Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

25 Arbeid en zorg

Bevorderen dat werknemers arbeid en zorg kunnen combineren.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Om werkenden die arbeid en zorg willen combineren te ondersteunen, zorgt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een adequaat stelsel van verlofmogelijkheden en een stelsel van toegankelijke en verantwoorde kinderopvang.

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• de vormgeving en werking van het wettelijk stelsel van verlofregelingen;

• de vormgeving en werking van de levensloopregeling, waarbij de Minister van Financiën verantwoordelijk is voor het fiscale kader;

• de vormgeving en werking van het wettelijk stelsel van kinderopvang, waarbij de Minister van Financiën verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Rijksbijdrage voor de financiering van de kinderopvang (de kinderopvangtoeslag).

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de toepassing van de Wet arbeid en zorg door werkgevers;

• de mate waarin in CAO’s (afwijkende) afspraken worden gemaakt over verlofregelingen en de levensloopregeling;

• de mate waarin werknemers deelnemen aan de levensloopregeling en gebruik maken van verlofregelingen en kinderopvang;

• het adequaat functioneren van de markt voor kinderopvang;

• het vertrouwen dat werkende ouders hebben in de kwaliteit van kinderopvang.

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• werkenden arbeid en zorg kunnen combineren in de mate waarin ze dat willen;

• daarmee een bijdrage wordt geleverd aan de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen en mannen.

Indicator

• Het aantal werkenden dat arbeid en zorg wil combineren maar dat feitelijk (nog) niet doet, op het aantal werkenden dat wil combineren. De discrepantie tussen feitelijke en gewenste mate van combineren van arbeid en zorg wordt gemeten als het aandeel werknemers (m/v) dat arbeid en zorg wil combineren, maar dat feitelijk (nog) niet doet, op het totaal aantal werknemers (m/v) dat wil combineren.

 Realisatie 2005 Streven 2009
Discrepantie tussen feitelijke en gewenste mate van combineren van arbeid en zorg.21%16% (daling met een kwart t.o.v. 2005)

Bron realisatie 2005: CBS, Monitor Arbeid & Zorg 2005.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 25.1: Begrotingsuitgaven artikel 25 (x €1 000):
Artikelonderdeel2005200620072008200920102011
Verplichtingen676 681960 9641 573 5461 596 2821 633 1781 675 1881 704 510
Uitgaven681 670959 6591 575 0211 596 2821 633 1781 675 1881 704 510
        
Programmauitgaven680 250957 7001 572 9291 596 2821 633 1781 675 1881 704 510
waarvan juridisch verplicht  100%100%100%100%100%
Operationele doelstelling 1       
loopbaanonderbreking126000000
voorlichting059500000
Operationele doelstelling 2       
kinderopvang673 292940 8421 562 7641 586 1171 623 0131 665 0221 694 344
afgesloten regelingen4 9086 22800000
subsidies08 5618 9108 9108 9108 9118 911
overig1 9241 4741 2551 2551 2551 2551 255
        
Apparaatsuitgaven1 4201 9592 0920000
Apparaatsuitgaven1 4201 9592 0920000
        
Ontvangsten43 32271 30028 62714 31314 31314 31314 313

Kinderopvang

De grootste programma-uitgaven betreffen de uitgaven voor kinderopvang. De uitgaven hebben betrekking op de kinderopvangtoeslag die werkende ouders van het Rijk ontvangen als bijdrage in de kosten van formele kinderopvang. In 2006 vond een intensivering plaats voor kinderopvang met € 200 miljoen. Het grootste deel hiervan (€130 miljoen) is ingezet om de percentages kinderopvangtoeslag voor zowel eerste als volgende kinderen te verhogen. In 2007 vindt wederom een intensivering plaats, met € 125 miljoen. Deze wordt ingezet om de percentages kinderopvangtoeslag voor het eerste kind te verhogen voor alle werkende ouders met een belastbaar gezinsinkomen tussen 130% WML en € 130 097 per jaar. Dit betreft circa 80% van alle werkende ouders met kinderen tot 12 jaar. Voor de inkomens tot 130% WML (circa 16% van de ouders met kinderen tot 12 jaar) zijn de kosten voor kinderopvang met de invoering van de Wet kinderopvang al aanzienlijk lager geworden. Door de intensivering in 2007 gaat een gezin met bijvoorbeeld een gezinsinkomen van twee keer modaal voor 3 dagen dagopvang per week € 920 minder betalen per jaar. Het gebruik van formele kinderopvang wordt in 2007 voor bijna alle werkende ouders goedkoper, wat een positief effect zal hebben op (uitbreiding van) de arbeidsparticipatie van met name vrouwen.

