Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

35 Emancipatie

Het bevorderen van gelijke rechten, kansen, vrijheden en (sociale) verantwoordelijkheden in de Nederlandse samenleving voor vrouwen en mannen.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Internationale, Europese en nationale verdragen en afspraken vormen het kader voor het Nederlandse emancipatiebeleid. Belangrijke kaders zijn in dat verband het VN Vrouwenverdrag, het Beijing Platform for Action, het Verdrag van Amsterdam en de Wet Gelijke behandeling. Deze verdragen verplichten niet alleen tot het waarborgen van gelijkheid van vrouwen en mannen voor de wet, maar ook tot het voeren van beleid gericht op het realiseren van gelijke rechten en kansen in de praktijk op alle terreinen. In bovengenoemde algemene doelstelling van het emancipatiebeleid zijn de volgende elementen begrepen:

• Het realiseren van gelijke rechten, kansen en vrijheden voor ieder ongeacht sekse;

• Het scheppen van de juiste economische, culturele en sociale voorwaarden waarin ieder de mogelijkheid heeft een (economisch) zelfstandig bestaan te verwerven;

• Het verbeteren van de positie van vrouwen in het publieke en privé-domein.


SZW maakt andere overheden, het bedrijfsleven en (maatschappelijke) organisaties bewust van hun invloed en hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het emancipatiebeleid en zet hen aan tot actie en samenwerking.

Verantwoordelijkheid

Ieder departement is zelf verantwoordelijk voor het bereiken van de emancipatiedoelstellingen op het eigen beleidsterrein alsmede voor het monitoren van de voortgang en legt daar zelf verantwoording voor af aan de Kamer, o.a. via begroting en jaarverslag ( Kamerstukken II, 2005/2006, 30 420, nr. 17). Deze doelstellingen zijn opgenomen in het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie 2006–2010 ( Kamerstukken II, 2005/2006, 30 420, nrs. 1 en 2). De algehele voortgang van het emancipatieproces is te volgen via de twee jaarlijkse Emancipatiemonitor. De Minister van SZW is, als coördinerend bewindspersoon, verantwoordelijk voor het aanjagen van de integratie van het emancipatie-perspectief in het beleid van departementen en daarnaast voor het ondersteunen van het emancipatieproces op lokaal en nationaal niveau. Op Europees en internationaal gebied werkt de coördinerend bewindspersoon aan de integratie van het genderperspectief in beleidsontwerp en -uitvoering. Daarover wordt in dit begrotingsartikel verantwoording afgelegd via de twee operationele doelstellingen. Voor de hoofdprioriteiten van het emancipatiebeleid is deze betrokkenheid uitgewerkt in een breed scala aan activiteiten zoals aangegeven bij de twee operationele doelstellingen.

Succesfactoren

Behalen van de algemene doelstelling hangt af van:

• de mate van integratie van het man/vrouw-perspectief in het reguliere beleid op alle departementen;

• de investering van departementen in het verbeteren van de positie van vrouwen;

• de inzet van bedrijfsleven, (maatschappelijke) organisaties, overheden en aan overheid gelieerde organisaties;

• de inzet van en de betrokkenheid van de doelgroepen in het emancipatiebeleid.

Effectgegevens

Behalen van de algemene doelstelling heeft als effecten dat:

• In het nationale en internationale beleid, op alle terreinen, systematisch aandacht wordt geschonken aan de verbetering van de positie van vrouwen;

• geweld tegen vrouwen, in al zijn vormen, afneemt, zoals mishandeling door de (ex)partner, vrouwenhandel, gedwongen huwelijken en zwangerschappen, eerwraak en genitale verminking;

• de arbeidsparticipatie van vrouwen toeneemt, zowel in personen als in uren (zie artikel 22 Activerend arbeidsmarktbeleid);

• het aantal vrouwen dat economisch zelfstandig is stijgt;

• de gelijke verdeling van arbeid en zorgtaken over mannen en vrouwen toeneemt;

• mannen in toenemende mate zorgtaken op zich nemen;

• een evenredig aantal vrouwen in politieke functies deelneemt;

• het aantal vrouwen in topfuncties van het bedrijfsleven en (non-profit) organisaties toeneemt;

• het aandeel vrouwen op topposities in het openbaar bestuur stijgt;

• het sociaal isolement van met name de doelgroep allochtone vrouwen afneemt door ze in grotere mate te laten participeren in de maatschappij.

