Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

21 Duurzaam ondernemen

Algemene beleidsdoelstelling

Een vitaal en duurzaam agrocomplex met inbegrip van de visserij.

Omschrijving

LNV streeft naar een vitaal en duurzaam agrocomplex – met inbegrip van de visserij, waarbij:

• de nationale en internationale marktpositie van het agrocomplex wordt behouden en versterkt;

• van natuurlijke hulpbronnen een duurzaam gebruik wordt gemaakt;

• betrouwbare en hoogwaardige producten voortgebracht worden.

Deze beleidsdoelstelling richt zich op de verduurzaming van het agrocomplex in Nederland, waarbij zoveel mogelijk de Europese kaders worden gevolgd. De verduurzaming geldt niet alleen de milieuaspecten, maar ook de sociale en economische aspecten (bedrijfsontwikkeling en ondernemerschap).


Van grote invloed op het halen van deze beleidsdoelstelling zijn de ontwikkelingen die zich afspelen bij het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB), het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en de Doha-ronde van de WTO. Zo is met ingang van 1 januari 2006 in het kader van het vernieuwde GLB de ontkoppelde steunregeling van kracht geworden. Daarnaast is een nieuw plattelandskader voor 2007–2013 ontwikkeld (POP2). Dit nieuwe POP bevat een uitwerking van de nieuwe Kaderverordening Platteland, en sluit aan bij de nationale beleidsprioriteiten. Eveneens voor de periode 2007–2013 wordt een nieuw Europees Visserijfonds (EVF) ontwikkeld, dat inzet op verdere vergroening van het visserijbeleid.

Procentuele verdeling uitgaven 2007 over operationele doelstellingen en apparaat.

Duurzaam ondernemen



kst99343_2_01.gif

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is verantwoordelijk voor het bevorderen van gunstige randvoorwaarden vóór en het faciliteren van de ontwikkeling van het agrofoodcomplex en voor het maken van robuuste wet- en regelgeving. Een krachtige positie van het agrocomplex is in de eerste plaats de verdienste, maar ook de blijvende opgave van ondernemers. LNV definieert niet precies de eindsituatie, laat staan dat het deze effectueert. LNV stelt de randvoorwaarden vast en ondersteunt de ontwikkeling van het agrocomplex, waarbij ruimte is voor duurzaam ondernemerschap en een goed klimaat voor innovatie. Daar waar nodig zorgt LNV voor kennisontwikkeling, bevordert innovatie en samenwerking, stelt robuuste regelgeving en toezichtskaders op en geeft gerichte (al dan niet financiële) ondersteuning.

Succesfactoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van:

• het nemen van de eigen verantwoordelijkheid door de ondernemers;

• ontwikkelingen op de (internationale) markten;

• ontwikkeling van de internationale en binnenlandse markt voor duurzame kwaliteitsproducten;

• internationale handelsafspraken (zoals de Doha-ronde van de WTO);

• ontwikkelingen in het Gemeenschappelijk Landbouw- en Visserijbeleid o.a. middels een nieuw Europees Visserijfonds (EVF).

Maatschappelijk effect

Het behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:

• de economische positie van de ondernemingen binnen het Nederlandse agrocomplex op internationaal niveau minimaal op peil blijft;

• het milieu minder wordt belast;

• betrouwbare en kwalitatief hoogwaardige producten in Nederland worden voortgebracht en verhandeld;

• de appreciatie van de Nederlandse samenleving van de economische, maar ook de ecologische en sociale bijdrage van het agrocomplex.

IndicatorReferentie-waardePeil datumRaming 2007TrendgegevensStreefwaardePlanningBron
Toegevoegde waarde per fte in Ned. primaire sector1€ 43 2002005  Hoger dan EU-15 LEI
Toegevoegde waarde per fte in primaire sector EU 15€ 23 1002005   LEI  
Overschot agrarische handelsbalans€ 22,4 mld. 2005 Op peil LEI
Milieubelasting meststoffen & gewasbeschermingsmiddelen21002003 Dalende lijn DL
Energie efficiencyverbetering– Glastuinbouw49%2003  65%2010Senter
– Voedings- en genotmiddelenindustrie (tov 2001)33,3%2005  15%2012Senter/Novem
Maatschappelijke appreciatiescore482005  82010TNS/NIPO

1 De toegevoegde waarde per FTE wordt alleen gerekend over de primaire sector. Vanwege een betere beschikbaarheid van de gegevens verhoogt dit zowel de vergelijkbaarheid als de betrouwbaarheid van de indicator.

2 De uitwerking van milieubelastingindex is afhankelijk van het effectonderzoek die dit jaar op het terrein van gewasbescherming wordt uitgevoerd.

3 Deze indicator is een gemiddelde van verschillende sectoren in de voedings- en genotsmiddelenindustrie. De samenstelling van deze groep is gewijzigd door toetreding van nieuwe sectoren. De nieuwe sectoren hebben een relatief minder resultaat behaald, waardoor de referentiewaarde in 2005 is gedaald van 4,5% naar 3,3%. Op basis van de oude samenstelling van de groep was de energie-efficiencyverbetering in 2005 uitgekomen op 5,95%.

4 De maatschappelijke appreciatiescore is gebaseerd op een door TNS NIPO uitgevoerd onderzoek naar de waardering van Nederlandse burgers over de agrarische sector.

