Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. BELEIDSAGENDA 2007

Fundamenten van het beleid

Het kabinet Balkenende III wil in de beperkte tijd die tot de verkiezingen resteert, krachtig voortbouwen aan de financiële en sociaal-economische positie van Nederland. Met het indienen van een volwaardige en gedegen begroting wil het ervoor zorgen dat 2007 geen verloren jaar wordt. Het vorige kabinet heeft een groot aantal noodzakelijke hervormingen doorgevoerd. Mede door dit beleid staat de economie er beter voor dan vier jaar geleden: Nederland werkt weer. Dat blijkt niet alleen uit de statistieken; in 2006 en 2007 worden de effecten concreet zichtbaar voor individuele burgers. Er komen veel meer banen, de koopkracht neemt toe, en het aantal hinderlijke regels neemt af. Ook mensen die nu nog aan de kant staan moeten – en zullen – meeprofiteren van het gunstige economische tij. Daarom zet het kabinet nog sterker in op het investeren in mensen.


Doel van de hervormingsagenda was en is het Nederlandse stelsel van werk en inkomen te versterken en te moderniseren. Zodat meer mensen werken, meer mensen meedoen en er meer ruimte is voor eigen verantwoordelijkheid en ondernemen. Dat is belangrijk om sociale redenen: te veel mensen staan nog aan de kant, zitten opgesloten in een uitkering, worden afgeschreven wegens hun leeftijd of slagen er niet in om arbeid en zorg te combineren. Een betaalde baan biedt nog steeds de beste garantie voor inkomensverbetering en tegen armoede. Bovendien is werk belangrijk voor persoonlijke ontplooiing, sociale contacten, integratie en emancipatie. Maar ook om economische redenen is het onwenselijk als veel mensen aan de kant staan. Met het oog op de vergrijzing en de toenemende internationale concurrentie is een breed draagvlak voor onze welvaartstaat noodzakelijk. Alleen zo kunnen we de huidige voorzieningen in de toekomst betaalbaar houden.

Uitvoering van de agenda

Bij de start van de vorige kabinetsperiode bevond de Nederlandse economie zich in een uitzonderlijk lange en diepe recessie en ook de overheidsfinanciën stonden er slecht voor. De hervormingsagenda omvatte ingrijpende wijzigingen in de sociale zekerheid en de zorg. Deze wijzigingen hebben – in die toch al ongunstige omstandigheden – veel gevraagd van mensen. Het beleid leidde ook tot stevige discussies met vakbonden en werkgeversorganisaties. Uiteindelijk is met sociale partners, in het najaarsoverleg van 2004, overeenstemming bereikt over de koers van het beleid.


Die koers heeft er voor gezorgd dat Nederland er structureel beter voor staat. Daar kunnen we nu de vruchten van plukken. We zijn nu beter in staat om te profiteren van de economisch goede tijden. Het stelsel van werk en inkomen is meer dan voorheen gericht op het activeren van mensen naar werk. De arbeidsparticipatie van mensen die nog aan de kant staan, zoals vrouwen, minderheden, ouderen en arbeidsgehandicapten, zal daardoor toenemen. De sociale zekerheid is door de wijzigingen beter toegerust om het hoofd te bieden aan de vergrijzing en de toenemende internationale concurrentie.


De vergrijzing is geen puur Nederlands fenomeen. Ook landen om ons heen hebben en krijgen te maken met een toenemend aandeel ouderen in de bevolking. Uit grafiek 1 blijkt dat Nederland er in Europees verband, mede dankzij het overheidsbeleid, relatief gunstig voor staat. In 2050 is het draagvlak om de vergrijzingskosten te kunnen dragen (de verhouding tussen personen tussen 15 en 64 jaar en 65+-ers) breder dan in de ons omringende landen. Bovendien is nu al een groot deel van de personen tussen 15 en 64 actief op de arbeidsmarkt: de arbeidsparticipatie in Nederland behoort tot de hoogste in Europa.

Grafiek 1: Arbeidsparticipatie (2005) en vergrijzing (2050) in de EU



kst99344_2_01.gif

Bron: Europese Commissie, Long-term labour force projections for the 25 EU Member State, november 2005.

Vijf beleidsprioriteiten

De hervormingsagenda bevat voor het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vijf prioriteiten: terugdringen van arbeidsongeschiktheid, versterken van re-integratie, vergroten van de arbeidsparticipatie van ouderen, verbeteren combinatie van arbeid en zorg en vermindering van administratieve lasten. Om de begroting voor 2007 – en de uitdagingen voor de langere termijn – in perspectief te kunnen plaatsen, is het van belang de balans op te maken.

Arbeidsongeschiktheid

Met de invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is een belangrijke stap gezet in het terugdringen van de arbeidsongeschiktheid. In het nieuwe stelsel gaan we uit van wat mensen nog wél kunnen. Op basis van arbeidsgeschiktheid wordt bekeken hoe iemand weer zo snel mogelijk aan de slag kan. Dat geldt niet alleen voor nieuwe gevallen, maar ook, door de herbeoordelingsoperatie, voor een gedeelte van het zittende bestand. Werkgevers en werknemers hebben daarbij een grotere rol gekregen in de eerste twee ziektejaren. Zij hebben beiden belang bij snelle re-integratie: de werkgevers door de gedeeltelijke loondoorbetaling gedurende twee jaar en de werknemers doordat zij minder dan het volledige loon krijgen. Daarnaast maken we samen met werkgevers en werknemers meer werk van preventie, via arboconvenanten, arbobeleid en maatwerk in de arbodienstverlening. De arboconvenanten hebben in de 69 sectoren waar zij zijn afgesloten, geleid tot een daling van het ziekteverzuim met 22% in vijf jaar tijd. Ook in sectoren zonder convenant daalde het verzuim, zij het in mindere mate, als gevolg van meer algemene beleidsmaatregelen zoals de Wet verbetering poortwachter.


Het doel van deze maatregelen was een vermindering van de instroom van duurzaam volledig arbeidsongeschikte werknemers tot maximaal 25 000 per jaar. De totale effecten van het nieuwe stelsel op de instroom zijn nog niet bekend; de huidige instroomcijfers betreffen slechts de eerste zes maanden. Maar gegeven die onzekerheid lijken de eerste cijfers erop te wijzen dat de instroom van duurzaam en volledig arbeidsongeschikten inderdaad is afgenomen tot ruim beneden de 25 000 per jaar.

Re-integratie

Een meer activerende sociale zekerheid bewijst zich door een hogere uitstroom van uitkeringsgerechtigden naar werk. Om dit te bereiken, zijn de prikkels om te werken versterkt. Allereerst bij uitvoerders. Gemeenten hebben nu meer beleidsvrijheid en een groter financieel belang bij het aan werk helpen van bijstandgerechtigden. Dit is vastgelegd in de Wet werk en bijstand die op 1 januari 2004 is ingegaan. Gemeenten zijn tevreden over deze decentralisatie. Experimenten op lokaal niveau zoals «Work First» geven aan dat de beoogde omslag in het denken van inkomen naar werk zich duidelijk begint af te tekenen.