Indicatoren
 Realisatie 2005Streven 2006Streven 2007Streven 2010
Economische zelfstandigheid vrouwen42%152,5%54,0%60%
     
Zorgparticipatie van mannen35,5%238,3%38,6%40%

Bronnen: realisatiecijfers: CBS (Inkomenspanelonderzoek), SCP (Tijdsbestedingsonderzoek); streefcijfers: SZW.

1 Voorlopig cijfer 2004; definitief cijfer volgt in de Emancipatiemonitor 2006, te verschijnen eind 2006.

2 Voorlopig cijfer 2005; definitief cijfer volgt in de Emancipatiemonitor 2006, te verschijnen eind 2006.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 35.1: Begrotingsuitgaven artikel 35 (x € 1 000):
Artikelonderdeel2005200620072008200920102011
Verplichtingen14 87713 07212 81610 38410 38510 38510 385
Uitgaven12 57513 42712 81610 38410 38510 38510 385
        
Programmauitgaven10 33610 82910 35810 38410 38510 38510 385
Waarvan juridisch verplicht  40%35%30%28%26%
Operationele doelstelling 1 en 2       
Dagindeling39000000
Subsidies7 4157 8867 8127 8107 8117 8117 811
Overig2 8822 9432 5462 5742 5742 5742 574
        
Apparaatsuitgaven2 2392 5982 4580000
Apparaatsuitgaven2 2392 5982 4580000
        
Ontvangsten159000000

Toelichting

Subsidies

Het aangegeven bedrag heeft betrekking op institutionele subsidies aan het IIAV en E-Quality en projectmatige subsidies in het kader van de subsidieregeling emancipatieprojecten.

Overig

Deze middelen worden aangewend in het kader van de activiteiten zoals vermeld bij de operationele doelstelling 1 en 2.

Grafiek Budgetflexibiliteit per Operationele doelstelling 2007



kst99344_2_15.gif

Operationele doelstelling 1: Het aanjagen van de verankering van het man/vrouw-perspectief in beleidsontwerp en -uitvoering van alle departementen (gendermainstreaming).

Motivering

Het onderkennen van de verschillen in de positie en deelname van vrouwen en mannen in de Nederlandse samenleving leidt tot een verhoging van de kwaliteit en de effectiviteit van het rijksoverheidsbeleid en voorkomt ongewenste effecten voor vrouwen.

Instrumenten

• Onafhankelijke Visitatiecommissie Emancipatie die alle departementen visiteert op de vorderingen in het integreren van het man/vrouw-perspectief in rijksoverheidsbeleid;

• Subsidie aan het expertisecentrum voor gender en etniciteit E-Quality en het Internationaal Informatiecentrum IIAV voor het waarborgen van de emancipatiekennisinfrastructuur in de Nederlandse samenleving;

• Interdepartementale Commissie Emancipatiebeleid (ICE).

Activiteiten

• Opstellen van een kabinetsreactie op de eindrapportage van de Visitatiecommissie Emancipatie;

• Monitoren bij beleidsdepartementen van de doelstellingen en afspraken uit het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie 2006–2010;

• Kennisuitwisseling tussen ICE-leden en deskundigheidsbevordering van ICE-leden.

Doelgroepen

• Alle departementen;

• Beleidsmakers bij overheid en maatschappelijke organisaties.