Verwijzing

• Vitaal en Samen (LNV-beleidsprogramma 2004–2007).

• Nota Ruimte (TK 2004–2005, 29 435, nr. 154).

• Groeien in Concurrentie (TK 2004–2005, 29 939, nr. 1).

• Nota Kiezen voor Landbouw (TK 2005–2006, 30 252, nr. 1).

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
 2005200620072008200920102011
Verplichtingen303 138401 249291 875279 303268 939222 535207 048
Uitgaven278 591421 005301 572269 080253 784211 068202 667
Programma-uitgaven98 769222 578123 349113 015101 84559 21351 378
– waarvan juridisch verplicht  39 62619 73710 3997 8333 370
21.11 Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat2 21715 0366 6555 2554 0054 0054 005
– Jonge agrariërs57911 7355 4002 7501 5001 5001 500
– Ondernemerschap1 6383 3011 2552 5052 5052 5052 505
21.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn19 09727 93621 27818 75816 0759 4407 840
– Verbetering dierenwelzijn1 4711 7984 2863 9713 9583 9583 958
– Nieuw mestbeleid13 39018 42511 1508 7006 575450450
– Fytosanitairbeleid7592 9072 5272 8852 5252 090490
– Gewasbeschermingsbeleid3 4774 8063 3153 2023 0172 9422 942
21.13 Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen w.o. biologische landbouw36 72641 32276 98872 83966 70230 70524 470
– Glastuinbouw14 40318 85349 48243 46543 95412 1017 141
– Biologische landbouw7 86510 9157 0655 2004 0824 4074 382
– Intensieve veehouderij 1 9005004 6003 5252 5001 450
– Melkveehouderij2 8852 4226 7149 8785 719665465
– Akkerbouw1 3691 8521 7731 7051 7051 2051 205
– Overige sectoren3293421710000
– Innovatie + Samenw. duurzame landbouw9 8755 03811 2837 9917 7179 8279 827
21.14 Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren34 099128 83111 3659 1009 1009 1009 100
– Innovatie, Kennisontw. en verspreiding3 6017001 7001 7001 7001 7001 700
– Binnenvisserij20 967104 068400400400400400
– Verduurzaming Noordzeevisserij9 53124 0639 2657 0007 0007 0007 000
21.15 Bevorderen van duurzame ketens6 6309 4537 0637 0635 9635 9635 963
– Bilaterale Economische Samenwerking2 9873 3103 3383 3383 3383 3383 338
– Agrologistiek512909400400400400400
– ICT Beleidsprogramma’s9402 9981 1001 100   
– Energie en overig2 1912 2362 2252 2252 2252 2252 225
        
Apparaatsuitgaven179 822198 427178 223156 065151 939151 855151 289
U21.21 Apparaat19 06418 14317 24616 98816 99516 99516 988
U21.22 baten-lastendiensten160 758180 284160 977139 077134 944134 860134 301
Ontvangsten33 23051 44416 93813 71911 70411 0699 369

Toelichting op de programma-uitgaven

De verplichtingen en uitgaven zijn in 2006 incidenteel hoger in verband met te vergoeden nadeelcompensatie aan de kokkelsector. In de periode 2007–2009 is er jaarlijks € 35 mln. beschikbaar gesteld voor het versneld doorvoeren van innovatieve, energiebesparende maatregelen in de glastuinbouwsector.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

De apparaatsuitgaven op dit artikel hebben met name betrekking op de uitvoering van EU-regelingen door de Directie Regelingen (DR).

De geleidelijke afname van apparaatsuitgaven houdt verband met afbouw van regelingen die worden vervangen door de Bedrijfstoeslagregeling (gemeenschappelijk landbouwbeleid) en de afbouw van het oud mestbeleid.

Toelichting op de ontvangsten

Er is sprake van incidenteel hogere ontvangsten in 2006 voornamelijk als gevolg van bijdrage vanuit het O&S-fonds voor de Visserij ter dekking van LNV-uitgaven met betrekking tot de sanering kottervloot.

Grafiek budgetflexibiliteit



kst99343_2_02.gif

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bedragen x € 1 000
 Raming 2007
Ambtelijk Personeel Directie Landbouw5 166
Ambtelijk Personeel Directie Industrie en handel2 451
Ambtelijk Personeel Directie Visserij5 515
Materieel3 984
Overig apparaat130
Bijdrage aan AID39 173
Bijdrage aan DLG621
Bijdrage aan VWA7
Bijdrage aan DR106 389
Bijdrage aan PD14 787
Totaal apparaatsuitgaven178 223

Toelichting op de ontvangsten

De ontvangsten op artikel 21 bestaan voornamelijk uit Europese co-financiering voor nationale regelingen (o.a. POP en FIOV).