Mensen worden ook zelf financieel gestimuleerd om weer aan het werk te gaan. Zo bevat de WIA de werkhervattingregeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA), die werken en meer werken beter beloont dan niet werken. De WIA bevat daarnaast ook stimulansen voor re-integratie voor de werkgever, zoals de no-riskpolis, premiekortingen en subsidies voor voorzieningen.


Meer mensen die vanuit de bijstand, WW of arbeidsongeschiktheid een re-integratietraject volgen, moeten een reguliere baan binden. Doel is dat in 2007 een kwart meer mensen regulier werk vindt binnen 24 maanden na de start van een re-integratietraject. In 2004 bedroeg dit aandeel 26% en in 2005 34%. Dit betekent een toename van ongeveer 30%. In 2005 zijn 171 duizend mensen op een re-integratietraject geplaatst. Het kabinet verwacht met de huidige aantrekkende economie en de afspraken met sociale partners over re-integratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten dat de doelstelling ook in latere jaren zal worden gehaald.

Arbeidsparticipatie ouderen

De laatste jaren is de arbeidsparticipatie van mensen in de leeftijdscategorie van 55 tot 64 gestegen. Dat is van groot belang omdat het aandeel van deze leeftijdscategorie fors toeneemt. Alleen bij stijgende arbeidsparticipatie van ouderen blijft de actieve beroepsbevolking op peil en daarmee ook de basis voor onze welvaart en sociale voorzieningen.


Om dit te realiseren is vroegtijdig stoppen met werken minder aantrekkelijk gemaakt. Fiscale subsidiëring van vervroegd uittreden is afgeschaft en het gebruik van de WW als uittreedroute is teruggedrongen. Van oudere werklozen wordt verwacht dat ook zij solliciteren. Om deze groep te ondersteunen heeft het kabinet een bonus gezet op langer doorwerken; voor werkgevers door middel van een premievrijstelling, voor oudere werknemers via een stijgende arbeidskorting. Ten slotte is een voorlichtingscampagne gestart om de benodigde cultuuromslag te bewerkstelligen.


In 2007 moet 40% van de ouderen tussen 55 en 64 jaar aan het werk zijn. De arbeidsparticipatie is – ondanks de ongunstige economische ontwikkeling – gestegen van 39,2% in 2004 naar 39,7% in 2005, waardoor de doelstelling binnen bereik lijkt te liggen.

Arbeid en zorg

Wie arbeid en zorg wil combineren, moet die keuze zonder belemmeringen kunnen maken. Met verlofregelingen en kinderopvang zijn daarvoor belangrijke voorwaarden gecreëerd. Daardoor blijven vooral vrouwen met jonge kinderen voor de arbeidsmarkt behouden. De levensloopregeling die sinds 1 januari 2006 bestaat, biedt een extra faciliteit. Daarmee wordt het makkelijker om onbetaald verlof te nemen voor bijvoorbeeld zorgtaken of verdere scholing. Een betere balans tijdens de loopbaan kan er vervolgens toe leiden dat werknemers aan het eind van hun carrière langer door kunnen en willen werken. Ook dat is goed voor de arbeidsparticipatie. Er is ook in financiële zin fors geïnvesteerd. Het bedrag op de begroting voor de Wet kinderopvang is bijvoorbeeld opgelopen van € 670 miljoen in 2005 tot € 890 miljoen in 2006. Dit zal in 2007 verder stijgen naar ruim één miljard euro.


Deze maatregelen moeten ertoe leiden dat het aantal werknemers dat arbeid en zorg wil combineren, maar dat feitelijk nog niet doet, in 2009 25% kleiner is dan in 2005. De eerste gegevens over de effectiviteit van de maatregelen komen beschikbaar in het voorjaar van 2008.

Administratieve lasten

De administratieve lasten voor het bedrijfsleven moeten op het terrein van SZW met een kwart verminderen. Dat scheelt bedrijven miljoenen euro’s en veel werk. Zo kunnen ondernemers zich richten op waar ze goed in zijn: ondernemen. Het verhoogt ook de kwaliteit en handhaafbaarheid van de regelgeving. De gecombineerde aangifte van loonbelasting en sociale premies bij de Belastingdienst heeft op dit terrein al een enorm verschil gemaakt. Dit vergde een eenmalige omslag van diverse rapportages naar één maandelijkse, uitgebreide rapportage aan de Belastingdienst. Als systemen daarop zijn ingericht, worden de voordelen duidelijk van het hergebruik van deze gegevens door UWV, CWI, CBS, SVB, CVZ, pensioenfondsen en verzekeraars. Behalve werkgevers moeten ook burgers minder administratieve lasten krijgen. Ook hier is al veel bereikt, met name doordat de aanvraagprocedure voor een uitkering is gestroomlijnd. Het voorstel om een verplichte werkgeversbijdrage voor kinderopvang in te voeren zal in 2007 de administratieve lasten voor burgers en bedrijven nog verder verminderen. Gebruik van gegevens van de polisadminsitratie moet de uitvraag aan burgers beperken, terwijl door gebruik van het digitale klantendossier sneller informatie kan worden verzonden.

Economisch beeld

Niet alleen in het stelsel van werk en inkomen is een omslag merkbaar. Ook de economie heeft een omslag gemaakt. Na vijf jaar, een uitzonderlijk lange periode, van tegenwind is in 2006 weer sprake van een aantrekkende economie. Door de loonmatiging is de concurrentiepositie van Nederland verbeterd. Daardoor profiteren we via hogere uitvoer van de groei van de wereldhandel. Maar ook de investeringen trekken aan, een teken van vertrouwen van ondernemers. De werkgelegenheid vertoont na vier jaar daling, in 2006 voor het eerst weer een toename. De werkloosheid loopt terug. De opgaande lijn die we nu zien in 2006, zet zich naar verwachting door in 2007, met een lichte tempering van de economische groei tot 3%. Het herstel gaat dus in een hoog tempo.


Een te snelle groei kan zorgen voor oververhitting van (delen van) de economie, wanneer kraptes op de arbeidsmarkt ontstaan en lonen bovengemiddeld gaan stijgen. Daarmee kan economisch herstel de kiem van de volgende recessie in zich dragen. Dit risico doet zich nu nog niet voor. Onder meer door een lange looptijd van cao’s lijken de lonen zich in 2007 naar verwachting gematigd te ontwikkelen. Daarmee wordt de internationale concurrentiepositie van Nederland volgend jaar versterkt. Daarnaast hebben de structurele hervormingen gezorgd voor een groter arbeidsaanbod, waardoor de grenzen aan de groei later in zicht komen. In dit verband kan ook gewezen worden op de regelingen voor de migratie van kenniswerkers en de openstelling voor werknemers uit de nieuwe lidstaten van de EU. Het aantal werknemers uit de nieuwe lidstaten dat gebruik zal maken van de nieuwe regeling zal naar verwachting relatief beperkt zijn. Schattingen gaan nu uit van een toename van 23 500 tot 33 500 in het eerste jaar (dat is «slechts» 0,4 tot 0,5% van de totale arbeid). Maar omdat deze nieuwe werknemers vaak zullen gaan werken in sectoren waar in ons land weinig mensen voor te vinden zijn, levert de regeling een belangrijke bijdrage aan het tegengaan van mogelijke kraptes op de arbeidsmarkt. Knelpunten die het gevolg zijn van een kwalitatieve mismatch tussen vraag naar en aanbod van arbeid worden bestreden door in te zetten op scholing.