Ook zet het kabinet in op de invoering van een verplichte werkgeversbijdrage op 1 januari 2007, gefinancierd door een opslag op de sectorpremie. Uit een onderzoek naar de stand van de werkgeversbijdragen op 1 mei 2006 bleek dat 64,7% van de werknemers aanspraak kan maken op een volwaardige regeling. Het kabinet heeft hieruit de conclusie getrokken dat niet reëel kan worden verwacht dat in 2008 voor 90% van de werknemers een volwaardige regeling beschikbaar is en dat het derhalve geboden is een wettelijke regeling te treffen. De werkgeversbijdrage wordt door de Belastingdienst/Toeslag uitgekeerd; het budget voor de kinderopvangtoeslag wordt als gevolg daarvan in 2007 € 529 miljoen hoger. Met de invoering van een verplichte werkgeversbijdrage wordt de financiële toegankelijkheid verder verhoogd voor ouders die niet van beide werkgevers een volledige bijdrage ontvangen in de kosten voor kinderopvang. Hiermee wordt het voor alle werkende ouders bovendien aanmerkelijk eenvoudiger om de bijdrage(n) in de kosten voor kinderopvang te verkrijgen. Het hiertoe strekkende wetsvoorstel is op 27 juni 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Om de aansluiting van kinderopvang op de basisschool te verbeteren, krijgen basisscholen aan het begin van het schooljaar 2007–2008 de wettelijke taak om de aansluiting met de erkende kinderopvang te regelen. Met dit wetsvoorstel geeft het kabinet uitwerking aan de motie-Van Aartsen/Bos. Voor de verwachte groei van het gebruik van formele kinderopvang als gevolg daarvan is een bedrag gereserveerd van € 15 miljoen in 2007, oplopend tot € 55 miljoen in 2011 en daarna verder oplopend tot het structurele bedrag van € 145 miljoen.

Evenals in 2005 en 2006 wordt ook in 2007 een subsidieregeling kinderopvang opengesteld voor kinderopvangprojecten met een landelijke uitstraling en draagvlak in het veld. Een substantieel deel van deze projecten heeft tot doel een verdere verbetering van de kwaliteit van kinderopvang en versterking van het toezicht.

Tabel 25.2: Premie-uitgaven artikel 25 (x €1 000)
Artikelonderdeel2005200620072008200920102011
Totaal uitgaven817 760783 162785 231797 939811 320824 948838 771
        
Programmauitgaven817 760783 162785 231797 939811 320824 948838 771
Operationele doelstelling 1       
Zwangerschaps-, bevallings-, en adoptieverlofuitkeringslasten795 760761 972745 737745 737745 737745 737745 737
Zwangerschaps-, bevallings-, en adoptieverlofuitvoeringskosten22 00021 19020 35319 82119 73319 66619 566
Nominaal0019 14132 38145 85059 54573 468

Zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlof

De uitgaven betreffen de zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlofuitkeringen van werknemers die via premies worden gefinancierd en de uitvoeringskosten van het UWV die met het verstrekken van deze uitkeringen gepaard gaan. Tot en met 2005 hebben de uitkeringslasten en uitvoeringskosten ook betrekking op regelingen voor zelfstandigen. Dit in verband met de WAZ, waarvan de toegang per 1 augustus 2004 is beëindigd. Het recht op een uitkering bestaat nog wel voor alfahulpen (die ook tot de zelfstandigen worden gerekend).

Tabel 25.3: Fiscale uitgaven artikel 25 (x €1 000)
Artikelonderdeel2005200620072008200920102011
Belastinguitgaven51 000794 000895 0001 030 0001 090 0001 100 0001 100 000
        
Operationele doelstelling 1       
Afdrachtskorting ouderschapsverlof51 00034 000     
Levensloopregeling 760 000895 0001 030 0001 090 0001 100 0001 100 000
w.v. spaarfaciliteit 690 000825 000960 0001 020 0001 030 0001 030 000
w.v. ouderschapsverlofkorting 70 00070 00070 00070 00070 00070 000

Bron: raming SZW, Financiën.

Levensloopregeling

De levensloopregeling is op 1 januari 2006 ingegaan. De uitgaven voor de levensloopregeling betreffen de gederfde belastinginkomsten vanwege deelname van werknemers aan de levensloopregeling, inclusief de uitgaven voor de heffingskortingen (de levensloopverlofkorting en de ouderschapsverlofkorting) die werknemers kunnen toepassen als ze deelnemen aan de levensloopregeling.