Bedragen x € 1 000
 Raming 2007
EU-bijdrage jonge agrariërs2 100
EU-bijdrage Biologische Landbouw1 882
EU-bijdrage overige sectoren689
Ontvangsten Visserij (o.a. FIOV)7 446
Overige4 821
Totaal ontvangsten16 938

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

 Onderzoek onderwerpAD of ODA. start B. afgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingDuurzaam ondernemen21A: 2009 
     
Effectenonderzoek ex post– Emancipatie21.11A: 2006 
 – Meststoffenwet 200621.12A: 2007 
 – Duurzame gewasbescherming21.12A: 2006 
 – Herstructurering bedrijfsstructuur Glastuinbouw21.13A: 2008 
 – Energie-efficiency21.15B: 2010 
     
Overig evaluatieonderzoek– Agrologistiek21.15A: 2008 
 – TRANSIT21.15A: 2009 
 – Bilaterale agro economische samenwerking21.15A: 2008 

21.11 Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat

Motivatie

LNV wil het concurrentievermogen van de agrarische ondernemers versterken. Het beleid, dat zich hierop richt, wordt vormgegeven door het stimuleren van goed ondernemerschap bij de Nederlandse agrariërs en het creëren van een goed ondernemersklimaat, met een zo laag mogelijke administratieve lastendruk en waarbij ondernemers zich bewust zijn van de voorwaarden verbonden aan het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). LNV richt zich verder op het faciliteren van ondernemers bij duurzame investeringen en het bieden van een gunstig perspectief voor jonge agrariërs bij de overname van een bedrijf.

Instrumenten

Jonge agrariërs

• Met de Kaderregeling Kennis & Advies subsidieert LNV jonge agrariërs bij het inhuren van kennis voor het opstellen van een ondernemingsplan in het kader van een bedrijfsovername.

• Voor jonge agrariërs die na de bedrijfsovername willen investeren in kwaliteitsverbetering, innovatie, dierenwelzijn, milieu en kostenverlaging biedt de Investeringsregeling Jonge Agrariërs financiële ondersteuning.

Ondernemerschap

• Met de Kaderregeling Kennis & Advies subsidieert LNV de agrariërs die kennis inhuren met betrekking tot GLB en bedrijfsperspectief.

• Op het gebied van garantstellingen kunnen twee onderdelen worden onderscheiden. Ten eerste worden investeringen in de agrarische sector verder gestimuleerd met het Borgstellingsfonds, dat zich voor leningen garant stelt. Ten tweede geeft het Rijk ook garantstellingen af om private weerschadeverzekeringen mogelijk te maken.

• Met het opzetten van het Ondernemersprogramma streeft LNV ernaar het subsidiestelsel te vereenvoudigen, de administratieve lastendruk te verminderen en de klantvriendelijkheid te vergroten. Het programma bestaat uit een modulair subsidiestelsel, elektronische dienstverlening en één LNV loket.

• Het LNV loket is ontwikkeld in het kader van elektronische dienstverlening. Aan dit loket kunnen ondernemers terecht met vragen en verzoeken (bijvoorbeeld op het terrein van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het nieuwe mestbeleid en het ondernemersprogramma).

• Overige ICT-faciliteiten die bijdragen aan de reductie van administratieve lasten betreffen het meervoudig gebruik van eenmalig ingewonnen gegevens en de mogelijkheid van elektronische aangifte.

Verwijzing

• Brief over de implementatie van het hervormde Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (TK 2003–2004, 21 501-32, nr. 73).

• Brief over Subsidieregeling Jonge Agrariërs ( TK 2004–2005, 29 800, nr. 84).

• Jaarverslag 2005 Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw.

• Pakketbrief Administratieve Lasten ( TK 2003–2004, 29 515, nr. 4).

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

IndicatorReferentie-waardePeildatumRaming 2007StreefwaardePlanningBron
Outcome      
% innoverende agrarische bedrijven116,7%2004 pmpmLEI
Administratieve lastenreducties233%2006 op peil  
Output      
Investeringsbedrag garant gesteld door Borgstellingfonds€ 107,1 mln.2004nvtnvtnvtBF

1. De indicator % innoverende agrarische bedrijven heeft ten opzichte van de begroting 2006 een bredere invulling gekregen. Naast innovatoren zijn nu ook de volgers meegenomen. De verdere vervolmaking van de indicator is gekoppeld aan de innovatie-agenda, waarin LNV zijn ambities ten aanzien van het innovatiebeleid nader zal uitwerken.

2. De kwantitatieve doelstelling van 25% reductie is ruimschoots gehaald. De nadruk ligt nu meer op het wegnemen van knelpunten in de beleving

21.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn

Motivatie

LNV richt zich op het verminderen van de milieubelasting en het waarborgen van dierenwelzijn.

Dit komt onder meer tot uitdrukking in de volgende doelstellingen:

• het waarborgen en verbeteren van het welzijn van landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren aansluitend op de EU normen;

• het ethisch aanvaardbaar toepassen van biotechnologie bij planten en dieren;

• het verlagen van het gehalte aan stikstof en fosfaat in grond- en oppervlaktewater;

• het bevorderen van de teelt van en handel in gezond en kwalitatief hoogwaardig plantaardig (uitgangs)materiaal waarbij zo goed mogelijk aan de internationale fytosanitaire eisen kan worden voldaan;

• het voorkomen van problemen op het gebied van milieu, voedselveiligheid- en arbeidsbescherming als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen;

• het benutten van biodiversiteit in het primaire productieproces;

• het coëxisteren van de 3 teeltmethoden (gangbaar, biologisch en genetisch gemodificeerd).

Instrumenten

Dierenwelzijn

• Belangrijkste overheidstaak voor het waarborgen van dierenwelzijn bij landbouwhuisdieren is het stellen en handhaven van regelgeving. Dit betekent concreet het ontwikkelen en formuleren van normen in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD) en de daarop gebaseerde regelgeving. Via deze wet worden ook de Europese verordeningen en richtlijnen, waaronder de transportverordening, geïmplementeerd. Om te komen tot objectieve kennis voor de normering, of het zoeken naar oplossingen in de praktijk, wordt veel onderzoek verricht. Zo werkt LNV o.a. aan het ontwikkelen van een dierenwelzijnsindex. Daarnaast wordt via het verlenen van fiscale voordelen geprobeerd ondernemers vrijwillig te laten investeren in o.a. dierenwelzijn.

