Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Leeswijzer

Voor u ligt de Begroting 2007 van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:

• de beleidsagenda;

• de beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen;

• de diensten die een baten-lastenadministratie voeren;

• de bedrijfsvoeringsparagraaf;

• diverse bijlagen, waaronder het Financieel Beeld Zorg en het verdiepingshoofdstuk.


De beleidsagenda geeft kort de beleidsprioriteiten voor 2007 weer. We werken deze prioriteiten verder uit in de zogenoemde beleidsartikelen. De beleidsartikelen bestaan uit:

• een algemene beleidsdoelstelling;

• een tabel budgettaire gevolgen van beleid;

• de operationele doelstellingen;

• een overzicht met het geplande onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid.


Behalve beleidsartikelen bevat deze begroting ook zogenoemde niet-beleidsartikelen (artikel 98 en 99). De opbouw van deze niet-beleidsartikelen wijkt af van de hierboven genoemde beleidsartikelen. Artikel 98 bevat de uitgaven die niet specifiek aan een van de beleidsartikelen zijn toe te rekenen. Het gaat daarbij om ministerie- en zorgbrede apparaatsuitgaven, zoals voor het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), de adviesraden, de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Zorg-ZBO’s. Daarnaast verantwoorden we in artikel 98 de uitgaven aan internationale samenwerking, het strategisch onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Nederlands Vaccin Instituut (NVI). Artikel 99 is een technisch-administratief artikel.

Begroting nieuwe stijl

De indeling van deze Begroting 2007 wijkt af van die van de Begroting 2006. Het doel van deze verandering is de begroting beter aan te laten sluiten bij de beleidsdomeinen van VWS en vanuit de VBTB-optiek (Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording) te verbeteren. Daarnaast hebben wij het belang van de burger/de cliënt centraal gesteld en hebben wij het inzicht in de budgetflexibiliteit vergroot. In ieder artikel hebben wij ten slotte de doelstellingen aan de actuele beleidsontwikkelingen aangepast en geconcretiseerd. De doelstellingen zijn meetbaar gemaakt door een of meer prestatie-indicatoren op te nemen.

Budgetflexibiliteit

In de begroting 2006 gaven wij inzicht in de budgetflexibiliteit op het niveau van de toen bestaande 17 beleidsartikelen. Met de nieuwe begrotingsindeling geven wij u inzicht in de budgetflexibiliteit op het niveau van de 28 operationele doelstellingen van de 7 nieuwe beleidsartikelen. Het inzicht in de budgetflexibiliteit is daardoor aanzienlijk vergroot. De budgetflexibiliteit is steeds weergegeven in de tabel budgettaire gevolgen van beleid.


Bij iedere operationele doelstelling in de beleidsartikelen is daarnaast een meerjarige tabel opgenomen met de bedragen die geraamd worden voor projectsubsidies, instellingssubsidies, bijdragen aan baten-lastendiensten, bijdragen aan ZBO’s, opdrachten en specifieke uitkeringen. Per categorie worden de belangrijkste al aangegane verplichtingen als voorbeeld genoemd. In de categorie «Nader te bepalen» zijn de bedragen opgenomen die nog niet kunnen worden toebedeeld aan een van deze categorieën. De categorie «Nader te bepalen» komt niet overeen met de budgetflexibiliteit. De budgetflexibiliteit is namelijk op grond van de Rijksbegrotingsvoorschiften opgesteld op basis van de verplichtingen die naar verwachting op 1 januari 2007 zullen zijn aangegaan. In de meerjarige tabel met de geraamde uitgaven per categorie zijn alleen voorbeelden van verplichtingen opgenomen die al aangegaan waren bij het opstellen van deze begroting. Met deze tabel per operationele doelstelling geven wij invulling aan de motie Schippers (TK 2004–2005, 29 800, nr. 55).


Onze begroting bevat een aantal grote inkomensregelingen, rijksbijdragen en specifieke uitkeringen die – bij ongewijzigd beleid – voor meerdere jaren vastliggen. U kunt hierbij denken aan de Zorgtoeslag, de TBU en de uitkering aan de provincies en de grootstedelijke regio’s voor het jeugdbeleid. Daarnaast zijn er instellingen die een instellingssubsidie ontvangen en zijn er bijdragen aan ZBO’s/RWT’s en baten-lastendiensten. In de begroting hebben wij deze posten als meerjarig verplicht aangemerkt. Waar relevant is dit in een toelichting op de budgettaire tabel vermeld.