Box: Nederland werkt! Feiten en cijfers

Sociale partners hebben door loonmatiging een belangrijke bijdrage geleverd aan het economisch herstel. Hierdoor kon immers de verslechtering van de concurrentiepositie ombuigen in een verbetering. De stijging van de lonen is afgenomen van 2,7% in 2003 tot 0,8% in 2005. De loonstijging neemt naar verwachting toe tot 2% in 2007. Dit is gezien het economische herstel verantwoord. Ter bevordering van de participatie van vrouwen heeft het kabinet onder andere de levensloopregeling ingevoerd, is geïnvesteerd in kinderopvang en zal in 2007 uitvoering worden gegeven aan de motie Van Aartsen-Bos voor de verbetering van de naschoolse opvang. De ingrepen in vut/prepensioen stimuleren de participatie van ouderen.

• De werkloosheid daalt van gemiddeld 400 duizend personen (5,4%) in 2003 tot naar verwachting 345 duizend (4½%) in 2007.

• De arbeidsparticipatie (15–64 jaar) stijgt van 63,8% in 2003 naar 65,0% in 2007. In 2007 hebben 207 duizend mensen meer dan in 2003 een baan van 12 uur per week of meer, dit ondanks een afname van de participatie in de jaren 2004 en 2005.


Op het terrein van de sociale zekerheid zijn grote structurele hervormingen doorgevoerd. In 2004 werd de Bijstand vervangen door de Wet werk en bijstand (WWB), in 2006 is de WAO vervangen door de WIA en ook in de WW zijn een aantal wijzigingen aangebracht om de prikkels gericht op uitstroom naar werk te versterken.

• De WW kende aanvankelijk een oplopend beroep, maar het uitkeringsvolume daalt sinds het 3e kwartaal van 2005. In 2007 zal de WW naar verwachting afnemen met 50 duizend uitkeringsjaren ten opzichte van 2003 tot 170 duizend.

• Het beroep op een bijstandsuitkering is eveneens afgenomen. In 2003 hadden 330 duizend mensen een dergelijke uitkering, in 2007 naar verwachting 311 duizend.

• Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen neemt gestaag af, van 980 duizend in 2003 tot naar verwachting 825 duizend in 2007.


Bovenbeschreven daling van de uitkeringvolumes en stijgende arbeidsparticipatie leiden tot een daling van het aantal mensen onder de 65 dat afhankelijk is van een uitkering (inactieven 65 in grafiek 2). De ratio tussen inactieven en actieven, de zgn I/A ratio die een maatstaf biedt voor het (financiële) draagvlak van het sociale zekerheidsstelsel daalt ook. Deze daling is minder geprononceerd, omdat de I/A ratio ook 65-plussers tot inactieven rekent en de hoeveelheid mensen boven de 65 stijgt.


Grafiek 2: inactieven onder de 65 en de I/A ratio



kst99344_2_02.gif

In 2006 en 2007 is respectievelijk € 2½ miljard en € 1,2 miljard uitgetrokken voor koopkrachtondersteunende maatregelen. De administratieve lasten voor burgers zijn verlaagd door het stroomlijnen van het aanvragen van een uitkering via de polisadministratie en de invoering van het digitale klantendossier. Bedrijven profiteren onder andere van de gecombineerde aangifte en inning van loonbelasting en sociale premies bij de Belastingdienst.

• De koopkracht van ouderen met een klein aanvullend pensioen zal, ondanks de recessie, over de gehele kabinetsperiode toenemen met gemiddeld 2¾ procent (1¾% inclusief huurtoeslag). Voor een gezin met kinderen en een modaal inkomen (€ 30 090), is dit 1¼ procent. In 2006 en 2007 neemt de koopkracht gemiddeld weer toe

• De administratieve lastendruk voor burgers én bedrijven zal in 2007 met een kwart zijn afgenomen ten opzichte van 2002.

Beleidsvoornemens 2007

De hervormingsagenda staat stevig op de rails. In 2006 zijn belangrijke onderdelen van de agenda uitgevoerd. Op het terrein van de arbeidsongeschiktheid, de deelname van ouderen aan het arbeidsproces en de werkloosheidsverzekering zijn belangrijke stelselwijzigingen doorgevoerd. Bij het indienen van de begroting is 2006 daarom een jaar van «werk in uitvoering» genoemd.


Zoals aangegeven in de Regeringsverklaring is 2007 een bijzonder begrotingsjaar. Enerzijds is het kabinet zich ervan bewust dat, gegeven de bijzondere situatie en het feit dat er sprake is van een minderheidskabinet, terughoudendheid en zorgvuldigheid op zijn plaats zijn. Maar het kabinet meent ook dat het belangrijk is om nu door te gaan op de ingeslagen weg. Zo staan op dit moment zes belangrijke wetsvoorstellen op het terrein van SZW op de agenda van de Tweede Kamer. Het gaat om een verplichte werkgeversbijdrage voor de kinderopvang, een nieuwe Pensioenwet, een nieuwe Arbowet, een nieuwe Arbeidstijdenwet, terugkeerbanen en de invoering van de bestuurlijke boete voor betaling onder het wettelijk minimumloon. Het kabinet hecht aan behandeling door het parlement van deze wetsvoorstellen, zodat de maatregelen per 1 januari 2007 kunnen ingaan. Voor deze onderwerpen is 2007 dus nog het jaar van de uitvoering.

Op andere terreinen zal in 2007 het eerder ingezette beleid worden doorgezet met waar nodig intensiveringen. Nu de economie aantrekt, is het belangrijk dat kansen worden benut om nog meer mensen aan werk te helpen. Voor degenen die hier zelf niet in slagen is extra ondersteuning gewenst.

Leren en werken

Scholing is het eerste instrument om mensen te ondersteunen op de arbeidsmarkt. Zowel voor starters op de arbeidsmarkt als voor mensen die al een baan hebben. De ondersteuning is echter pas effectief als de scholing goed aansluit op de behoeftes van de arbeidsmarkt. Hier zijn meerdere partijen aan zet: werkgevers, werknemers, scholen, leerlingen en overheden.


De ministeries van OCW en SZW werken sinds maart 2005 samen in de tijdelijke Projectdirectie Leren en Werken. Deze projectdirectie heeft als taak een «leven lang leren» voor werknemers te stimuleren. Inmiddels heeft het kabinet in intentieverklaringen afspraken gemaakt voor ruim 18 000 leerwerkplekken. Ook zijn er afspraken gemaakt voor ruim 14 000 EVC-procedures (Erkenning van Verworven Competenties). Via deze procedures worden vaardigheden die mensen hebben opgedaan op de werkvloer, of elders buiten het reguliere onderwijs, erkend met certificaten of diploma’s, waardoor hun kansen op de arbeidsmarkt verbeteren. Het project heeft meer tijd (tot eind 2007) en meer geld (€ 5 miljoen) gekregen, zodat op beide onderdelen de resultaten nog zullen stijgen.