Indicatoren

Afzonderlijke eindrapportages per departement van de Visitatiecommissie Emancipatie en samenvattende eindrapportage Visitatiecommissie Emancipatie t.b.v. de coördinerend bewindspersoon. Deze rapportages geven een kwalitatief oordeel over de mate van gendermainstreaming op alle departementen en de wijze waarop de coördinerende directie dit proces ondersteunt. In de kabinetsreactie op de samenvattende eindrapportage zal aangegeven worden of, en op welke wijze het visiteren op de verankering van het emancipatiebeleid bij departementen een meer structureel karakter kan krijgen.


Zie ook indicatoren bij de algemene doelstelling.

Operationele doelstelling 2: Het aanjagen en ondersteunen van het emancipatieproces op lokaal, nationaal, Europees en internationaal niveau.

Motivering

• Om het geweld tegen zowel autochtone als allochtone meisjes en vrouwen terug te dringen;

• Om de arbeidsparticipatie van vrouwen in personen en in uren te vergroten;

• Om de economische zelfstandigheid van vrouwen te vergroten;

• Om evenredige participatie van vrouwen in de top van bedrijfsleven en openbaar bestuur te realiseren;

• Om een gelijkere verdeling van arbeid en zorg over mannen en vrouwen te realiseren;

• Om mannenberoepen ook voor vrouwen open te stellen (doorbreken horizontale beroepensegregatie).

Instrumenten

• Meerjarenbeleidsplan Emancipatie 2006–2010;

• Twee jaarlijkse Emancipatiemonitor (volgende te verschijnen eind 2006);

• Subsidies in het kader van de regeling emancipatieprojecten (Subsidieregeling Emancipatieprojecten, Staatscourant 2003, nr. 250, pagina 37), de regeling Dagindeling ESF-3 (Subsidieregeling Dagindeling ESF-3, Staatscourant 2002, nr. 211, pagina 13) en bijdragen aan gemeenten op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling emancipatie vrouwen uit etnische minderheidsgroepen (Staatscourant 2004, nr. 189, pagina 16);

• Subsidieregeling Dagarrangementen en Combinatiefuncties, samen met OCW;

• Equal-subsidie voor het project Glazen Muur;

• Emancipatie-effect rapportages, gender budget analyses, tijdsmonitor, benchmarking en departementale emancipatietaakstellingen (zie Meerjarenbeleidsplan Emancipatie 2006–2010);

• Taskforces (met name bij brede maatschappelijke thema’s) waarbij in samenwerking met meerdere departementen en expert organisaties, het genderaspect in beleid vorm wordt gegeven;

• Ambassadeursnetwerken waarbij boegbeelden uit bedrijfsleven, overheid en non-profitsector (werkgevers en bestuurders) worden ingezet voor culturele veranderingen;

• Voorlichting en beleidsagenderende (effect)-onderzoeken;

• Diverse instrumenten als de toolkit emancipatie en integratie en de glazen plafond index;

• Plan van aanpak emancipatie en integratie (Kamerstukken II, 2003/2004, 29 203, nr. 3) voor het verbeteren van het emancipatie- en integratiebeleid op gemeentelijk niveau voor vrouwen en meisjes uit etnische minderheden.

Activiteiten

• Verlenen van meerjarige projectsubsidies aan maatschappelijke organisaties;

• Samenwerking met gemeenten en andere organisaties voor het introduceren van het 7 tot 7 concept en in het kader van het plan van aanpak emancipatie en integratie;

• Ontwikkeling en bevordering van het gebruik van de Lokale Veiligheids Index (Kamerstukken II, 2004/2005, 28 345, nr. 39) ter bevordering van de aandacht voor seksespecifiek geweld in de gemeentelijke veiligheidsmonitoring;

• Totstandkoming van een sociaal contract tussen vrijwilligersorganisaties en coördinerend bewindspersoon emancipatie teneinde de maatschappelijke participatie (vrijwillige inzet) van allochtone vrouwen te vergroten;

• Subsidiëren van experimenten en implementatietrajecten (ESF-3) tbv het ontwikkelen en implementeren van oplossingen op lokaal niveau die de combinatie arbeid en zorg vergemakkelijken;

