. Bij de midterm review in 2010 wordt het aandeel van bodemsanering in het ILG definitief bepaald.

8. Het budget voor sanering van waterbodems van jaarlijks ca. € 9 mln staat nu nog op VROM begroting OD 7.2.3. «Verbeteren milieukwaliteit water», maar komt vanaf 2010 beschikbaar op de V&W-begroting. Het zal vanaf dat moment via de LNV-begroting in het ILG opgaan.

9. Tot slot heeft VROM nog € 5,4 mln beschikbaar op haar begroting voor duurzaam bodembeheer onder OD 7.2.1 «Verbeteren milieukwaliteit bodem». Ook dit budget zal naar de LNV-begroting worden overgeboekt.

Overzicht Groene Hart

ProjectenTe nemen besluitenVerantwoordelijkheidsverdelingBegrotingOperationeel doelBedragen
Nationaal landschap Groene HartStandpunt over UitvoeringsprogrammaVakministerie: LNV/VROMRegie: ProvinciesXIV22.11, 23, 24, (ILG t/m 2013)€ 239 mln.
 Besluit over medefinanciering    
      
Nieuwe Hollandse WaterlinieVaststellen begrenzingVakministerie: LNVRegie: LinicommissieXIV pm.
 Voordragen werelderfgoed    
      
Stelling van AmsterdamVaststellen begrnzingVakministerie: LNVRegie: liniecommissie   
      
Veenweiden Vakministerie: LNVRegie: convenant: Utrecht, Fesmiddelen: LNVXIVdiverse 
a: uitwerking veenweideagendatoekennen 40 000 haVakministerie: LNVRegie: convenant: Utrecht   
b: PVA FES-gelden Veenweidentoekennen FES-geldVakministerie: LNVREgie: Fesmiddelen: LNV Versnelling FESpm
    FES 2011–2014pm
      
Natte AsVaststellen begrenzingVakministerie: LNVRegie: ProvinciesXIV  
 Toekennen hectares    
      
Transformatiezone Leiden Alphen Bodegraven Vakministerie: VROM/EZRegie: Zuid-HollandXI en XIII pm
Afronden gebiedsuitwerking OUde RijnzoneStandpunt over gebiedsvisieVakministerie: VROMRegie: Zuid Holland   
Realisatie herstructurering bedrijventerreinen Oude RijnzoneStandpunt over herstructureringVakministerie: EZRegie: Zuid-Holland  € 7,5 mln.
      
Infrastructuur (A12 en Rijn-Gouwelijn Oost) Vakministerie: V&WRegie: V&WXII  
a. Voorbereiden uitvoeringsbesluit A12uitvoeringsbesluit A12Vakministerie: V&WRegie: V&W  € 204 mln.
b. Voorbereiden uitvoeringsbesluit Rijn-Gouwelijn OostUitvoeringsbesluit RIjn-Gouwelijn OostVakministerie: V&WRegie: V&W  € 140 mln.