De niet-beleidsartikelen 98 en 99 hebben wij op dezelfde manier vormgegeven als in de begroting 2006. Dat betekent dat in artikel 98 inzicht in de budgetflexibiliteit op artikelniveau gegeven wordt. De doelstellingen bij dit artikel zijn niet toegelicht met indicatoren. Gezien het karakter van deze uitgaven heeft dat geen toegevoegde waarde. Artikel 99 is een technisch administratief artikel en bevat hoofdzakelijk nog onverdeelde posten.


In de Verdiepingsbijlage is een was-wordt tabel opgenomen waarin is aangegeven hoe de oude artikelen (2006) aan de nieuwe artikelen (2007) zijn toebedeeld.

De rijksbijdrage aan het CVZ voor dekking van de kosten Ziekenfondswet is hier niet meer opgenomen, omdat deze wet niet meer van kracht is en deze rijksbijdrage niet goed in het nieuwe artikel 42 Gezondheidszorg past. De totale uitgaven voor het jaar 2005 komen daardoor ook circa € 2,9 miljard lager uit dan in het jaarverslag 2005.

Prestatie-indicatoren in de begroting: concreet en actueel

De motie-Douma (TK, 2004–2005, 29 949, nr. 11) spreekt uit dat de doelstellingen in de begroting zo veel mogelijk in termen van maatschappelijke effecten (outcome) en in daarbij passende indicatoren geformuleerd moeten worden. In de nieuwe begrotingsindeling hebben wij de algemene doelstellingen daarom bij alle 7 beleidsartikelen opnieuw geformuleerd in termen van maatschappelijke effecten. Datzelfde geldt voor de bijbehorende indicatoren van 4 van de beleidsartikelen. Bij de algemene doelstellingen van de artikelen 42 Gezondheidszorg, 44 Maatschappelijke ondersteuning en 47 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II zijn (nog) geen prestatie-indicatoren in termen van outcome geformuleerd.

Bij artikel 42 is hier vooralsnog voor gekozen omdat in de Zorgbalans ook verantwoording over het presteren van het stelsel wordt afgelegd. Voor de begroting van 2008 zullen we bezien of het mogelijk is om mede in relatie tot de Zorgbalans één of meer prestatie-indicatoren voor dit artikel te formuleren.

Artikel 44 is een nieuw artikel en op dit moment zijn we bezig de informatievoorziening in te richten. Deze informatievoorziening is van grote invloed op het beschikbaar komen van prestatiegegevens (regulier en/of periodiek). Daarom is in dit artikel voor de begroting 2007 vooralsnog in hoofdzaak gekozen voor proces- en outputindicatoren.

Bij artikel 47 ten slotte geldt dat de twee operationele doelstellingen van dit artikel niet goed zijn samen te vatten in één allesomvattende indicator.


De indicatoren bij de algemene doelstellingen geven een gewenst maatschappelijk effect weer. Hierdoor hebben deze indicatoren een macrokarakter en kunnen wij ze maar gedeeltelijk beïnvloeden. De belangrijkste functie van de indicatoren is dat zij een positieve of negatieve trend kunnen weergeven. Een negatieve trend kan de aanleiding zijn om maatregelen te treffen. Inhoudelijk moeten de indicatoren overigens met enige terughoudendheid beoordeeld worden: zij geven een indicatie van de uitkomsten van het beleid weer.


Bij de operationele doelstellingen hebben wij gekozen voor indicatoren die aansluiten bij het directe resultaat van ons beleid. Deze indicatoren kunnen zowel op outcome als op output betrekking hebben. Een voorbeeld van een outcome-indicator is een daling van het percentage rokers. Een voorbeeld van een outputindicator is het percentage indicaties van het Centrum voor Indicatiestelling Zorg (CIZ) dat onherroepelijk is afgedaan binnen de termijn die daarvoor geldt.


Bij het opstellen van deze begroting hebben wij veel nieuwe indicatoren ontwikkeld. Wij hebben daardoor nog niet voor alle indicatoren de benodigde informatievoorziening kunnen inrichten. Waar relevant hebben wij vermeld op welk moment de indicator met een waarde «gevuld» zal worden. Op dat moment zullen wij ook een streefwaarde definiëren.


Bij het inrichten van de informatievoorziening sluiten we zo veel mogelijk aan bij de bestaande informatiebronnen. Het is namelijk niet de bedoeling dat de nieuwe begrotingsindeling tot extra administratieve lasten zal leiden. In een aantal gevallen betekent dit dat de indicatoren slechts één keer in de twee tot vier jaar verzameld worden. Dit is bijvoorbeeld het geval als de indicator afkomstig is uit de Zorgbalans (die om de twee jaar verschijnt) of uit de VolksgezondheidsToekomst Verkenningen (VTV) (die om de vier jaar verschijnt). Ook een aantal rapportages van het SCP wordt niet jaarlijks opgesteld. In deze gevallen lichten wij de frequentie waarmee de indicator verzameld wordt, apart toe.

