Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

11 BIJLAGE INKOMENSBELEID 2007

11.1 Inleiding

In artikel 21 is het generieke koopkrachtbeeld voor 2007 gepresenteerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de prijsontwikkeling (CPI), de loonontwikkeling, de wijzigingen in belasting- en premietarieven en met de mutaties in de kinderbijslag. Hierdoor ontstaat een beeld van de inkomensontwikkeling als gevolg van voor vrijwel iedereen geldende factoren.


Daarnaast zijn er beleidsmaatregelen die alleen tot inkomenseffecten leiden voor bepaalde groepen of waarvan de inkomenseffecten een grote spreiding kennen. Paragraaf 11.2 beschrijft deze niet-standaard inkomenseffecten in 2007. In paragraaf 11.3 is in kaart gebracht of er cumulatie van inkomenseffecten optreedt voor bepaalde groepen. Paragraaf 11.4 geeft een overzicht van de maatregelen op het gebied van kinderen, wonen en zorg tussen 2003 en 2007. Op deze manier wordt een totaaloverzicht gepresenteerd van het kabinetsbeleid met betrekking tot kinderen, wonen en zorg, conform de toezegging van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens het Algemeen Overleg van 27 april 2006 over de loonontwikkeling en de koopkracht.

Maatregelen met specifieke inkomenseffecten in 2007

Deze paragraaf beschrijft de beleidsmaatregelen met specifieke inkomenseffecten naar thema. Hierbij zijn voor de overzichtelijkheid alleen beleidsmaatregelen opgenomen waarvan de inkomenseffecten optreden bij ten minste 10 000 huishoudens. Verder zijn alleen beleidsmaatregelen opgenomen die leiden tot een wijziging van het inkomen in 2007 ten opzichte van 2006 zonder dat de situatie van een huishouden wijzigt. Beleidsmaatregelen blijven buiten beschouwing als deze alleen relevant zijn voor personen die voor het eerst in aanmerking komen voor een bepaalde regeling omdat hun situatie wijzigt (bijvoorbeeld bij het verliezen van een baan).

Tabel 11.1: Overzicht van beleidsmaatregelen met specifieke inkomenseffecten in 2007
ThemaBeleidsmaatregelInkomenseffect*
1. KinderenIntensivering kinderopvangtoeslag+
 Verplichte werkgeversbijdrage kinderopvang+
 Verhoging kinderbijslag+
 Effect op WTOS van afbouw correctie verzamelinkomen+/-
2. WonenTaakstelling huurtoeslag
 Modernisering huurbeleid
 Aanpassing normhureno
 Verlagen eigenwoningforfait+/-
3. ZorgEigenbijdragesystematiek Wmo+/-
 Verlaging box 2 tarief; compensatie DGA’s voor ZVW+
 Postactieve ambtenaren
4. StudentenAanvullende beurs weer op normaal niveau
 Effect op studiefinanciering van afbouw correctie verzamelinkomen+/-
5. LandbouwersWijziging bedrijfstoeslagenregeling

* + = positief inkomenseffect, – = negatief inkomenseffect, +/- = gespreide inkomenseffecten, 0 = geen inkomenseffect

1. KINDEREN

Intensivering kinderopvangtoeslag (SZW)

De kinderopvangtoeslag wordt met ingang van 1 januari 2007 verhoogd. De verhoging geldt voor huishoudens met een gezinsinkomen vanaf 130% van het minimumloon (+/- € 21 500). Er geldt geen maximum gezinsinkomen meer voor het recht op kinderopvangtoeslag in verband met de invoering van een verplichte werkgeversbijdrage (zie hieronder).


De intensivering van de kinderopvangtoeslag leidt tot positieve inkomenseffecten. Uitgaande van drie dagen formele dagopvang voor één kind, zijn de inkomenseffecten – exclusief het effect van de verplichte werkgeversbijdrage – in 2007 als volgt:

• huishoudens met een inkomen van € 30 000 hebben een netto voordeel van € 260 (+ 1,1%);

• huishoudens met een inkomen van € 45 000 hebben een netto voordeel van € 700 (+ 2,1%);

• huishoudens met een inkomen van € 60 000 hebben een netto voordeel van € 920 (+ 2,3%);

• huishoudens met een inkomen van € 90 000 hebben een netto voordeel van € 1340 (+ 2,5%).