Grafiek Budgetflexibiliteit per Operationele doelstelling 2007



kst99344_2_06.gif

Operationele doelstelling 1: Zorgdragen voor een adequaat stelsel van verlofarrangementen.

Motivering

Om werknemers verlofmogelijkheden te bieden in situaties waarin zorgtaken om extra aandacht vragen.

Instrumenten

• Wet arbeid en zorg, waarin de volgende verlofregelingen zijn opgenomen: zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, adoptieverlof, calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, kortdurend zorgverlof, langdurend zorgverlof en ouderschapsverlof (Wet Arbeid en zorg, Staatsblad 2001, nr. 567; Langdurend Zorgverlof, Staatsblad 2005, nr. 274 en nr. 278).;

• Levensloopregeling (Staatsblad 2004, nr. 455).

Activiteiten

• voorlichten over verlofregelingen en de levensloopregeling, waaronder ook het gebruik van de ouderschapsverlofkorting.

Doelgroepen

• (potentiële) werknemers;

• werkgevers.

Indicatoren

• Het aantal werknemers dat behoefte heeft aan verlof, maar dit (nog) niet gebruikt, op het totaal aantal werknemers dat behoefte heeft aan verlof. De discrepantie tussen feitelijke en gewenste opname van verlof wordt gemeten als het aandeel werknemers (m/v) dat behoefte heeft aan verlof, maar dit (nog) niet gebruikt, op het totaal aantal werknemers (m/v) met behoefte aan verlof.

 Realisatie 2005Streven 2009
Discrepantie tussen feitelijke en gewenste opname van verlof 45%34%(daling met een kwart t.o.v. 2005)

Bron: realisatie 2005: CBS Monitor Arbeid en Zorg, bewerking SZW.

Kengetallen

• De kengetallen over zwangerschaps- en bevallingsverlof, adoptieverlof, ouderschapsverlof en de levensloopregeling geven het gebruik (aantal toekenningen) weer;

• Per 1 augustus 2004 is het recht op een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, adoptie en opname van een pleegkind in het gezin voor zelfstandigen vervallen. Het recht bestaat nog wel voor alfahulpen (die ook tot de zelfstandigen worden gerekend).

 Realisatie 2005Raming 2006Raming 2007
Zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkering   
Aantal toekenningen werknemers117 000115 000111 000
Aantal toekenningen zelfstandigen1 500200200
    
Adoptieverlof   
Aantal toekenningen werknemers1 3001 3001 300
    
Ouderschapsverlof   
Aantal werknemers met (betaald en onbetaald) ouderschapsverlof73 00073 00073 000
    
Levensloopregeling   
Totaal aantal deelnemers aan de levensloopregeling1 800 0001 800 000
Totaal aantal ontvangers van de ouderschapsverlofkorting65 00065 000

Bronnen: 2005: UWV, jaarverslag 2005, CBS Monitor Arbeid en Zorg 2005; 2006,2007: ramingen SZW.

Operationele doelstelling 2: Zorgdragen voor een stelsel van toegankelijke en verantwoorde kinderopvang.

Motivering

Om toegankelijke en verantwoorde kinderopvang voor alle werkende ouders te bevorderen.

Instrumenten

• Wet kinderopvang, waarmee de kinderopvangtoeslag voor ouders en kwaliteitseisen en toezicht op de kwaliteit geregeld zijn (Wet kinderopvang, Staatsblad 2004, nr. 455; Besluit tegemoetkoming kosten kinderopvang, Staatsblad 2004, nr. 544; Regeling Wet kinderopvang, Staatscourant 6 oktober 2004, nr. 192 pag. 17; Tijdelijk besluit innovatieve kinderopvang, Staatsblad 2005, nr. 204; Beleidsregels kwaliteit kinderopvang, Staatscourant 17 november 2004, nr. 222, pag. 18 en Staatscourant 26 april 2005, nr. 80, pag. 13; Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang (Staatscourant 17 november 2004, nr. 222, pag. 20 en Staatscourant 26 april 2005, nr. 80, pag. 13);

• Subsidieregeling kinderopvang (Staatscourant 30 januari 2006, nr. 21, pag. 18).

Activiteiten

• Invoering van een verplichte werkgeversbijdrage per 1 januari 2007 door verhoging van de kinderopvangtoeslag die door Belastingdienst/Toeslagen wordt verzorgd, gefinancierd door een opslag op de sectorpremies. Het kabinet heeft hiertoe besloten omdat het percentage werknemers met een volwaardige werkgeversbijdrage in 2006 (64,7%) geen uitzicht geeft op het behalen van de doelstelling dat in 2008 90% van de werknemers aanspraak heeft op een volwaardige werkgeversbijdrage (Kamerstukken II, 2005/2006, 30 613, nrs. 1–3).