Werkgevers en werknemers zijn de andere belangrijke partijen bij «leren en werken». Met hen heeft het kabinet op de werktop, eind 2005, afspraken gemaakt. Sociale partners hebben daarbij toegezegd dat zij zich, onder meer via afspraken in cao’s, zullen inspannen om meer mogelijkheden te creëren voor scholing. Daarbij gaat het om betere afstemming van scholing op de (regionale) arbeidsmarktbehoefte, stageplaatsen, scholing van werkenden en leerwerkplekken. Het kabinet ondersteunt deze initiatieven met € 35 miljoen voor stageplaatsen in het MBO en door fiscale stimuleringsregelingen voor de scholing van werknemers te verruimen met € 40 miljoen tot in totaal € 357 miljoen. Daarnaast investeert het kabinet in 2006 en 2007 € 103 miljoen in het tegengaan van voortijdig schoolverlaten.


Verbetering van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt is ook een taak van regionale partijen. Bij het bestrijden van voortijdig schoolverlaten en jeugdwerkloosheid en het stimuleren van scholing van volwassenen is een betere samenwerking tussen scholen, bedrijfsleven, gemeenten en CWI’s van groot belang. De bewindslieden van OCW en SZW zullen in het najaar van 2006 hun plannen presenteren om regionale samenwerking op dit punt te versterken.

Op weg naar werk

Mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben vaak meer specifieke ondersteuning nodig om uitzicht te kunnen krijgen op een baan. Voor hen zijn scholing of bemiddeling alleen niet voldoende om de afstand tot de arbeidsmarkt te overbruggen. In navolging van adviezen van de Tweede Kamer is een wetsvoorstel voor terugkeerbanen ingediend om gemeenten meer mogelijkheden te geven om deze mensen te ondersteunen richting regulier werk. Als dit wetsvoorstel in werking is getreden, kunnen gemeenten mensen maximaal twee jaar met behoud van uitkering laten werken. Dat werk is tijdelijk en additioneel, houdt rekening met de vaardigheden van de betrokkene en is gericht op zijn ontwikkeling richting regulier werk. Gemeenten krijgen de ruimte om maatwerk te leveren doordat zij zelf de toelatingscriteria en begeleiding vaststellen. Het streven is dat dit wetsvoorstel op 1 januari 2007 ingaat.


Sociale partners en het kabinet volgen de inspanningen van re-integratiebedrijven en UWV ten behoeve van de ondersteuning van gedeeltelijke arbeidsgeschikten naar een baan nauwlettend. Zo moet een duidelijk beeld ontstaan van de knelpunten en de goede voorbeelden bij re-integratie. Ook is op de werktop afgesproken dat partijen een gezamenlijke campagne voeren om werkgevers en werknemers te wijzen op de positieve kanten van werken met gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Deze campagne «Geknipt voor de juiste baan» is eind mei 2006 gestart en loopt ook in 2007 door.


De Taskforce jeugdwerkloosheid is hard op weg om in 2007 het beoogde resultaat van 40 000 extra jeugdbanen te realiseren. Vooralsnog staat de teller (medio 2006) op 32 500 extra banen. De jeugdwerkloosheid daalt, en sneller dan de gemiddelde werkloosheid. Tegelijkertijd neemt de zorg voor jongeren die nog werkzoekend zijn toe. Er blijft een harde kern van jongeren over die ondanks de aantrekkende economie nog niet aan het werk is gekomen. Aan de ene kant zijn dit jongeren die zich onttrekken aan arbeidsmarkt, uitkering en onderwijs. Het kabinet wil het initiatief nemen om een start te maken met een nieuw wetstraject dat tot doel heeft probleemjongeren, die onvoldoende worden gestimuleerd door bestaande maatregelen, te verplichten om deel te nemen aan intensieve scholingstrajecten en begeleiding. Aan de andere kant zijn het jongeren die wel bekend zijn bij CWI en gemeenten, maar die onvoldoende opleiding hebben om een plek op de arbeidsmarkt te verwerven. De Taskforce jeugdwerkloosheid richt zich specifiek op deze groep. Dat gebeurt met name via het 2e kans Beroepsonderwijs dat hun de kans geeft die kwalificatie wel te halen. Met afspraken uit de Werktop en in cao’s en met extra geld van het ministerie van SZW wordt alles gedaan om deze jongeren alsnog aan een diploma en werk te helpen.


Er zijn veel misverstanden over ouderen en gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers. De regiegroep Grijs Werkt en de Commissie Werkend Perspectief zetten zich in om de beeldvorming te verbeteren, wat moet leiden tot een betere positie op de arbeidsmarkt voor deze groepen. Het jaar 2007 zal voor deze tijdelijke initiatieven en projecten voor een belangrijk deel in het teken staan van het afronden en overdragen van werkzaamheden en het doorgeven van ervaringen.


Ook de aansluiting van minderheden op maatschappij en arbeidsmarkt vraagt specifieke aandacht. Het kabinet heeft daarom, vaak samen met sociale partners, minderhedenorganisatie, VNG en uitvoeringsorganisaties, een aantal initiatieven ontwikkeld die aangrijpen bij mogelijke belemmeringen die minderheden ondervinden bij het betreden van de arbeidsmarkt. Zo zijn tijdens de Werktop onder meer afspraken gemaakt over het aanpakken van de stageproblematiek en het opsporen en tegengaan van mogelijke vormen van discriminatie op de arbeidsmarkt. Afgesproken is dat deze maatregelen in het Najaarsoverleg met sociale partners zullen worden geëvalueerd. In de Regiegroep «allochtone vrouwen en arbeid», de opvolger van de commissie PaVEM, werken gemeenten, uitvoeringsinstanties en werkgevers samen om meer allochtone vrouwen aan werk te helpen.

Ondernemerschap

Ondernemerschap past in het huidige tijdsbeeld waarin een baan voor het leven bij één werkgever voor de meeste mensen geen realiteit meer is. Regelmatige baanwisselingen of de keuze voor zelfstandig ondernemerschap zijn steeds gebruikelijker. Dat vergroot de economische dynamiek én het aantal banen. Deze ontwikkelingen leiden ertoe dat naast vaste werknemer-werkgeverrelaties nieuwe, flexibele arbeidsrelaties ontstaan. Dit heeft consequenties voor regelgeving. Met het Project stimulering ondernemerschap is geïnventariseerd welke belemmeringen voor ondernemerschap aanwezig zijn op SZW-terrein. Deze inventarisatie heeft geleid tot concrete acties. Zo is de WW aangepast waardoor werklozen worden gestimuleerd een eigen bedrijf te starten. Een stevige verankering van het ondernemerschap binnen het beleidsterrein van SZW is ook voor 2007 een belangrijke prioriteit. Hier ligt ook een duidelijke taak voor de uitvoeringsorganisaties, waar het de uitstroom uit een uitkering betreft.