Bijna 80% van de ouders die gebruikmaken van formele kinderopvang profiteert van deze intensivering. De marginale druk op arbeid wordt lager. De hogere inkomens profiteren het meest. De kosten voor kinderopvang voor de inkomens tot 130% van het minimumloon zijn met de invoering van de Wet kinderopvang in 2005 al aanzienlijk lager geworden. Het percentage van het inkomen dat wordt besteed aan kinderopvang blijft het hoogst bij hogere inkomens.

Verplichte werkgeversbijdrage kinderopvang (SZW)

Met ingang van 1 januari 2007 wordt de werkgeversbijdrage in de kosten van de kinderopvang verplicht. Werkgevers betalen deze bijdrage via een opslag op de premie voor de sectorfondsen. Alle werknemers en zelfstandigen die gebruikmaken van formele kinderopvang ontvangen dan de volledige bijdrage van de Belastingdienst/Toeslagen. De volledige bijdrage is een derde deel van de kosten van kinderopvang.


Voor de werknemers die nu geen of een onvolledige werkgeversbijdrage in de kosten voor kinderopvang ontvangen, kunnen er aanzienlijke positieve inkomenseffecten optreden. De inkomenseffecten hangen af van de hoogte van het inkomen en de voormalige werkgeversbijdrage.

Voor een huishouden zonder werkgeversbijdrage zijn de inkomenseffecten inclusief de intensivering in 2007 als volgt, uitgaande van drie dagen formele dagopvang voor één kind:

• huishoudens met een inkomen van € 30 000 hebben een netto voordeel van € 530 (+ 2,2%);

• huishoudens met een inkomen van € 45 000 hebben een netto voordeel van € 1200 (+ 3,7%);

• huishoudens met een inkomen van € 60 000 hebben een netto voordeel van € 1820 (+ 4,6%);

• huishoudens met een inkomen van € 90 000 hebben een netto voordeel van € 2740 (+ 5,0%).

Verhoging kinderbijslag (SZW)

Het kabinet heeft besloten de kinderbijslag te verhogen ter verbetering van de financiële positie van gezinnen met kinderen. De verhoging gaat in per 1 oktober 2006, maar de eerste feitelijke uitbetaling van de hogere kinderbijslag vindt plaats op 1 januari 2007.

De kinderbijslag wordt met het volgende bedrag per jaar verhoogd:

• € 41,60 per kind van 12–18 jaar;

• € 35,36 per kind van 6–12 jaar;

• € 29,12 per kind van 0–6 jaar.


Circa 1,9 miljoen gezinnen profiteren van de extra verhoging van de kinderbijslag. Deze positieve inkomenseffecten zijn opgenomen in het generieke koopkrachtbeeld. In de praktijk treedt er echter enige spreiding van de inkomenseffecten op doordat de extra kinderbijslag kan verschillen per huishouden, afhankelijk van de leeftijd van de kinderen en het aantal kinderen.

Effect op WTOS van afbouw correctie verzamelinkomen (OCW)

De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) regelt dat met ingang van 1 januari 2006 het verzamelinkomen bepalend is voor het recht op de inkomensafhankelijke regelingen. Voor een aantal regelingen gold tot 1 januari 2006 een gecorrigeerd verzamelinkomen in verband met de belastingherziening 2001. Om de inkomenseffecten van de overstap naar het ongecorrigeerde verzamelinkomen te beperken is overgangsrecht gecreëerd voor onder meer de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Het overgangsrecht voor de WTOS houdt in dat de correctie op het verzamelinkomen in drie jaar wordt afgebouwd.


Hierdoor ontstaan in de periode 2006–2008 de volgende inkomenseffecten voor ouders met een inkomen vlak onder de inkomensgrens van de WTOS (rond modaal) en voor ouders met een hoger inkomen die een gedeeltelijke tegemoetkoming ontvangen of die net geen recht hebben op een gedeeltelijke tegemoetkoming:

• voor 80 procent van de ouders (circa 215 000 ouders) verloopt de afbouw inkomensneutraal;

• voor acht procent van de ouders (circa 23 000) ontstaat een negatief inkomenseffect van gemiddeld € 51 per jaar;

• voor circa twaalf procent van de ouders (circa 33 000) ontstaat een positief inkomenseffect van gemiddeld € 29 per jaar.

