Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Artikel 47 Oorlogsgetroffenen en herinnering Wereldoorlog II

47.1 Algemene beleidsdoelstelling

De erfenis van WO II is afgewikkeld en mensen beseffen, mede op basis van de gebeurtenissen uit WO II, wat het betekent om in vrijheid te kunnen leven.


Belangrijkste beleidsonderwerpen 2007

• Vereenvoudiging van de oorlogswetten (47.3.1)

• Implementatie van het vernieuwde jeugdvoorlichtingsbeleid (47.3.2)

• Voortzetting van het programma Erfgoed van de oorlog (47.3.2)

Ministeriële verantwoordelijkheid

Ministeriële verantwoordelijkheid

We zijn verantwoordelijk voor:

• het actueel houden van de wet- en regelgeving voor oorlogsgetroffenen. Wijzigingen zijn met name nodig in verband met wijziging van wetgeving op andere terreinen.

• het toezicht op vier zelfstandige bestuursorganen (zbo’s): de PUR, de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR), de Stichting Het Gebaar (voor de Indische gemeenschap) en de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma.

• de (financiering van de) infrastructuur die het mogelijk maakt de herinnering van WO II in stand te houden.


Om de erfenis van WO II af te wikkelen (dat wil zeggen, de materiële en immateriële hulpverlening bij een dalend aantal oorlogsgetroffenen goed te laten verlopen) is het nodig dat uitvoeringsorganen zoals de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) in de laatste fase doelmatig en effectief blijven functioneren.


Bewustwording van de betekenis van het woord «vrijheid» wordt ondersteund door WO II als referentiepunt te nemen. Daarvoor is het belangrijk de herinnering levend te houden door instandhouding van herinneringscentra, conservering, ontsluiting en stimulering van gebruik van waardevol erfgoedmateriaal alsmede de vertaling van gebeurtenissen tijdens WO II naar deze tijd (jeugdvoorlichting). Werken aan bewustwording van (met name) de jeugd over de betekenis van vrijheid in relatie tot WOII is een complexe aangelegenheid. Het resultaat is onder meer afhankelijk van actuele maatschappelijke ontwikkelingen.

47.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsbedragen x € 1 000
 2005 2006 2007 2008 20092010 2011
Verplichtingen 411 151417 676 403 752 393 178 380 442 362 471349 844
        
Uitgaven 406 205 418 131404 348 393 178 380 442 362 471 349 844
        
Programma-uitgaven 405 124 416 959 403 260392 197 379 461 361 490 348 863
Wetten, regelingen en rechtsherstel WO II 397 429 409 580394 138 380 075 367 339 354 305 341 678
Waarvan juridisch verplicht in procenten  100 100 100 100 100
Herinnering en bewustzijn WO II 7 695 7 3799 122 12 122 12 122 7 185 7 185
Waarvan juridisch verplicht in procenten  80 72 65 62 62
        
Apparaatsuitgaven 1 081 1 172 1 088981 981 981 981
        
Ontvangsten3 779 0 0 0 0 0 0

De geraamde uitgaven op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, de uitgaven aan de pensioen- en uitkeringsraad, de uitgaven ten behoeve van aanpak cultureel erfgoed en alle instellingssubsidies zijn als meerjarig verplicht opgenomen.

47.3 Operationele doelstellingen

Er zijn twee operationele doelstellingen voor dit beleidsterrein:

1. een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afbouw;

2. de herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – vooral jeugdigen – zijn zich bewust van de betekenis van WO II.

47.3.1 Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afbouw

Motivering

Motivering

Het aantal oorlogsgetroffenen neemt om demografische redenen geleidelijk af. De kerncijfers van de PUR ( www.pur.nl onder algemeen/organisatie) laten zien dat het aantal uitkeringen ingevolge de oorlogswetten daalt van 37 743 in 2005 naar 31 317 in 2010. Gezien deze ontwikkeling zullen ook de organisaties die de materiële en immateriële hulpverlening verzorgen, geleidelijk moeten afbouwen. Het is belangrijk dat dit op een verantwoorde manier gebeurt, zodat de ondersteuning kwantitatief en kwalitatief op peil blijft. Het ministerie van VWS begeleidt en faciliteert deze afbouw. Dat gebeurt bijvoorbeeld door samenwerking te stimuleren tussen de instellingen waar het draagvlak van de afzonderlijke instellingen te smal dreigt te worden.


Onderstaande prestatie-indicatoren hebben betrekking op de doelmatigheid (indicator 1) en de kwaliteit van dienstverlening (indicatoren 2 en 3) van de PUR. Indicator 1 laat de apparaatskosten van de PUR zien in verhouding tot de uitgaven voor pensioenen en uitkeringen. Dit verhoudingspercentage geeft een globale indicatie van de doelmatigheid van de PUR. Directe sturing op dit percentage is niet goed mogelijk, mede door de afbouwfase waarin de PUR zich bevindt. Het streven is erop gericht een (sterke) stijging van dit percentage zoveel mogelijk te voorkomen. De indicatoren 2 en 3 tonen de percentages eerste aanvragen en vervolgaanvragen (om een uitkering of voorziening) die binnen de wettelijke termijn zijn afgehandeld. Dit is een belangrijke indicator voor de kwaliteit van dienstverlening van de PUR. Het percentage schommelde in 2004 rond de negentig procent. Gestreefd wordt in 2007 dit percentage minimaal te handhaven.