• Met betrekking tot gezelschapsdieren is communicatie en voorlichting naar de houders van de dieren een speerpunt voor LNV. Hiertoe wordt bijvoorbeeld samen met andere partijen een landelijk informatiecentrum opgericht. Om de fokkerij en handel verdergaand te professionaliseren en transparant te maken, wordt ingezet op certificatie door de sector zelf. Het opzetten ervan wordt financieel door LNV ondersteund. Daarnaast stelt LNV, gekoppeld aan certificatie, doelvoorschriften op. Om adequaat overtreders te kunnen aanpakken wordt tot slot tevens de handhavingscapaciteit uitgebreid. De inzet daarbij zal vooral gericht zijn op degenen die niet gecertificeerd zijn.

• Kennisverspreiding en bewustwording vindt plaats door middel van nieuwsbrieven, inzet van het LNV-loket en andere vormen van voorlichting.

• LNV geeft financiële ondersteuning aan o.a. de Landelijke Inspectiedienst voor Dieren (LID).

Nieuw mestbeleid

• Het nieuwe mestbeleid houdt onder meer in dat vanaf 1 januari 2006 gebruiksnormen gelden voor de toepassing van meststoffen. LNV bepaalt daarbij op welke momenten en onder welke omstandigheden de meststoffen mogen worden uitgereden. Om de naleving van het beleid te vergroten wordt gestreefd naar een strikte handhaving van de gebruiksnormen en -regels.

• LNV ondersteunt de kennisverspreiding over een aangepaste bedrijfsvoering. De resultaten van het mestbeleid, die bereikt worden in de agrarische praktijk en in het milieu worden gemonitord.

• Nederland heeft eind 2005 van de Europese Commissie een derogatiebeschikking ontvangen voor de Nitraatrichtlijn. Deze is van toepassing t/m 2009. In de komende jaren wordt een aantal onderzoeks- en monitoringsactiviteiten uitgevoerd die noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de voorwaarden die de Europese Commissie aan de derogatieverlening gesteld heeft.

Fytosanitair

• LNV ziet toe op naleving van de Plantenziektenwet, Zaaizaad- en Plantgoedwet en de Landbouwkwaliteitswet, monitoort de fytosanitaire status van Nederland en maakt bilaterale afspraken met niet EU-landen.

• Een belangrijk onderdeel van het fytosanitaire beleid betreft het aanpassen van de Plantenziektenwet, waarmee de resultaten uit de projecten Slim Fruit en Plant Keur worden geïmplementeerd. De fytosanitaire keuringen zullen vanaf 2007 door de plantaardige keuringsdiensten worden uitgevoerd.

• LNV continueert de versterkte beleidsmatige inzet in internationale gremia voor fytosanitaire beleidsvorming, om te borgen dat internationale regelgeving uitvoerbaar is voor het bedrijfsleven en aansluit bij de economische belangen van Nederland.

• LNV levert een financiële bijdrage aan het Kwaliteits Controle Bureau (KCB).

Gewasbescherming

• LNV heeft samen met het ministerie van VROM, de VEWIN en de Unie van Waterschappen een convenant gesloten met een aantal sectorpartijen om de milieudoelstellingen van de nota Duurzame gewasbescherming te realiseren.

• LNV stimuleert de toepassing van kennis over geïntegreerde gewasbescherming onder meer door demoprojecten, kennisverspreiding door bijscholingsbijeenkomsten (t.b.v. vakbekwaamheidsbewijzen) en informatievoorziening over goede praktijken met als doel het gedrag van telers positief te beïnvloeden.

• LNV geeft vergunningen af voor en een financiële stimulans aan de toelating van gewasbeschermingsmiddelen voor kleine toepassingen, gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong met als doel het instandhouden van een effectief middelenpakket.

• LNV stimuleert duurzame manieren van produceren (en consumeren) door gerichte financiële bijdragen aan projecten.

• LNV bevordert middels programmatisch handhaven de realisatie van nalevingsdoelstellingen voor de diverse plantaardige sectoren.

• LNV levert een financiële bijdrage aan het College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB).

Agrobiodiversiteit

• Door middel van verschillende pilotprojecten, zowel van Rijk als provincies, wordt in de praktijk getest hoe biodiversiteit in het primaire productieproces kan worden benut om tot een milieuvriendelijkere bedrijfsvoering te komen. LNV start samen met VROM en het landbouwbedrijfsleven een hierop gericht kennis- en leertraject. De uitkomsten zullen een rol spelen bij de evaluatie van de beleidsbrief«Biodiversiteit in de landbouw» die in 2007 zal worden uitgevoerd.

Verwijzing

• Nota Houden van Dieren ( TK 2001–2002, 28 286, nr. 2).

• Brief Herijking Nota Houden van Dieren ( TK 2003–2004, 28 286, nr. 4).

• Verslag Conferentie Gezelschapsdieren ( TK 2004–2005, 28 286, nr. 22).

• Beleidsbrief Mestbeleid 2006–2009 ( TK 2003–2004, 28 385, nr. 26).