2. WONEN

Taakstelling huurtoeslag (VROM)

De taakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord loopt op van € 55 miljoen in 2004 tot € 210 miljoen vanaf 2007. Per 1 juli 2007 is de taakstelling ingevuld door een verhoging van de normhuur met € 1,05.


De verhoging van de normhuur leidt – inclusief de doorwerking van de verhoging van de normhuur met € 2,77 per 1 juli 2006 tot een inkomensverlies voor mensen met huurtoeslag van € 18 in 2007 ten opzichte van 2006. Dit betekent een inkomenseffect van – 0,2% voor de laagste inkomens.

Modernisering huurbeleid (VROM)

De modernisering van het huurbeleid krijgt zijn beslag per 1 januari 2007. De WOZ-waarde wordt dan de grondslag voor liberalisatie. Voor zittende huurders gelden beschermende maatregelen.


In 2007 gelden de volgende maximale huurverhogingspercentages:

Voor huurtoeslagontvangers en voor woningen in het gereguleerde segment, geldt per 1 juli 2007 een maximale huurstijging van inflatie plus 2,5%. Dit geldt niet onbeperkt: corporaties zijn op instellingsniveau gebonden aan een maximaal gemiddelde extra stijging, die in 2007 inflatie plus 1,2% bedraagt.

Voor zittende huurders in woningen buiten het gereguleerde segment mag de maximale huurstijging per 1 juli 2007 inflatie plus 3% bedragen. Bovendien geldt voor deze huurders een eenmalige huurstijging per 1 januari 2007 van maximaal 0,5%. De huurstijging van 1 januari was oorspronkelijk voorzien per 1 juli 2006.


In het generieke koopkrachtbeeld wordt de ontwikkeling van het besteedbare inkomen gedefleerd met het inflatiecijfer. In dat inflatiecijfer wordt ook rekening gehouden met de stijging van de huurprijzen. Voor individuele huishoudens waarbij de huurstijging afwijkt van het gemiddelde treden ten opzichte van het gemiddelde beeld koopkrachtverschillen op. Vanwege de geldende maxima voor de huurprijsstijging zal de afwijking van het generieke beeld gering zijn.

Alleen voor woningen waarvoor geen huursubsidie wordt verstrekt en die buiten het gereguleerde segment vallen, kunnen grotere afwijkingen van het generieke beeld ontstaan doordat er in 2007 een hogere maximale huurstijging mogelijk is. Namelijk 0,5% per 1 januari 2007 en 0,5% extra per 1 juli 2007 (3% boven inflatie in plaats van 2,5%). Bij een maandelijkse huur van € 600 betekent dit een extra huurstijging van maximaal € 54 in 2007 (€ 3 per maand vanaf 1 januari en € 6 per maand vanaf 1 juli). Het inkomenseffect hiervan is – 0,2% voor een gezin met een modaal inkomen.

Aanpassing normhuurtabellen

Elk jaar worden de normhuren aangepast met de verwachte gemiddelde huurontwikkeling of met de bijstandsontwikkeling. Per juli 2006 is er voor gekozen de normhuren te laten stijgen met de verwachte gemiddelde huurontwikkeling. Hierdoor stijgen de normhuren met 2,2%. Dit is gunstig voor huurtoeslagontvangers omdat het alternatief – aanpassing van de normhuren met de bijstandsontwikkeling – tot hogere normhuren zou leiden. Het effect van de beperktere stijging komt niet direct tot uitdrukking in de standaard koopkrachtcijfers.

Verlagen eigenwoningforfait (FIN)

Het eigenwoningforfait is een fiscale bijtelling in verband met de voordelen die genoten worden uit een eigen woning. Aangezien in 2007 een nieuw WOZ-tijdvak aanvangt wordt het eigenwoningforfait met ingang van 1 januari 2007 verlaagd van 0,60% naar 0,55% van de waarde van een woning. Dit is het saldo van een verhoging in verband met de huurindexering en een verlaging van 7% in verband met de stijging van de WOZ-waarde (tevens afgerond op 0,05% naar beneden).