• Aanpassen van de percentagetabellen voor kinderopvangtoeslag in verband met de intensivering met € 125 mln per 1 januari 2007.

• Implementatie van de motie-Van Aartsen/Bos (Kamerstukken II, 2005/2006, 30 300 VIII, nr. 14) om te komen tot een goede aansluiting tussen onderwijs en kinderopvang in het brede kader van een sluitend dagarrangement voor ouders en hun kinderen;

• Subsidie verlenen aan projecten die bijdragen aan toegankelijke en verantwoorde kinderopvang;

• Uitbreiden van de reikwijdte van de wet zodat ook inburgeringsplichtigen (oudkomers) die een door de gemeente aangeboden inburgeringstraject volgen in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag (Kamerstukken II, 2005/2006, 30 308, nr. 3);

• Uitbreiden van de reikwijdte van de wet, zodat ook huishoudens waarvan een ouder in een EU-lidstaat of EER-lidstaat werkzaam is dan wel krachtens de wetgeving een lidstaat een sociale zekerheidsuitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag (Kamerstukken II, 2005/2006, 28 447, nr. 123);

• Voorlichten over de Wet kinderopvang;

• Tweedelijns toezicht op gemeenten door de Inspectie Werk & Inkomen. De gemeente oefent het eerstelijns toezicht op het werk van de Gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) uit. De GGD controleert de kwaliteit van kinderopvangcentra, buitenschoolse opvang en gastouderbureaus.

• Opstellen van een beleidsreactie op gemeentelijke jaarverslagen toezicht en handhaving kinderopvang.

Doelgroepen

• Ouders die arbeid en de zorg voor kinderen combineren (werknemers en zelfstandigen);

• Ouders die een re-integratietraject, een verplicht inburgeringstraject of een studie combineren met de zorg voor kinderen.

Indicatoren

• De indicator voor het percentage werknemers met een volwaardige werkgeversbijdrage is vervallen wegens de invoering van een verplichte werkgeversbijdrage per 1 januari 2007;

• De Wet kinderopvang beoogt de financiële toegankelijkheid van formele kinderopvang te waarborgen. Het streven is het aantal gebruikmakende ouders ten minste gelijk te houden in vergelijking met de situatie voor de inwerkingtreding van de wet (2004);

• Binnen het aantal gebruikers wordt gestreefd naar een gelijkblijvend aantal huishoudens met een inkomen tot anderhalf modaal (circa € 45 000);

• Er zijn nog geen realisatiecijfers voor 2005 beschikbaar. Een eerste beeld op basis van de definitieve beschikkingen tegemoetkoming kinderopvang 2005 komt eind 2006 bij de Belastingdienst/Toeslagen beschikbaar.

 Realisatie 2004Streven 2008
Het aantal huishoudens dat gebruik maakt van formele kinderopvang227 000≥ 227 000 (minimaal gelijk aan 2004)
   
Het aantal huishoudens met een inkomen tot anderhalf modaal dat gebruik maakt van formele kinderopvang111 000≥ 111 000(minimaal gelijk aan 2004)

Bronnen:

2004: geraamde realisatie o.b.v. Het aanbod van kinderopvang per eind 2004, Research voor Beleid, 2005; De klant in beeld, rapportage gebruikersonderzoek nulmeting, Vyvoj, 2005 (Kamerstukken II, 2005/2006, 28 447, nr. 128).

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid:
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAD/ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBegrotingsartikel 25, combineren van arbeid en zorgADA: 2006B: september 2006bij begroting 2006
     
Effectenonderzoek ex postGeen   
     
Overig evaluatieonderzoekVerslag werking van de Wet kinderopvang over het jaarOD2A: 2007B: 2007 
     
 Evaluatie Wet kinderopvangOD2A: 2007B: 2008 
     
 Meting werkgeversbijdrage kinderopvang 2006OD2A: 2006B: juli 2006Kamerstukken II, 2005/2006, 28 447, nr. 133
     
 Evaluatie doelgroepensystematiekOD2A: 2005B: juli 2006Kamerstukken II, 2005/2006, 28 447, nr. 133

Het genoemde verslag van de werking van de Wet kinderopvang is het jaarlijkse verslag als bedoeld in artikel 115, eerste lid, van die wet; de evaluatie Wet kinderopvang vloeit voort uit artikel 115, tweede lid, van die wet.