Arbeid en Zorg

Ondersteuning op de arbeidsmarkt bestaat ook uit het wegnemen van belemmeringen voor mensen om aan de slag te gaan. Zorgtaken kunnen een belemmering zijn om te gaan werken of om meer uren te werken. Het kabinet investeert ook in 2007 fors in regelingen die de combinatie van arbeid en zorg vergemakkelijken. Dat brengt de doelstelling van een stijgende arbeidsparticipatie van vrouwen naar 65% in 2010 dichterbij.


In de eerste plaats zal het kabinet, bovenop de investering van € 200 miljoen in 2006, in 2007 € 125 miljoen extra steken in de Wet kinderopvang. Daarmee zullen de kosten voor kinderopvang met name voor mensen met een middeninkomen verder afnemen. Daarnaast is een wetsvoorstel ingediend dat voorziet in een verplichte werkgeversbijdrage voor kinderopvang. Uit onderzoek is gebleken dat slechts tweederde van de werknemers aanspraak kan maken op een volwaardige werkgeversbijdrage. Door deze bijdrage per 1 januari 2007 te verplichten, zijn werknemers met kinderen verzekerd van een voldoende werkgeversbijdrage. Bovendien wordt het voor werkende ouders makkelijker om de financiële tegemoetkoming te krijgen. Daarvoor hebben zij voortaan alleen nog te maken met de Belastingdienst. Ook dat verlaagt de drempel om (meer) te werken. Bovendien betekent het voor werkgevers minder administratieve lasten. Verder krijgen de basisscholen aan het begin van het schooljaar 2007–2008 de wettelijke taak om de aansluiting met de erkende kinderopvang te regelen. Ook dat neemt belemmeringen weg, met name bij werkende ouders met jonge kinderen. Met dit wetsvoorstel wordt uitwerking gegeven aan de motie Van Aartsen/Bos.

Beschermd werken

Werk is niet voor iedereen een optie. Voor mensen met zware beperkingen kan een gewone baan onhaalbaar blijken. Voor hen biedt de sociale werkvoorziening een alternatief. Inmiddels heeft het kabinet een wetsvoorstel tot modernisering van de sociale werkvoorziening ingediend. Het doel van het wetsvoorstel is om aan zo veel mogelijk mensen voor wie regulier werk geen optie is, aangepaste arbeid te bieden in een zo gewoon mogelijke omgeving. Dat kan zijn in de beschutting van een sociale werkvoorziening, maar ook bij een reguliere werkgever, via een detachering of met begeleiding. Om plaatsing bij reguliere werkgevers te stimuleren, worden de verantwoordelijkheden voor gemeenten versterkt, krijgt de cliënt meer rechten en worden werkgevers gestimuleerd om arbeidsplaatsen beschikbaar te stellen. Zo leidt modernisering van de sociale werkvoorziening ertoe dat mensen het maximale uit zichzelf halen.

Om dit te ondersteunen investeert het kabinet jaarlijks € 78 mijoen extra in de sociale werkvoorziening. Het streven is om dit wetsvoorstel in te laten gaan per 1 januari 2008.

Minder regels en meer handhaving

De deregulering en vermindering van administratieve lasten wordt naar verwachting ook volgend jaar zichtbaar voor burgers en bedrijven. Burgers zullen in 2007 profiteren van het digitale klantdossier. Gegevens zijn daardoor beter beschikbaar. De SVB, het UWV en CWI zullen daarnaast vanaf eind 2007 steeds meer werken met vooringevulde gegevens op aanvraagformulieren. Bedrijven profiteren van de herziening van de Arbowet. In 2007 worden op SZW-terrein op beide fronten, lasten voor burgers en bedrijven, de gestelde doelen van een kwart reductie gehaald.


Voor de regels die nog wel blijven bestaan geldt dat de handhaving wordt versterkt. Het onlangs aan de Tweede Kamer aangeboden handhavingsprogramma voor 2007–2010 kent drie sporen. Voorlichting en informatieverstrekking moeten overtredingen als gevolg van niet-weten voorkomen. Vereenvoudiging van regelgeving moet overtredingen door niet-kunnen tegengaan. Overtredingen door niet-willen worden streng en waar mogelijk zichtbaar aangepakt.


Een van de accenten van het handhavingsprogramma is een verdere versterking van de aanpak van oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Het streven van de regering naar vrij verkeer van werknemers met de Midden- en Oost-Europese (MOE) landen per 1 januari 2007 gaat samen met de invoering van flankerend beleid op het terrein van huisvesting en arbeidsvoorwaarden. Ook de voorgestelde mogelijkheid van het opleggen van een bestuurlijke boete bij betaling onder het wettelijk minimumloon is onderdeel van dit flankerende beleid. Verder zal door de versterking van de samenwerking tussen de Arbeidsinspectie en de Belastingdienst, sociale partners, (vreemdelingen)politie en buitenlandse handhavingspartners de aanpak van misbruik van regelgeving in verband met zwart werk en illegale tewerkstelling uit zowel de MOE-landen als daarbuiten.

Meer ruimte

Meer ruimte voor werkgevers en werknemers vormt de kern van de nieuwe Arbeidstijdenwet en de nieuwe Arbowet. Met de nieuwe Arbeidstijdenwet krijgen werkgevers en werknemers meer ruimte om zelf afspraken te maken over arbeidstijden en roosters. Met de nieuwe Arbowet krijgen werkgevers en werknemers meer mogelijkheden om zelf invulling te geven aan de wijze waarop men in de eigen sector aan de arbovereisten voldoet. Dat heeft als voordeel dat een onderneming een arbobeleid kan voeren dat rekening houdt met de specifieke kenmerken van die onderneming. Dat zorgt voor maatwerk, lage kosten en een minimum aan administratieve lasten. Bovendien heeft een arbobeleid dat samen met werknemers is opgesteld een groter draagvlak binnen een onderneming.


Meer ruimte voor werkgevers en werknemers vormt ook een belangrijk thema in het consultatieproces over een toekomstbestendige inrichting van medezeggenschap. Organisaties worden complexer en dynamischer en medewerkers meer divers, zowel in achtergrond als in contractvorm. Bovendien zijn medewerkers mondiger dan vroeger. Dat stelt nieuwe eisen aan medezeggenschap. Na een proces van onderzoeken en discussies met diverse betrokken partijen, zal het kabinet in 2006 een analyse van de toekomst van medezeggenschap op basis van scenario’s presenteren. Dit zal de basis vormen voor een debat met de Tweede Kamer over de contouren van een toekomstbestendige medezeggenschapswet.


Ook de pensioen- en spaarfondswetgeving is toe aan modernisering. Daartoe heeft de regering het voorstel voor een vernieuwde Pensioenwet ingediend. De nieuwe wet verplicht de pensioenfondsen meer en duidelijke informatie te geven aan werknemers en gepensioneerden. Het toezicht op de pensioenfondsen wordt versterkt, onder meer door een nieuw financieel toetsingskader. Ook betekent het wetsvoorstel een versterking van de zeggenschapspositie van ouderen jegens de uitvoerders van pensioenregelingen. De parlementaire behandeling is voorzien voor het najaar van 2006. Als het parlement met het wetsvoorstel instemt, zal de wet op 1 januari 2007 in werking treden.