Per saldo treden er op macroniveau geen inkomenseffecten op voor eigenhuizenbezitters. Indien voor individuele huishoudens de WOZ-waardeontwikkeling hoger of lager is dan 7% zal dit leiden tot een licht negatief respectievelijk licht positief inkomenseffect.

3. ZORG

Invoering van de eigen bijdrage systematiek Wet maatschappelijke ondersteuning (VWS)

Op 1 januari 2007 zal de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van kracht worden. De extramurale functies huishoudelijke verzorging en alfahulp uit de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) en alle voorzieningen uit de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) zullen overgeheveld worden naar de Wmo. Tegelijkertijd zal er ook een nieuw eigen bijdrage regime van kracht worden. Dit eigen bijdrage regime legt de verantwoordelijkheid voor de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdragen bij de gemeenten. Wel heeft de rijksoverheid de maximale eigen bijdragen vastgelegd. Deze gelden voor het totaal van eigen bijdragen voor AWBZ en WMO.


De inkomenseffecten van de invoering van de nieuwe eigen bijdrage systematiek hangen af van het zorggebruik, de gezinssituatie en het inkomen van de betreffende persoon. De effecten van de invoering van de systematiek op gebruikers van huidige WVG voorzieningen zijn moeilijk in te schatten omdat hier onvoldoende gegevens over beschikbaar zijn en gemeenten beleidsvrijheid hebben bij de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage. Voor de inkomenseffecten van de systematiek op gebruikers van huishoudelijke verzorging en alfahulp geldt globaal:


• 195 000 zorggebruikers worden niet tot hoegenaamd niet geconfronteerd met een inkomenseffect.

• 93 000 zorggebruikers gaan er op jaarbasis meer dan € 25 op vooruit.

• 220 000 zorggebruikers gaan er op jaarbasis meer dan € 25 op achteruit.


De personen die erop vooruit gaan zijn met name meerpersoonshuishoudens met een inkomen tussen de 100% en 130% van het sociaal minimum. De personen die erop achteruit gaan zijn met name zorggebruikers met een hoog inkomen of een laag zorggebruik.

Overigens is het uitgangspunt van de omzetting van de eigen bijdrage systematiek om de omzetting budgettair neutraal te laten verlopen. Op macro niveau is het effect op de koopkracht dus nihil.

Verder moet worden aangetekend dat gemeenten er zelf voor kunnen kiezen om niet de maximale eigen bijdrage te vragen. Dit is hun eigen beleidsvrijheid. De berekeningen zijn gebaseerd op de veronderstelling dat gemeenten de eigen bijdragen voor huishoudelijke verzorging en alfahulp maximaal vaststellen.

Verlaging tarief box 2 ter compensatie DGA’s voor hoge inkomensafhankelijke ZVW-bijdrage (FIN/VWS)

Voor de toepassing van de Zorgverzekeringswet is de directeur-grootaandeelhouder (DGA) – net als voor de loonbelasting – werknemer en werkgever. Hierdoor is de DGA het hoge tarief voor de inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd over zijn loon (6,5% in 2006). De ondernemer in de inkomstenbelasting betaalt daarentegen het lage tarief voor de inkomensafhankelijke bijdrage over de door hem gerealiseerde belastbare winst uit onderneming (4,4% in 2006). De directeur-grootaandeelhouder betaalt derhalve een hogere bijdrage dan de ondernemer.

Het kabinet heeft toegezegd directeuren-grootaandeelhouders per 1 januari 2008 en indien mogelijk reeds per 1 januari 2007 onder het verlaagde tarief te brengen. Aangezien het uitvoeringstechnisch niet mogelijk bleek dit in 2007 te realiseren, is besloten voor 2007 een fiscale compensatiemaatregel te treffen. Deze maatregel betreft een tijdelijke verlaging van het box 2-tarief met 3%-punt (inkomsten uit aanmerkelijk belang). Het verlaagde box 2-tarief van 22% is beperkt tot een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 250 000.


Het inkomenseffect van deze maatregel is afhankelijk van het box 2 inkomen van de DGA. Met ingang van 1 januari 2008 geldt voor de DGA het verlaagde tarief voor de Zorgverzekeringswet.