Begin 2006 heeft een extern bureau in opdracht van de PUR een onderzoek ingesteld naar de tevredenheid van de cliënten van de PUR. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat tachtig procent van de cliënten tevreden tot zeer tevreden is over de dienstverlening van de Raad.

Prestatie-indicatoren
Indicator Basiswaarde PeildatumStreefwaarde 2007 Streefwaarde 2010
1. Percentage apparaatskosten PUR in verhouding tot de uitgaven voor pensioenen en uitkeringen 5,3% 2005
Bron: PUR    
2. Percentage eerste aanvragen die door de PUR binnen de (verlengde) wettelijke termijn zijn afgehandeld91% 2004 91% ≥ 92%
Bron: PUR    
3. Percentage vervolgaanvragen die door de PUR binnen de (verlengde) wettelijke termijn zijn afgehandeld89% 2004 89% ≥ 92%
Bron: PUR    

Toelichting:

Prestatie-indicatoren 2 en 3: de basiswaarden en streefwaarden van de afhandeling van eerste aanvragen en vervolgaanvragen betreffen een gewogen gemiddelde van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (WUV), de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945 (WUBO) en de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP). Deze prestatie-indicatoren worden jaarlijks gemeten.

Instrumenten

• Bijdragen verlenen aan zbo’s

Om materiële hulp te kunnen verlenen aan oorlogsgetroffenen, stellen we bijdragen ter beschikking aan vier zbo’s, waaronder de PUR en Stichting Het Gebaar, voor hun uitvoeringskosten (€ 28,5 miljoen).

• Subsidies verlenen

Om immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen mogelijk te maken, verlenen we subsidies aan gespecialiseerde instellingen, waaronder de begeleidende instellingen: Stichting Pelita, Joods Maatschappelijk Werk (JMW) en Stichting 1940–1945 (€ 6,7 miljoen).

• Wet- en regelgeving bijstellen

We stellen de wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen bij, als wijzigingen in aanpalende wetten dat noodzakelijk maken. We voorzien geen principiële wijzigingen in de wetten voor oorlogsgetroffenen meer.

• Toezicht houden

Om de verantwoordelijkheid voor een rechtmatige, doelmatige en goede uitvoering van het wettelijk stelsel voor oorlogsgetroffenen en het naoorlogs rechtsherstel te kunnen waarmaken, oefenen we toezicht uit op de vier zbo’s. In de brief van 17 februari 2006 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken rond de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen. Onderwerpen die in deze brief aan de orde kwamen, waren het project Gerichte Benadering, de samenwerking tussen de PUR en de Sociale Verzekeringsbank (SVB), en de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de PUR.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1000)
 2007 20082009 2010 2011
Wetten en regelingen (totaal)353 884 341 898 329 162 316 128 303 501
Onder andere:      
Wet uitkeringen vervolgingslachtoffers 1940–1945 (Wuv) 186 600 177 400169 200 161 600 154 400
      
Bijdragen aan Zbo’s (totaal) 28 522 27 447 27 447 27 44727 447
Onder andere:     
Pensioen- en uitkeringsraad 26 87826 875 26 875 26 875 26 875
      
Instellingssubsidies (totaal) 8 847 8 5428 515 8 492 8 492
Onder andere:     
Subsidies immateriële dienstverlening6 419 6 329 6 302 6 280 6 280
      
Projectsubsidies (totaal) 2 8852 188 2 215 2 238 2 238
Onder andere:      
Projecten immateriële hulpverlening 306 396 423 445 445
      
Totaal 394 138 380 075 367 339354 305 341 678

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

47.3.2 De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen vooral jeugdigen – zijn zich bewust van de betekenis van WO II

Motivering

Motivering

Het is belangrijk de herinnering aan WO II levend te houden. Dit geldt niet alleen voor de mensen die deze oorlog hebben meegemaakt, maar ook voor jeugdigen vanwege de lessen die daaruit getrokken kunnen worden, mede in relatie tot actuele vraagstukken rond oorlog en vrede.


De beleidsprioriteit over het bekend houden van WO II is nader uitgewerkt in een brief aan de Tweede Kamer van 18 januari 2006. Aan deze brief is een bijlage toegevoegd over het jeugdvoorlichtingsbeleid WO II in de periode 2006–2010 met de titel «Raak de juiste snaar».


Het kabinet heeft in mei 2006 ingestemd met de inhoudelijke hoofdlijn van het programma Erfgoed van de oorlog en heeft in september 2006 de uitwerking daarvan, in de vorm van een plan van aanpak geaccordeerd. Bezien wordt of het mogelijk is voor de beleidsprioriteiten «jeugd» en «erfgoed WO II» in 2008 prestatie-indicatoren te ontwikkelen. Daarvoor zullen we onder andere overleg voeren met het Nationaal Comité 4 en 5 mei.