Inkomen

De aantrekkende economie gaat gepaard met een grotere dynamiek op de arbeidsmarkt en met een groeiende werkgelegenheid. Voor veel werknemers en werkzoekenden betekent dit dat hun perspectief op een positieve inkomensontwikkeling aanmerkelijk verbetert. Voor de meeste mensen blijft een betaalde baan de beste manier om meer inkomen te krijgen. Bij het inkomensbeleid voor 2007 vormt het stimuleren van mensen om (meer) te gaan werken dan ook een belangrijke overweging. Daarnaast wil het kabinet de inkomenspositie van gezinnen met kinderen verbeteren.


Voor 2007 is, er sprake van plussen en minnen op het gebied van lastenontwikkeling. Per saldo dalen de lasten met € 1 miljard, gelijkelijk verdeeld over burgers en bedrijven. De lastenverlichting wordt met name gericht op het verminderen van de lasten op arbeid. In de eerste plaats via een verlaging van de premies voor de WW. Dit is in lijn met de daling van de werkloosheid en betekent ook een belangrijke stap in de richting van lastendekkende premies. Ook dalen de tarieven van de laatste belastingschijven en worden de arbeidskorting en aanvullende combinatiekorting verhoogd. Met deze maatregelen wordt (meer) werken voor meer mensen meer lonend. Het kabinet hoopt bovendien dat deze maatregelen bijdragen aan een gematigde loonontwikkeling.


Naast de lastenverlichting op arbeid worden koopkrachtondersteunende maatregelen genomen, gericht op gezinnen met kinderen. Het gaat dan om verhoging van de kinderbijslag en in de kinderopvangtoeslag. Daarnaast is het kabinet van plan om in 2007 een wetsvoorstel in te dienen om de kinderkorting om te vormen in een kindertoeslag. Ook de gepensioneerden ontvangen specifieke ondersteuning, in de vorm van een verhoging van de AOW-tegemoetkoming.


Het pakket aan maatregelen zorgt voor een evenwichtig koopkrachtbeeld. De meeste mensen gaan er in 2007 naar verwachting op vooruit. Er kunnen ook huishoudens zijn waarvan de koopkracht gelijk blijft of daalt, maar de verschillen in koopkrachtontwikkeling tussen huishoudens zullen kleiner zijn dan in 2006. Dit komt doordat er in 2007 geen grote stelselwijziging wordt ingevoerd (zoals in 2006 het geval was met het nieuwe zorgstelsel). In de bijlage inkomensbeleid 2007 staat de doorwerking van specifieke maatregelen op het koopkrachtbeeld beschreven.


Het afgelopen jaar is van verschillende kanten aandacht gevraagd voor de problematiek van armoede in Nederland. Het kabinet neemt deze signalen zeer serieus. Om de problematiek goed in kaart te brengen, zijn diverse onderzoeken uitgevoerd en heeft een uitgebreide consultatie van ervaringsdeskundigen en experts plaatsgevonden. Op basis hiervan heeft het kabinet vier prioriteiten geformuleerd. Voorop staat de activering en ondersteuning van mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De diverse maatregelen op dit terrein voor 2007 zijn hierboven al genoemd. Daarnaast heeft het bestrijden van armoede en bevorderen van participatie onder kinderen en jongeren speciale aandacht. Goede kinderopvang en buitenschoolse opvang, het voorkomen van schooluitval en het tegengaan van jeugdwerkloosheid zijn belangrijk om sociale uitsluiting van kinderen uit gezinnen met lage inkomens tegen te gaan. Aanpak van schulden en niet-gebruik van inkomensvoorzieningen zijn de derde en vierde prioriteit. Op de Bestuurlijke Conferentie hierover in de zomer van 2006 is afgesproken dat betrokken instanties en overheden nauwer gaan samenwerken om schuldenproblemen van mensen aan te pakken. Dit is nodig omdat bijvoorbeeld het gebrek aan een integrale aanpak nog te vaak goede hulp in de weg staat. Voorts heeft het kabinet €  25 miljoen extra beschikbaar gesteld voor schuldhulpverlening. Ten slotte zal de Wet werk en bijstand worden aangepast zodat nieuwe bijstandgerechtigden sneller hun uitkering ontvangen. Zo wordt voorkomen dat zij zich in afwachting van een beslissing over hun uitkering in de schulden moeten steken.

Internationaal

Nederland zal actief meewerken aan de afronding van een aantal cruciale Europese dossiers: de zeer gewenste herziening van de arbeidstijdenrichtlijn en start van het Europese Genderinstituut en het Globaliseringsfonds. Inhoudelijk stelt Nederland zich ten aanzien van de Globaliseringsfonds kritisch op. Nederland steunt ook het agenderen van «flexicurity» (een goede verhouding tussen flexibiliteit en zekerheid) op de Europese agenda en zal samen met andere lidstaten, sociale partners en de Europese Commissie meewerken aan het verkennen van gemeenschappelijke beginselen.


Na de herziening van de Lissabonstrategie in 2005 hebben de lidstaten de acties die ze zelf zullen ondernemen vastgelegd in de Nationale Hervormingsprogramma’s 2005–2008. Dit jaar zullen de Lidstaten verslag doen over de implementatie ervan. Daarnaast wordt een Nationaal Strategierapport opgesteld, waarin wordt ingegaan op sociale samenhang, pensioenen en zorg. Uitgaande van de eigen hervormingsagenda kiest Nederland voor een duidelijke link tussen beide rapportages.


De World Commission on the Social Dimension of Globalisation heeft, in opdracht van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) in 2004 een rapport gepubliceerd. Een van de conclusies is dat «Decent Work» (de bevordering van volledige werkgelegenheid, naleving van fundamentele arbeidsnormen, sociale bescherming, en sociale dialoog) een mondiaal doel moet worden. Nederland draagt het belang van de sociale dimensie van globalisering en de conclusies van de World Commission met kracht uit in de Europese Unie en bij andere internationale organisaties, zoals de ILO en de VN.

Ten slotte

Mede dankzij de hervormingsagenda staat Nederland er nu beter voor. De sociale zekerheid is meer gericht op het aan werk helpen van mensen en er is gesnoeid in overbodige regels. Een aantal vraagstukken zal echter ook in de toekomst de nodige aandacht vragen. Een verdere verhoging van de arbeidsdeelname blijft cruciaal, niet alleen voor het draagvlak van onze sociale voorzieningen, maar ook voor de emancipatie en integratie van mensen. Ten aanzien van de arbeidsparticipatie van vrouwen en ouderen zijn nog verdere stappen wenselijk. Er blijft aandacht nodig voor het voorkomen van achterstanden. Onderwijs zal daarbij een steeds grotere rol spelen. We moeten blijven investeren in mensen om achterstanden te voorkomen. Een «leven lang leren» en «werkend leren» zullen alleen maar belangrijker worden. Ook het vergroten van het aanpassingsvermogen van de Nederlandse economie, onder meer door een flexibele arbeidsmarkt, blijft een belangrijk thema. Voor al deze onderwerpen is met de hervormingsagenda een stevige basis gelegd. Op dit fundament zal nu verder moeten worden gebouwd.