• Brief Derogatieverzoek ( TK 2004–2005, 28 385, nr. 51).

• Brief uitkomsten project Slim fruit ( TK 2004–2005, 29 800, nr. 9).

• Brief Ontwikkelingen binnen het fytosanitaire beleidsveld ( TK 2004–2005, 29 800, nr. 89).

• Brief Fytosanitaire ontwikkeling ( TK 2005–2006, 29 800, nr. 109).

• Brief Fytosanitair inspectiestelsel: overeenstemming tussen LNV en het bedrijfsleven ( TK 2005–2006, 30 300, nr. 85).

• Nota duurzame gewasbescherming ( TK 2003–2004, 27 858, nr. 47).

• Beleidsbrief Biodiversiteit in de Landbouw ( TK 2004–2005, 26 407, nr. 22).

• Brief Convenant Coëxistentie ( TK 2004–2005, 29 404, nr. 8).

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

IndicatorReferentiewaardePeildatumRaming 2007StreefwaardePlanningBron
Outcome      
– Gewasbescherming      
% afname aantal milieubelastingspunten t.o.v. 1998 (in NMI)Pm2005 95%2010 NMP
% afname overschrijdingen residunormen voedselproducten t.o.v. 2003Pm2005 50%2010NMP
– Dierenwelzijn      
% naleving v. bestaande welzijnsnormen170%200570%PmPmAID
– Nieuw Mestbeleid      
nationaal fosfaatoverschot420 mln. kg.2002 Evenwicht2 015CBS
Nationaal stikstofoverschot82 mln. kg.2002 Evenwicht2 015CBS
– Fytosanitairbeleid:      
% afgekeurde zendingen naar het buitenland20,6%20050,6%0,6%2010PD

1 Het percentage naleving bestaande welzijnsnormen is een gemiddelde over diverse sectoren (kalveren, varkens, legbatterijen).

2 Het percentage afgekeurde zendingen heeft slechts betrekking op een deel van het fytosanitaire beleid, nl. de export

21.13 Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen w.o. biologische landbouw

Motivatie

LNV streeft ernaar om in de verschillende sectoren van de land- en tuinbouw de duurzaamheid te bevorderen en te continueren.

Door de biologische landbouw te stimuleren draagt LNV bij aan het bieden van een alternatief perspectief. Met de biologische productiemethode wordt een bijdrage geleverd aan milieuverbetering en dierenwelzijnsaspecten.

LNV stimuleert de duurzaamheid in de glastuinbouwsector. Dit betreft aspecten als milieu, klimaat, ruimtelijke inrichting en gebruik van fossiele energie.

De vernieuwing van de intensieve veehouderij wordt gefaciliteerd, zodat de sector kan voldoen aan de door de maatschappij gewenste voorwaarden op het gebied van dierenwelzijn, milieu, landschap, marktgerichtheid en concurrentievermogen.

De ontwikkeling van de melkveehouderij naar een economische vitale en minder milieubelastende sector wordt gestimuleerd evenals het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de akkerbouwsector.

LNV bevordert en faciliteert sector- en sectoroverschrijdende initiatieven met betrekking tot samenwerking tussen in ketens en in regio’s. Hiermee wordt ingezet op het tot stand komen van een breed gedragen innovatieagenda, -programma en -projecten.

Instrumenten

LNV stimuleert de innovatie en de duurzaamheid van de landbouwsectoren door de innovatieve initiatieven van bedrijven, consortia of maatschappelijke organisaties te subsidiëren, door kennisverspreiding te stimuleren en door het in beeld brengen van verandering en verduurzaming in de landbouw. Verder is het organiseren van ontmoeting en debat een belangrijk onderdeel van het beleid.

Biologische landbouw

• Het beleid van LNV is vooral gericht op de vraagkant van de biologische markt. In het Convenant Marktontwikkeling Biologische Landbouw zijn hier afspraken over gemaakt.

Concreet betekent dit het uitvoeren van een generieke voorlichtingscampagne, het implementeren van meerjarige opschalingsplannen met convenantpartijen en het subsidiëren van voorlichtings- en demoprojecten op het gebied van de biologische landbouw.

• LNV geeft financiële ondersteuning t.b.v. certificeringkosten van biologische bedrijven via de Stimuleringsregeling Voortzetting Biologische Productie (SVBP). Daarnaast wordt subsidie verstrekt aan regionale projecten en aan organisaties (o.a. Biologica) die bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de biologische landbouw.

• LNV streeft er naar om binnen de Rijksoverheid het aandeel biologische catering te laten stijgen.

Glastuinbouw

• LNV ziet toe op uitvoering van het Besluit Glastuinbouw 2004 en geeft subsidie aan glastuinbouwers voor kennisverspreiding in het kader van de Kaderregeling Kennis en Advies.

• Herstructurering van de glastuinbouw vormt onderdeel van het bevorderen van een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouw. De structuur van de glastuinbouwgebieden wordt verbeterd door enerzijds afbraak van oude kassen (glasopstanden) en anderzijds investeringen in nieuwe kassen. LNV subsidieert dit met de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (RSG).

• Met betrekking tot de 5 Greenports wordt de integrale, ruimtelijk-economische opgave ondersteund, zodat de concurrentiekracht van het tuinbouwcluster behouden blijft.