Postactieve ambtenaren (BZK)

Het kabinet heeft een bedrag van € 130 mln. uitgetrokken om het afbouwtraject evenwichtiger vorm te geven voor het vervallen van de tegemoetkoming in de ziektekosten voor postactieve ambtenaren in kabinetssectoren van 65 jaar en ouder. Dit bedrag wordt ingezet voor een verruiming van het afbouwtraject in de jaren 2007 tot en met 2009. De negatieve inkomenseffecten van het vervallen van de tegemoetkoming worden hierdoor beperkt.

4. STUDENTEN

Aanvullende beurs weer op normaal niveau (OCW)

In 2006 is – naast de structurele verhoging van de basisbeurs met € 150 en de structurele verhoging van de maximale aanvullende beurs met € 180 – de maximale aanvullende beurs eenmalig verhoogd met € 70 op jaarbasis (€ 5,83 per maand). Deze eenmalige verhoging was toegekend om de inkomenseffecten van de nieuwe zorgverzekeringswet in 2006 te beperken.

Er zijn in 2006 ongeveer 218 400 studenten met een aanvullende beurs. Zij ontvingen maximaal € 70 extra aanvullende beurs (studenten met een maximale aanvullende beurs). Studenten met een gedeeltelijke aanvullende beurs ontvingen een lager extra bedrag.

In 2007 is de aanvullende beurs weer op het normale niveau.

Effect op studiefinanciering van afbouw correctie op het verzamelinkomen (OCW)

De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) regelt dat met ingang van 1 januari 2006 het verzamelinkomen bepalend is voor het recht op de inkomensafhankelijke regelingen. Voor een aantal regelingen gold tot 1 januari 2006 een gecorrigeerd verzamelinkomen in verband met de belastingherziening 2001. Om de inkomenseffecten van de overstap naar het ongecorrigeerde verzamelinkomen te beperken is overgangsrecht gecreëerd voor onder meer de Wet op de studiefinanciering 2000 (WSF2000). Het overgangsrecht voor de WSF2000 houdt in dat de correctie op het verzamelinkomen in drie jaar wordt afgebouwd.


Hierdoor ontstaan in de periode 2006–2008 de volgende inkomenseffecten:

• voor 85 procent van de studenten (circa 499 000 studenten) verloopt de afbouw budgettair neutraal;

• voor zes procent van de studenten (circa 37 000) ontstaat een negatief inkomenseffect van gemiddeld € 51 per jaar;

• voor circa negen procent van de studenten (53 000) ontstaat een positief inkomenseffect van gemiddeld € 26 per jaar.

5. LANDBOUWERS

Wijziging van bedrijfstoeslagregeling (LNV)

Met ingang van 1 januari 2006 is in verband met het nieuwe Europese Gemeenschappelijke Landbouwbeleid de bestaande productiesteun omgezet in bedrijfstoeslagen. Daarmee wordt de band tussen productievolume en steunniveau doorgesneden. De bedrijfstoeslagregeling is van toepassing op ongeveer 85 000 landbouwbedrijven. Effecten van de invoering van de bedrijfstoeslagen doen zich met name voor bij suikerbietentelers en bij melkveehouders: 15 000 suikerbietentelers en 20 000 melkveehouderijen ondervinden inkomenseffecten van de wijziging.


De inkomenseffecten zijn als volgt:

• het inkomen van de suikerbietentelers daalt door het nieuwe suikerbeleid gemiddeld met € 4 500 per bedrijf over de periode 2006 tot en met 20096. Het inkomen van de grotere akkerbouwbedrijven daalt gemiddeld met € 13 000 als niet wordt ingegrepen in de bedrijfsvoering (inclusief suikerbeleid). Als dit wel gebeurt kan het inkomensverlies beperkt blijven;

• het inkomen in de melkveehouderij daalt gemiddeld met € 7 000 per bedrijf over de periode 2004 tot en met 2007. Overigens is de feitelijke inkomensontwikkeling sterk afhankelijk van de markt.

11.3 Cumulatie van inkomenseffecten in 2007

Als verschillende maatregelen met inkomenseffecten tegelijkertijd van toepassing zijn op één huishouden, kunnen de inkomenseffecten cumuleren of elkaar opheffen. In deze paragraaf wordt beschreven voor welke groepen een cumulatie van inkomenseffecten optreedt in 2007.