Onderstaande prestatie-indicatoren meten het belang dat de Nederlandse bevolking hecht aan 4 en 5 mei. Het deel van de Nederlandse bevolking dat veel belang hecht aan 4 en 5 mei, schommelt de laatste jaren tussen de 75 en 80 procent. Het is niet ondenkbaar dat de belangstelling voor 4 en 5 mei zal dalen, naarmate WO II verder achter ons ligt. Als deze in 2010 minder dan 70 procent bedraagt, kan dat aanleiding zijn om het beleid bij te stellen. Overigens is de mening van de Nederlandse bevolking over 4 en 5 mei maar beperkt beleidsmatig te sturen.

Prestatie-indicatoren
Prestatie-indicator WaardePeildatum Streefwaarde 2007 Streefwaarde langere termijn
Aandeel van de Nederlandse bevolking dat (veel) belang hecht aan 4 mei (Nationaal Vrijheidsonderzoek) (%) 80% 200680% ≥ 70%
Bron: Nationaal Comité 4 en 5 mei    
Aandeel van de Nederlandse bevolking dat (veel) belang hecht aan jaarlijkse viering van de bevrijding en de vrijheid op 5 mei (Nationaal Vrijheidsonderzoek) (%) 77% 200677% ≥ 70%
Bron: Nationaal Comité 4 en 5 mei.    

Toelichting:

Deze prestatie-indicatoren worden jaarlijks gemeten.

Instrumenten per beleidsprioriteit

Beleidsprioriteiten

1. Zoveel mogelijk jongeren in de leeftijdscategorie van 10 tot 18 jaar zijn bekend met WO II en zijn zich daardoor meer bewust van de betekenis van het woord «vrijheid»

• Subsidies verlenen

Om de herinnering aan WO II levend te houden en de betekenis ervan te vertalen naar deze tijd, verlenen we subsidies om nationale manifestaties te houden (4 en 5 mei; 15 augustus). Verder houden we vier nationale herinneringscentra in stand en laten we voorlichtingsprojecten uitvoeren die verband houden met WO II. Op 27 april 2006 is de Subsidieregeling voorlichtingsbeleid Tweede Wereldoorlogin de Staatscourant gepubliceerd. Het nieuwe voorlichtingsbeleid kent twee sporen. Ten eerste willen we kennis en informatie verspreiden over aspecten van de oorlog die onderbelicht zijn. Ten tweede willen we bewustwording creëren onder jongere generaties. We werken aan een grotere betrokkenheid van onderwijspartijen zoals docenten, lerarenopleidingen en beroepsverenigingen.

• Onderzoek laten verrichten

Om inzicht te krijgen in de gedachtevorming en bewustwording rond 4 en 5 mei en de achterliggende actuele thema’s (grondrechten, democratie, oorlog, vrijheid en verantwoordelijkheid) wordt subsidie verleend aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei voor het jaarlijks laten verrichten van een monitor-onderzoek. Het Nationaal Vrijheidsonderzoek 2006 is te vinden op www.herdenkenenvieren.nl.

2. Het meest waardevolle erfgoedmateriaal WO II blijft beschikbaar en toegankelijk voor huidige en toekomstige generaties

• Subsidies verlenen in verband met programma Erfgoed van de Oorlog

Het ministerie van VWS faciliteert concrete projecten om materiaal uit en over de Tweede Wereldoorlog te behouden, te ontsluiten en te gebruiken. Hierbij gaat het om conservering en digitalisering van archieven, museale collecties, foto-, film- en audiomateriaal. Voor sporen in het landschap zoals monumenten en gedenktekens proberen we de bestuurlijke verantwoordelijkheden beter te verankeren. Hoewel conservering en digitalisering belangrijke onderdelen van het programma vormen, is het doel van het Erfgoedprogramma primair de toegankelijkheid en het gebruik van de materialen en informatie over deze oorlog te vergroten. We zijn er namelijk van overtuigd dat de herinnering aan deze oorlog alleen van blijvende betekenis is, als we steeds de analogie kunnen laten zien tussen keuzes en dilemma’s uit die periode en keuzes en dilemma’s van nu.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1000)
 2007 20082009 2010 2011
Instellingssubsidies (totaal)4 330 4 363 4 363 4 363 4 363
Onder andere:      
Nationaal Comité 4 en 5 mei 2 731 2 731 2 731 2 731 2 731
      
Projectsubsidies (totaal) 4 7927 759 7 759 2 822 2 822
Onder andere:      
Projecten jeugdvoorlichting 1 184 1 184 1 1841 184 1 184
Projecten Erfgoed WO II2 612 5 612 5 612 675 675
Totaal9 122 12 122 12 122 7 185 7 185

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

47.4 Overzicht beleidsonderzoeken

 Onderzoek onderwerp Nummer AD of OD A Start B AfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting Programmacie. Voorlichting WOII 47.3.2 A december 2007 B februari 2008