• De inrichting van duurzame glastuinbouwgebieden buiten de Greenports wordt ondersteund via de regeling Stimuleren Duurzame Glastuinbouwgebieden (Stidug). De nieuwe Stidugprojecten, die via het ILG gefinancierd worden, staan op beleidsartikel 22.

• Het energiebesparingsbeleid van LNV is er onder meer op gericht om partijen bij elkaar te brengen om de integrale milieutaakstelling te verwezenlijken (GLAMI-convenant). Dit geldt voor de gebieden gewasbescherming, mineralen, energie en ruimte en Meerjarenafspraak-e bloembollen en Meerjarenafspraak-e paddestoelen (MJA’s).

• Om een versnelde transitie naar minder gebruik van fossiele brandstoffen ven efficiënt energiegebruik binnen de glastuinbouw te stimuleren worden investeringen in innovatieve energieconcepten financieel ondersteund.

• Onder de glastuinbouw-, bloembollen- en paddestoelenondernemers wordt kennisverspreiding over energiebesparende maatregelen en duurzaam energieverbruik gestimuleerd.

• Via de CO2-regeling worden zgn. early adopters gestimuleerd om innovatieve, energiebesparende maatregelen door te voeren in hun glastuinbouwbedrijven.

Intensieve veehouderij

• Om de transitie naar duurzame productiemethoden binnen de intensieve veehouderij te faciliteren wordt kennis verspreid over innovaties, worden innovatieve investeringen direct gesubsidieerd en fiscaal ondersteund en wordt samenwerking via onderzoek en kennis bevorderd.

• Door het ontwikkelen van een Maatlat Duurzame Veehouderij stimuleert LNV in samenwerking met VROM investeringen in duurzame stallen in de pluimveehouderij, melkveehouderij en varkenshouderij.

• Het «Programma luchtwassers» is erop gericht om via onderzoek nieuwe milieutechnologie (bijv. gecombineerde luchtwassers) te optimaliseren en om de controle op de werkzaamheid en de handhaafbaarheid te verbeteren. Daarnaast is het openstellen van een investeringsregeling voor gecombineerde luchtwassers erop gericht om versnelde inzet van deze nieuwe milieutechnologie in de praktijk mogelijk te maken.

Melkveehouderij

• De beleidsopgave voor de grondgebonden landbouw richt zicht op de verbetering van de functionele en fysieke inrichting van landbouwbedrijven en de verduurzaming van de landbouwproductie.

• Projecten voor een gebiedsgerichte extensivering van de melkveehouderij worden gesubsidieerd.

• LNV ondersteunt praktijkgericht onderzoek ter bevordering van innovaties en de verspreiding van deze innovaties (o.a. Melkvee Academie).

• Het herverkavelen en herinrichten van landbouwgrond ter vergroting van bedrijfsoppervlak dichtbij de stalruimte vormt een belangrijk onderdeel van de structuurverbetering (zie verder beleidsartikel 22 Agrarische Ruimte).

Akkerbouw

• Om de kwaliteit, rendement en duurzaamheid van de productie van de belangrijkste akkerbouwgewassen (consumptie- en industrieaardappelen, suiker, graan en groenten) te bevorderen worden praktijkgerichte vernieuwingen gestimuleerd (project KODA).

Belangrijk onderdeel is een betere informatie-uitwisseling tussen onderzoek en ondernemers en de ontwikkeling van betere sturing vanuit de markt/ketens. Daarbij krijgt de ondernemer praktische hulpmiddelen aangereikt. Samenwerking in de keten staat hierbij voorop, met de ondernemer centraal.

• Binnen de akkerbouwsector wordt met de set aside regeling gepoogd de braaklegging van de akkerbouwgrond te verminderen.

Innovatie en samenwerking

• Door het organiseren van ontmoetingen en debatten in onder meer de melkveesector en de intensieve veehouderij wil LNV het formuleren van strategische (innovatie) agenda’s stimuleren. Deze agenda’s zijn gericht op diverse toekomstige ontwikkelingen en de bijbehorende acties van alle betrokken partijen, waaronder de overheid. Hierdoor vindt een bundeling van krachten plaats waardoor de inzet meer gecoördineerd en effectiever kan worden.

• Op innovatie gerichte samenwerking in sectoren (o.a. Flower&Food, varkensketen, eiersector) en voorbeeldprojecten in regio’s worden financieel ondersteund.

• Er worden kennis- en innovatievouchers ontwikkeld die hierop aansluiten.

• Ngo-initiatieven die het samenwerken voor duurzaamheid op programmaniveau bevorderen worden op incidentele basis financieel ondersteund.

Verwijzing

• Transitiebrief (december 2002).

• Beleidsnota Biologische Landbouw 2005–2007 (TK 2004–2005, 29 842, nr. 1).

• Convenant Glastuinbouw en milieu 1995–2010 (13 november 1997).

• Brief over nadere uitwerking ruimtelijk beleid Glastuinbouw ( TK 2004–2005, 29 800, nr. 111).

• Brief Toekomst van de Intensieve Veehouderij ( TK 2004–2005, 28 973, nr. 13).

• Groeien in Concurrentie (TK 2004–2005, 29 939, nr. 1)zie paragraaf «Inzet Koopmansgelden».

• Brief Toekomstvisie agrarische sector (TK 2005–2006, 30 252, nr. 3).