• Huishoudens met kinderen die gebruik maken van kinderopvang profiteren in 2007 zowel van de intensivering van de kinderopvangtoeslag als van de verhoging van de kinderbijslag. Het inkomenseffect varieert, afhankelijk van het inkomen, het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen.

• 6% van de studenten ontvangt minder studiefinanciering door de afbouw van de correctie op het verzamelinkomen. Dit effect kan samenvallen met het vervallen van de eenmalige verhoging van de aanvullende beurs.

11.4 Kabinetsbeleid ten aanzien van kinderen, wonen en zorg

In deze paragraaf worden de inkomensrelevante beleidsmaatregelen op het gebied van kinderen, wonen en zorg in kaart gebracht voor de periode 2003 tot en met 2007, zodat een totaaloverzicht ontstaat van het kabinetsbeleid op dit gebied.

1. KINDEREN
MaatregelOmschrijvingDoelEffect
Aanvullende combinatiekortingIn 2004 is de aanvullende combi- natiekorting geïntroduceerd. Het betreft een aanvulling op de com- binatiekorting voor alleenstaande ouders en minstverdienende partners.De aanvullende combinatiekorting versterkt de prikkel om een betaalde baan te aanvaarden.Bij introductie in 2004 bedroeg de aanvullende combinatiekorting € 290. Dit bedrag is verhoogd tot € 608 in 2006.
KinderkortingDe kinderkorting en de aanvullende kinderkorting zijn in 2004, 2005 en in 2006 verhoogd. In 2006 zijn de kortingen samengevoegd, waarbij de extra korting voor huishoudens met drie of meer kinderen is afgeschaft. De kinder- korting wordt geleidelijk afge- bouwd naarmate het inkomen hoger is. Momenteel worden plannen uitgewerkt die moeten leiden tot het omvormen van de kindervoeding in een toeslag in 2008. Hiermee wordt het verzilve- ringsprobleem dat sommige huishoudens met een laag inko- men hebben met de kinderkorting opgelost.Extra inkomensondersteuning voor huishoudens met kinderen en het opheffen van abrupt inkomensverlies bij het overschrijden van de voormalige inkomensgrenzen van de kinderkorting.De kinderkorting is verhoogd van € 575 in 2003 tot € 924 in 2006. Huishoudens met drie of meer kinderen ontvangen sinds 2006 geen toeslag meer van € 65.
Wet kinderopvang (Wk)De Wk verving in 2005 de fiscale tegemoetkomingen voor de bij- drage van werkgevers en ouders voor kinderopvangkosten. In de Wk vergoedt het Rijk een deel van de kosten die ouders maken voor kinderopvang (de kinderopvangtoeslag). Ook van werkgevers wordt verondersteld dat zij bijdra- gen aan deze kosten. In 2006 en 2007 is de marginale druk in de Wk verlaagd door een verhoging van de kinderopvangtoeslag door het Rijk. In 2007 zal de tot dan toe vrijwillige werkgeversbijdrage verplicht worden gesteld en uitbetaald via de Belastingdienst/ToeslagenHet verbeteren van de toegankelijkheid, de kwaliteit en de bereik- baarheid van de kinderopvang.Het effect van de invoering van de Wk is sterk afhankelijk van de bijdrage van de werkgever. Voor ongeveer een kwart van de huis- houdens stegen de kosten voor kinderopvang als gevolg van de invoering van de Wk. Dit betrof vooral midden en hoge inkomens. Met de extra middelen in 2006 en 2007 zijn deze negatieve effecten gerepareerd.
LesgeldMet ingang van het schooljaar 2005–2006 is het lesgeld afge- schaft voor leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen van 16 en 17 jaar oud in de beroepsopleidende leerweg in het MBO.Inkomensondersteuning en administratieve lastenverlichting.Het maximale voordeel bedraagt € 949 per jaar. Huishoudens die door compensatie via de WTOS geen of weinig lesgeld betaalden gaan er niet of minder op vooruit.
ZorgverzekeringswetKinderen tot 18 jaar zijn gratis verzekerd voor de Zorgverzeke- ringswetOpheffen van de ongelijke situatie tussen particulier verzekerden met kinderen en ZFW verzekerden.De maatregel heeft een positief effect voor voormalig particulier verzekerden met kinderen.
KinderbijslagVerhoging van de kinderbijslag per 1 oktober 2006verbetering van de financiële positie van gezinnen met kinderenCirca 1,9 miljoen gezinnen profiteren van de extra verhoging van de kinderbijslag.