Artikeloverstijgende budgetten

Onze begroting bevat enkele uitgaven die betrekking hebben op meerdere artikelen, zoals programma-uitgaven aan het Zorgonderzoek Nederland Medische wetenschappen (ZonMw), het arbeidsmarktbeleid en de ICT-uitgaven in de zorg. Daarbij horen ook de apparaatskosten van de IGZ en de zogeheten zorg-ZBO’s.


We hebben de artikeloverstijgende programma-uitgaven niet over de beleidsartikelen verdeeld, maar budgettair opgenomen onder de meest relevante operationele doelstelling van de beleidsartikelen Volksgezondheid (bijvoorbeeld ZonMw), Gezondheidszorg (bijvoorbeeld arbeidsmarktbeleid en ICT) of Langdurende zorg (bijvoorbeeld het Fonds Patiënten-, Gehandicaptenorganisaties en Ouderenbonden).


De artikeloverstijgende apparaatsuitgaven van onder meer het kerndepartement, de IGZ, het SCP en de zorg-ZBO’s hebben we opgenomen in artikel 98. De bijbehorende beleidsmatige teksten staan bij de artikelen en operationele doelstellingen waar ze beleidsmatig thuishoren. Doel hiervan is het beleid op de beleidsdomeinen zo veel mogelijk integraal te verwoorden.

Begrotingsuitgaven en premiegefinancierde zorguitgaven

In de begroting zijn zowel begrotings- als de premiegefinancierde uitgaven (hierna: premie-uitgaven) opgenomen. Beide uitgaven vallen onder de zogenoemde collectieve uitgaven. Er is een belangrijk verschil tussen beide uitgaven. Bij de begrotingsuitgaven voeren we zelf het beheer over de middelen die bij de begroting beschikbaar gesteld zijn. Dat wil zeggen: wij gaan alle verplichtingen aan en hebben alle uitgaven zelf gedaan. Bij de premie-uitgaven is dat anders; hieraan liggen individuele beslissingen ten grondslag van de partijen die bij de zorg betrokken zijn: patiënten/consumenten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars.


Wij zijn bij de premie-uitgaven verantwoordelijk voor de randvoorwaarden en de regelgeving en zien toe op de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de gezondheidszorg. De Nederlandse gezondheidszorg is in belangrijke mate een zaak van het particuliere initiatief. Daarmee bedoelen we dat zorg verlenen de primaire verantwoordelijkheid is van private zorgaanbieders en dat voor die zorgverlening betaald wordt binnen privaatrechtelijke verhoudingen tussen patiënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars.


De premie-uitgaven maken geen deel uit van het wetslichaam en de begrotingsstaat. We hebben deze uitgaven als beleidsinformatie opgenomen in de toelichting bij de begrotingsartikelen. In de toelichting bij de artikelen 41 tot en met 44 maken we bij de beschrijving van het instrumentarium daarom onderscheid tussen begrotingsgerelateerde (B) en premiegerelateerde (P) instrumenten. Artikel 44 bevat slechts enkele premie-instrumenten. Deze zijn apart gemarkeerd (P). De instrumenten in de overige artikelen zijn allemaal begrotingsgerelateerd. Verder hebben we de begrotingsuitgaven en de premie-uitgaven in aparte budgettaire tabellen opgenomen.


De tabellen met zorguitgaven geven een beeld van de verwachte premie-uitgaven op grond van de Zorgverzekeringswet (ZVW) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) op het beleidsdomein van het betrokken beleidsartikel. Deze premie-uitgaven hebben we uitgesplitst naar de verschillende sectoren die binnen het beleidsartikel vallen. Voor de verwachte groei in 2007 en volgende jaren hebben wij in de zorgartikelen de zogeheten groeiruimte opgenomen, waarmee onder andere de verwachte demografische groei kan worden opgevangen. Deze groeiruimte is in de tabellen apart weergegeven.


Om een duidelijk beeld te krijgen van de totale uitgaven en financiering van de zorg in Nederland vindt u in een bijlage bij deze begroting «Het Financieel Beeld Zorg». De belangrijkste mutaties in de begrotingsuitgaven en premiegefinancierde zorguitgaven in het afgelopen jaar hebben we opgenomen in het verdiepingshoofdstuk.