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

IndicatorReferentiewaardePeildatumRaming 2007StreefwaardePlanningBron
Outcome      
Biologische Landbouw      
Aandeel biologische landbouw op totaal landbouwareaal2,5%2005 10%2010SKAL
Aandeel biologische landbouw in consumentenbestedingen1,8%2005 5%2010Biologica
Glastuinbouw      
Aandeel duurzame energie in glastuinbouw tov totaal energieverbruik> 0,5%2003 4%2010Senter
Energie-efficiencyverbetering (tov 1995) bloembollen*14,3%200320%20%2007Senter
Energie-efficiencyverbetering (tov 1995) paddestoelen*20,6%200322%22%2007Senter
       
Output       
aantal ha geherstructureerd glastuinbouwareaal (RSG)7382005 1 000 ha.2008DR
Inrichting ontwikkelingslocaties (Stidug)1 2982005nvt19982010DLG

* De werkingsduur van de MJA-E’s bloembollen en paddestoelen is met een jaar verlengd tot 2007. In 2007 zullen in het kader van de nieuw op te stellen MJA-E’s tevens actuele realisatiecijfers worden opgeleverd.

21.14 Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren

Motivatie

Het visserijbeleid van LNV richt zich op de ontwikkeling van een duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren om:

• evenwicht te bewerkstelligen tussen natuurlijke vis- en schelpdierbestanden enerzijds en de vangstcapaciteit van de visserijsector anderzijds;

• het aquatische ecosysteem te beschermen;

• de beschikbaarheid van vis en schelpdieren te bevorderen.


Zowel de overheid als het bedrijfsleven hebben hierbij een eigen verantwoordelijkheid. De overheid heeft als taak en eerste verantwoordelijkheid het scheppen en borgen van de wettelijke minimum kaders, lange termijn doelstellingen en randvoorwaarden, waarbinnen de visserijketen kan opereren. In het verlengde daarvan schept de overheid ruimte voor ondernemen door onder meer vermindering van regeldruk en administratieve lasten en door het stimuleren van zelfregulering en innovatie. De primaire verantwoordelijkheid voor de verdere uitwerking en maatschappelijke verantwoording daarvan ligt bij de visserijketen.

Instrumenten

• Wet- en regelgeving (Verordeningen EU op het gebied van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid, De Visserijwet 1963)


• Controle en handhaving van visserijregelgeving.

1. Verduurzaming Noordzeevisserij

• LNV draagt bij aan maatregelen (o.a. middels een garantstelling) in de Noordzeevisserij die leiden tot verbetering van energie-efficiency, vermindering van negatieve effecten op de natuur en kwaliteitsverbetering (visserijmethodes als de pulsvisserij, schepen).

2. Innovatie, kennisontwikkeling en verspreiding

• LNV stimuleert en faciliteert een innovatieklimaat in de Noordzeevisserij, de schelpdiercultuur en de viskweek.

• LNV levert een financiële bijdrage aan het F-project. Het F-project is een samenwerkingsproject tussen de visserijsector en de wetenschappers van het Institute for Marine Resources & Ecosystem Studies(IMARES). Het doel is om wetenschappelijke informatie aan te vullen met informatie uit de praktijk om daarmee bestandsinschattingen te verbeteren.

3. Binnenvisserij

• LNV draagt door het faciliteren van onder meer proefprojecten bij aan de versterking van het comanagement in de beroepsbinnenvisserij en de totstandkoming van een Visstandbeheercommissie IJsselmeer.

• Ter bescherming van de aalstand zijn op Europees niveau beheersmaatregelen nodig. Deze zijn door de Europese Commissie vastgesteld. Een nationaal aalbeheersplan dat voldoet aan Europese Aalverordening is eind 2007 gereed. LNV draagt bij aan een monitoringsprogramma. Hiermee dient inzicht te ontstaan in de omvang van het nationale aalbestand, zodat de maatregelen hierop kunnen worden afgestemd.

Verwijzing

Vitaal en Samen (LNV-beleidsprogramma 2004–2007).

• Nota Viskweek in Nederland als beleidskader voor innovatie in de viskweek ( TK 2004–2005, 29 200, nr. 73).

• Beleidsbesluit schelpdiervisserij «Ruimte voor een zilte oogst» ( TK 2004–2005, 29 675, nr. 3).

• Brief Task Force Duurzame Noordzeevisserij ( TK 2006–2007, 29 675, nr. 19).

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

IndicatorReferentiewaardePeil datumRaming 2007TrendgegevensStreefwaardePlanningBron
Visquota1    100% VIRIS2
Tong13 0852005Niet bekend    
Schol21 470      
Kabeljauw2 226      
Haring79 936      
Makreel20 954      
Horsmakreel46 096      
Voorzorgsniveau3      ACFM4
Scholbestand205 000 ton2005Niet bekend 230 000 ton2010 
Tongbestand 41 000 ton2005  35 000 ton2010 
Discards80%   40%2013CVO (WUR)5
Alternatieve visserijmethoden Noordzeevisserij1 kotter2006  110 kotters2013VIRIS
Verhuur Staatsbinnenwater80 000 ha 80 000 ha   VIRIS
Verhuur mossel- en oesterpercelen8 260 ha 8 260 ha    

1 Het betreft de quota voor 2006. Visquota worden jaarlijks in december opnieuw vastgesteld door de Europese Landbouw en Visserijraad en gemeten in tonnen

2 Visserij Registratie en Informatie Systeem

3 Parameters kunnen worden bijgesteld op grond van besluiten van de Europese Raad Landbouw en Visserij.

4 Advisory Committee on Fishery Management.

5 Centrum voor Visserijonderzoek, Wageningen Universiteit en Researchcentrum.


Evenwicht tussen bestanden en vangstcapaciteit:

• Geen overschrijding van de nationale visquota.