2. WONEN
MaatregelOmschrijvingDoelEffect
Aanpassing normhuurtabellenIn de periode 2003–2006 (juli tot juli) is de normhuurtabel twee- maal geïndexeerd met de bijstandsontwikkeling in plaats van de gemiddelde huur. Aangezien de bijstand in deze periode minder steeg dan de gemiddelde huur levert dit voor huursubsidie/toeslag ontvangers een voordeel op ten opzichte van niet huursubsidie ontvangers en ten opzichte van de reguliere indexering.De normhuur, het deel van de huur dat de ten minste voor rekening van de huurder blijft, mee laten stijgen met de huur-/inkomensontwikkeling.Het gemiddelde effect van de gunstige indexering is ongeveer € 70 per jaar.
    
Taakstelling huursubsidieVanaf juli 2004 is invulling gegeven aan de taakstelling zoals aangekondigd in het Hoofdlijnen Akkoord. Deze taakstelling loopt op van 55 mln. euro in 2004 tot 210 mln. euro structureel vanaf 2007.Versobering van de huursubsidie via verhoging van de normhuur.De versobering van de huursubsidie betekent een inkomensverlies voor huursubsidieontvangers van € 210 per jaar. Inclusief het effect van de normhuren is het inko- mensverlies € 140.
    
Bijleen regelingBij verhuizing naar een duurdere woning en verhoging van de hypotheekschuld is vanaf 2005 de aftrek van de hypotheekrente alleen toegestaan voorzover de hypotheekverhoging nodig is om het aankoopverschil tussen de aankoopprijs van de nieuwe woning en de opbrengst van de oude woning te financieren.Beter richten van de hypotheekrente aftrekpost.Mensen die verhuizen en de opbrengst van hun oude woning niet volledig besteden aan de aanschaf van de nieuwe hebben minder voordeel van de hypo- theekrenteaftrek dan voorheen.
    
EigenwoningforfaitMet het maximeren van het eigenwoningforfait in 2005 is geregeld dat het eigenwoningforfait nooit meer kan bedragen dan de hypotheekrenteaftrek, zodat per saldo geen bijtelling voor inkomsten uit eigen woning meer geldt.De maatregel bevordert de aflossing van de eigenwoningschuld.Vooral ouderen profiteren van deze maatregel. Het gemiddelde positieve inkomenseffect van ouderen die profiteren van de maatregel zit tussen 1,3% en 1,7%.
    
Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP)Vooruitlopend op de afschaffing van het MEP-tarief met ingang van 2007 is in het kader van het koopkrachtbeeld besloten in 2006 een tegemoetkoming te geven.Tegemoetkoming in de gestegen energiekosten.De compensatie bedraagt € 52 voor afnemers van elektriciteit die beschikken over een aansluiting op een net in de categorie kleinverbruikers.
    
OZB gebruikersheffingHet betreft de afschaffing van het OZB-gebruikersdeel op woningen per 1 januari 2006.Beperking van de lokale lasten.Gemiddeld betekent de maatregel een koopkrachtverbetering van 0,4%. Het voordeel is echter afhankelijk van de hoogte van het inkomen (voordeel is groter voor lage inkomens), kwijtschelding (huishoudens met kwijtschelding door de gemeenten hebben geen voordeel), de waarde van de woning en het tarief van de gemeente waarin men woont.
    
Tarieven Regulerende energiebelasting ((R)EB)In 2005 is de REB voor gezinnen met € 160 mln. (incl. btw) verhoogd.CO2-emissies te verminderen door het verbruik van energie terug te dringen.Bij gemiddeld gebruik (3.400 kWh, 1.800 m3) is de EB met circa € 20 gestegen.De opbrengst van de energiebelas- ting wordt echter teruggesluisd door onder andere een verlaging in de loon- en inkomstenbelasting. Voor consumenten met een gemid- deld energieverbruik is de belas- tingverlaging ongeveer gelijk aan de betaalde energiebelasting. Mensen die zuinig met energie omgaan en dus het milieu sparen, betalen minder energiebelasting en zijn zo goedkoper uit.