• Kennis uitwisselen over thema Dagindeling, ruimtelijke ordening, tijd en levensloop (Pilots, externe netwerkbijeenkomsten, interdepartementale samenwerking);

• (In het kader van Operatie Jong) vormgeven van concreet beleid gericht op samenwerking tussen onderwijs, kinderopvang, vrijetijdsvoorzieningen en combinatiefuncties middels het ESF-programma Dagarrangementen en Combinatiefuncties;

• Het uitvoeren van activiteiten gericht op: – het toegankelijk maken van mannenberoepen voor vrouwen, – het stimuleren van arbeidsorganisaties hun m/v balans te verbeteren (glazen plafond index), – de doorstroming van vrouwen naar hogere functies in arbeidsorganisaties en naar topfuncties in het bedrijfsleven, overheid en non-profitsector (vierde ambassadeursnetwerk glazen plafond), – een grotere deelname van vrouwen aan maatschappelijke en politieke besluitvorming (ambassadeursnetwerk besturen);

• Stimuleren van kennisuitwisseling over arbeidsparticipatie van vrouwen in personen en uren tussen onderzoekers en beleidsmakers bij wetenschap, adviesorganen en planbureaus en de rijksoverheid.

Doelgroepen

• Moeilijk bereikbare vrouwen (laagopgeleide vrouwen en vrouwen uit etnische minderheden) die reeds langere tijd in Nederland wonen of hier geboren zijn;

• Beleidsmakers bij rijksoverheid, provincies, gemeenten, maatschappelijke organisaties, onderwijs en wetenschap;

• Arbeidsorganisaties, werkgevers- en werknemersorganisaties;

• Europese Commissie, Verenigde Naties en NGO’s (non-gouvernementele organisaties).

Indicatoren

De indicatoren geven streefwaarden voor de jaren 2007 en 2010. Voor de overige jaren zijn geen streefniveaus geformuleerd. Voor eerdere jaren zijn geen realisatiegegevens beschikbaar.

 Streven 2007Streven 2010
Plan van aanpak emancipatie en integratie  
Aantal gemeenten waarmee SZW afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop zij het emancipatie- en integratiebeleid op gemeentelijk niveau zullen stimuleren en faciliteren.31 
   
Aantal allochtone vrouwen, die zijn gestart met activiteiten die leiden tot maatschappelijke participatie (van vrijwilligerswerk tot intrede op de arbeidsmarkt).20 000 
   
Maatschappelijke participatie  
Aantal vrouwen in een kwetsbare en kansarme positie dat deelneemt aan vrijwillige inzet. 50 000
   
ESF programma Dagarrangementen en combinatiefuncties  
Aantal samenwerkingsprojecten met gemeenten en organisaties rondom de lokale sociale infrastructuur.100 
   
Aantal gecreëerde combinatiefuncties in onderwijs, opvang, welzijn en sport.1 000 

Bron: SZW, Begroting 2006 (Kamerstukken II, 2005/2006, 30 300 XV, nr. 2); SZW, Meerjarenbeleidsplan Emancipatie 2006–2010.


Kengetallen
 Realisatie 2005Raming 2006Raming 2007
Aantal projectsubsidies aan organisaties i.h.k.v. de Subsidieregeling Emancipatieprojecten464545
    
Aantal experimenten en implementatie-trajecten i.h.k.v. de Subsidieregeling Dagindeling ESF-32e ronde: 633e ronde: 344e ronde: 54

Bron: 2005: realisaties volgens SZW-administratie; 2006, 2007: ramingen.

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid:
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAD/ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingVerbreden en verdiepen van het emancipatieprocesAD en OD’sA. Begin 2006B. Eind 2006 
     
Effecten onderzoek ex postGeen   
     
Overig evaluatieonderzoekEvaluatie Ambassadeursnetwerken A. Begin 2006 B. Eind 2006