Vermindering druk op aquatische ecosysteem:

• In 2010 is de omvang van de schol- en tongbestanden boven het voorzorgsniveau.

• In 2013 is de vangst van commercieel niet interessante vis (discards) met 50% afgenomen.

Om dit te bewerkstelligen zal regelgeving in 2007 worden aangepast.

• In 2013 gebruikt 40% van het huidige aantal Noordzeekotters dat vist met de traditionele boomkor een alternatieve visserijmethode.

Beschikbaarheid vis- en schelpdieren:

Het verhuren van 80 000 ha. Staatsbinnenwater en 8 260 ha. mossel- en oesterpercelen in de Waddenzee, de Oosterschelde en het Grevelingenmeer.

21.15 Bevorderen van duurzame ketens

Motivatie

Het LNV-beleid richt zich op het versterken van een op eigen kracht werkend, internationaal concurrerend agrocomplex binnen het kader van maatschappelijk ondernemen (people, planet, profit). Dit komt onder meer tot uitdrukking in de volgende subdoelstellingen:

• Een zo groot mogelijke participatie en presentatie van Nederlandse bedrijven en verwerkte agrarische producten op buitenlandse markten (waarbij LNV als partner voor andere overheden en het bedrijfsleven optreedt).

• Een optimale informatieoverdracht in ketens en koppeling keteninformatie.

• Een innoverende en vervoersefficiënte agrologistiek, waarbij aandacht wordt geschonken aan aspecten als dierenwelzijn, concurrentiekracht, landschappelijke kwaliteit en vermindering milieubelasting.

• Een hogere mate van energie-efficiency in de voedings- en genotmiddelenindustrie.

Instrumenten

• Ter bevordering van de internationale presentatie en participatie levert LNV een bijdrage aan agro-economische samenwerkingsactiviteiten met het programma Bilaterale Economische Samenwerking (BES). Onder dit programma vallen handelsmissies, netwerkbijeenkomsten, marktanalyses, seminars, onderhandelingen over vermindering van handelsbelemmeringen (op veterinair en fytosanitair terrein) en vakbeurzen. Hierbij speelt ook de LNV Vertegenwoordiging Buitenland een grote rol.

• LNV stimuleert koppelingen in de voedselketeninformatie. Dit betekent het koppelen van publieke en private informatiesystemen om o.a. voor de slacht vereiste voedselketen-informatie beschikbaar te krijgen. Dit is relevante informatie voor de keuring door de VWA.

• LNV organiseert diverse ICT beleidsprogramma’s zoals CLIENT Export, SALDO en TRANSIT.

Deze programma’s zijn gericht op het optimaliseren van informatieoverdracht.

CLIENT Export richt zich op een efficiënte inrichting van informatiestromen en controleprocessen bij uitgaan van landbouwgoederen. SALDO beoogt een efficiëntere uitwisseling van informatie tussen overheid en bedrijfsleven door meer aan te sluiten bij datastromen en definities van het bedrijfsleven. Deze ICT beleidsprogramma’s leveren naar verwachting een positieve bijdrage leveren aan het terugdringen van administratieve lasten in het agrocomplex. TRANSIT richt zich vooral op het snel en transparant beschikbaar maken van informatie in de voedselketen. Zodoende wordt een positieve bijdrage geleverd aan de voedselveiligheid, ketenbrede tracking en tracing en de informatie-uitwisseling tussen bedrijfsleven, consument en overheid.

• Overleg Agrologistiek (platform en pilotprojecten). LNV verzorgt o.a. het secretariaat voor het Platform Agrologistiek. Dit Platform ondersteunt pilots op ruimtelijk en bestuurlijk vlak bij het wegnemen van (bestuurlijke) knelpunten.

• Convenant Meerjarenafspraken energie efficiency. LNV ondersteunt het opstellen, uitvoeren en monitoren van energiebesparingplannen op zowel bedrijfs- als brancheniveau.

Verwijzing

• MJA2, Meerjarenafspraken Energie-efficiency 2001–2012, Senter Novem.

• Visie Agrologistiek, Voortgangsrapportage Agrologistiek ( TK 2005–2006, 28 141, nr. 6).

• Nota internationaal ondernemen (Ministerie van EZ).

• WRR rapport «Nederland Handelsland, het perspectief van de transactiekosten».

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

IndicatorReferentie-waardePeil- datumRaming 2007TrendgegevensStreefwaardePlanningBron
Output       
Aantal gerealiseerde bilaterale economische samenwerkingsactiviteiten1022005  8312007I&H
Aantal gerealiseerde agrologistieke pilotprojecten2200411 1322007/2008I&H

1 Het streven is om 75% van de geprogrammeerde activiteiten te realiseren. Aangezien het totaal aantal geprogrammeerde BES activiteiten in 2007 110 bedraagt leidt dit tot een streefwaarde van 83 activiteiten.

2 De pilotprojecten zijn in uitvoering. In 2007 wordt aan de Tweede Kamer gerapporteerd over de resultaten/voortgang van de projecten.