Tabel 2.1: Beleidsprioriteiten
DoelstellingMaatregelenFinancieel kaderRealisatiemomentBegrotingsartikelen
WAO:Vermindering van de instroom van duurzaam volledig arbeidsongeschikte werknemers tot maximaal 25 000 per jaar.Verlenging loondoorbetaling per 1-1-2004 Beperking van aanvullingen op de verplichte loondoorbetaling in het eerste en tweede ziektejaar (afspra- ken uit sociaal akkoord 2004) Invoering Wetsvoorstel Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 29 december 2005. Versterking marktwerking en vraag- sturing op terrein van arbeidsomstandigheden, verruiming en herordening van arbodienstverlening in 2005 en evaluatie Wet verbetering Poortwachter uiterlijk april 2006. Arboconvenanten (eerste en tweede fase) in samenspraak met sociale partners over o.a. voorkoming arbeidsrisico’s, beperking van ziekteverzuim en WAO-instroom in bedrijfstakken met een hoog arbeidsongeschiktheidsrisico. Programma’s versterking arbeidsveiligheid, versterking arbobeleid stoffen en nieuw productbeleid.Besparing als gevolg van de stelselherziening op uitke- ringslasten en uitvoeringskosten ten opzichte van ongewijzigd beleid ten tijde van het HA oplopend tot € 680 miljoen in 2007De regering heeft de voor- genomen beleidsmaatrege- len ingevoerd. De effecten van deze maatregelen op de instroom WIA worden ge- monitord. De eerste reali- satiecijfers zijn nog erg prematuur voor een verge- lijking met de verwachtingen met betrekking tot het niveau van de WIA-instroom. De cijfers duiden wel op een lager aandeel IVA binnen de totale WIA instroom.23: Re-integratie29: Arbeidsomstandigheden, arbozorg en verzuim31: Inkomensbescherming met activering bij arbeidsongeschiktheid
     
Re-integratie:Toename van het percentage uitkeringsgerechtigden dat uitstroomt naar regu- liere arbeid – na te hebben deelgenomen aan een re-integratietraject – met een kwart (ten opzichte van 2004).Invoeren Wet werk en bijstand (WWB) per 1 januari 2004 (onder andere nieuwe budgetteringssystematiek, vrij besteedbaar re-integratiebudget, betere afstemming rechten en plichten) Invoeren werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) per 29 december 2005, als onderdeel van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsregeling (onder andere werken beter belonen dan niet-werken en meer werken beter belonen dan minder werken) Sturing op resultaat via prestatieafspraken met UWV over re-integratie WW’ers en arbeidsgehandicapten.Flexibel re-integratiebudget, € 1,6 miljard Onderdeel van het totaalbudget voor re-integratie (zie beleidsartikel 23)Realisatie uitstroomdoel- stelling.De nulmeting in 2004 bedroeg 26%; de realisatie in 2005 was op basis van voor- lopige cijfers 34%. Hiermee is de uitstroomdoelstelling onder voorbehoud gereali- seerd.22: Activerend arbeidsmarktbeleid23: Re-integratie24: Sociale werkvoorziening30: Inkomensbescherming met activering31: Inkomensbescherming met activering bij arbeidsongeschiktheid
     
Arbeidsparticipatie:Toename van de netto arbeidsparticipatie van ouderen (55–64 jaar) tot 40% in 2007.Afschaffen van de fiscale faciliëring voor VUT en prepensioen vanaf 2006 met uitzondering van lopende uitkeringen en van werknemers die per 1-1-2005 ouder zijn dan 55 jaar plus een aanvullend overgangsre geling tot 2011. Herinvoering op 1 januari 2004 van de sollicitatieplicht voor werklozen van 57,5 jaar en ouder, en premie- vrijstelling bij in dienst nemen en in dienst houden van oudere werknemers. Invoering Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, in werking getreden op 1 mei 2004. Afschaffen van de vervolguitkering WW. Invoering met terugwerkende kracht voor nieuwe instroom in de WW per 11-8-2003. Diverse maatregelen die voortvloeien uit het «kabinetsstandpunt stimuleren langer werken ouderen» (gepubliceerd in april 2004), waar- onder een meerjarige voorlichtingscampagne ter bestrijding van voor- oordelen over oudere werknemers en ter stimulering van langerdoor- werken. De hervormingen WW beogen per 1 oktober 2006 een verkorting van de uitkeringsduur – in het bijzonder voor oudere werklozen – en de bevordering van werkloosheidspreventie en werkhervatting door werkgevers en werknemers. De aanscherping van de wekeneis zal per 1 april 2006 ingevoerd wordenExtra opbrengst LB/IB van € 795 miljoen in 2006 en € 1 080 miljoen in 2007. Herinvoering sollicitatieplicht van 57,5 plussers in combinatie met de invoering van een premievrijstelling bij het in dienst houden en nemen van oudere werkne- mers leidt tot een besparing die oploopt naar structureel € 94 mln. De afschaffing van de vervolguitkering WW levert een besparing tot € 530 mln structureel op. In totaal wordt voor «stimuleren langer werken ouderen» in 2005 € 6,9 mln en in 2006 en 2007 € 9,1 mln. gereserveerd. De hervorming leidt naar verwachting tot een volume-effect van 42000 uitkeringen en een budgettair effect van € 480 mln.In 2005 is een netto-arbeidsparticipatievan 39,7% gerealiseerd, wat een voortzetting van de in 2004 ingezette stijgende trend in arbeidsparticipatie (39,2%) betekent. Hiermee is reali- satie van de 40% doelstelling binnen bereik.21: Inkomensbeleid22: Activerend arbeidsmarktbeleid27: Regulering van individuele arbeidsrelaties30: Inkomensbescherming met activering
     
Arbeid en zorg:Verkleinen van de groep werknemers die wel wil combineren, maar dat feitelijk (nog) niet doet met 25%Invoering Wet kinderopvang op 1 januari 2005 Invoering Levensloopregeling op 1 januari 2006 Invoering Wet langdurend zorgverlof op 1 juni 2005 Implementatie resultaten Stimule- ringsmaatregel DagindelingExtra overheidsbijdragen in het nieuwe stelsel van kinderopvang vanaf 2005 (€ 100 mln), 2006 (in totaal € 200 mln, waarvan € 130 mln voor de Wet Kinderopvang en invoering van verplichte werkgeversbijdrage (€ 529 mln in 2007, structureel € 586 mln). het nieuwe stelsel van kinderopvang vanaf 2005. Intensivering van € 890 miljoen in 2006 en 930 miljoen in 2007 voor de Levensloopregeling.Realisatie van de doelstelling in 2009. In 2005 bedroeg het percentage werknemers dat arbeid en zorg wil com- bineren, maar dit nog niet doet 21%.25: Arbeid en zorg35: Emancipatie
     