3. ZORG
MaatregelOmschrijvingDoelEffect
Tegemoetkoming Buitengewone UitgavenHet betreft een tegemoetkoming ter grootte van het niet verzilverbare deel van de aftrek van buitengewone uitgaven.Inkomensondersteuning voor chronisch zieken en gehandicapten met een laag inkomen. Vooral ouderen en chronisch zieken en gehandicapten met een laag inkomen profiteren van deze maatregelen. Voor een AOW-er zonder aanvullend pensioen is het voordeel van de TBU in 2007 minimaal € 75 (bij gehuwden € 268). Het voordeel loopt op naarmate meer zorgkosten moeten worden gemaakt. 
    
Buitengewone Uitgaven aftrekIn 2004 is het chronisch ziekenforfait voor de drempel geplaatst en afhankelijk gesteld van kosten die specifiek gelden voor chro- nisch zieken en gehandicapten. Tevens is de vermenigvuldigingsfactor verhoogd en beperkt tot specifieke kosten.In 2006 is de vermenigvuldigingsfactor verder verhoogd en is de maximum drempel komen te vervallen.Hiermee is het budget van de buitengewone uitgavenaftrek beter gericht op de doelgroep, te weten chronisch zieken en gehandicapten die extra kosten moeten maken. Dit budget is gestegen van 0,5 mld. euro naar 1,6 mld in 2006. Ook het aantal gebruikers is in deze periode verdubbeld tot bijna 3 mln.De veranderingen kennen verlie- zers en winnaars. De maatregelen pakken gunstiger uit naarmate de (specifieke) kosten hoger waren.
    
Eigen bijdrage AWBZIn 2004 zijn de eigen bijdrage voor extramurale zorg en de lage bijdrage voor intramurale zorg verhoogd.Beteugelen van de overschrijdingen van de zorguitgaven in de AWBZ.Huishoudens met thuiszorg zijn hiervoor vanaf 2004 een hogere eigen bijdrage gaan betalen. Het precieze effect is afhankelijk van het aantal uren zorg, de hoogte van het inkomen en het gebruik van de buitengewone uitgaven aftrek.
    
Pakket ZFWIn 2004 is het ZFW-pakket ver- kleind. Een deel van de pakketverkleining is in de periode daarna teruggedraaid. Dit betreft onder meer maatregelen in het zittend ziekenvervoer en zelfzorgmedi- cijnen.Beperken van de premiestijging in de ZFW en bevorderen van kostenbewustzijn.Gemiddeld bedroeg de pakket verkleining in 2004 € 75 per verzekerde. Voor weggebruikers van zorg kon het bedrag aanzienlijk hoger oplopen.
    
Wajong-kortingIn 2005 is de Wajong-korting verhoogdInkomensondersteuning WajongersHet voordeel van Wajongers bedraagt € 100 per jaar.
    
No claimIn 2005 is in de vorm van de no claim een verplichte eigen betaling in de ZFW geïntroduceerd. De huisarts is daarbij buiten de no claim gelaten.In 2006 gold dit met de invoering van de ZWV ook voor voormalig particulier verzekerden.Bevorderen van kostenbewustzijn in de zorgDe introductie van de no-claim geleid tot een koopkrachtverslech- tering van verzekerden met hoge zorguitgaven. Zij kunnen geen aanspraak maken op de no claim- bonus. De gemiddelde no-claim in 2006 bedraagt € 92.
    
Zorgverzekeringswet en zorgtoeslagIn 2006 is een nieuw zorgstelsel geïntroduceerd waarbij de kosten 50/50 verdeeld zijn tussen werk- gevers en gezinnen. De premies van kinderen worden uit een rijksbijdrage gefinancierd.Introductie van een solidair stelsel van premiebetaling met betere prikkels voor verantwoord zorggebruik.De koopkracht van 80% van de huishoudens neemt in 2006 jaar naar verwachting toe. Bovendien zijn grote verschillen in zorgkosten tussen huishoudens met min of meer vergelijkbare inkomens, die bestonden door het onderscheid tussen ZFW- en particulier verze- kerden, weggenomen.

6  Het feitelijke effect kan per jaar sterk verschillen.