Vermindering van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven met een kwart op het terrein van SZW, onder andere via deregulering.April 2006 is een geactualiseerde voortgangsrapportage ingediend bij de Tweede Kamer. De belangrijkste maatregelen in 2007 zijn de herziening van Arbowet en Arbobesluit, het effect op premie-inning werknemersverzeke- ringen van de paarse krokodil, de invoering an de verplichte werkgeversbijdrage kinderopvang en het vervallen van het uitbestedingsregime re-integratie bij gemeenten.De administratieve lasten op het terrein van SZW worden middels al bij de Tweede Kamer bekende actiepunten en voornemens teruggebracht van € 2 533 miljoen in 2002 tot maximaal € 1 853 miljoen in 2007. Hiermee is de kwart reductie ruimschoots ingevuld. Het realiseren van de kabi- netsdoelstelling van 25% administratieve lastenverlichting (AL) in deze kabinetsperiode voor zowel bedrijven als burgers is op de beleidsterreinen van het ministerie van SZW concreet in zicht gekomen. De plan- nen voor administratieve lastenverlichting voor bedrijven tellen bij SZW inmiddels op tot € 680 miljoen ofwel bijna 27%. Daarvan is eind 2005 € 388 miljoen, ofwel 15,3% gerea- liseerd.22: Activerend arbeidsmarktbeleid23: Re-integratie27: Regulering van individuele arbeidsrelaties29: Arbeidsomstandigheden, arbozorg en verzuim30: Inkomensbescherming met activering31: Inkomensbescherming met activering bij arbeidsongeschiktheid

Tabel 2.2: Aansluitingstabel uitgaven begroting 2006 naar begroting 2007
UitgavenArtnr.200620072008200920102011
Ontwerpbegroting 2006 24 36724 55024 69624 83525 010 
        
Amendementen       
Noorman-Den Uyl schuldhulpverlening (30 300 XV 39)30– 25     
Noorman-Den Uyl schuldhulpverlening (30 300 XV 39)3325252319  
Verburg compensatie afbouw spak/vlw (30 300 XV 41)241515151515 
        
Mutaties Voorjaarsnota (1e sup 2006)       
Centra voor Werk en Inkomen22457– 4– 5– 5 
Volume REA237109912 
Ramingsbijstellingen WSW24415638 
Naar OCW tussenschoolse opvang25– 30– 30– 30– 30– 30 
Ramingsbijstellingen Kinderopvang25243651016 
Motie van Aartsen/Bos25– 35– 12– 2818 
De nieuwe Arbowet29 4222 
Ramingsbijstelling Arboconvenanten29– 3– 3    
Volume- en prijseffect WWB30– 133– 364– 538– 609– 615 
Uitstel kinderalimentatie304080    
Volume- en prijseffect IOAW30– 34– 64– 77– 83– 89 
Volume- en prijseffect IOAZ30– 7– 17– 24– 30– 36 
Ramingsbijstellingen Wajong31406892108136 
Volume- en prijseffect TW3210391214 
Rijksbijdrage BIKK AOW en Anw341024242424 
Rijksbijdrage Ouderdomsfonds341 7331 3691 3691 3691 369 
Loon- en prijsbijstellingdiv10795959595 
Overige mutaties Voorjaarsnota (o.a. eindejaarsmarge)div496– 1– 1– 1 
Subtotaal tot en met Voorjaarsnota 1e suppletore 26 20925 81725 66925 75125 943 
        
Mutaties Miljoenennota       
No risk polis225 5   
Duale trajecten22 – 5    
Volume REA232431  
No risk polis23– 2– 5– 7– 7– 7 
Afbouw RSP23 – 2– 8– 8  
Intensivering kinderopvang2510117130132135 
Verplichte werkgeversbijdrage2545529548565581 
Ramingsbijstellingen Kinderopvang2514– 16– 31– 31– 31 
Volume- en prijseffect WWB30– 32– 32185051 
Wet kinderalimentatie30 80160160160 
Uitbreiding doelgroep langdurigheid3022222 
Volume- en prijseffect IOAW30– 82333 
Aanpassing raming nabetalingen30– 9– 10– 11– 12– 12 
Aanpassingen TRI30 8    
Ramingsbijstellingen Wajong313019171717 
Volume- en prijseffect TW3294– 2– 4– 5 
Verhoging Kinderbijslag33 125125125125 
Overige bijstellingen AKW332522252423 
Volume en prijsbijstellingen TOG33512161921 
Wet Kindertoeslag33 67809809809 
Rijksbijdrage BIKK AOW en Anw34– 11237232287343 
Rijksbijdrage Ouderdomsfonds34– 423– 152158193223 
Rijksbijdrage AOWtoeslag34 129132135140 
Rijksbijdrage ANW toeslag341621212018 
Voorziening ESF99  7070  
Overige mutatiesdiv– 32– 11– 21– 22– 25 
        
Ontwerpbegroting 2007 25 85526 96428 06928 27928 50629 183

Tabel 2.3: Aansluitingstabel ontvangsten begroting 2006 naar begroting 2007
OntvangstenArtnr.200620072008200920102011
Ontwerpbegroting 2006 596465465445445 
        
Amendementen       
Verburg compensatie afbouw spak/vlw (30 300 XV 41)9815     
        
Mutaties Voorjaarsnota (1e sup 2006)       
Terugontvangsten CWI2210     
Hogere terugontvangsten WIW2344     
Hogere anticumulatie afdrachten244416161616 
Terugontvangsten IOAW3025     
Terugboeken ontvangsten Amendement WSW98– 15     
Diverse overige ontvangstendiv – 1– 1– 1– 1 
Subtotaal tot en met Voorjaarsnota 1e suppletore 719480480460460 
        
Mutaties Miljoenennota       
Terugontvangsten Agenda voor de Toekomst2310– 510   
Terugontvangsten ESF oud2315     
Terugontvangsten W-deel WWB2310     
Hogere anticumulatie afdrachten2455555 
Terugontvangsten kinderopvang256429141414 
Diverse overige ontvangstendiv4     
        
Ontwerpbegroting 2007 827509509479479479

Tabel 2.4: Totaaloverzicht begroting – en premiegefinancierde uitgaven 2007«In constante prijzen (x € 1 000); premieuitgaven exclusief post nominaal»
Art.OmschrijvingBegrotingsuitgavenPremieuitgavenTotaal
 Beleidsartikelen   
     
21Inkomensbeleid740 740
22Activerend arbeidsmarktbeleid361 433 361 433
23Re-integratie1 735 201465 3492 200 550
24Sociale werkvoorziening2 277 144 2 277 144
25Arbeid en zorg1 575 021766 0902 341 111
26Overlegstructuren, collectieve arbeidsvoorwaardenvorming en medezeggenschap3 874 3 874
27Regulering van individuele arbeidsrelaties8 213 8 213
28Pensioenbeleid1 600 1 600
29Arbeidsomstandigheden, arbozorg en verzuim83 972 83 972
30Inkomensbescherming met activering4 390 9523 561 0727 952 024
31Inkomensbescherming en arbeidsongeschiktheid1 837 69110 826 16312 663 854
32Overige inkomensbescherming325 56726 340 38026 665 947
33Tegemoetkoming specifieke kosten3 501 739 3 501 739
34 Rijksbijdragen aan sociale fondsen en spaarfonds AOW10 605 787 10 605 787
35Emancipatie12 816 12 816
     
 Niet-beleidsartikelen   
97Aflopende regelingen1 101 1 101
98Algemeen219 422 219 422
99Nominaal en onvoorzien21 606 21 606
     
 Totaal artikelen26 963 87941 959 05468 922 933